<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>    • L.
211
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                                                      22-2t
                                                   4~
Ministerie van Verkeer en Waterstaat                                           Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat
                                                                               Adviesdienst Verkeer en Vervoer
            Aan
            De HID's van Rijkswaterstaat
            Contactpersoon                                                     Doorkiesnummer
            Ir. J. van der Waard                                               (010) 282 57 67
            Datum                                                              Bijlage(n)
            11juni2002
            Ons kenmerk                                                        Uw kenmerk
            VMM 2002 1504/ DvH
            Onderwerp                                                          Pro jectcode
            Toezending rapport
            Geachte heer,
            Ter informatie stuur ik u een exemplaar van het rapport 'Selectief Investeren, ICES-
            maatregelen tegen het licht'
            Dit rapport bevat de resultaten van de beoordeling door de gezamenlijke planbureaus
            (CPB, RPB, RIVM en SCP), van een groot aantal investeringsvoorstellen aan de
            Interdepartementale Commissie inzake het Economisch Structuurbeleid (ICES). AVV
            leverde onder de condities van het protocol voor werkzaamheden voor de planbureaus
            door de Specialistische Diensten van RWS, een bijdrage aan het project. De Directie
            Strategie en Coördinatie (S&C) van het Ministerie fungeerde daarbij als intern
            opdrachtgever. Die bijdrage was gericht op het beoordelen van door de projectindieners
            aangeleverde informatie en het zelf leveren van informatie m.b.t. fysieke effecten op het
            gebied van mobiliteit en bereikbaarheid.
            Op verzoek van de Interdepartementale Commissie inzake het Economisch
            structuurbeleid (ICES) hebben de planbureaus zich de afgelopen twee jaar gebogen over
            ruim 300 investeringsvoorstellen van de departementen en de regio's van in totaal
            ongeveer 100 miljard euro. Het betreft een breed scala aan projecten op acht
            beleidsterreinen: fysieke bereikbaarheid, natuur, landschap en water, vitaliteit grote
            steden, ruimtelijke inrichting, elektronische bereikbaarheid, dienstverlening overheid,
            milieu en kennisinfrastructuur. De meerwaarde van de studie ligt in de systematische
            analyse. Het is betrekkelijk uniek dat zoveel investeringsvoorstellen van vele
             departementen en regio's aan een systematische analyse worden onderworpen. Over de
            politieke wenselijkheid van de investeringen doet de studie geen uitspraken, wel over
             haalbaarheden, kosten, baten en mogelijke alternatieven om de gestelde doelen te
             realiseren. Centraal staat de vraag in hoeverre projecten de maatschappelijke welvaart
             vergroten.
             Internet www.rws-avv.nI                                            Telefoon (010) 282 57 38
             Postadres : Postbus 1031, 3000 BA Rotterdam                        Telefax (010) 282 5642
             Bezoekadres Boompjes 200                                           E-mail d.j.vdheuvel@avvrws.minvenW.nl
             0p loopafstand van metrostation 'Leuvehaven en NS-station Rotterdam-Biaak'
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                 VMM
De planbureaus hanteren daarbij een breed welvaartsbegrip, zodat ook niet-monetaire
baten, bijvoorbeeld van natuur of monumentenzorg, nadrukkelijk zijn betrokken bij de
beoordeling.
Bij de beoordeling vormden de criteria legitimiteit, effectiviteit en efficiëntie de kern,
maar er is ook gekeken naar onzekerheden (bijvoorbeeld m.b.t. de effecten of de
kosten), proceskenmerken (bijvoorbeeld: is er draagvlak bij andere partijen waarvan de
uitvoering afhankelijk is) en alternatieven (zijn er andere beleidsmogelijkheden die
effectiever of efficiënter zijn. De beoordeling leidde tot één van drie mogelijke scores:
robuuste projecten (A) scoren bij (bijna) alle criteria gunstig. De categorie
opwaardeerbaar (B) heeft betrekking op voorstellen waarvan de meeste criteria gunstig
worden beoordeeld, maar waar herformulering of aanscherping tot een beter voorstel
zou leiden. Als één van de kerncriteria legitimiteit, effectiviteit of efficiëntie als ongunstig
wordt beoordeeld, of als de score op een groot aantal criteria minder gunstig is, is het
project als geheel zwak (C) beoordeeld.
Het algemene beeld van de beoordelingen is als volgt: de categorie als robuust
beoordeelde projecten is relatief klein (10% van de claims). Bijna de helft van de claims
is als zwak beoordeeld. Dit oordeel kan om uiteenlopende redenen zijn gegeven. Soms is
er sprake van een duidelijk negatief oordeel over essentiële aspecten van het project;
een nadere uitwerking of onderbouwing van het project zal dan niet gemakkelijk tot een
ander oordeel leiden. Veel vaker was echter nog niet duidelijk welke maatregelen
worden beoogd. Dit kan er mee samenhangen dat op sommige terreinen het beleid nog
niet was vastgesteld. Hier zou een nadere concretisering van de projecten te zijner tijd
mogelijk tot een beter oordeel leiden. Dit laatste speelt met name bij de beleidsterreinen
natuur, landschap en ruimtelijke inrichting. Binnen het thema Fysieke Bereikbaarheid
was het aandeel robuuste voorstellen overigens relatief hoog. Hieronder zijn de
belangrijkste bevindingen op het thema Fysieke Bereikbaarheid weergegeven. Voor de
bevindingen op andere thema's wordt verwezen naar het rapport.
Binnen het thema Fysieke Bereikbaarheid is voor ruim 25 mid euro aan voorstellen
ingediend, in aanvulling op de reeds geplande investeringen (tot 2010) van ruim 35 mid
euro. in de geplande investeringen en in de ingediende voorstellen ligt een fors accent
op AV-verbeteringen in de Randstad. Er is een aantal omvangrijke projecten ingediend,
zoals 'Zuiderzeelijn' 'Rondje Randstad' en 'HSL-Oost'. Bij deze projecten is het beeld
minder gunstig, omdat de projecten niet goed aansluiten bij de aard en omvang van de
problemen, of bij verwachte ontwikkelingen. Daarbij komt dat de mogelijkheden om
met infrastructuurinvesteringen de ruimtelijk-economische structuur te beïnvloeden
beperkt zijn, omdat Nederland al over vrij complete transportnetwerken beschikt. Voor
'HSL-Oost' zijn alleen beperkte benuttingsmaatregelen robuust. Ook andere relatief
kleine investeringen in benutting scoren in veel gevallen gunstig doordat zij specifieke
knelpunten wegnemen. Van alle grootschalige projecten zijn er twee als robuust
beoordeeld. De projecten 'kilometerheffing' en het verkeersveiligheidsproject
'Duurzaam Veilig 2' kosten beide ca. 2 mid Euro (ten behoeve van de beoordeling van
kilometerheffing is door de planbureaus een bedrag geschat, waarbij is uitgegaan van
een conservatieve bijdrage van private partijen). Daar staan bij de genoemde projecten,
ook bij deze uitgangspunten, zodanig grote positieve effecten tegenover in termen van
congestie en milieu (kilometerheffing) respectievelijk verkeersveiligheid dat deze
projecten als robuust zijn beoordeeld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Bij kleinschalige investeringen die aantoonbaar effectief zijn voor het wegnemen van
knelpunten zijn de baten vaak groter dan de kosten. Bij een aantal robuuste
wegenprojecten zijn er ook ongunstige neveneffecten op natuur en milieu; deze zijn
echter bescheiden van omvang, zodat het oordeel hierdoor niet wezenlijk verandert.
Ook is een aantal grote koepeiclaims ingediend die, vanwege de wisselende kwaliteit
van de voorbeeldprojecten, als opwaardeerbaar zijn beoordeeld. Een voorbeeld binnen
het thema Fysieke Bereikbaarheid is het voorstel Gebundelde Doeluitkering voor
infrastructuu r'.
Het rapport is inmiddels aan de ICES aangeboden en door het CPB ruim verspreid.
Ondanks een waarschijnlijk beperkte begrotingsruimte valt te verwachten dat de
resultaten van de studie een rol zullen spelen bij afwegingen in de komende
kabinetsperiode.
Ik hoop u met het toezenden van dit rapport van dienst te zijn.
Met vriendelijke groet,
DE HOOFDINGENIEUR-DIRECTEUR
namens deze,
de plaatsvervangen       oofdingenieur-directeur,
Mw. d . 1. van d Hee (MBA)
 In afschrift aan:
 Hoofdkantoor Directie Kennis                 t.a.v. Theo van de Gazelle
 Strategie & Coördinatie                      t.a.v. Arie Bleijenberg
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                               Selectiefinvesteren
                     ICE S-maatregelen tegen het licht
              Centraal Planbureau
                                                1 SEP ?2
                                           BID 0 C
                                           (bibotheek en documentatie)
                                                 Dienst Weg- en WaterbOUWl
                                                                         LFT
                                                 postbus 5044 2ER) (' r)Eunde
                                                 Tel01525183 63 / 364
voor Volksgezondheid
ee Milieu
RPB                  Ruimtelijk Planbureau
met medewerking van AVV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Den Haag, mei 2002
Centraal Planbureau
Van Stolkweg 14
Postbus 80510
2508 GM s-Gravenhage
Telefoon 070 338 33 80
Telefax   070 338 3350
Website   www.cpb.nl
Koninklijke De Swart
ISBN 90-5833-096-6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                         INHOUD
Inhoud
Ten geleide                                                    7
Conclusies op hoofdlijnen                                      9
Samenvatting                                                 17
i      Inleiding                                             33
1.1    Investeringsbeleid                                    33
1.2    De ICES en de planbureaus                             34
1.3    Aanpak van de beoordelingen                           35
1.4    Leeswijzer                                            38
2      Investeringsvoorstellen                               41
2.1    Inleiding                                             4'
2.2    Indiening en informatieverzameling                    42
2.3    Overzicht ingediende claims                           45
       Fysieke bereikbaarheid                                49
3.1    Beleidsopgaven                                        49
       3.1.1    Bereikbaarheid                               50
       3.1.2    Verkeersveiligheid                            55
       3.1.3    Leefomgeving                                 56
3.2    Beoordeling van investeringsvoorstellen               57
       3.2.1    Hoofdwegennet                                57
       3.2.2    Openbaar vervoer                             59
       3.2.3    Goederenvervoer                             6o
       3.2.4    Verkeersveiligheid                           62
       3.2.5    Decentralisatie                              63
       3.2.6    Totaalbeeld                                  64
3.3    Beleidsopties                                         67
       3.3.1    Niet.investeringsbeleid                      67
       3.3.2    De rol van investeringen en ander beleid     68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>S ELECTIE F IN VESTEREN: IN H OUD
4         Natuur, landschap en water                              71
4.1       Beleidsopgaven                                          71
          4.1.1       Kwaliteit van de leefomgeving               72
          4.1.2       Duurzaamheid van de leefomgeving            74
4.2       Beoordeling van investeringsvoorstellen                76
          4.2.1       Kwaliteit van de leefomgeving              76
          4.2.2       Kwaliteit in landelijk gebied               77
          4.2.3       Duurzaamheid van de leefomgeving            81
          4.2.4       Totaalbeeld beoordelingen                  86
4.3       Beleidsopties                                          86
          4.3.1       Ander beleid dan investeren                86
          4.3.2       Beleidsperspectief                          88
5         Vitaliteit grote steden                                 9'
5.1       Ontwikkelingen en beleidsopgaven                        9'
          5.1.1       Economie en arbeidsmarkt                    91
          5.1.2       Kwaliteit stedelijk gebied                  93
          5.1.3       Leefbaarheid                                97
5.2       Beoordeling van investeringsvoorstellen                 98
          5.2.1       Kwaliteit stedelijk gebied                 99
          5.2.2       Leefbaarheid                              102
          5.2.3       Overige projecten                         102
          5.2.4       Totaalbeeld                               103
5.3       Beleidsopties                                         105
          5.3.1       Alternatief beleid                        105
          5.3.2       Investeringen in breder perspectief       107
6         ICT en overheid                                       109
6.1       Beleidsopgaven                                        109
6.2       Beoordeling van de investeringsvoorstellen             112
6.3       Beleidsopties                                          11 4
7         Kennisinfrastructuur                                   117
7.1       Beleidsopgaven                                         11 7
          7.1.1       Autonomievergroting                        117
          7.1.2       Een sterkte/zwakte analyse in vogelvlucht  117
          7.1.3       Indicatoren als eerste stap                118
          7.1.4       Beleidsopgaven                            "9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                     IN HOUD
 7.2     Beoordelingen                                                  120
        7.2.1    Reguliere voorstellen                                  120
        7.2.2    ICES-KIS                                                123
        7.2.3   Conclusie: beleidsopgaven en investeringsvoorstellen    126
7.3     Beleidsopties                                                    127
8       Milieu                                                           131
8.1     Beleidsopgaven                                                   13'
        8.1.1   Broeikasgassen en luchtkwaliteit                         131
        8.1.2   Geluidhinder                                             132
        8.1.3   Externe veiligheid                                       132
        8.1.4   Afval                                                    133
8.2     Beoordeling van investeringsvoorstellen                          133
        8.2.1   Broeikasgassen en luchtkwaliteit                         133
        8.2.2   Geluid                                                   134
        8.2.3   Externe veiligheid                                       134
        8.2.4   Afval                                                    134
        8.2.5   Overig                                                   135
        8.2.6   Totaalbeeld milieubeoordelingen                         136
8.3     Beleidsopties                                                   136
        8.3.1   Ander beleid                                            136
        8.3.2   Perspectief                                             138
9       Ruimtelijke inrichting                                           141
9.1     Beleidsopgaven                                                   141
        9.1.1   Algemene uitgangspunten van het beleid                   141
        9.1.2   Kwantitatieve ruimtebehoeften                           144
9.2     Ruimtelijke projecten                                           145
9.3     Beleidsopties                                                   159
        9.3.1   Alternatief beleid                                      159
        9.3.2   Afweging                                                161
jo      Totaalbeeld projectbeoordelingen                                165
jo.,   Totale uitkomsten                                                165
10.2    Slotbeschouwing                                                 167
Bijlage A Oordeel van de Wetenschappelijke Klankbordgroep               171
Bijlage B Lijst van voorstellen en beoordelingen                        175
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Ss LECTIEF IN VESTERE N: IN HOU D
Bijlage C Format voor indiening van voorstellen                       183
Bijlage D Beoordelingskader                                           185
Bijlage E Organisatie van het project                                  '95
Bijlage F Investeren in kennis: een quick scan van acht kennisthema's '97
Bijlage G Extra voorstellen fysieke bereikbaarheid                    205
Bijlage H Vergelijking met 'Kiezen of delen' (1998)                   209
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                          TEN GELEIDE
Ten geleide
De Nederlandse overheid investeert jaarlijks miljarden euro's. Het gaat daarbij niet alleen om
transportinfrastructuur, maar ook om natuurgebieden, stadsvernieuwing, bedrijfsterreinen,
onderwijs en onderzoek. Bij de selectie van concrete investeringen is het van groot belang na te
gaan of de maatschappelijke voordelen van de investeringen opwegen tegen de kosten. Dit
rapport bevat een verslag van een dergelijke analyse.
Op verzoek van de Interdepartementale Commissie inzake het Economisch Structuurbeleid
(ICES) hebben het Centraal Planbureau (CPB), het Milieu- en Natuurplanbureau (RIVM), het
Ruimtelijk Planbureau (RPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met medewerking
van de Adviesdienst Verkeer en Vervoer (AVV) en de Stichting DLO investeringsvoorstellen van
ministeries en regio's beoordeeld. De informatie over de kwaliteit van investeringen die hieruit
voortkomt, kan door het volgende kabinet worden benut bij het vormgeven van het
investeringsbeleid.
Bij de beoordeling van de investeringsvoorstellen zijn niet alleen kwantitatieve, financieel-
economische effecten beschouwd. Ook kwalitatieve baten, bijvoorbeeld van natuurgebieden of
mon urn entenzorg, zijn ten volle in eegewogen.
Het onderzoek is uitgevoerd door een projectteam. De projectleider was CarI Koopmans (CPB),
in samenwerking met Henri Dijkman (CPB). Ook Annemiek Verrips (CPB) leverde een
belangrijke bijdrage aan de coördinatie. De andere leden van het projectteam waren Jan-Anne
Annema (RIVM), Eriedel Filius (RPB), Jan Francke (AVV), Ybele Hoogeveen (Stichting DLO),
Marcel Mulder (AVV), Marc Pomp (CPB), Jan van der Waard (AVV) en Ries van der Wouden
(SCP). Naast de leden van het projectteam hebben diverse andere medewerkers van de
genoemde instituten bijdragen geleverd.
Mijn dank gaat uit naar het projectteam en de andere betrokkenen. Zij hebben in een relatief
beperkte tijd een zeer groot aantal investeringsvoorstellen geanalyseerd.
Mede namens RIVM, RPB en SCP,
E.J.H. Don
directeur CPB
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: INHOUD</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                           CONCLUSIES OP HOOFDLIJNEN
Conclusies op hoofdlijnen
 In dit rapport wordt een groot aantal investeringsplannen voor de komende jaren geanalyseerd.
Er wordt gekeken naar kosten, baten en onzekerheden, en naar alternatieven. In de kern gaat het
om een beoordeling van de doelmatigheid van de projectvoorstellen. De voorstellen worden aan
de hand van deze criteria beoordeeld als robuust, opwaardeerbaar of zwak/onbeoordeelbaar.
Het onderzoek heeft het karakter van een 'quick-scan', vanwege het aantal beoordeelde projecten
en de beschikbare tijd voor het onderzoek.
Het onderzoek is verricht op verzoek van de ICES. Het is uitgevoerd door de planbureaus CPB,
RIVM, RPB en SGP met medewerking van AVV en de Stichting DLO.
Investeringsvoorstelleri
In totaal is voor bijna ioo mld euro aan voorstellen ingediend door ministeries en door
landsdelen (samenwerkende provincies en gemeenten). De departementen hebben rio
voorstellen ingediend; deze zijn alle beoordeeld. Het aantal landsdelige voorstellen (262) bleek
te groot om allemaal te kunnen beoordelen. De planbureaus hebben hiervan io6 projecten
beoordeeld. Veel landsdelige projecten kunnen worden ingedeeld in 'clusters van gelijksoortige
projecten op verschillende plaatsen. Hieruit zijn steekproeven getrokken, aan de hand waarvan
uitspraken kunnen worden gedaan over succes- en faalfactoren voor projecten binnen de
cluster. Daarnaast zijn met name sterk onvolledige en zeer kleine claims weggelaten.
De selectie en clustering leidt ertoe dat ruim          90%    van de totale claim wordt beoordeeld.
 Tabel i geeft aan hoe de claims zijn verdeeld over beleidsterreinen. Zowel bij de departementale
als de landsdelige claims zijn de geclaimde bedragen voor 'Fysieke bereikbaarheid' het grootst.
Voor dit beleidsterrein wordt ruim een derde van het totaal geclaimd. Ook ligt er een grote claim
rond 'Natuur, landschap en water', zowel bij de departementen als bij de landsdelen. Daarnaast
is relatief veel geld geclaimd voor het thema 'Vitaliteit grote steden'.
    Diverse projecten kennen een ruimtelijke neerslag. Deze projecten zijn toegedeeld aan het
beleidsterrein waar de belangrijkste effecten optreden. Om dubbeltelling te voorkomen is
afgezien van een afzonderlijke rubricering naar het beleidsterrein Ruimtelijke Inrichting.
  Door de landsdelen zijn aanvankelijk ca.   400 projecten aan de ICES voorgelegd. Daarvan zijn er na bestuurlijk
overleg 262 bij de planbureaus ingediend.
  Op deze wijze is (direct en indirect) over ruim 175 landsdelige projecten een oordeel gegeven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>               SELECTIEF INVESTEREN: CONCLUSIES OP HOOFDLIJNEN
Tabel 1             Claims naar beleidsterreina en soort indiener
                                                    Departementen             Lands delen                Totaal               Aan dee
                                                                 mld euro                                                            %
Fysieke bereikbaarheid                                           29,2                   7,6                  36,8                   37
Natuur, landschap en water                                       15,1                  6,8                  219                     22
Vitaliteit grote steden                                          11,2                   7,5                 18,6                    19
ICT en overheid                                                   3,2                  0,0                    3,2                     3
Kennisinfrastructuur                                             11,2                  1,5                  12,7                    13
Milieu                                                            6,0                  0,2                    6,2                     6
Totaal                                                           75,9                 23,9                   99,7                  100
a Diverse projecten kennen een ruimtelijke neerslag. Deze zijn toegedeeld aan het beleidsterrein waar de belangrijkste effecten
optreden. Om dubbeltelling te voorkomen is afgezien van een afzonderlijke rubricering naar het beleidsterrein Ruimtelijke
Inrichtine.
               Totaalbeeld projectbeoordelingen
               Een totaalbeeld van de beoorde!ingen wordt gegeven in onderstaande tabel. De categorie
               robuuste projecten is relatief klein (io% van de claims). Bijna de helft van de claims is als
               zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. Het percentage robuuste claims is bij de landsdelen iets
               hoger dan bij de departementen; het aantal zwakke/onbeoordeelbare projecten is echter bij de
               laudsdelen eveneens hoger.
Tabel 2             Reoordelingen, totaaloverzicht
                                                      Departementen                  Landsdelen                      Totaal
                                                        mld euro %                   mld euro                         mld euro      %
A                                                       7,7           10             1,5            13                9,2           10
B                                                      34,5           45             4,1            35               38,6            44
C                                                      33,7           44             6,1            52               39,8           45
TotaalV                                                                             16,2                             92,0          1010
                                                       75,9         100                           100
  In dit overzicht is in de regel 'totaal' bij de 11,7 mld euro direct beoordeelde landsdelige projecten de indirect beoordeelde claim
van 4,5 mld euro opgeteld; er is niet gecorrigeerd voor overlap tussen landsdelige en departementale voorstellen.
               Het oordeel zwak/onbcoordeelbaar kan om uiteenlopende redenen zijn gegeven. Soms is er
               sprake van een duidelijk negatief oordeel over essentiële aspecten van het project; een nadere
               uitwerking of onderbouwing van het project zal dan niet gemakkelijk tot een ander oordeel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                                                                    CONCLUSIES OP HOOFDLIJNEN
               leiden. Veel vaker is echter nog niet duidelijk welke maatregelen worden beoogd. Dit kan er mee
               samenhangen dat op sommige terreinen het beleid nog niet was vastgesteld. Hier zou een
               nadere concretisering van de projecten te zijner tijd mogelijk tot een ander oordeel leiden. Dit
               laatste speelt met name bij de beleidsterreinen natuur, landschap en ruimtelijke inrichting.
               De  25 grootste projecten, die alle door de departementen zijn ingediend, vertegenwoordigen
               gezamenlijk de helft van de claims. Hiervan is ruim 9% als robuust beoordeeld: het gaat om de
               twee projecten 'Duurzaam Veilig' en 'Kilometerhefflng'. Een probleem bij veel andere grote
               projecten is dat zij vaak te groot van opzet zijn in relatie tot de omvang van de problemen en de
               kansen. Voorbeelden zijn de Zuiderzeelijn en het Rondje Randstad ('snelle spoorverbinding in
               de Deltarnetropool'), waar spanning bestaat tussen de beleidsmatige wenselijkheden en de
               haalbaarheden op een steeds meer ontwikkelde mobiliteitsmarkt. Ook bevat een deel van deze
               grote projecten onrendabele onderdelen, of zijn er efficiëntere alternatieven. Voorbeelden
               hiervan zijn projecten als 'Kwaliteitsimpuls bestaande woonwijken', 'Stedelijke
               structuurverbetering door overkluizing' en de realisatiefase van het project 'Innovatie
               geluidbeleid spoor en weg'.
Tabel 3             Beoordelingen naar beleidsterreina                                                              -
                                                                                ICES-claim (mid   euro)
                                                       totaal                    A                      B                     C
Fysieke bereikbaarheid                                   32,5                   6,5                 16,0                   10,0
                                                                             (20%)                (49%)                  (31%)
Natuur, landschap en water                               19,3                   0,8                 10,1                    8,4
                                                                              (4%)                (52%)                  (44%)
Vitaliteit grote steden                                  14,3                   0,2                   5,7                   8,4
                                                                              (1%)                (40%)                  (59%)
JCT en overheid                                           3,1                   0,7                  1,2                    1,2
                                                                             (22%)                (41%)                  (37%)
Kennisinfrastructuur                                     12,1                   0,7                   4,8                   6,6
                                                                              (6%)                (40%)                  (54%)
Milieu                                                    6,1                   0,3                  0,7                    5,1
                                                                              (4%)                (12%)                  (83%)
Totaal                                                   87,5                  9,2                  38,6                   39,8
                                                                            (10%)                 (44%)                  (45%)
a Diverse projecten kennen een ruimtelijke neerslag. Deze zijn toegedeeld aan het beleidsterrein waar de belangrijkste effecten
optreden. Om dubbeltelling te voorkomen is afgezien van een afzonderlijke rubricering naar het beleidsterrein Ruimtelijke
Inrichting.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre> SELECTIEF INVESTEREN: CONCLUSIES OP HOOFDLIJNEN
 Ook is een aantal grote koepeiclaims ingediend die, vanwege de wisselende kwaliteit van de
 voorbeeldprojecten, als opwaardeerbaar zijn beoordeeld. Voorbeelden zijn de claims
 Herstructurering Bedrijventerreinen, Regionale watersystemen, Groen in en om de stad, de
 Gebundelde Doeluitkering voor infrastructuur en de Sleutelprojecten.
     De verdeling van de projectbeoordelingen over de beleidsterreinen wordt weergegeven in
 bovenstaande tabel. Het aandeel robuuste voorstellen is relatief hoog bij de dossiers Fysieke
 bereikbaarheid en ICT en overheid. Bij Fysieke bereikbaarheid gaat het niet primair om aanleg
van nieuwe infrastructuur, maar om verkeersveiligheid en de kilometerheffing (samen twee
derde van de robuuste claims op dit terrein). In het kleine dossier ICT en overheid is alleen het
grote project 'Stroomlijning basisgegevens' robuust.
     Het aandeel robuuste voorstellen bij de beleidsterreinen Vitaliteit grote steden', Natuur,
landschap en water' en Milieu' is relatief laag. Voor de eerste twee terreinen geldt dat
investeringen belangrijk kunnen zijn voor het bereiken van de beleidsdoelen. Op het gebied van
 Natuur, landschap en water is een relatief groot deel van de voorstellen opwaardeerbaar; deze
plannen vragen om nadere uitwerking en kunnen vaak aan kracht winnen door een selectievere
benadering toe te passen. Voor het milieudossier liggen overheidsinvesteringen in veel gevallen
minder in de rede. Hier verdient ander beleid dan investeringen en subsidies vaak de voorkeur,
zoals regelgeving en heffingen. Voor een aantal specifieke milieudossiers, zoals bodemsanering
en geluidhinder, zijn investeringen overigens wel belangrijk om de doelstellingen te kunnen
realiseren.
 Er dient met nadruk op te worden gewezen dat een ongunstige beoordeling van
projectvoorstellen geenszins betekent dat daarmee ook een oordeel wordt gegeven over de
achterliggende beleidsdoelen. De finale beleidsdoelen vormen een gegeven voor de analyse. Het
gaat daarbij niet alleen om doelstellingen voor de economische structuur in enge zin, maar ook
om bredere doelstellingen die in de grote nota's zijn opgenomen. Het oordeel heeft betrekking
op de kwaliteit van het projectvoorstel. Zwakke/onbeoordeelbare projecten vallen in twee
categorieën uiteen: deels betreft het goed uitgewerkte voorstellen, waarvan de effectiviteit en
efficiëntie ongunstig uitvallen. Voor een ander deel betreft het voorstellen die zo summier zijn
ingevuld en beargumenteerd dat er op dit moment geen uitzicht is om met beperkte
aanpassingen alsnog tot een robuust investeringsplan te kunnen komen. Bovendien speelt bij
deze laatste categorie projecten ook vaak mee dat de effecten van onderdelen van de voorstellen
die wel duidelijk zijn, geen gunstige effecten lijken te hebben. De implicatie voor deze laatste
categorie projecten is, dat een stevige herformulering en herschikking van de projectinhoud
nodig zal zijn om de beoogde doelen te realiseren. Hier ligt dan ook een belangrijke uitdaging
om de doelen op deze gebieden in de toekomst te kunnen realiseren.
12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                                                               CONCLUSIES OP HOOFDLIJNEN
Als voorbeeld kan het terrein van de externe veiligheid worden genoemd, waarvoor een
duidelijke beleidsopgave is geformuleerd maar waar de ingediende projecten soms zo summier
zijn beschreven dat deze niet beoordeelbaar zijn.
Beleidsopties
 Uit dit rapport blijkt dat er op alle terreinen zowel robuuste als zwakke/onbeoordeelbare
projecten zijn ingediend. Op sommige terreinen is liet aantal robuuste projecten echter klein.
Naar verwachting zullen diverse beleidsopgaven niet met de ingediende investeringen kunnen
worden gedekt. De vraag rijst hoe met deze beleidstekorten kan worden omgegaan. Hiervoor
staan verschillende opties open.
Een mogelijke benadering zou kunnen zijn om per beleidsterrein de instrumentkeuze nog eens
te bezien. Niet alle problemen hoeven, of kunnen, met geld (investeringen, subsidies) worden
opgelost. Bovendien wijzen verschillende beoordelingen op afnemende meeropbrengsten van
investeringen. Veel problemen lenen zich primair of in belangrijke mate voor andere
instrumenten. Het gaat daarbij met name om heffingen (bereikbaarheid, milieu, ruimte),
regulering (milieu, ruimte, elektronische bereikbaarheid), institutionele vernieuwing (kennis) en
uitvoerende overheidstaken (grote steden).
Daarnaast zou kunnen worden overwogen om bepaalde beleidsstrategieën bij te stellen. Dit geldt
bijvoorbeeld voor de ruimtelijke sturing met 0V-investeringen. Uit de beoordelingen blijkt dat
de mogelijkheden om met infrastructuur-investeringen veranderingen in de ruimtelijk-
economische structuur te realiseren beperkt zijn.
    In dit verband kan de vraag worden gesteld of investeringsbeleid een sturend of een meer
accommoderend karakter moet hebben. In het eerste geval worden aanzienlijke bedragen
geïnvesteerd met de ambitie om structurele veranderingen te bewerkstelligen. In het tweede
geval is het oogmerk is om knelpunten weg te nemen en kansen te benutten, tegen de
achtergrond van bestaande situaties en trends.
Verder lijkt een betere iwu11ing een beleidsstrategieën gewenst. Als de investcringsvoorstellen die
passen bij een bepaalde beleidsstrategie (bijvoorbeeld waterveiligheid door ruimtelijke
maatregelen) in dit rapport minder gunstig worden beoordeeld, betekent dit nog niet dat de
beleidsstrategie minder zinvol zou zijn. Het is van belang om bij goede strategieën ook goede
projecten te formuleren. De beoordelingen geven niet alleen aan in welke opzichten veel
voorstellen tekort schieten; zij leiden ook tot aangrijpingspunten voor verbetering. Bij het
opstellen van robuuste voorstellen staan de volgende aspecten centraal:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: CONCLUSIES OP HOOFDLIJNEN
Meer nadruk op selectiviteit in het investeringsbeleid. Het gaat daarbij niet alleen om de keuze
van kansrijke investeringsvoorstellen, maar ook om selectiviteit binnen deze voorstellen. Als
bijvoorbeeld wordt beoogd om op dertig plaatsen natuur te ontwikkelen, lijkt het waarschijnlijk
dat deze investering op sommige plaatsen hogere baten (of lagere kosten) kent dan op andere
plaatsen. Het is dan zinvol om de schaarse middelen op deze plaatsen te concentreren.
Een adequate dimensionering van investeringen. Veel investeringsvoorstellen zijn aanzienlijk
groter dan hetgeen nodig zou zijn om bestaande en verwachte knelpunten weg te nemen of om
kansen te benutten. Met aanzienlijk kleinere investeringen kunnen dan vergelijkbare voordelen
worden bereikt. Diverse ingediende wegenprojecten laten zien hoe dit kan: betrekkelijk
kleinschalige investeringen worden voorgesteld op plaatsen waar ernstige knelpunten rond
congestie en/of leefbaarheid bestaan. Veel van deze projecten zijn robuust. Bij de
dirnensionering van overheidsinvesteringen is ook de verhouding tot private bijdragen van
belang.
Meer aandacht voor timing enfaseringvan investeringen. Rond de timing van projecten dient
onderscheid gemaakt te worden naar verschillende situaties. Soms kan uitstel tot een verbeterde
efficiency leiden. Dit doet zich voor wanneer concrete knelpunten ontbreken of wanneer de
vraag zich nog moet ontwikkelen. Dit doet zich soms voor bij infrastructuurprojecten, die zicht
richten op problemen die naar verwachting pas op lange termijn kunnen gaan spelen. Verder is
er vaak sprake van aanzienlijke onzekerheden met betrekking tot toekomstige baten. Deze
overwegingen pleiten voor een benadering waarin urgentie en risicobeheersing veel aandacht
krijgen. In deze benadering worden de op korte termijn te besteden middelen ingezet bij
bestaande, urgente knelpunten waarbij met relatief beperkte middelen aanzienlijke
verbeteringen kunnen worden bereikt. Door fasering van de projecten kunnen toekomstige
risico's soms belangrijk worden beperkt. Hier tegenover staan situaties waar snel ingrijpen
vereist is, omdat uitstel leidt tot hogere maatschappelijke kosten. Investeren in onderhoud van
Monumenten, of bescherming van gebieden met zeldzame flora of fauna zijn hiervan
voorbeelden. Tenslotte zijn er situaties waarin timing een ondergeschikte rol speelt. Zo leiden
uitstel of versnelling van projecten gericht op natuurontwikkeling niet noodzakelijk tot een
hogere of lagere efficiency.
Tenslotte is de samenhang tussen projecten van belang. Programmatische of gebicdsgerichte
samenhang tussen projecten kan van invloed zijn op de beoordeling van individuele projecten.
Er kan zowel sprake zijn van synergie tussen projecten als van afnemende meeropbrengsten van
projecten ten opzichte van bestaand beleid of andere projecten. Synergie staat niet op voorhand
vast en een programmatische aanpak impliceert dan ook niet dat hierdoor vanzelfsprekend
synergie ontstaat. De individuele kwaliteit van projecten blijft van grote betekenis, ook binnen
een bredere programmatische aanpak. Dit neemt niet weg dat door een slimme koppeling van
projecten meerwaarde kan worden behaald en aandacht voor deze onderlinge samenhang           is dan
ook van belang.
 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                                              CONCLUSIES OF' HOOFDLIJNEN
Bij diverse ingediende investeringsvoorstellen gaat het om (uitbreiding van) decentraal in te
zetten middelen. Voorbeelden hiervan zijn de Gebundelde Doeluitkering (GDU) voor
transportinfrastructuur en het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) voor het grote
stedenbeleid. Bij deze programmavoorstellen is er sprake van een grote mate van decentrale
vrijheid (alleen toetsing achteraf). Ook andere voorstellen hebben een sterk decentraal karakter,
zoals Groen in en om de stad en Regionale watersystemen.
    Tegenover de voordelen van decentralisatie, zoals het goed kunnen inspelen op lokale
verschillen in omstandigheden en preferenties, kan als aandachtspunt genoemd worden dat
meer algemene doelen van de centrale overheid mogelijk onvoldoende tot uiting komen in de
lokale uitwerking. Ben theoretisch ideale situatie ontstaat als de centrale overheid zijn doelen
vertaalt in concrete randvoorwaarden; daarbinnen kan de lokale overheid dan naar maatwerk'
streven.
    Investeren in een rendementsvolle omgeving is een belangrijk doel van de centrale overheid.
De wisselende efficiëntie van de afzonderlijke landsdelige voorstellen duidt erop dat met nadere
selectie meer maatschappelijke voordelen kunnen worden bereikt. Ben nadere invulling zou
kunnen worden gezocht in afspraken gericht op een inhoudelijke toetsing van individuele
voorstellen door de decentrale overheden, die gelijkenis vertoont met de wijze waarop in dit
rapport investeringsvoorstellen worden beoordeeld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INvEsTEREN: CONCLUSIES OP HOOFDLIJNEN</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                                                            SAMENVATTING
Samenvatting
Bij elke overheidsinvestering is het van belang vooraf in te schatten of de voordelen (positieve
effecten) opwegen tegen de nadelen (kosten en negatieve effecten). Een adequate selectie van
 goede' investeringen is een absolute voorwaarde voor een succesvol investeringsbeleid.
Het overheidsbeleid bestaat echter niet alleen uit investeringen. Andere manieren om
beleidsdoelen te bereiken zijn bijvoorbeeld wetten en regels of heffingen. Bij het beoordelen van
investeringsplannen moet daarom ook worden nagegaan of ander beleid misschien betere
resultaten oplevert.
Aanpak van de beoordelingen
De analyse is in de kern gericht op een beoordeling van de doelmatigheid van de
projectvoorstellen. De finale doelstellingen die met een project worden beoogd, vormen min of
meer een gegeven voor het onderzoek. Zo worden alle doelen gerespecteerd en wordt
bijvoorbeeld geen apart gewicht toegekend aan de mate waarin de plannen bijdragen aan
economische structuurversterking. Bij de beoordeling is een gestructuurde aanpak gekozen. De
criteria legitimiteit, effectiviteit en efficiëntie vormen de kern van de beoordeling:
Legitimiteit heeft - vanuit een economisch gezichtspunt - betrekking op de vraag of er een reden
voor overheidsingrijpen is. Dit hangt primair af van de vraag of de markt' sub-optimale
uitkomsten oplevert. De marktuitkomsten vallen dan niet samen met de maatschappelijk
gewenste uitkomsten. In economische termen is er dan sprake van 'marktfalen'. Belangrijke
vormen van marktfalen doen zich voor bij collectieve goederen en bij het optreden van externe
effecten.
De effectiviteit van een maatregel betreft de bijdrage aan doelen als bijvoorbeeld extra
economische groei, natuur, milieuverbetering of sociaal-culturele doelen, inclusief gunstige en
ongunstige neveneffecten. Ook met de samenhang tussen voorstellen (synergie') is rekening
gehouden.
De efficiëntie van een maatregel wordt bepaald door de verhouding tussen de maatschappelijke
kosten en de maatschappelijke baten. Daarbij zijn ook kwalitatieve baten (bijvoorbeeld natuur en
veiligheid) nadrukkelijk in de beoordeling betrokken.
Behalve naar de legitirniteit, effectiviteit en efficiëntie is bij de beoordeling ook gekeken naar
onzekerheden (bijvoorbeeld m.b.t. de effecten of de kosten), proceskenmerken (bijvoorbeeld: is
er draagvlak bij andere partijen waarvan de uitvoering afhankelijk is?) en alternatieven (zijn er
andere beleidsmogelijkheden die effectiever of efficiënter zijn?).
                                                                                                      '7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>SILECTI EE INVESTEREN: SAMENVATTING
Politieke criteria zoals financiële toezeggingen uit het verleden en ethische overwegingen zijn
niet meegenomen. Herverdelingsaspecten zijn alleen meegenomen voor zover er expliciete
beleidsdoelen geformuleerd zijn, zoals de economische ontwikkeling van het Noorden.
Robuuste projecten (A) scoren bij (bijna) alle criteria gunstig. De categorie opwaardeerbaar (B)
heeft betrekking op voorstellen waarvan de meeste criteria gunstig worden beoordeeld, maar
waar herformulering of aanscherping tot een beter voorstel zou leiden. Als één van de
kerncriteria legitimiteit, effectiviteit of efficiëntie als ongunstig wordt beoordeeld, of als de score
op een groot aantal criteria minder gunstig is, is het project als geheel zwak/onbeoordeelbaar
(C).
in het vervolg van deze samenvatting worden de beleidsterreinen elk afzonderlijk behandeld.
Daarbij worden telkens eerst de belangrijkste beleidsdoelen genoemd. Daarna volgt een korte
schets van de beoordelingen. Tot slot wordt aangegeven welke mogelijkheden er zijn voor ander
beleid dan investeringen.
Fysieke bereikbaarheid
Eén van de centrale doelstellingen van het Nationaal Verkeer- en vervoersplan (NVVP) is een
'trajectsnelheid' op autosnelwegen van tenminste 6o km/uur in het drukste uur, gemiddeld
over alle werkdagen. Variabilisatie en differentiatie naar plaats en tijd van de autokosten vormt
daarbij een belangrijk middel, zowel bij personen als goederenvervoer. Ook voor spoorvervoer
en binnenvaart wordt voorgesteld om de kosten per kilometer te verhogen. De concretisering
van deze voornemens vormt een belangrijke beleidsopgave.
     Verder streeft het NVVP naar een 'kwaliteitssprong' voor het openbaar vervoer in de
Randstad ('Deltametropool') en de uitlopers naar het noorden, oosten en zuiden. Voor
verkeersveiligheid wordt voor 2010 een daling beoogd van het aantal verkeersdoden met 30% en
van het aantal ziekenhuisgewonden met 25%. Tot slot is het opheffen en verminderen van de
barrièrewerking van wegen en spoorlijnen een belangrijke beleidsopgave.
Er is voor ruim 25 mld euro aan voorstellen ingediend, in aanvulling op reeds geplande
investeringen (tot 2010) van ruim 35 mld euro.
     in de geplande investeringen en in de ingediende voorstellen ligt een fors accent op 0V-
verbeteringen in de Randstad. Er is een aantal omvangrijke projecten ingediend, zoals de
Zuiderzeelijn, het 'Rondje Randstad' en de HSL-Oost. Bij deze projecten is het beeld minder
gunstig, omdat de projecten niet goed aansluiten bij de aard en omvang van de problemen, of bij
verwachte ontwikkelingen. Daarbij komt dat de mogelijkheden om met infrastructuur-
il
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                                                                              SAM EN VAT ING
              investeringen de ruimtelijk-economische structuur te beïnvloeden beperkt zijn, omdat
              Nederland al over vrij complete transportnetwerken beschikt.
                  Voor de HSL-Oost zijn alleen beperkte benuttingsmaatregelen robuust. Ook andere relatief
              kleine investeringen in benutting scoren in veel gevallen gunstig doordat zij specifieke
              knelpunten wegnemen.
              Van alle grootschalige projecten zijn er twee als robuust beoordeeld. De kilometerheffing en het
             verkeersveiligheidsproject Duurzaam veilig 2 kosten beide ca. 2 mld Euro (de hoogte van de
             claim voor de kilometerheffing is niet bekend. Ten behoeve van de beoordeling is door de
              planbureaus een bedrag geschat, waarbij is uitgegaan van een conservatieve bijdrage van private
              partijen). Daar staan bij de genoemde projecten, ook bij deze uitgangspunten, zodanig grote
             positieve effecten tegenover in termen van congestie en milieu (kilometerheffing) respectievelijk
             verkeersveiligheid dat deze projecten als robuust zijn beoordeeld.
Tabel 4           Beoordelingen Fysieke bereikbaarheid
                                                                                                  mln euro        Oordeel
Verkeersveiligheid
Duurzaam veilig 2                                                                                       2296              A
Openbaar vervoer
HSL-Oost, capaciteitsvergroting en inpassing                                                              188             A
HSL-Oost, snelheidsverhoging                                                                              710             C
Onderhoud spoor                                                                                           889             B
Snelle spoorverbinding Deltametropool, optie 1                                                            817             B
Snelle spoorverbinding Deltametropool, HSL                                                              2723              B
Snelle spoorverbinding Deltametropool, Zweefbaan                                                        2323              C
Zuiderzeelijn                                                                                           5445              C
Hoofdwegennet
Kilometerheffinga                                                                                       1906              A
Robuuste wegenprojecten (aantal:1 0)                                                                    1748              A
Opwaardeerbare wegenprojecten (aantal:4)                                                                  680             B
Goederenvervoer
Robuuste goederenvervoerprojecten (aantal: 3)                                                              68             A
Tweede Maasviakte (intensivering BRG en 750 ha natuur)a                                                 1706              B
Ijzeren Rijn; Reactivering goederenspoor AntwerpenDuitslandb                                              635             C
Koepelclaims
Infrastructuur stedelijke netwerken                                                                     1860              B
Clusterclaim Gebundelde Doeluitkering (GDU)                                                             2269              B
Overige projecten < 500 mln euro                                                                        8556              C
a De hoogte van de claim is nog niet bekend. Ten behoeve van de berekening is een eerste inschatting gemaakt door de
planbureaus, waarbij is uitgegaan van een conservatieve inschatting van de bijdrage van private partijen.
  De hoogte van de claim is niet bekend en hangt om, af van de bijdrage van België. Ten behoeve van de berekening is hier
uitgegaan van een claim ter grootte van de totale projectkosten.
                                                                                                                          '9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN SAMENVATTING
Bij kleinschalige investeringen die aantoonbaar effectief zijn voor het wegnemen van
knelpunten zijn de baten vaak groter dan de kosten. Bij een aantal robuuste wegenprojecten zijn
er ongunstige neveneffecten op natuur en milieu; deze zijn echter bescheiden van omvang,
zodat het oordeel hierdoor niet verandert.
Een relatief groot deel van de GDU-voorstellen blijkt (nog) niet robuust. Een zakelijke
benadering is hier van belang voor een doelmatige besteding van decentraal aan te wenden
gelden. Afspraken met de landsdelen over de voorwaarden waaraan projecten moeten voldoen
kunnen eraan bijdragen dat het geld aan rendementsvolle investeringen wordt besteed
 Het NVVP legt veel nadruk op andere maatregelen dan investeren: benutten en beprijzen'
krijgen evenveel aandacht als 'bouwen'. Dit blijkt ook uit de voorstellen, waarin een betere
benutting van snelwegen en de kilometerheffing een prominente plaats innemen. De analyses
in dit rapport wijzen op het belang van het prijsinstrument. Benutting en uitbreiding van de
fysieke infrastructuur kunnen dan op specifieke plaatsen een belangrijke rol spelen.
Natuur, landschap en water
De hoofddoelstelling van het natuur- en landschapsbeleid is behoud, herstel, ontwikkeling en
duurzaam gebruik van natuur en landschap. De centrale doelstellingen van het waterbeleid zijn
het vergroten van de veiligheid, het beperken van de wateroverlast en het beschermen van de
zoetwatervoorraad. Waar mogelijk en zinvol is het beleidsstreven om ruimte voor landschap,
water en natuur te combineren.
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vormt een speerpunt van het natuurbeleid. Hiervoor
moet nog veel grond worden aangekocht. Ook dient de ruimtelijke samenhang te worden
verbeterd. In gebieden waar het agrarisch gebruik de kwaliteit van de EHS negatief beïnvloedt
via bodem, water en lucht, wil het kabinet een betere milieukwaliteit realiseren.
    Het beleidsterrein 'groen in en om de stad' is gericht op verbetering van de leefbaarheid in
en om steden en vergroten van de recreatiemogelijkheden voor stedelingen.
    Ten aanzien van landschap wordt gestreefd naar verbetering van kwaliteit en
toegankelijkheid. Daarbij wordt enerzijds extensivering van de grondgebonden landbouw in
combinatie met water- en natuurbeheer beoogd, anderzijds wil liet kabinet concentratie van de
niet-grondgebonden tuinbouw en veeteelt.
    in het waterbeleid heeft het kabinet besloten tot een omslag: van 'water keren' naar meer
ruimte geven aan water. Met 'ruimte voor water' maatregelen kan ook natuur worden
ontwikkeld, verdroging worden bestreden, de zoetwatervoorraad toenemen, de
recreatiemogelijkheden verbeteren en landschappen worden hersteld.
20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                                                                         SAMENVATTING
Het aantal robuuste voorstellen op dit terrein is relatief laag (4%). Het betreft onder meer
projecten die gericht zijn op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap: herstel
van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als multifunctioneel cultuurhistorisch fenomeen. Naar
verwachting draagt het project bij aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Ook het project
Malta, dat erop gericht is archeologisch erfgoed te behouden, is robuust. Het project is
zorgvuldig vormgegeven en de te hanteren procedures in de uitvoering zijn goed uitgewerkt.
Een deel van de reconstructieplannen voor het Westland is robuust, evenals drie waterprojecten
waarbij natuurontwikkeling meelift. De natuurbaten zijn naar verwachting groot, omdat het
project bijdraagt aan een verrijking van de biodiversiteit in Nederland. Hetzelfde geldt voor de
projecten 'Natuur en landschap Veluwe' en 'Ilperveld Integraal'.
Meer dan de helft (52%) van de projecten is opwaardeerbaar. Hieronder valt een aantal
omvangrijke voorstellen, onder meer voor 'Regionale watersystemen', 'Groen in en om de stad'
en 'Robuuste groene verbindingen'. Hier is van belang dat de uitwerking van de koepelclaims in
concrete, lokale voorbeeldprojecten, nog van wisselende kwaliteit is. Bij het relatief grote aandeel
opwaardeerbare projecten speelt verder een rol dat veel voorstellen (nog) onvoldoende zijn
geconcretiseerd, en dat sommige projecten vrij breed van opzet zijn. Dit kan samenhangen met
de recente verschijning van de Vijfde Nota en de ontwikkeling van het Tweede Structuurschema
Groene Ruimte. Een aantal beleidsthema's waarop de projecten zich richten, zijn momenteel
nog volop in ontwikkeling.
    Niettemin kan worden geconstateerd dat er in potentie goede kansen liggen om met
investeringen in natuur, water en landschap belangrijke maatschappelijke baten te genereren. Er
zijn door de brede, veelal gebiedsgerichte aanpak kansen op synergie en op het op efficiënte
wijze halen van meerdere kwaliteitsdoelen. Dit zal echter mede afhangen van de wijze waarop de
processen worden ingericht en de mate waarin aangesloten wordt bij de comparatieve voordelen
van andere betrokken partijen.
    Betere voorstellen kunnen worden geformuleerd door de natuur-, landschap- en waterclaims
selectiever op te zetten, ze vooraf meer in samenhang te bezien en door de beleidsopgaven in de
claims beter te onderbouwen. Bij de watergerelateerde projecten is verbetering mogelijk door
dieper in te gaan op de voor- en nadelen van alternatief beleid ten opzichte van de ingediende
voorstellen.
Ook andere instrumenten dan investeringen zijn van belang voor natuur, landschap en water.
Regelgeving is - mits adequaat gehandhaafd - een effectieve manier om natuur en landschap te
beschermen.
    Ruimtelijke maatregelen vormen een interessant aanvullend instrument om wateroverlast en
overstromingen tegen te gaan. Het gaat dan om functiecombinatie, bijvoorbeeld met
natuurontwikkcling. Traditionele maatregelen, zoals dijkverhoging en uitbreiding van de
                                                                                                    21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>             SE LECTIE F IN V ESTERE N: SAM EN VATTING
             gemaalcapaciteit blijven echter in sommige gevallen reële alternatieven. Kwalitatieve baten voor
             bijvoorbeeld natuur en landschap, maar ook eventuele sociale gevolgen voor bijvoorbeeld boeren
             die verplicht worden te verhuizen, moeten bij de keuze tussen ruimtelijke en traditionele
             maatregelen worden meegewogen. Ook moet worden bedacht dat een waterfunctie
             gebruiksbeperkingen oplegt, bijvoorbeeld voor verstedelijkingsmogelijkheden voor de toekomst.
             Selectiviteit en maatwerk zijn daarom van groot belang. Een combinatie van 'ruimtelijke' en
             'traditionele' maatregelen die toegesneden is op de specifieke eigenschappen en problemen van
             het desbetreffende gebied biedt het beste perspectief op een hoog maatschappelijk rendement.
Tabel 5           Beoordelingen Natuur, landschap en water
                                                                                 mln euro              Oordeel
Groen in en om de stad
Groenblauwe impuls: GIOS                                                             1695                    B
GIOS-voorstellen Rotterdam, Den Haag, landsdeel Oost                                  485                    B
GIOS Amsterdam                                                                        506                    C
landschap
Belvedere, onderdeel Nieuwe HolI. Waterlinie; Malta                                   147                    A
Belvedere, overig                                                                     127                    B
Aanleg 4 nationale landschappen                                                       545                    C
Reconstructie
Projecten Westland, Noord-Holland, Hoeksche Waard (aantal: 3)                         288                    A
Reconstructie Zandgronden Noord-Brabant                                               771                    B
Kwaliteitsimpuls Zandgebieden                                                         692                    B
Overige projecten, w.o.Zandgebieden, Veenkoloniën, Valkenburg (aantal: 10)           1770                    B
Water
Zandmaas, Biesbosch, Ijsseldelta                                                      292                    A
Regionale watersystemen                                                               893                    B
Versterking zwakke schakels kustzone                                                  681                    B
Opwaardeerbare waterprojecten (aantal: 4)                                             956                    B
Hoofdwatersysteem en aanleg Randmeer                                                 1997                    C
De Zeeuwse Delta                                                                      554                    C
Natuur
Natuur en landschap Veluwe, Ilperveld Integraal                                        72                    A
Robuuste Groene verbindingen                                                          924                    B
Opwaardeerbare natuurprojecten (aantal: 6)                                           1089                    B
Grijs-Groene Kruispunten: 'tweede opgave'                                             976                    C
Overige projecten <500 mln Euro                                                      3858                    C
             22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                                                                           SAMENVATTING
Vitaliteit grote steden
 Het beleid bestaat uit drie pijlers: de pijler 'economie en arbeidsmarkt', de fysieke pijler en de
sociale pijler. De economische ontwikkeling is de laatste jaren in en rond de meeste steden
gunstig, de werkloosheid in de steden is hierdoor gedaald. De daling van de werkloosheid in
Amsterdam en Rotterdam bleef hier echter wel bij achter en de werkloosheid onder allochtonen
en lager opgeleiden is nog steeds hoog.
     Voor de fysieke pijler geldt dat de eenzijdige samenstelling van de woningvoorraad in de
grote steden en de geringe kwaliteit van een deel van de woningvoorraad de aantrekkelijkheid
van de steden als woonplaats vermindert, met name voor de hogere en middeninkomens. Er is
een tekort aan eengezins- en koopwoningen op de stedelijke woningmarkt. Dit probleem is het
meest urgent in de vier grote steden.
     Op het gebied van bedrijventerreinen wordt in veel steden gestreefd naar vemieuwing en
hergebruik van verouderde bedrijfslocaties. Hiermee kunnen primair effecten worden bereikt
op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en milieu.
     De sociale pijler heeft betrekking op de leefbaarheid van de stedelijke gebieden. Met name
oude en vroeg-naoorlogse wijken worden met leefbaarheidsproblemen geconfronteerd.
Veiligheid is voor veel burgers een belangrijk onderdeel van de leefbaarheid. Het
criminaliteitsniveau in de grote steden ligt beduidend hoger dan in de rest van Nederland.
Tussen 1993 en 1999 zijn de verschillen in het algemeen toegenomen. Bij de leefbaarheid van
de steden spelen ook de aanwezigheid van groene gebieden en de stedelijke milieuhvaliteit een
rol.
Het aantal robuuste investeringsvoorstellen is in dit dossier zeer beperkt   (2%).  Het gaat met
name om de projecten rond monumentenzorg. De overige projecten zijn opwaardeerbaar of
zwak/onbeoordeelbaar. De voornaamste reden is dat de projecten veelal zeer breed zijn opgezet.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de claims 'Leefbaarheid en veiligheid grote steden' (opwaardeerbaar)
en 'Kwaliteitsimpuls bestaande woonwijken' (zwak/onbeoordeelbaar). Een aantal claims vormt
in belangrijke mate een aanvulling of uitbreiding van bestaande programma's. Mede doordat
een belangrijk deel van het huidige beleid decentraal wordt vormgegeven is moeilijk na te gaan
in hoeverre uitbreiding van de programma's bijdraagt aan het realiseren van de beleidsopgave.
                                                                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>               SELECTPEF INVESTEREN: SAMENVATTING
Tabel 6           Beoordelingen Vitaliteit grote steden
                                                                                        mln euro        Oordeel
Monumenten
Restproblematiek monumentenzorg                                                               182             A
Vervoersknooppunten
Sleutelprojecten                                                                            1407              B
Groningen, Venlo, Helmond, Heerlen                                                            203             B
Woningen
Kwaliteitsimpuls bestaande woonwijken                                                        2904             C
Ruimte creëren
Verplaatsing etc. van spooremplacementen                                                    1 770             B
Stedelijke structuurverbetering door overkluizing, etc.                                      2360             C
Versterking stedelijke structuur
Herstructurering en kennispark Venlo-noord                                                      9             A
Maastricht, Heerlen                                                                           129             B
Bedrijventerreinen
Herstructurering bedrijventerreinen                                                           681             B
Haarlem, Veenendaal, Terneuzen                                                                 70             B
Leefbaarheid en veiligheid
Steunpunten Opvoedingsondersteuning                                                             2             A
Leefbaarheid en veiligheid grote steden                                                     1361              B
Overige opwaardeerbare leefbaarheidsprojecten (aantal: 3)                                     196             B
Overige projecten < 500 mln Euro                                                            3034              C
               De claim 'Herstructurering bedrijventerreinen' is evenals de claim 'Sleutelprojecten'
               opwaardeerbaar. Voor beide claims zijn voorbeeldprojecten ingediend door de landsdelen
               waarbij het beeld varieert van robuust tot zwak/onbeoordeelbaar. Een scherpe selectie van
               projecten lijkt nodig, om een gunstig rendement te behalen.
               Hoewel investeringen in met name de fysieke pijler een belangrijk instrument zijn, staan op een
               reeks van beleidsterreinen op het gebied van onderwijs, jeugdzorg, leefbaarheid, veiligheid,
               inburgering en maatschappelijke opvang andere instrumenten dan investeringen centraal.
               Ook rond grote knelpunten die zich de laatste jaren voordoen in de kwaliteit van de publieke
               dienstverlening in de steden, bijvoorbeeld in het onderwijs, de gezondheidszorg en de
               politiezorg, is de rol van investeringen beperkt. Die problemen hebben voor een deel te maken
               met personeelstekorten in deze sectoren. Hier lijken maatregelen in de sfeer van het
               arbeidsmarktbeleid effectiever dan investeringen.
               24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                                                                      SAMENVATTING
Ook (inter)regionale bestuurlijke afstemming kan op verschillende terreinen een alternatief zijn
voor investeringen. Beleidsopgaven rond arbeidsmarkt, woningmarkt en vervoersmarkt hebben
voor een niet onbelangrijk deel een regionaal (verdelings-)karakter.
ICT en overheid
De belangrijkste beleidsopgaven rond de dossiers Elektronische bereikbaarheid en
Dienstverlening overheid zijn:
administratieve lastenreductie van bedrijven;
efficiency- en kwaliteitsverbetering overheid;
het wegnemen van barrières op het gebied van toegankelijkheid van overheidsdata.
Met name bij de administratieve lastenreductie voor het bedrijfsleven en de beschikbaarheid van
'basisbestanden' zijn de beleidsopgaven omvangrijk.
De algemene indruk die uit de beoordelirigen van investeringsvoorstellen naar voren komt is dat
bij Dienstverlening overheid diverse voorstellen zeer grootschalig zijn opgezet. Verbeteringen
zijn mogelijk door een selectieve benadering en meer afstemming op behoeften van gebruikers.
Een uitzondering is het project 'Stroomlijning Basisgegevens': daar is het project meer adequaat
gedimensioneerd, maar zijn er onzekerheden die met onderzoek en pilots kunnen worden
gereduceerd.
    Bij Elektronische bereikbaarheid is de noodzaak van overheidsingrijpen vaak niet duidelijk.
Bij communicatie-infrastructuur heeft de overheid met name een rol op het gebied van
coördinatie, standaardisatie en het bevorderen van voldoende concurrentie; investeringen
kunnen in beginsel aan de markt worden overgelaten. Bovendien is soms sprake van (sterk)
afnemende meeropbrengsten; onduidelijk is bijvoorbeeld wat 'Gigaport II' toevoegt aan
'Gigaport 1' waarmee al zeer snel dataverkeer mogelijk is.
                                                                                                 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>               SE LECTIE F IN VESTE REN: SAM EN VAVTING
Tabel  7            Beoordelingen        ICT en overheid
                                                                                   mln euro                 Oordeel
Dienstverlening Overheid
Stroomlijning Basisgegevens                                                             1500                      A
Elektronische Dienstverlening lagere overheden, politie                                 2750                      B
Elektronische Dienstverlening Rijksoverheid                                              426                      C
Informatisering Arbo-kennisinfrastructuur                                                 23                      B
Identificatie en vertrouwen                                                             2000                      C
Elektronische bereikbaarheid
Gigaportil                                                                               250                      C
Werklocaties op het breedbandnetwerk                                                      74                     C
Kenniswijk                                                                               100                     C
               Er bestaan verschillende andere beleidsmogelijkheden naast investeringen. Voor de overheid ligt
              er een taak om binnen het raamwerk van de Europese regelgeving randvoorwaarden te creëren
              en waar mogelijk barrières te slechten. Het gaat hier onder meer om onderwerpen als privacy,
              authenticiteit en auteursrecht.
              Kennisinfrastructuur
              Uit recente beleidsnota's op de terreinen van onderwijs en wetenschap blijkt dat het kabinet
              streeft naar grotere autonomie voor scholen en onderzoekers. Bij het technologiebeleid valt deze
              trend al langer te constateren: het beleid is niet gericht op specifieke technologieën, maar op
              stimulering van technologisch onderzoek over de hele linie met behulp van generieke
              regelingen.
                    Uit een sterkte-/zwakte-analyse blijkt dat er belangrijke opgaven liggen bij institutionele
              vernieuwing en bij een lerend kennisbeleid, waarin experimenten een centrale rol spelen.
              Binnen dit dossier is 6% van de claims robuust. Het betreft één project: Modernisering VMBO-
              schoolgebouwen. Verder is 40% opwaardeerbaar en 54% van de claims is als
              zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. Een omvangrijk project (2,6 mld euro) waarmee een grotere
              toepassing van ICT in het onderwijs wordt nagestreefd is opwaardeerbaar. Het sluit weliswaar
              aan bij de beleidsdoelen, maar de relatie tussen de gevraagde voorzieningen, zoals
              breedbandaansluitingen, en de kwaliteit van het onderwijs is niet duidelijk. Bovendien gebeurt
              al veel op dit terrein: tussen 1999-2003 wordt al ca. 16o euro per leerling in ICT geïnvesteerd.
              Andere projecten die zich richten op een bredere toepassing van informatietechnologie op
              scholen of in kenniscentra zijn opwaardeerbaar of zwak/onbeoordeelbaar. De projecten sluiten
              soms niet goed aan bij de behoefte, bovendien is temporiseririg van een deel van de projecten
              zinvol vanwege de dalende kosten van ICT.
              »3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                                       SAM ENVATrING
ICES-KIS
De ICES heeft het CPB1 verzocht richtinggevende uitspraken te doen over de wenselijkheid van
extra investeringen rond een achttal kennisthema's. Deze thema's zijn volgens een andere
procedure beoordeeld dan de reguliere ICES-voorstellen. Het is van belang om te benadrukken
dat het oordeel is gebaseerd op een quick-scan, waarbij uitsluitend is gekeken naar de
legitimiteit van het voorgestelde overheidsbeleid, de mate van concreetheid van de activiteiten en
het draagvlak bij potentiële gebruikers. De beoordeling is gebaseerd op 130 voorstellen, verdeeld
over de thema's. Van deze 130 voorstellen zijn er 104 beoordeeld. Een aantal kleinere projecten,
die niet van belang zijn voor het oordeel op thema-niveau, zijn buiten beschouwing gebleven.
Van de 104 beoordeelde voorstellen zijn er 14 robuust. De robuuste voorstellen bedragen in
totaal 408 mln euro. Van deze 14 voorstellen hebben er 12 betrekking op de thema's
Ruimtegebruik, Duurzaamheid, en Life sciences. De voorstellen dragen bij aan innovaties in
waterbeheer en ruimtegebruik, verwerkingstechnologieën en op medisch terrein cel- en
weefseltechnologie. In dit stadium kunnen deze drie thema's sterk worden genoemd. Het
definitieve oordeel over de ICES-KIS projecten binnen deze thema's zal echter afhangen van de
nadere uitwerking op projectniveau. De overige vijf thema's krijgen in deze fase het predikaat
opwaardeerbaar of zwak/onbeoordeelbaar. Zij sluiten onvoldoende aan bij de behoefte in de
markt, zij vormen slechts een beperkte aanvulling op bestaande investeringen of de ingediende
projecten lijken niet primair een legitieme overheidstaak.
    Veel van de ICES-KIS projecten besteden aandacht aan de betrokkenheid van gebruikers,
met name van het in Nederland gevestigde bedrijfsleven, bij de voorbereiding en uitvoering. In
een later stadium - wanneer de ICES-KIS projecten verder zijn uitgewerkt - moet deze
betrokkenheid nader worden ingevuld.
De ICES-KIS projecten kunnen additionele R&D-uitgaven door het Nederlandse bedrijfsleven
uitlokken, maar in dit stadium is dit effect nog erg onzeker.
  Voor de beoordeling van deze voorstellen is alleen het CPB verantwoordelijk.
                                                                                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>              SELECTIEF INVESTEREN: SAMENVATTING
Tabel 8           Beoordelingen Kennisinf'rastructuur
                                                                            mln euro                        Oordeel
Schoolgebouwen
Modernisering VM BO schoolgebouwen                                               318                              A
Modernisering VO schoolgebouwen                                                  123                               B
Het multifunctionele schoolgebouw                                                619                               B
ICT en onderwijs
Innovatie en dynamiek in het leren                                              2359                               B
Investeren in e-cultuur                                                          114                               B
Arbeidsmarktplan Zuid-Nederland                                                    69                              B
Leven Lang Leren                                                                1407                              C
Groene kennisinfrastructuur                                                      840                              C
Startkwalificatie beroepsbevolking                                               567                              C
Kennisparken
l<enniscampus Leeuwarden                                                          23                              B
ICES-KIS
Robuuste voorstellen (aantal: 14)                                                408                              A
Opwaardeerbare voorstellen (aantal: 44)                                         1338                               8
Overige projecten < 500 mln Euro                                                3750                              C
             Ook andere beleidsopties dan investeringen zijn, op basis van theoretische overwegingen en/of
             buitenlandse ervaringen, veelbelovend. De effectiviteit en efficiency van deze beleidsopties in de
             Nederlandse context is echter onzeker. Dit pleit voor lerend beleid, gericht op experimenteren en
             evalueren.
             Milieu
             De uitstoot van broeikasgassen, waarvan het gas kooldioxide (CO,) de belangrijkste is, kan leiden
             tot idimaatverandering. Voor        2010 lijkt bij het huidige binnenlandse beleid het Nederlandse
             emissiedoel niet volledig haalbaar. Met de emissies van de verzurende stoffen gaat het de goede
             richting uit, dankzij nationaal en internationaal milieubeleid. Desondanks worden de doelen
             voor deze stoffen met het huidige beleid niet gehaald. Met betrekking tot de luchtkwaliteit
             worden de Europese normen voor           2010,  ondanks het bronbeleid, op verschillende plaatsen niet
             gehaald. Ook op lokaal niveau bestaan luchtverontreinigingsproblemen. Bij uitvoering van het
             bestaande beleid verbetert de situatie: met name emissiereducerende maatregelen aan
             voertuigen zorgen ervoor dat het aantal overschrijdingen van normen in de periode 2010 - 2030
             sterk zal afnemen.
                  Bij ca 75% van de woningen ligt de geluidsbelasting door weg-, rail- of luchtverkeer boven de
             streefwaarde voor nieuwbouwwoningen. Het Nationaal Milieubelcidspian stelt dat in 2010 een
             21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                                                          SAMENVATTING
              forse vermindering moet zijn gerealiseerd. Met het voorgenomen beleid zal de geluidhinder -
              door het verkeer de komende decennia echter niet afnemen, maar mogelijk met enkele
              tientallen procenten toenemen (CPB,        2001).   Ook de stiltegebieden in Nederland zullen door
              verkeerslawaai bij vigerend beleid naar verwachting verder worden aangetast.
                  Rond 'externe veiligheid' is het doel dat in      2010 niemand onvrijwillig mag worden
              blootgesteld aan een jaarlijkse overlijdenskans van meer dan één op één miljoen als gevolg van
              opslag, transport of gebruik van gevaarlijke stoffen. Op dit moment worden in Nederland
              tenminste   23.000   inwoners blootgesteld aan een hoger overlijdensrisico.
                  Bij de afvalinzameling ligt het tekort op het vlak van leefbaarheid van binnensteden (o.a.
              zwerfvuil) en onvoldoende hergebruik van afval. Bij verontreinigde waterbodems en
              baggerspecie is het probleem dat de opslagdepots voor specie vol raken en dat het laten liggen
              van de verontreinigde specie milieurisico's met zich mee brengt. Bij bodemverontreiniging kan
             enerzijds de ruimte niet optimaal worden gebruikt en kunnen anderzijds de verontreinigingen
             in de loop der tijd weglekken. Bij het afvalwaterbeheer in steden liggen tekorten in het niet goed
             functioneren van de afvalwaterketen, waardoor overstorten van riolen plaatsvinden die gepaard
             gaan met gezondheidsrisico's.
Tabel 9           Beoordelingen Milieu
                                                                                     mln euro                Oordeel
Energie/Broeikasgassen/Luchtkwaliteit
Opwaardeerbare voorstellen (aantal: 3)                                                     445                      B
Luchtverontreiniging rond snelwegen                                                       1452                      C
Geluid
Innovatie geluidbeleid spoor, weg: innovatie/realisatie                               147/2178                   A/C
Af,al
Verwerking baggerspecie: eenvoudig                                                          99                      A
Stortpiaatsen, gasfabrieken Overijssel                                                      22                      A
Overige opwaardeerbare afval.voorstellen (aantal: 4)                                       295                      B
Externe veiligheid
Seveso bedrijven, LPG stations, uitpiaatsen Munitiedepots (aantal: 4)                      408                      C
Overige milieuprojecten <500 mln euro                                                     1026                      C
             In het milieudossier is 4% van de ingediende voorstellen robuust; daarnaast is slechts        12%
             opwaardeerbaar. Aan meer dan 8o% van de projecten is het oordeel 'zwak/onbeoordeelbaar'
             gegeven. Dit heeft veel te maken met het feit dat het dossier milieu niet het eerst aangewezen
             terrein is om met het instrument 'overheidsinvesteringen' op effectieve en efficiënte wijze
             doelen te bereiken. Bij de nsilieuclaims die als robuust zijn beoordeeld ligt een dergelijke
             overheidsrol wel voor de hand: investeren in collectieve goederen als stille wegen en
             spoorwegen, in schone vaarwegen en in ruimtelijke kwaliteit door het opruimen van
                                                                                                                    29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>SELECUEF INvEsTEREN: SAMENVATTING
verontreinigingen uit het verleden. Desondanks is ook op deze terreinen een groot deel van de
genoemde claims niet als robuust beoordeeld vanwege grote onzekerheden of een beperkte
effectiviteit.
     Exteme veiligheid is een aspect dat in meerdere projecten een rol speelt. Op het gebied van
externe veiligheid is een beperkt aantal specifieke claims ingediend voor de sanering van o.m.
Seveso bedrijven, verplaatsing van LPG tank-stations en sanering van opslagplaatsen voor
munitie en explosieven. Vanwege de soms summiere projectbeschrijvingen zijn deze projecten
als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
 Niet op alle gebieden van het milieubeleid liggen investeringen het meest voor de hand om de
beleidsdoelen te realiseren. Regelgeving en marktconforme instrumenten zijn aangewezen
instrumenten om rond CO-uitstoot en andere emissies resultaten te kunnen boeken. In het
algemeen zijn marktconforme instrumenten op dit terrein efficiënter dan
overheidsinvesteringen of subsidies in bepaalde technieken. Zo kan verhoging van de bestaande
energiehefflngen een belangrijke bijdrage leveren aan het bereiken van de doelstellingen voor
CO,-emissies.
 Het voorgenomen prijsbeleid voor verkeer en vervoer (kilometerheffing) draagt ook bij aan CO-
emissiereductie4. Bij de kilometerheffing worden de voertuigbelastingen grotendeels variabel
geheven: betalen geschiedt vooral per kilometer. De hoogte van de heffing is in het voorstel
afhankelijk van het gewicht en de brandstofsoort van het voertuig. Het systeem van de
kilometerheffing wordt zo vorm gegeven dat deze op termijn kan worden uitgebreid met een
differentiatie naar tijd en plaats. Daardoor kunnen de milieu-effecten nog gunstiger uitvallen.
     Door regelgeving kan de energie-efficiency worden bevorderd. Mogelijkheden voor
regelgeving zijn een verdere aanscherping van de energieprestatienormen voor nieuwe
woningen en utiliteitsgebouwen, het stellen van eisen aan bestaande woningen en gebouwen en
het in EU-verband instellen van voorschriften voor energie-efficiency van huishoudelijke
elektrische apparatuur.
Op milieugebied bestaat een aantal belangrijke uitdagingen, waarvan echter maar een deel door
investeringen kan worden aangepakt. Voor een ander deel is regelgeving, inclusief adequate
handhaving, het eerst aangewezen beleid.
'E Daarnaast draagt het bij aan de emissie-reductie van NO, en fijn stof.
30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                                        SAMENVATTING
 Ruimtelijke inrichting
 Diverse voorstellen die op de hiervoor besproken beleidsterreinen liggen, kennen een
 ruimtelijke dimensie. De effecten van een aantal projecten die in de voorgaande tabellen zijn
 opgenomen kunnen daarom van belang zijn voor de beleidsdoelen uit de Vijfde Nota
 Ruimtelijke Ordening.
    De Vijfde Nota heeft als centrale doelstelling de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren
en het contrast tussen stad en land weer verscherpen. Mogelijkheden voor recreatie,
 landschappelijk schoon en het behoud van cultureel erfgoed zijn belangrijke elementen in het
streven naar een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Een ander centraal element in de
Vijfde Nota vormt het concept van 'stedelijke netwerken'. Nieuwbouw zou zoveel mogelijk
moeten plaatsvinden binnen deze netwerken.
 Naar verwachting bestaat er tot 2030  nog een flinke extra ruimtevraag voor wonen. Ook voor
andere functies zoals infrastructuur, recreatie, natuur, landschap en water is extra ruimte nodig.
 Naar verwachting zal de landbouw op lange termijn met minder ruimte toekunnen. Het
ruimtebeslag van de landbouw is sterk verbonden met het ruimtelijke ordeningsbeleid: als de
overheid toestaat dat landbouwgrond een andere bestemming krijgt, zal de landbouwfunctie op
veel plaatsen verdwijnen.
Belangrijke regionale verschuivingen worden niet verwacht. Zo is de ruimtevraag voor wonen en
werken in de landsdelen West en Zuid ruim 70% van de nationale vraag. De ruimtebehoeften
leiden op regionale schaal tot spanningen die door de verstedelijkingsdruk het meest tot
uitdrukking komen in de regio's West en Zuid. De beleidsopgave die hieruit voortvloeit, is
uiteraard niet louter fysiek, maar bestaat uit het goed combineren van de verschillende functies
met ccii hoge ruimtelijke kwaliteit.
Er zijn diverse projecten ingediend rond stedelijke herstructurering en herstructurering van
bedrijventerreinen die aansluiten bij ruimtelijke beleidsopgaven als intensief ruimtegebruik en
een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Investeren is voor dit type beleidsopgaven het meest
aangewezen instrument. Aangezien de ruimtedruk, en daarmee ook de grondprijzen, relatief
het hoogst is in het Westen, liggen maatregelen hier het meest voor de hand. De voorstellen in
de Randstad voor stedelijke herstructurering scoren echter zwak/onbeoordeelbaar vanwege
onduidelijkheden over de voorgestelde maatregelen, terwijl er vaak ook vragen rijzen over de
legitimiteit van overheidsingrijpen. De herstructureringsprojecten voor bedrijventerreinen zijn
vaak opwaardeerbaar, omdat ze onvoldoende zijn uitgewerkt voor een definitief oordeel.
De robuuste natuurprojecten bevinden zich voornamelijk in het Oosten van Nederland. Voor
natuurwaarden ligt hier de aansluiting bij bestaande natuur voor de hand. Voor recreatief groen
                                                                                                  31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>SELECTI EE INVESTEREN SAMENVATTING
is de beleidsopgave het grootst in het Westen. Het voorstel Groen in en om de steden' is echter
nog onvoldoende uitgewerkt. Ruimtelijke maatregelen om de waterproblematiek te lijf te gaan
scoren beter in de gebieden buiten de Randstad. Dit komt enerzijds door de bodemgesteldheid
in het Westen, hetgeen de projecten vaak duurder maakt ten opzichte van zogenaamde
traditionele maatregelen, en anderzijds door de hogere ruimtedruk in het Westen.
De beleidsopgaven op het gebied van ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied kunnen in
beginsel met investeringen worden aangepakt. Net als de stedelijke projecten kenmerken veel
projecten in landelijk gebied zich echter door een fase van planvorming, waarin de concrete
maatregelen nog niet zijn uitgewerkt. Op landschappelijk gebied is voor een deel van de
projecten waarbij bestaande waarden in stand gehouden moeten worden regelgeving in de RO
met een adequate handhaving een alternatief voor investeren.
Het centrale instrument in de Ruimtelijke Ordening is regelgeving. Handhaving is bij de
uitvoering een belangrijke voorwaarde voor de effectiviteit van het beleid. De mogelijkheden om
via een open ruimte heffing ruimtelijk gedrag te beïnvloeden zijn beperkt, tenzij de hoogte van
de heffing het prijseffect door stedelijke bestemmingswijziging zou benaderen. Wel kunnen
langs deze weg de overwinsten worden afgeroomd die kunnen worden ingezet voor het bereiken
van maatschappelijke doelen.
Een heffing om een bestemmingswijziging mogelijk te maken voor niet-unieke gebieden en
regelgeving voor unieke gebieden waar een bestemmingswijziging vanuit maatschappelijk
oogpunt niet wenselijk is, is een denkbare strategie. Ruimtelijke investeringen liggen meer voor
de hand in gevallen waarin de wens bestaat de bestaande situatie te wijzigen met het oog op de
omgevingskwaliteit.
    Tenslotte moet worden bedacht dat wet- en regelgeving vanuit andere disciplines van invloed
is op de ruimtelijke inrichting. Zo beïnvloedt milieuwetgeving op het gebied van geluid, stank
en veiligheid de mogelijke inrichting van bedrijventerreinen en de relatie met de omgeving.
32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                                                              INVESTERI NGSBELEJD
1    Inleiding
1.1  Investeringsbeleid
    Rendabel investeren
    Overheidsinvesteringen zijn van essentieel belang voor de welvaart van Nederland. Zonder
    wegen, dijken of universiteiten zou de economie zich niet kunnen ontwikkelen. Het gaat echter
    niet alleen om materiële welvaart. Investeringen in natuur, monumenten en verkeersveiligheid
    dragen bij aan welvaart in een ruimere betekenis.
         Investeringen brengen niet alleen voordelen met zich mee. Allereerst zijn er de kosten, die
     bij overheidsinvesteringen tot uiting komen in hogere belastingen. De kern van investeren is het
    opofferen van welvaart op korte termijn, waardoor de welvaart op langere termijn wordt
    bevorderd. Naast de financiële kosten zijn er soms ongunstige (neven)effecten, bijvoorbeeld voor
    het milieu.
         Bij elke investering is het van belang vooraf in te schatten of de voordelen (positieve effecten)
    opwegen tegen de nadelen (kosten en negatieve effecten). Is dat niet het geval, dan leidt de
    investering immers tot een lagere welvaart. Een adequate selectie van 'rendabele' investeringen
    is een absolute voorwaarde voor een succesvol investeringsbeleid.
         Er is geen gebrek aan investeringsplannen: ambtenaren werken bij ministeries, provincies
    en gemeenten voortdurend aan beleidsvoorstellen. Deze voorstellen gaan vaak met investeringen
    gepaard. En zoals een bank voortdurend keuzes moet maken om ondernemingsplannen al dan
    niet te financieren, zo moet de overheid voortdurend keuzes maken om beleidsvoorstellen al dan
    niet uit te voeren.
    Alternatieven voor investeringen
    Het overheidsbeleid bestaat niet alleen uit investeringen. Andere manieren om beleidsdoelen te
    bereiken zijn bijvoorbeeld wetten en regels of heffingen. In sommige situaties zijn
    investeringen het beste 'instrument'; in andere gevallen is het beter om handelingen te
    verbieden of duurder te maken. Bij het beoordelen van investeringsplannen is het daarom van
    groot belang om niet alleen de voor- en nadelen van de investering zelf te bekijken, maar ook om
    na te gaan of andere vormen van beleid misschien tot betere resultaten leiden.
    Dit rapport
    In dit rapport wordt een groot aantal investeringsplannen voor de komende jaren beoordeeld.
    Er wordt gekeken naar kosten, baten en onzekerheden, en ook naar alternatieven. De
    'In 1998 Hebben CPB, RIVM, SCP en AVV een soortgelijke beoordeling uitgevoerd: CPB/RIVM/SCP (1998), Kiezen
    of de/en: ICES-maatregelen tegen het licht, CPB-Werkdocument 103.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    SE LECTIE F IN VESTERE N: IN LEIDING
    voorstellen worden aan de hand van deze criteria beoordeeld als robuust, opwaardeerbaar of
    zwak/onbeoordee!baar.
1.2 De ICES en de planbureaus
    1 mpulsbrief
    Het kabinet beoogt in het voorjaar van 2002 een brief naar de Tweede Kamer te zenden over
    investeringen die de economische structuur van Nederland kunnen versterken. Deze
    'Impulsbrief zal naar verwachting een belangrijke rol Spelen bij de volgende kabinetsformatie.
    De impulsbrief wordt voorbereid door de Interdepartementale Commissie voor het Economisch
    Structuurbeleid (ICES). De ICES duidt dit project aan als 'Nieuwe Investeringsimpuls'.
    De ICES speelt een centrale rol in het investeringsbeleid. Zij bereidt het kabinetsbeleid voor wat
    betreft de besteding van het Fonds Economische Structuurversterking (FES), dat is ingesteld om
    een intensivering van de overheidsinvesteringen mogelijk te maken.
    De voorbereiding van de Impulsbrief kent twee sporen. Het eerste spoor betreft het identificeren
    van beleidsopgaven. In 2001 heeft de ICES, mede op basis van een analyse van het Centraal
    Planbureau, aangegeven op welke terreinen naar haar oordeel de belangrijkste beleidstekorten
    bestaan.
    Het tweede spoor is gericht op het identificeren van geschikte investeringen. Hiertoe heeft de
    ICES in het jaar 2000 ministeries, provincies en gemeenten uitgenodigd om investerings-
    voorstellen in te dienen. Tevens verzocht de ICES het Centraal Planbureau (CPB), het Milieu- en
    Natuurplanbureau (RIVM), het Ruimtelijk Planbureau (RPB)3 , het Sociaal en Cultureel
    Planbureau (SCP) en de Adviesdienst Verkeer en Vervoer (AVV) om deze voorstellen in
    samenwerking te beoordelen.
    De rol van de planbureaus
    De planbureaus CPB, RIVM, RPB en SCP zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor deze
    rapportage. De coördinatie van het project was in handen van het CPB. De Adviesdienst Verkeer
    en Vervoer (AVV) heeft - als 'uitvoerende dienst' van het ministerie van Verkeer en Waterstaat -
    aangegeven geen (mede)verantwoordelijkheid te kunnen dragen; wel heeft AVV een zeer
    belangrijke ondersteunende rol vervuld. De stichting DLO leverde een belangrijke bijdrage aan
    de beoordelingen van natuurvoorstellen.
      Ministerie van Economische Zaken, Naar een hoogwaeerdege en die urzarne ken,iiseconoenie: Verkeeieeing &onoeeiisclie
    Structuur, sooi; CPB (i.s.m. AVV, SCP, RPB en RIVM), Mogelijkheden en beperkingen van overlieedseeivesteringeee:
    analyse ten behoeve van de Verkenning Economische Structuur, CPB Document is,    2001.
      Het Ruimtelijk Planbureau maakte indertijd nog deel uit van de Rijksplanologische Dienst.
    31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                                                    AANPAK VAN DEBEOORDELINGEN
    Kennisinfrastructuur
    De ICES heeft ervoor gekozen om bij een deel van de investeringen in kennisinfrastructuur een
    afwijkende procedure te volgen in vergelijking met de andere investeringen. Allereerst zijn
    onderzoeksthema's geformuleerd. Bij elk van deze thema's zijn voorbeeldprojecten ingediend,
    met het oog op een nadere selectie van thema's. De voorbeeldprojecten zijn minder concreet
    uitgewerkt - en later ingediend - dan de investeringsvoorstellen op andere terreinen. Deze
    kennisvoorstellen zijn daardoor meer globaal getoetst. De verantwoordelijkheid voor de toetsing
    van deze voorstellen berust bij het CPB. De toetsing van deze categorie projecten wordt
    beschreven in een bijlage bij dit rapport.
    Wetenschappelijke klankbordgroep
    De werkzaamheden van de planbureaus zijn gevolgd door een Wetenschappelijke
    Klankbordgroep, die bestond uit prof.ing. W. Zegveld (voorzitter), prof.dr. H.A. Keuzenkamp,
    prof.dr. P. Rietveld en prof.dr. H. Verbruggen. Tijdens het project heeft de Klankbordgroep een
    adviserende rol gespeeld. Na de afronding van de werkzaamheden is aan de Klankbordgroep een
    oordeel gevraagd over de wijze waarop de planbureaus het project hebben uitgevoerd. Het
    oordeel van de Klankbordgroep wordt weergegeven in een bijlage bij dit rapport.
1.3 Aanpak van de beoordelingen
    De wijze van beoordelen komt op hoofdlijnen overeen met de aanpak die is gevolgd bij een
    eerdere, soortgelijke analyse van ICES-maatregelen.4 Het beoordelingskader wordt hier beknopt
    weergegeven; een meer uitvoerige beschrijving is opgenomen in Bijlage D. In deze paragraaf
    wordt achtereenvolgens ingegaan op de wijze waarop met beleidsdoelen is omgegaan, op de
    criteria die bij de beoordeling zijn gehanteerd en op de concrete werkwijze bij de beoordelingen.
    Beleidsdoelen
    De primaire doelen van de overheid kunnen in drie hoofdcategorieën worden ingedeeld:5
    economische doelen zoals inkomen en productiviteit;
    sociale doelen, zoals ruimtelijke kwaliteit en veiligheid;
    duurzaainlieidsdoelen, zoals milieu, natuur en landschap.
    De verschillende doelen kunnen in beginsel bij elkaar worden gebracht door een breed
    welvaartsbegrip te hanteren. Dit omvat niet uitsluitend economische doelen in engere zin zoals
    inkomensgroei, maar ook andere doelen die mensen belangrijk vinden.
      CPB/RIVM/SCP/AVV, Kiezen of delen: ICES-maatrege/en tegen het licht, CPB-Werkdocument 103,1998.
      CPB/RIVM/SCP/AVV, op.cit., p. 5.
                                                                                                             10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTERENHNLEIDINC
Criteria
Algemene eisen die aan overheidsbeleid kunnen worden gesteld zijn legitimiteit, effectiviteit en
efficiëntie. Deze criteria vormen de kern van de beoordeling.
Legitimiteit heeft - vanuit een economisch gezichtspunt - betrekking op de vraag of er een reden
voor overheidsingrijpen is. Dit hangt primair af van de vraag of 'de markt' sub-optimale
uitkomsten oplevert; in economische termen is dan sprake van marktfalen'. Belangrijke vormen
van marktfalen zijn:
Collectieve goederen. Dit zijn goederen waar het gebruik niet kan worden gekoppeld aan een
specifieke betaling, of waar het gebruik niet rivaliserend is. Als de overheid niet aan deze
goederen bijdraagt, worden ze niet of in te geringe mate geproduceerd'. Klassieke voorbeelden
zijn defensie en dijken. Ook transportinfrastructuur, natuur en ruimtelijke kwaliteit hebben een
(deels) collectief karakter;
Externe effecten. Deze kunnen zowel negatief als positief zijn. Negatieve externe effecten
kunnen bijvoorbeeld het milieu betreffen. Positieve externe effecten treden bijvoorbeeld op als
de baten van kennisinvesteringen niet volledig bij de investeerder terechtkomen.
Naast marktfalen kunnen in specifieke gevallen ook verdelingseffecten van belang zijn.
Aangezien het inschatten van de wenselijkheid van verdelingseffecten een politieke weging
betreft, worden verdelingseffecten alleen (kwalitatief) meegewogen in de beoordeling als er voor
deze effecten expliciete overheidsdoelen bestaan, zoals bijvoorbeeld het verkleinen van de
economische achterstand van Noord-Nederland. Als er geen expliciete doelen bestaan worden
belangrijke verdelingseffecten wel genoemd, maar hebben zij geen invloed op de beoordeling.
De effectiviteit van een maatregel betreft de bijdrage aan beleidsdoelen als bijvoorbeeld extra
economische groei, milieuverbeteririg of sociaal-culturele doelen. Ook neveneffecten zijn daarbij
relevant. Daarnaast is van belang of er synergie (of antagonisme) is met andere maatregelen.
De efficiëntie van een maatregel wordt bepaald door de verhouding tussen de maatschappelijke
kosten en de maatschappelijke baten. Daarbij wordt - zoals hierboven aangegeven - een breed
welvaartsbegrip gehanteerd, waarin getracht wordt de totale maatschappelijke kosten te
vergelijken met de totale maatschappelijke baten. Ook kwalitatieve baten' (bijv. natuur,
veiligheid) zijn dus nadrukkelijk in de beoordeling van de efficiëntie betrokken.
Gezien de beperkte beschikbare tijd is de analyse noodzakelijkerwijs beknopt van aard. De
belangrijkste kosten en baten van een voorstel zijn meestal ingeschat op basis van reeds
beschikbaar materiaal. Voor sommige maatregelen zijn de baten wel in fysieke termen
kwantificeerbaar, maar niet of moeilijk in geld uit te drukken (bijvoorbeeld natuuraanleg). In
deze gevallen is de kosteneffectiviteit bezien: dit is de verhouding tussen het (fysieke) effect in
36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                                                                               AANPAI< VAN DEBEOORDELINGEN
 termen van de beleidsdoelen en de (financiële) kosten (bijvoorbeeld kosten per ha natuur). Voor
 andere maatregelen zijn de baten noch fysiek, noch financieel kwantificeerbaar (bijvoorbeeld
 monumentenzorg). In deze gevallen is een meer kwalitatieve inschatting van de baten gemaakt,
waarbij de inrichting van het (vervolg)proces een belangrijke rol speelt.
 Behalve naar de legitimiteit, effectiviteit en efficiëntie wordt bij de beoordeling ook gekeken naar
onzekerheden (bijvoorbeeld m.b.t. de effecten of de kosten), proceskenmerken (bijvoorbeeld: is
er draagvlak bij andere partijen waarvan de uitvoering afhankelijk is?) en alternatieven (zijn er
andere beleidsmogelijkheden die effectiever of efficiënter zijn?).
Werkwijze
De wij ze waarop de criteria achtereenvolgens zijn toegepast is in figuur i.i weergegeven als een
stroomschema.
Robuuste projecten (A) scoren bij (bijna) alle criteria gunstig. De categorie opwaardeerbaar (B)
heeft betrekking op voorstellen waarvan de meeste criteria gunstig worden beoordeeld, maar
waar herformulering of aanscherping tot een beter voorstel zou leiden. Daarbij spelen ook vaak
onzekerheden of onduidelijkheden over de effecten een belangrijke rol. Als één van de
kerncriteria legitimiteit, effectiviteit of efficiëntie als ongunstig wordt beoordeeld, of als de score
op een groot aantal criteria minder gunstig is, is het project als geheel zwak/onbeoordeelbaar
(C).
In veel gevallen zijn met betrekking tot specifieke criteria zowel positieve als negatieve aspecten
te herkennen, en is de score op die criteria noch onverdeeld gunstig, noch geheel ongunstig. In
deze gevallen heeft de beoordeling een meer 'wegend' karakter.
                                                                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>              SELECJIEE INVESTEREN: INLEIDING
Figuur i.i Werkwijze bij de beoordeling
                   jCES.investeringsvoorsteI
                                                       J
                                  4,  Ja
                     definitie:                                   Nee
            ~7 1h project voldoende concreet?
                                   4, Ja
                                                                      Nee
    Legutimiteit:                                                   -
      Is er marktfalen?
                                      ja
                                   4,
    Effectiviteit:                                                    Nee
     Draagt het project in voldoende mate bij
     aan het behalen van de primaire doelen?
    Efficiëntie:
     Staan de maatschappelijke baten in een
     redeliike verhoudine tot de kosten?
                                   4,ja------- ~ --------------------- -
     Onzekerheden/risico's:
       Zijn de resultaten aan grote
       onzekerheden en/of risico's onderhevig?
     Procesken merken:
      Wordt het proces van besteding van de
       middelen zodanig ingericht dat de aansluiting
       bij de beoogde doelen gewaarborgd is?
    Alternatieven:
      Zijn er andere beleidsinstrumenten die
      een duidelijk hoger (maatschappelijk)
      rendement hebben?
        robuust          opwaardeerbaar             zwak/onbeoordeelbaar
1.4           Leeswijzer
              In hoofdstuk      2 van dit rapport worden de investeringsvoovste!len beschreven. Daarbij wordt
              enerzijds geschetst hoe de indiening en precisering van de voorstellen heeft plaatsgevonden;
              anderzijds wordt een overzicht gegeven van de aard en omvang van de voorstellen.
              De hoofdstukken 3 t/m 8 gaan in op de afzonderlijke beleidsterreinen die de ICES onderscheidt:
              Fysieke bereikbaarheid, Natuur, landschap en water, Vitaliteit grote steden, Milieu,
              Dienstverlening overheid/Elektronische bereikbaarheid en Kennisinfrastructuur. In elk van deze
              hoofdstukken worden eerst de belangrijkste beleidsopgaven op het betreffende terrein
              beschreven. Daarna volgen de resultaten van de beoordeling van de investeringsvoorstellen die
              zich op deze doelen richten. Elk hoofdstuk sluit af niet een schets van mogelijke
              38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                                         LEESWIJZER
beleidspakketten voor het beleidsterrein. In hoofdstuk 9 (Ruimtelijke Inrichting) wordt een
beeld geschetst van investeringsvoorstellen met een belangrijke ruimtelijke dimensie; deze
voorstellen zijn in de voorgaande hoofdstukken vanuit een sectoraal perspectief beschouwd.
Tenslotte geeft hoofdstuk io een totaalbeeld van de beoordelingen.
                                                                                                 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>SE LECTIEF IN VE STE REN: IN LEIDING</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                                                                             IN LE DING
2    Investeringsvoorstellen
2.1  Inleiding
     Omdat bij aanvang van het project duidelijk was dat een groot aantal projecten ter beoordeling
    aan de Planbureaus zou worden voorgelegd, is gestreefd naar een gestructureerde wijze van
    gegevensverzameling. Aan de basis van de gegevensverzameling ligt het analytisch kader dat in
     paragraaf 1.2 kort is weergegeven. Dit beoordelingskader is echter te abstract om direct aan
    indieners voor te leggen. De informatieverzameling heeft in een aantal stappen plaatsgevonden:
    indiening projecten via een vragenformat;
    nadere informatieverzameling bij lacunes in de gegevens;
    opstellen van een projectbeschrijving als basis voor de beoordeling;
    Aan de hand van de projectbeschrijving zijn de beoordelingen opgesteld en afgerond.
    Op verzoek van de ICES is, naast voorstellen die door de departementen zijn opgesteld, een
    vergelijkbaar aantal investeringsprojecten van vier landsdelen' door de Planbureaus getoetst.
    Omdat bestuurlijke afstemming over de in te dienen landsdelige projecten noodzakelijk was,
    zijn de landsdelige projecten later bij de Planbureaus ingediend dan de departementale
    projecten. Daardoor verschilt het indieningstraject van de landsdelige voorstellen van het
    indieningstraject van de departementale voorstellen.
    Verder zijn in een relatief laat stadium van het project additioneel acht projecten rond fysieke
    bereikbaarheid aan de Planbureaus voorgelegd. Hiervoor is een versnelde procedure
    afgewikkeld. Deze projecten komen aan de orde in bijlage G.
    Tenslotte heeft de ICES het CPB verzocht om richtinggevende uitspraken te doen over extra
    investeringen rond een achttal kennisthema's. Het indienings- en beoordelingstraject van ICES-
    KIS wordt in dit hoofdstuk buiten beschouwing gelaten. Hieraan wordt in hoofdstuk 7 (en meer
    uitvoerig in bijlage F) afzonderlijk aandacht besteed.
    Paragraaf 2.1 bevat een beschrijving van de gang van zaken rond de informatieverzameling.
    Daarbij wordt in het bijzonder ingegaan op het indieningstraject. Paragraaf 2.2 geeft een
    overzicht van de binnengekomen en beoordeelde projecten naar departementen, landsdelen en
    beleidsterreinen.
      Samenwerkende provincies, grote steden en kaderwetgebieden. Het betrof de landsdelen Noord (Groningen,
    Friesland, Drente), Oost (Overijssel, Gelderland), West (Flevoland, Utrecht, Noord.Holland, Zuid-Holland) en Zuid
    (Zeeland, Noord-Brabant, Limburg).
                                                                                                                     41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    SELECTLEE INVESTEREN: INVESTERINGSVOORSTELLEN
2.2 Indiening en informatieverzameling
    Indiening via formats
    Het beoordelingskader is opgebouwd rond begrippen als legitimiteit van overheidsingrijpen en
    effectiviteit en efficiëntie van een project. Omdat het beoordelingskader van een betrekkelijk
    hoog abstractieniveau is, is een vragenlijst opgesteld met concrete vragen om aan de
    projectindieners voor te leggen. Naast algemene vragen over het doel en de werking van het
    project, wordt gevraagd naar de kosten en de effecten van het project en wordt informatie
    ingewonnen over de bijdrage van projecten aan het reeds bestaande beleid en de samenhang
    met ander beleid c.q. andere projecten. Het volledige format is als bijlage bijgevoegd.
        Het doel van het format is ten eerste om ervoor te zorgen dat alle informatie die voor een
    beoordeling noodzakelijk is, wordt aangeleverd, en verder dat de aangeleverde informatie
    eenduidig en beknopt is. Om die reden is in het format aangegeven hoeveel informatie over een
    bepaald aspect wordt verwacht. Uiteraard is dit slechts indicatief, omdat het afhankelijk is van de
    omvang en complexiteit van een project.
    Vraag- en antwoordspel
    Ondanks de gestructureerde gegevensverzameling aan de hand van de formats zijn veel formats
    onvolledig ingevuld, waarbij vaak op voor de beoordeling essentiële punten informatie
    ontbreekt. Daarom is relatief veel tijd besteed aan aanvullende informatieverzameling rond de
    eerder ingediende departementale voorstellen. Door gerichte vragen te stellen aan de indieners
    is het probleem dat veel relevante gegevens in de ingediende formats ontbraken, vrijwel
    opgelost.
        Dit is vormgegeven in één a twee aanvullende vragenrondes per e-mail. In incidentele
    gevallen was nader overleg met de indieners over projecten noodzakelijk om de relevante
    informatie boven tafel te krijgen. Naar het oordeel van de planbureaus heeft deze aanvullende
    inspanning ertoe geleid dat het oordeel niet of nauwelijks wordt beïnvloed door onduidelijkheid
    over het projectvoorstel. Dit laat onverlet dat omtrent de inhoud van het project soms is
    vastgesteld dat deze nog een aanzienlijke nadere uitwerking behoeft.
    1 ndieningstraject departementale en landsdelige voorstellen
    Het indieningstraject van de departementale en landsdelige projecten heeft niet parallel maar
    volgtijdelijk plaatsgevonden. De in totaal ruim ioo departementale voorstellen zijn in de periode
    oktober-november 2000 bij de planbureaus binnengekomen.
        De indiening van de landsdelige projecten heeft aanzienlijk later plaatsgevonden, doordat
    afstemming tussen de landsdelen en de departementen over de in te dienen landsdelige
    projecten noodzakelijk was. De indiening heeft in de periode half april en eind mei 200i
    plaatsgevon den.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                                              INDIENING EN INFORMATIEVERZAMELING
De latere indiening van de landsdelige projecten heeft als gevolg gehad dat minder tijd
beschikbaar was voor het inwinnen van aanvullende informatie dan bij de departementale
projecten. In het merendeel van de gevallen is het verzamelen van nadere informatie beperkt tot
één vragenronde. Daarbij moet echter wel bedacht worden dat de landsdelen bij het opstellen
van de formats konden profiteren van de ervaringen die inmiddels waren opgedaan bij de
departementale projecten. Omdat de planbureaus zich bewust waren van de beperkte
beschikbare tijd voor de informatieverzameling, is ten behoeve van de landsdelen een aantal
informatieproblemen geinventariseerd die zich bij departementale formats hebben voorgedaan.
In een informatiebijeenkomst zijn deze problemen aan de landsdelen gepresenteerd en is
aangegeven welke informatie noodzakelijk is voor een beoordeling.
Noodzaak selectie en clustering voorstellen landsdelen
Het aantal bij de planbureaus ingediende voorstellen van landsdelen (262)2 bleek veel groter dan
eerder was aangegeven en dan binnen het bestek van het project kon worden beoordeeld.
Oorspronkelijk was het aantal te beoordelen landsdelige projecten geraamd op ca. 50. Op
verzoek van ICES hebben de planbureaus een voorstel gedaan om het aantal te beoordelen
projecten terug te brengen tot een honderdtal, waarbij getracht is om het verlies aan
beleidsrelevante informatie zoveel mogelijk te beperken.
Ook bleek een aantal landsdelige voorstellen zeer onvolledig te zijn ingediend. Soms was minder
dan de helft van de vragen in het door de planbureaus opgestelde format voor projectindiening
beantwoord. Op grond van de ervaring die inmiddels was opgedaan bij de departementale
voorstellen, werd bij deze projecten de kans klein geacht dat hierover binnen het tijdschema
voldoende informatie kan worden verkregen om tot een beoordeling te kunnen komen. In
overleg met de ICES is besloten om deze projecten (voorlopig) niet mee te nemen in de analyse.
    Daarbij realiseerden de planbureaus zich dat mogelijk projecten niet beoordeeld zouden
worden waarvan alleen het format onvolledig was ingevuld, terwijl mogelijk aanzienlijk meer
achtergrondinformatie beschikbaar was. Ook realiseerden de planbureaus zich dat nadere
selectie ertoe zou kunnen leiden dat aan de synergie in de ingediende programma's, waaraan de
landsdelen grote waarde hechtten, slechts tot op zekere hoogte recht zou kunnen worden
gedaan. Gezien het grote aantal ingediende projecten en de tijdsdruk waaronder de selectie
diende plaats te vinden, was het echter niet mogelijk om over beide punten met de indieners in
overleg te gaan.
  Door de landsdelen zijn aanvankelijk ca. 400 projecten aan de ICES voorgelegd. Daarvan zijn er na bestuurlijk
overleg 262 bij de planbureaus ingediend.
                                                                                                                43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre> SELECTIEF INVESTEREN: INVESTERINGSVOORSTELLEN
Verder bleek een beperkt aantal voorstellen zeer specifiek van aard te zijn, waardoor ze moeilijk
op basis van desk-research zijn te beoordelen. Ook deze projecten zijn, in overleg met de ICES,
 niet in de analyse betrokken.
Aanpak selectie en clustering
 In deze situatie is gezocht naar een aanpak die een minimaal verlies aan beleidsinformatie met
zich meebrengt. Een positieve factor daarbij is dat veel landsdelige projecten kunnen worden
ingedeeld in 'clusters' van gelijksoortige projecten op verschillende plaatsen, die vaak invulling
geven aan een departementaal project. Een voorbeeld is de Gebundelde Doeluitkering (GDU)
voor infrastructuurprojecten. Dit maakt het mogelijk om projecten binnen clusters 'indirect' te
beoordelen, door uitspraken te doen over clusters als geheel op basis van een gedetailleerde
beschouwing van een deel van de projecten in de cluster. Het gaat daarbij om algemene
clustereigenschappen en om succes- en faalfactoren voor individuele projecten binnen de
cluster.
 Deze overwegingen hebben geleid tot de volgende, stapsgewijze aanpak:
 Projecten waarbij de informatie zodanig onvolledig is dat het op tijd verkrijgen van voldoende
gegevens niet mogelijk lijkt, zijn niet beoordeeld; dit geldt ook voor enkele projecten waarvan de
aard zodanig specifiek is dat desk research een minder geschikt onderzoeksinstrument is;
Van projecten die tot een cluster behoren is een zodanig deel beoordeeld, dat uitspraken over de
cluster mogelijk zijn ('indirecte beoordeling). Bij het trekken van deze 'steekproef is gezorgd
voor spreiding over landsdelen en steden;
Projecten die niet tot een cluster behoren, zijn individueel bekeken als de omvang van de claim
relatief groot is, of als de aard van het project zodanig bijzonder is dat de 'waaier' van soorten
beschouwde voorstellen duidelijk wordt vergroot.
Synergie
Aan synergie tussen projecten wordt door de landsdelen grote waarde gehecht. Dit was één van
de redenen voor de landsdelen om de voorstellen veelal als pakket in te dienen. Voor het
beantwoorden van de vraag in welke mate er sprake is van synergie hebben de departementen
onderzoek laten verrichten door TNO-Inro           (2001)  en Kolpron     (2001).
     Bij de TNO-Inro studie ging het om een kwalitatief oordeel van een panel van experts over
mogelijke synergie tussen paren projecten. Het begrip synergie wordt daarbij opgevat als
'interdependenties tussen projecten'. Uit het onderzoek komt naar voren tussen welke projecten
synergie mogelijk ofwaarscliijnlijk zou kunnen zijn, maar de mate waarin synergie optreedt en
  Daarnaast heeft BuCk Consultants International (2001) studie verrIcht naar synergie van projecten van Jandsdeel
Zuid. Deze studie kon slechts in beperkte mate worden meegenomen' in de beoordelrngen omdat deze 1fl eer: vrij
laat stadium beschikbaar kwam.
44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                                                OVERZICHT INGEDIENDE CLAIMS
    aard van de synergie worden niet aangegeven. Hierdoor was de bruikbaarheid van dit onderzoek
    voor de beoordeling van de planbureaus beperkt.
         Het onderzoek van Kolpron richtte zich primair op gebiedsgerichte synergie'. Het gaat
     hierbij om meer dan het verband tussen projecten: "Centraal staat .. de vraag in hoeverre de
    investeringsvoorstellen aansluiten bij de specifieke [beleidsiopgave .. voor deze gebieden ..". In
    termen van het beoordelingskader van de planbureaus kan dit wellicht beter worden aangeduid
    als 'gebiedsgerichte effectiviteit'. De uitkomsten van de studie voegen weinig toe aan de
    informatie in de projectvoorstellen.
    Tegen deze achtergrond zijn de onderzoeken van TNO-Inro en Kolpron bij het beoordelen van
    de synergie door de planbureaus slechts zijdelings gebruikt. In het format voor indiening van
    voorstellen is expliciet gevraagd naar de samenhang van een voorstel met andere projecten of
    ander beleid. Wanneer synergie plausibel leek, is daarmee in de beoordeling rekening
    gehouden.
    De aanpak van de planbureaus houdt dus rekening met synergie tussen de beoordeelde
    projecten. Synergie met niet-beoordeelde projecten of met ander beleid is meegenomen
    voorzover het de effectiviteit van de beoordeelde projecten beïnvloedt.
    Resultaten selectie en clustering
    De geschetste aanpak heeft ertoe geleid dat ioi landsdelige projecten direct zijn beoordeeld.
    Over 92 andere projecten kunnen meer algemene uitspraken worden gedaan, omdat zij tot
    clusters behoren ('indirecte beoordeling). Daarmee is 78% van de bij de planbureaus
    ingediende claims van de landsdelen bestreken, ondanks de geschetste knelpunten.
    De hier voorgestelde selectie en clustering betekent dat 5,5 mld euro aan landsdelige claims niet
    direct of indirect is beoordeeld.
2.3 Overzicht ingediende claims
    Indeling van claims
    In totaal zijn door de departementen en de landsdelen 382 projecten ter beoordeling
    voorgelegd4. De totale claim aan middelen bedraagt bij na i o o mld euro. De geschetste selectie
    en clustering leidt ertoe dat 78% van de ingediende landsdelige claims en daardoor ruim 90%
    van de totale claims worden bestreken.
      Inctusief ICES-I<IS meer dan Soo projecten.
                                                                                                         45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>               SELECTIEF INvEsTEREN: INVESTERINGSVOORSTELLEN
               Op basis van ingevulde formats en aanvullende informatie zijn de projecten gerubriceerd naar
               de beleidsdossiers uit de Verkenning Economische Structuur (verder: VES-dossiers)5 . Een
               complicatie bij deze rubricering is dat veel projecten breed van karakter zijn en relevant kunnen
               zijn voor meerdere dossiers. Als voorbeeld kan gedacht worden aan projecten in het kader van
               'Groen in en om de Stad', waarmee zowel wordt bijgedragen aan een verbeterde leefomgeving in
               de steden (het VES-dossier Vitaliteit Grote Steden) als aan ontwikkeling van natuur (het VES-
               dossier Natuur en Landschap). In deze gevallen is het project in de overzichten ingedeeld bij het
               meest relevante dossier.
                   De belangrijkste clusters waarin de indirect beoordeelde, landsdelige projecten zijn
               ondergebracht zijn 'Herstructurering bedrijventerreinen' (Vitaliteit Steden), 'Gebundelde
               doeluitkering' (Fysieke bereikbaarheid), 'Groen in en om de stad' en 'Regionale watersystemen'
               (beide Natuur, landschap en water).
               Tabel   2.1 bevat een overzicht van de claims. De departementale claims bedragen bijna het
               drievoudige van de claims van de landsdelen. Zowel bij de departementale als de landsdelige
               claims zijn de geclaimde bedragen voor 'Fysieke bereikbaarheid' verreweg het grootst. Voor dit
               beleidsterrein wordt ruim 1/3 van het totaal aan gevraagde middelen geclaimd. Na Fysieke
               bereikbaarheid ligt er een grote claim rond 'Natuur, landschap en water', zowel bij de
               departementen als bij de landsdelen. Daarnaast is relatief veel geld geclaimd voor het thema
               'Vitaliteit grote steden'.
Tabel 2.1           Bij de planbureaus ingediende claims naar beleidsterrein en soort indiener
                                            Departementen                  Landsdelen                       Totaal
                                            claim       aandeel            claim         aandeel            claim         aandeel
                                              mid euro        %              mld euro            %            mld euro           %
Dienstverlening overheid                       3,0             4              0,0                 0             3,0               3
Elektronische bereikbaarheid                   0,1             0              0,0                 0             0,2               0
Fysieke bereikbaarheid                        29,2            39               7,6               32           36,8               37
Vitaliteit grote steden                       11,2            15               7,5               31           18,6               19
Kennisinfrastructuur                          11,2            15              1,5                 6           12,7               13
Milieu                                         6,0             8              0,2                 1             6,2               6
Natuur, landschap en water                    15,1            20              6,8                28           21,9               22
Totaal                                        75,9           100             23,9              100            99,7             100
                 Met uitzondering van het VES-dossier 'Ruimtelijke Inrichting'. Het ruimtelijke aspect van veel projecten wordt in
                hoofdstuk 9 afzonderlijk besproken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                                             OVERZICHT INGEDIENDE CLAIMS
                Duidelijk de kleinste claims zijn de 'Dienstverlening overheid' en 'Elektronische
                bereikbaarheid'. in totaal betreft dit 3% van de totale claim. De claim voor kennisinfrastructuur,
                die met 8,3 mld euro 9% van de totale geclaimde middelen betreft, is exclusief de middelen die
                geclaimd worden voor ICES-KIS.
Tabel 2.2           Landsdelige claims per beleidsdossier
                                    Noord                  Oost                 Zuid                  West
                                    claim    aandeel      claim    aandeel     claim    aandeel      claim     aandeel
                                      mln euro     %        mln euro    %        mln euro     %         mln euro     %
Dienstverlening overheid                 0          0          0         0          0          0           0          0
Elektronische bereikbaarheid             0          0         34         1          0          0         14           0
Fysieke bereikbaarheid                387          29      1456         34      1096          36       4655          30
Vitaliteit grote steden                  0          0      1486         35       526         17        5467          36
Kennisinfrastructuur                    77          6       529         12         69          2        812           5
Milieu                                   0          0         74         2          0          0        171           1
Natuur, landschap en water            868          65       678         16      1320         44        3893          26
Totaal                               1331         100      4257        100      3011        100      15030          100
               Bijna  2/3 van de landsdelige claims is ingediend door landsdecl West. Daarbinnen is het meeste
               geclaimd voor de dossiers 'Fysieke bereikbaarheid', 'Natuur, landschap en water' en 'Vitaliteit
               grote steden'. Het kleinst in omvang is de claim van Noord-Nederland. Bij de verdeling van de
               claims over de landsdelen dient echter bedacht te worden dat een groot deel van de
               departementale claims in de afzonderlijke landsdelen neerslaan. Zo komen infrastructurele
               claims als de Zuiderzeelijn en de Haak om Leeuwarden met name ten goede aan Noord-
               Nederland.
                    Binnen de landsdelige claims spelen de projecten op de terreinen 'Dienstverlening overheid'
               en Elektronische Bereikbaarheid' een zeer beperkte rol. Ook op het beleidsterrein 'Milieu' is
               door de landsdelen slechts een beperkte financiële claim neergelegd.
               Slot
               Uit dit hoofdstuk komt een beeld naar voren van een gecompliceerd proces van
               informatieverzameling en een groot aantal sterk uiteenlopende claims. Verder blijkt dat het om
               aanzienlijke bedragen gaat. In de volgende hoofdstukken worden de voorstellen op de
               verschillende beleidsterreinen beoordeeld.
                                                                                                                      47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INvEsTEREN: INVESTERINGSVOORSTELLEN
Literatuur hoofdstuk 2
BCI, 2001, IC ES-voorstellen Zuid-Nederland; Synergietoets', Nijmegen, november
Kolpron, 2001, 'Synergietoets van gebiedsgerichte ICES-voorstellen', Rotterdam, april.
TNO-Inro, 2001, Synergietoets van de investeringsvoorstellen van de samenwerkende
provincies op landsdelig niveau', Delft, maart.
48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                                            BELEIDSOPGAVEN
3    Fysieke bereikbaarheid
     De afgelopen decennia is de Nederlandse mobiliteit sterk gegroeid. Het grootste deel van de
    groei is opgevangen door de auto, zowel in het personen- als het vrachtverkeer. Mede door deze
    snelle groei zijn de bereikbaarheidsproblemen op de weg de laatste jaren in absolute zin fors
     toegenomen. In de periode 1990-1998 namen het aantal gesignaleerde files en het aantal
    voertuigverliesuren op het hoofdwegennet fors toe. Het aandeel van het openbaar vervoer in de
    modal-split is relatief constant. De verkeersveiligheid, hoewel licht verbeterd, is nog steeds een
    punt van zorg.
        In verschillende nota's is het mobiliteitsbeleid gericht geweest op verbetering van de
    bereikbaarheid door vermindering van het autoverkeer ten gunste van andere modaliteiten. De
    nieuwe, meer zakelijke benadering van het NVVP wordt gekenmerkt door het loslaten van de
    volume-doelen voor het wegverkeer en het besef dat het openbaar vervoer de problemen van het
    wegverkeer slechts in beperkte mate kan oplossen.
    In dit hoofdstuk worden eerst de beleidsopgaven rond fysieke bereikbaarheid geschetst
    (paragraaf 3.1). Daarna worden de investeringsvoorstellen beoordeeld (3.2). Tot slot wordt
    ingegaan op de mogelijkheden van andere maatregelen dan investeringen.
3.1 Beleidsopgaven
    1-let verkeer- en vervoersbeleid is sinds }iet jaar 2000 gebaseerd op liet Nationaal Verkeers- en
    Vervoersplan (NVVP). De beleidsvoorstellen die in paragraaf 3.2 worden beoordeeld vormen een
    concretisering van het NVVP-beleid. De beleidsopgaven die daarmee worden ingevuld, worden
    in deze paragraaf geïnventariseerd door de ontwikkelingen die zouden optreden zonder NVVP-
    beleid, te vergelijken met de NVVP-doelstellingen.
    Onder fysieke bereikbaarheid vallen de volgende terreinen van het verkeer- en vervoerbeleid:
    bereikbaarheid, uitgesplitst naar weg, openbaar vervoer en goederenvervoer;
    verkeersveiligheid;
    kwaliteit van de leefomgeving.
    De beleidsopgaven op deze terreinen worden in deze paragraaf beschreven. Milieubeleid in
    relatie tot verkeer en vervoer (emissies, geluidshinder) wordt behandeld in hoofdstuk 8 'Milieu'.
                                                                                                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: FYSIEKE BEREIKBAARHEID
3.1.1 Bereikbaarheid
      Hoofdwegennet
      De congestie is in de afgelopen jaren toegenomen, mede onder invloed van de voorspoedige
      economische ontwikkeling. Dit zorgt voor een verhoogde beleidsopgave. Tussen 1995 en 2000
      nam de congestie op het hoofdwegennet toe met ongeveer 40%. Hoewel de problematiek in de
      Randstad in absolute termen veruit het grootst is, neemt de congestie ook buiten de Randstad de
      laatste jaren sterk toe. Sinds 1995 is het aantal voertuigverliesuren buiten de Randstad meer dan
      verdubbeld (+126%). Hierdoor is het aandeel van de Randstad teruggelopen van bijna 85% in
      1995 tot ca 75% in 2000.
          De filekosten, in de vorm van reistijdverliezen, werden voor Nederland in 1997 geraamd op
      o,8 mld euro per jaar, deze zijn daarna verder toegenomen. Daarnaast veroorzaken de files
      uitwijkkosten en kosten als gevolg van een verminderde betrouwbaarheid van de reistijd.
      Ofschoon het fileprobleem in absolute zin toeneemt, impliceert dit nog niet dat er sprake is van
      dichtslibben of een verkeersinfarct. Uitgedrukt per reizigerskilometer is er nauwelijks sprake
      van een stijging (CPB, 2000A). De groei van het aantal verliesuren is het gevolg van een groei
      van het aantal automobilisten en van een iets hoger kilometrage dat de automobilisten afleggen.
      De doelstellingen van het beleid zijn weergegeven in het Nationaal Verkeer- en Vervoersplan
      (NVVP, V&W, 2001). in het NVVP is gekozen voor een zakelijke benadering van de verkeer- en
      vervoersproblematiek. De groeiende mobiliteit wordt gezien als een essentieel onderdeel van een
      moderne samenleving ('Mobiliteit mag'). Het beleid richt zich met name op het bestrijden van
      de negatieve effecten van mobiliteit en minder direct op de omvang van de (auto)mobiliteit dan
      eerdere beleidsnota's.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                                                 BELEIDSOPGAVEN
Figuur 3.1 Ontwikkeling voertuigverliesuren
     mln
     20
     15
     10
       5
      0
                        Randstad                        Niet-Randstad
           Bron: AVV/MuConsuit.
           De centrale doelstelling van het NVVP is het realiseren van 'een basiskwaliteit voor de
           bereikbaarheid over de weg in de vorm van een trajectsnelheid op autosnelwegen van tenminste
           6o km/uur in het drukste uur, gemiddeld over alle werkdagen.' Deze doelstelling moet worden
           bereikt met een mix van benutten, beprijzen en bouwen.
           Aan de hand van de studie 'NVVP-Bcieidopties verkend' (AVV,     2000)  kan een eerste aanzet
           worden gegeven tot een kwantificering van de beleidsuitdaging voor de bereikbaarheid via de
           autosnelwegen. Daarbij is de beleidsuitdaging gedefinieerd als de inspanning die moet worden
           verricht om het doel -trajectsnelheid minimaal 6o km/uur- te realiseren. Tabel 3.1 geeft inzicht
           in de ontwikkeling van trajectsnelheden en voertuigverliesuren per voertuigkilometer bij
           verschillende beleidsopties.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>               SELECTIEF INvEsTEREN: FYSIEKE BEREIKBAARHEID
Tabel 3.1          Ontwikkeling congestieknelpunt in het European Coordination-scenario bij verschillende
                   beleidsopties
                                                 1995              2020
                                                        Huidig beleid Huidig beleid +                         NVVP-               NVVP-
                                                                                        vlakke          beleidsmix+        beleidsmix+
                                                                                    kmheffing vlakke kmheffing               gedifferen-
                                                                                  (3,2 euroct)                                    tieerde
                                                                                                                              kmheffing
                                                                      (a)                   (b)                    (c)                 (d)
60 km/uur norm niet bereikt                    ca 15%           ca 45%                 ca 20%                 ca 15%                  0%
vvu per vtgkm hoofdwegennet (hwn)                  100               194                   124                    108                   71
voertuigverliesuren (vvu) hwn                      100               290                   170                    166                 110
voertuigkilometers (vtgkm) hwn                     100               150                   137                    153                 155
  Per eind 2000 voorgenomen beleid, mci. in gang gezette SVV2 maatregelen en maatregelen uit BereikbaarheidsOffensief Randstad (BOR)-
pakket (maar zonder spitstarief in ochtend- en avondspits rond de vier grote steden)
  Idem als a) met vlakke (landelijke) kilometerheffing.
  Idem als b) aangevuld met een pakket aanleg- en benuttingsmaatregelen.
d Idem als c( maar met congestieheffing zowel binnen als buiten de spits op congestiegevoelige wegvakken -
Bron: AVV, 2000.
               Bij het huidige beleid zal in het EG-scenario de verliestijd pci- gereden voertuigkilometer op de
               autosnelwegen in 2020 94% hoger liggen dan in 1995. De NVVP-beleidsmix zal het aantal
               voertuigverliesuren per voertuigkilometer terugdringen tot bijna 30% onder het niveau van 1995
               (AVV, 2000). Met de NVVP-beleidsmix wordt de 60km/uur norm naar verwachting bereikt. De
               kilometerheffing, en dan met name de gedifferentieerde variant daarvan, is duidelijk het meest
               effectieve onderdeel van de beleidsmix.
               Openbaar Vervoer
               Het aantal reizigerskilometers per spoor is in de periode 1995 tot 2000 met ongeveer 14%
               toegenomen. De betrouwbaarheid van het 0V per spoor is slecht: 15% van de treinen had in
               2000 een vertraging van meer dan 3 minuten bij aankomst. De problemen bij de spoorwegen
               zijn in 2001 nog belangrijk toegenomen; het aandeel van de treinen met een vertraging groter
               dan 3 minuten bij aankomst is gestegen tot bijna 20%.
               Het stads- en streekvervoer vertoonde over dezelfde periode een lichte toename van 3%.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                                                                    BELEIDSOPGAVEN
Tabel 3.2        Ontwikkeling personenmobiliteit en prognoses EC-scenario zonder NVVP- beleid
                                   1995            2000        2010           2020          1995             2020
                                   mld reizigerskm              1995=100                       aandeel in %
Auto                               1335            141,1        121            132             77              80
w.v. bestuurder                     81,5            89,1        130            145             47              54
w.v. passagier                      52,0            52,0        105            111             30              26
Trein                               13,5            15,4        127            122              8                7
Overig 0V                            7,3             7,5        106            105              4               3
Langzaam verkeer                    19,0            18,1        104            104             11               9
Totaal                             173,3           182,1        119            127            100             100
Bron: AVV, 2000/CBS1999/bewerkirlg AVV.
             In tabel 3.2 is de geraamde ontwikkeling van de personenmobiliteit uitgesplitst. In het EG-
             scenario neemt het aantal reizigerskilometers per spoor bij ongewijzigd beleid tot 2020 met
             meer dan 20% toe. De verwachte groei bij ongewijzigd beleid voor het overig 0V is relatief
             bescheiden met een toename van ca 5% ten opzichte van 1995.
             Het NVVP zet voor de periode tot en met 2020 in op een forse 'kwaliteitssprong' voor het gehele
             0V in de Randstad ('Deltametropool') en de uitlopers naar het noorden, oosten en zuiden.
             Voorbeelden zijn een snelle trein tussen de vier grote steden (Rondje Randstad') en light rail
             verbindingen. In de paragraaf 'Ruimtelijke inrichting' wordt hier nader op ingegaan.
             In de nieuwe Wet Personenvervoer (Wp2000) en in het NVVP is de verbetering van de
             bereikbaarheid en de vitaliteit van stedelijke gebieden een belangrijke doelstelling voor het 0V.
             In het algemeen liggen de motieven voor het verbeteren van het 0V in het NVVP niet meer
             primair bij het sturen van ruimtelijke ontwikkelingen of het verminderen van de groei van het
             autogebruik, maar eerder in het kwalitatief adequaat accommoderen van ruimtelijk-
             economische ontwikkelingen en het handhaven van de sociale functie van het 0V.
             Om de beoogde kwaliteitssprong in het 0V te realiseren, wil het NVVP de juiste
             randvoorwaarden creëren om vervoerbedrijven beter in te laten spelen op de marktvraag.
             De aansturing van het 0V is in de afgelopen jaren al gewijzigd. De NS is in de jaren negentig
             verzelfstandigd; het beheer van de infrastructuur is afgesplitst. Daarnaast heeft NS enige tijd een
             (kleine) concurrent gehad. Decentrale lijnen zijn overgedragen aan aparte organisaties
             (NoordNed, Syntus). Door deze veranderingen vervult de overheid een minder direct sturende
             rol bij de spoorwegen.
                                                                                                                53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>            SELECTIEF INvEsTEREN: FYSIEKE BEREIKBAARHEID
            Naast investeringen in infrastructuur acht het NVVP subsidiëring van de tekorten in het 0V
            voorlopig onvermijdelijk. De kostendekkingsgraad in het stads- en streekvervoer is in de periode
            1993-1998 nauwelijks toegenomen, namelijk van 34% tot 35% (streekvervoer 40%, stadsvervoer
            ca 30%).
                De beleidsnotitie 'Besturing en bekostiging stads- en streekvervoer 1997' neemt enige
            gewijzigde uitgangspunten wat betreft de aansturing van deze sector. Zo moet het 0V regionaal
            worden aangestuurd in plaats van door het Rijk, wordt een meer integrale benadering van het
            0V en verkeer- en vervoersbeleid gekozen en verschuift de oriëntatie naar een vraag-gericht 0V.
            De beleidsmaatregelen op het gebied van marktwerking en ondernemerschap, financiële
            aansturing, bekostiging en innovatie moeten echter nog grotendeels worden uitgewerkt.
            Goederenvervoer
            De groei van het goederenvervoer houdt met 18% in de periode 1986-1995 ongeveer gelijke tred
            met die van het personenverkeer. Het wegvervoer groeit in deze periode verreweg het snelst,
            met ruim 30%. Het spoorvervoer had in 1995 dezelfde omvang als in 1986. De neerwaartse
            trend, die sinds 1992 optrad, is echter wel omgebogen en het spoorvervoer heeft in recente jaren
            een forse groei doorgemaakt. Tussen 1995 en 2000 is de vervoersprestatie van het spoor
            gestegen van 3 tot 4,6 mld tonkm. Het marktaandeel van het spoorvervoer blijft echter gering.
            Ook de binnenvaart en het pijpleidingvervoer vertoonden de afgelopen jaren een sterke groei.
Tabel 3.3       Ontwikkeling goederenvervoer en prognoses EC-scenario zonder NWP- beleid
                              1995               2000     2010            2020           1995            2020
                               mid tonkm                   1995=1 00                        aandeel in %
Weg                            38,5               42,3     146              198             46             50
Trein                           3,0                4,5     185              231              4              5
Binnenvaart                    35,5               41,3     135              164             42             39
Pijpleiding                     7,1                8,3     124              135              8              6
Totaal                         84,1               96,4     141              180            100            100
Bron: AW, 2000.
            In het EG-scenario zal de vervoersprestatie van het wegvervoer in 2020 verdubbelen ten
            opzichte van 1995. Het aandeel van het wegvervoer stijgt tot 50%. Naar schatting zal, bij
            ongewijzigd beleid, het aantal vrachtauto-verliesuren toenemen met een factor 5.
            De NVVP-maatregelen op het gebied van beprijzen en variabilisatie van kosten zullen ook van
            toepassing zijn op het goederenvervoer over de weg. Ook voor spoorvervoer en binnenvaart
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                                                                            BELEIDSOPGAVEN
      wordt voorgesteld om de marginale kosten door te berekenen. De concretisering van deze
      voornemens vormt een belangrijke beleidsopgave.
3.1.2 Verkeersveiligheid
      Het jaarlijks aantal dodelijke slachtoffers in het verkeer is in de periode 1986-2000
      teruggelopen van 1529 tot 1082, een afname van 29%. Ook het aantal ziekenhuisgewonden door
      verkeersongevallen is in de afgelopen jaren afgenomen tot ca 19000 1fl 2000, een afname t.o.v.
      1986 van 13%. De maatschappelijke kosten zijn hoog: in 1997 ging het om ca. 7Y2 mld euro op
      jaarbasis (SWOV, 2001). Deze kosten zijn aanzienlijk hoger dan bijvoorbeeld de
      congestiekosten.
          De ontwikkeling van de verkeersveiligheid hangt samen met de ontwikkeling van de
      mobiliteit, aanpassingen van voertuigen en verkeersveiligheidsmaatregelen. Aan de dalende
      trend hebben maatregelen bijgedragen op het gebied van infrastructuur (30 en 6o km/uur -
      zones), handhaving (alcohol- en snelheidscontroles) en voertuigverbeteringen. Daarnaast kan de
      demografische samenstelling van invloed zijn geweest, doordat de groep tot 25-jarigen met een
      relatief hoog risico, kleiner is geworden.
      Ook het Meerjaren Programma Verkeersveiligheid uit 1996 en de eerste fase van het
      programma Duurzaam Veilig hebben een positief effect gehad op de ontwikkeling van de
      verkeersveiligheid. De eerste fase, die eind 2002 afloopt, betreft de invoering van enige concrete
      maatregelen, zoals uitbreiding van 30- en 6o-km/uur gebieden, voorrang voor bestuurders van
      rechts en bromfietsers op de rijbaan. Een maatregel als 'bromfiets op de rijbaan' laat al een
      aanzienlijke daling zien in het aantal verkeersslachtoffers. Veel wegbeheerders zijn echter nog
      bezig met de implementatie van de maatregelen. Omdat de meeste projecten nog gereed moeten
      komen, is het nog te vroeg om de effecten te kunnen vaststellen. Berekeningen wijzen in de
      richting van een vermindering van 70 verkeersdoden en 1.178 ziekenhuisgewonden in 2010
      door uitvoering van de eerste fase van Duurzaam Veilig (SWOV, 2000). De investeringen voor
      de eerste fase bedragen volgens V&W ca i8o mln euro.
      Ten opzichte van het gemiddelde over de periode 1997 - 1999 wordt in het NVVP voor 2010 een
      daling beoogd van het aantal verkeersdoden met tenminste 30% tot 750, en een daling van het
      aantal ziekenhuisgewonden met tenminste 25% tot 14.000. Deze doelstellingen zijn zonder
      aanvullende (beleids-) inspanningen moeilijk of niet haalbaar (SWOV, 2000). De autonome
      daling van het verkeersrisico (gedefinieerd als het aantal doden per mid voertuigkilometers) zal
      worden gecompenseerd door een verdere toename van het aantal autokilometers. Om de
      doelstellingen te halen is in het NVVP de tweede fase van Duurzaam Veilig opgenomen.
      Uitvoering van de tweede fase van Duurzaam Veilig moet leiden tot een additionele besparing
      van 275 verkeersdoden en 3.347 ziekenhuisgewonden (SWOV, 2000). Een deel van de beoogde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>              SELECTIEF INVESTEREN FYSIEKE BEREIKBAARHEID
              investeringen zal op regionaal niveau plaatsvinden en uit de GDU gefinancierd worden.
               Daarnaast streeft het kabinet naar intensivering van de verkeershandhavirig.
 Tabel 3.4        Effect van veiligheidsmaatregelen op het aantal jaarlijkse slachtoffers in het verkeer
 Maatregel                                                      Vermindering                             Vermindering
                                                                    doden/jaar                ziekenhuisgewonden/jaar
 Infrastructuur (mci. Duurzaam Veilig fase 1)                                158                                 2399
 Gedragsbeïnvloeding (mci. handhaving)                                        99                                 1035
 Voertuigen                                                                   47                                   650
 Totaal                                                                      345                                 4525
 Bron: SWOV,  2000, bewerking AVV/CPB.
3.1.3         Leefomgeving
              Het NVVP wil bijdragen aan de ambitie dat Nederland tot de best presterende landen in Europa
              zal behoren op het gebied van milieu en leefomgeving. Voor het bereiken van deze
              doelstellingen wordt gebruik gemaakt van milieu-normering, prijsbeleid en RO-beleid. Verder
              wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van de infrastructuur en in nieuwe technologie in samenhang
              met de kwaliteit van de leefomgeving. De milieu-aspecten van verkeer en vervoer komen in de
              paragraaf 'Milieukwaliteit' aan de orde. In deze subparagraaf wordt ingegaan op de effecten van
              mobiliteit op natuur en landschap.
              De ecologische hoofdstructuur en de vogel- en habitatrichtlijnen vormen randvoorwaarden voor
              de aanleg en inpassing van infrastructuur. Daarnaast speelt ook de 'beleving' van de
              infrastructuur door gebruikers en niet-gebruikers een rol. De infrastructuur moet door
              bouwtechnische en milieutechnische optimalisatie duurzanier en milieuvriendelijker worden.
              Bij de ecologische hoofdstructuur is het opheffen en verminderen van barrières een belangrijke
              beleidsopgave. Het doel is om in       2010 90% van de geïnventariseerde knelpunten in het
              hoofdwegennet, waar alleen met een maatregel aan de infrastructuur de doorsnijding kan
              worden opgeheven, te hebben opgelost. Voor vaarwegen en spoorwegen wordt onderzocht of
              een dergelijke doelstelling ook geformuleerd kan worden. Naast maatregelen aan de
              infrastructuur zelf kunnen op sommige locaties maatregelen in een ruimere omgeving effect
              sorteren. Door bijvoorbeeld de investering in de infrastructuur te koppelen aan investeringen in
              de natuur kan versnippering worden tegengegaan. Deze aspecten maken deel uit van de
              ontwerpopgave van nieuwe, grootschalige infrastructurele projecten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                                                                       BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
3.2   Beoordeling van investeringsvoorstellen
      Een groot deel van de investeringsvoorstellen rond fysieke bereikbaarheid vormt een invulling
      en concretisering van de NVVP-beleidsmix. In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan
      op voorstellen voor het hoofdwegerinet, het openbaar vervoer, het goederenvervoer en de
      verkeersveiligheid. Daarna wordt afzonderlijk ingegaan op decentralisatie van het beleid en volgt
      een totaalbeeld.
3.2.1 Hoofdwegennet
      Prijsbeleid staat centraal in het NVVP. Het gaat met name om variabilisatie van vaste
      voertuigbelastingen in de vorm van een kilometerheffing. Het voorstel kilometerheffing' (VWO)
      betreft in eerste instantie de invoering in 2004 van een vaste kilometerheffing die later (na
      2006) gedifferentieerd wordt naar tijd en plaats. De claim in het voorstel heeft betrekking op de
      kosten van de zogenaamde mobimeter, maar de omvang van de claim wordt niet expliciet
      benoemd in het voorstel. Om het voorstel toch op efficiency te kunnen beoordelen is, op basis
      van een aantal veronderstellingen, een inschatting gemaakt dat de initiële kosten voor het Rijk
      0,7 tot 1,9 mld euro bedragen (hierbij is uitgegaan van een conservatieve bijdrage van private
      partijen). Het is onduidelijk of de vaste kilometerheffing wordt aangevuld met een differentiatie
      naar plaatsen en tijden waar capaciteitsproblemen optreden. De baten van een vaste
      kilometerheffing bedragen per jaar in 2020 ca 1,3 mld euro tegenover ca 2,0 mld euro voor een
      gedifferentieerde heffing.
          Als rekening wordt gehouden met de initiële kosten van het systeem en een globale raming
      van de afschrijvingen en exploitatielasten, is de gecumuleerde welvaartswinst te berekenen op
      meer dan tien miljard euro. Bij het achterwege blijven van de differentiatie in de heffing naar
      plaats en tijd valt het saldo van maatschappelijke kosten en baten echter ongeveer neutraal uit.
      Tegen deze achtergrond is het voorstel robuust beoordeeld, ondanks de grote onzekerheden.
      Benuttingsmaatregelen leveren bij een aantal hoofdwegenprojecten een robuuste score op. Bij
      deze projecten -zoals voor de A28 (N007) en de Al2 (034) - wordt de congestieproblematiek
      aanzienlijk verlicht, terwijl de projecten ook een gunstig effect hebben op de verkeersveiligheid.
      De effecten voor het milieu zijn negatief, maar relatief klein.
      Ook de oplossing van specifieke knelpunten draagt veelal bij aan een robuuste score.
      Voorbeelden zijn het project Uitbreiding A15 Maasvlakte.Vaanplein' (VWII), waar met
      benuttingsmaatregelen niet alleen congestie op de weg wordt verminderd, maar ook een
      nautisch knelpunt wordt opgelost, en het voorstel 'Knooppunt Ai, A27 en A28' (UPo8) waarin
      dit knooppunt tegen betrekkelijk geringe kosten wordt uitgebreid met een ontbrekende
      verbinding. Omdat het verkeer hierdoor geen gebruik meer hoeft te maken van het
                                                                                                            57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre> SE LECTIEF IN VESTE REN: FYSIEKE BEREIKBAARH EID
 onderliggend wegennet, wordt in de spits een reistijdwinst van bijna een kwartier behaald.
 Bovendien wordt het onderliggend wegennet ontlast met gunstige effecten voor de leefbaarheid
 en de verkeersveiligheid.
 Een ander specifiek knelpunt betreft de passage van de A2 door Maastricht. Van het ingediende
 voorstel voor het wegnemen van dit knelpunt op de A2 (ZDI7b) zijn de maatregelen robuust
 met uitzondering van de voorgestelde ondertunneling van de traverse. De kosten voor deze
 ondertunneling zijn omvangrijk en waarschijnlijk zijn de positieve effecten op doorstroming,
 ruimtelijke structuur en het stedelijk woon- en leefmilieu ook voor een belangrijk deel met
 minder kostbare investeringen te behalen. Dit onderdeel is dan ook als opwaardeerbaar
 beoordeeld.
 Het voorstel voor Haak om Leeuwarden' (N0o6) kan gezien worden als het wegnemen van een
 missing link en een structuurverbetering van het netwerk door de aanleg van een volledige
 rondweg. De congestieproblematiek lijkt minder urgent dan op andere trajecten van het
 netwerk. De verwachte reistijdwinsten zijn toch dermate groot dat het algemene oordeel gunstig
is. Een onzekerheid in de hoogte van deze positieve baten vormt de toekomstige ruimtelijke
inrichting, waarvoor de planologische procedures nog niet afgerond zijn.
 De voorstellen voor capaciteitsuitbreiding (3e rijstrook) op delen van de Al (032) Cl] de A2
 (ZDI7a, ZDI7c) zijn als robuust beoordeeld, omdat de baten (reistijdwinsten, verkeersveiligheid)
ruimschoots opwegen tegen de maatschappelijke kosten (m.n. investeringen). Op het A2/A76-
traject Urmond-Kerensheide-Ten Esschen (Z D17a) worden negatieve mi Ii eu-effecten
gecompenseerd met gerichte maatregelen (bijv. faunapassages).
 Een forse capaciteitsuitbreiding van de A6 wordt voorgesteld door de aanleg van een tweede
Hollandse Brug (FL06/NH02). De baten die gerealiseerd worden door een verbetering van de
bereikbaarheid en verkeersveiligheid staan in een redelijke verhouding tot de projectkosten. Er is
echter grote onzekerheid bi) de planvorming van extra capaciteit op het aansluitende
hoofdwegen (Ai en verbinding A6-Ap) die een sterke invloed uitoefent op de
kosten/batenverlionding van het onderhavige voorstel. Het project is daarom als opwaardeerbaar
beoordeeld.
Niet in alle gevallen zijn projecten gericht op een betere benutting (volledig) robuust. Het
voorstel 'Benutting weginfrastructuur ae generatie' (VWo6) omvat 'hard- soft- en orgware
maatregelen' gericht op betere benutting van het hoofd- en onderliggend wegennet (variërend
van verkeerssignalering tot innovaties in verkeersinformaties) en op een aantal pilots van
maatregelen gericht op een betere benutting van het totale transportsysteem ('intermodaliteit').
58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                                                                     BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
      Voor een deel van de voorgestelde maatregelen geldt dat de effecten nog zeer onzeker zijn.
      Daarom zijn alleen de eerste fasen (VWo6a) als robuust aangemerkt en de vervolgfasen
      (VWo6b) als opwaardeerbaar.
      Bij het project Automatische voertuiggeleiding' (EZI/VW05) gaat het om pilotprojecten gericht
      op een versnelling van de technologische ontwikkelingen en om implementatie van systemen
      voor automatische voertuiggeleiding. Die versnelling is echter met grote onzekerheden omkleed.
      Die hoge onzekerheden leiden tot het oordeel opwaardeerbaar'; als de onzekerheden kunnen
      worden verminderd of weggenomen, zou het project aan kwaliteit winnen.
3.2.2 Openbaar vervoer
      Ongeveer de helft van de Financiële claims in het dossier Fysieke bereikbaarheid betreft
      investeringen in het openbaar vervoer. Het beeld bij de 0V-projecten is gemengd. Omvangrijke
      projecten, zoals de Zuiderzeelijn  (VW27)  en het 'Rondje Randstad' (VW15) scoren ongunstig; in
      totaal gaat het om ca 8 mld euro. De achtergrond hiervan is dat onvoldoende wordt aangesloten
      bij duidelijke knelpunten of te verwachten ontwikkelingsperspectieven. Daarbij lijkt de invloed
      van openbaar vervoer op ruimtelijk-economische ontwikkelingen te worden overschat. De
      effecten voor milieu (emissies) en landschap zijn vaak neutraal c.q. ongunstig. Bij de
      oplossingsrichtingen wordt bovendien veelal uitgegaan van zeer ambitieuze varianten, waarvan
      ook de kosten relatief hoog zijn. Als gevolg van deze factoren valt een vergelijking van kosten en
      baten vaak ongunstig uit.
          Projecten die gericht zijn op het oplossen van concrete knelpunten scoren beter. Een
      voorbeeld is de HSL-Oost (VW03): daar wordt onder de noemer 'benutting' een reeks varianten
      voorgesteld, waarvan een sobere variant (VW03a: alleen perronverlenging/langere treinen en
      een groter aantal treinen) een gunstige kosten-batenverhouding kent. Verdergaande
      maatregelen, zoals een hogere snelheid, ongelijkvloerse kruisingen en inhaalsporen hebben
      daarentegen een ongunstig baten-kosten saldo, omdat de kosten van deze alternatieven relatief
      hoog zijn.
          Bij de inschatting van de potenties van deze projecten is van belang te onderkennen dat
      Nederland al beschikt over vrij complete transportnetwerken. Dit relativeert de mogelijkheden
      om van investeringen in het 0V belangrijke structuureffecten te verwachten (CPB,        2001).
      Rendabel investeren vraagt om een aanpak gericht op specifieke knelpunten en reëel te
      verwachten ontwikkelingen. Deze benadering wordt bij de ingediende wegenprojecten wel
      gevolgd, maar bij veel 0V-projecten niet. Een algemene les bij deze grote projecten is dat het
      zinvol is de tijd te nemen om voldoende aandacht te besteden aan kansen, knelpunten en
      effecten, en daarbij ook minder dure (benuttings-)varianten te bezien.
                                                                                                          Li
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>       SELECTIEF INVESTEREN Fvsi EI<E BEREI KBAARHEIO
       Een ander 0V-voorstel met een grote omvang is 'Onderhoud spoor' (VW28a, claim 0,9 mid
       euro), gericht op groot onderhoud op ca. 2200 km spoor. Het gaat om de financiële dekking
       voor een incidentele piek in de spoorvernieuwing. Voor een deel is die piek onvoorzien (snellere
       slijtage van het zogenoemde NEFIT spoor). Voor het andere deel betreft het een
       onderhoudspiek, gerelateerd aan de hoge investeringen direct na de Tweede Wereldoorlog en in
       de 70-er jaren. Het voorstel beoogt met de verbeterde kwaliteit van het spoor de punctualiteit
       van het treinverkeer te verbeteren. Dit project zal naar verwachting een positief effect hebben op
       reistijden, punctualiteit en veiligheid. Er bestaat echter geen inzicht in de omvang van deze
       effecten. Omdat het op basis van de beschikbare inzichten niet mogelijk is om tot een uitspraak
       over de effectiviteit en de efficiency van het voorstel te komen, is het voorstel als opwaardeerbaar
       beoordeeld. Door drukke trajecten of trajecten waarvoor geldt dat er een verhoogde kans bestaat
       op doorwerking van optredende vertragingen in het net, eerder aan te pakken dan trajecten
       waarvoor dit in mindere mate geldt, kan de effectiviteit worden verhoogd.
       Het voorstel 'OV-chipkaart' (VW29, claim 0,2 mld euro) heeft betrekking op de ontwikkeling en
      implementatie van een gemeenschappelijk systeem van elektronische vervoerbewijzen in het
      openbaar vervoer. De chipcard speelt tevens een rol in het toelatingssysteem voor
      spoorwegstations. De hiertoe voorziene tourniquets werken bij het betreden en verlaten van het
      station op het signaal van de chipkaart. Bij het voorstel kunnen vraagtekens worden gezet ten
      aanzien van de legitimiteit van het overheidshandelen. Hoewel er onvoldoende inzicht bestaat in
      de omvang van sommige baten (o.a. sociale veiligheid en kostenbesparingen dataverzameling),
      duiden de verwachtingen in termen van opbrengsten van extra reizigers (225 mln euro) versus
      de hoogte van de totale investering (6io mln euro) op een ongunstige maatschappelijke
      kosten/baten verhouding. Daarom is het voorstel als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
      De ICES claim (154 mln euro) ten behoeve van het sleutelproject Hoog Hage (DHI2) heeft
      betrekking op de meerkosten van een zogenaamde Terminal variant ten opzichte van een
      referentievariant met een sobere en doelmatige herinrichting van het Centraal Station in Den
      Haag. Het project maakt deel uit van de totale herontwikkeling van het CS Kwadrant. Het
      project is als zwak/oribeoordeelbaar beoordeeld, onder meer de extra baten die de Terminal
      variant op kan leveren in vergelijking met de referentievariant betrekkelijk gering zijn terwijl de
      kosten wel aanzienlijk hoger zijn.
3.2.3 Goederenvervoer
      Bij voorstellen rond het goederenvervoer is het beeld wisselend. Enkele claims zijn robuust.
      Twee voorstellen voor subsidiëring van 'Inlandterminals' beogen om achterlandvervoer per
      vrachtwagen vanaf de zeehavens voor een deel te vervangen door vervoer per binnenschip of
      trein. DeÏO    pn)Ict(,11 (\/\V2 cii V\V24) tijII Al' rnlnit hconrdccd. niet Inline door  )(Iiti(\c
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                                                                        BEOORDELrNG VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
milieu-effecten en verminderde congestie op de weg. Het project 'Maasroute' (VW19) is gericht
op versnelling van een reeds geplande investering in rivierverbetering. De versnelling voorkomt
een congestieknelpunt op het water. Deze baten zijn substantieel, hetgeen tot het oordeel
'robuust' leidt.
Het voorstel VWio 'Tweede Maasvlakte (en 750 ha natuur)' betreft een totale claim van 1,7 mld
euro waarvan ca 14 mld euro voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte zelf en ca                  0,3 mld euro
voor aanleg van natuur en flankerende milieumaatregelen. De investering in de Tweede
Maasvlakte is alleen bij gunstige aannames efficiënt voor de Nederlandse samenleving. Een
verbetering van de legitimiteit kan worden bereikt als de claim niet de aanlegkosten zelf betreft
maar slechts de voorfinanciering van de zeewering en de haventoegang. De efficiency onder
voorwaarden en de legitimiteitsvraag maken dat de totale claim als opwaardeerbaar is
aangemerkt.
De claim van o,6 mld euro voor de 'Ijzeren Rijn' (VW27: goederenspoorverbinding België-
Duitsland door Limburg) wordt als zwak/onbeoordeelbaar beschouwd. Voor Nederland kent dit
project belangrijke nadelen (m.n. aantasting natuur en geluidshinder) waar nauwelijks nationale
voordelen tegenover staan. Men zou kunnen stellen dat Nederland nu eenmaal
verdragsrechtelijk verplicht is deze route voor België te openen, en dat het slechts gaat om de
keuze van het minst ongunstige alternatief. Daarbij kan echter de vraag worden gesteld of in
internationaal verband het vervoer niet via andere routes (m.n. de zogenaamde Montzenroute
ten zuiden van Limburg) kan plaatsvinden; met name is van belang of de maatschappelijke
kosten daarvan niet lager zijn dan van vervoer via de Ijzeren Rijn.
Andere voorstellen zijn ook zwak/onbeoordeelbaar, vooral omdat de efficiency te wensen over
laat. Bij het voorstel 'Zeepoort IJmond' (VW22) staan de voorgestelde grootschalige
investeringen in een nieuwe sluis in het Noordzeekanaal niet in een goede verhouding tot de
weg te nemen knelpunten (oplopende wachttijden) en de te bereiken schaalvoordelen (grotere
schepen). Bij het project 'Ondergronds Logistiek Systeem Schiphol-Aalsmeer' (VWI2) zijn
effecten in de vorm van de reistijdwinsten, efficiëntere afhandeling en milieubaten te gering om
de investeringen te rechtvaardigen. Bovendien is de legitimiteit van overheidsinvesteringen hier
een aandachtspunt.
Het project '2e spooraansluiting Westpoort' (AM07) betreft een aansluiting op het
spoorwegennet in het westelijk deel van de Amsterdamse haven (naast de bestaande oostelijk
  Overigens zijn de onderhandelingen met marktpartijen over financieringsbijdragen nog niet afgerond. De
verwachte bijdrage die hier genoemd wordt is een schatting van de planbureaus op basis van de maatschappelijke
kosten-baten analyse.
                                                                                                              61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: FYSIEKE BEREIKBAARHEID
      aansluiting) en een 212 emplacement. Het project draagt bij aan een gunstiger modal split
      (minder CO2-emissies) en minder congestie. De omvang van deze effecten is echter niet
      gekwantificeerd door de indieners. Uit een nadere beschouwing volgt dat het niet waarschijnlijk
      is dat deze effecten opwegen tegen de investeringskosten. Het voorstel is als
      zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
      De landsdelige voorstellen rond het goederenvervoer worden hieronder behandeld bij de GDU-
      cluster.
3.2.4 Verkeersveiligheid
      De claim 'Duurzaam Veilig 2' (VW08) betreft een breed opgezet project gericht rond
      verkeersveiligheid, als vervolg op het lopende programma 'Duurzaam Veilig'. In het voorstel
      worden infrastructuurmaatregelen gecombineerd met gedrags- en voertuigmaatregelen. Elk van
      deze onderdelen levert een bijdrage aan de verbetering van de verkeersveiligheid.
          De claim wordt als robuust beschouwd. De totale kosten zijn weliswaar hoog (ruim 5 mld
      euro, waarvan 2,3 mld euro bij de ICES wordt geclaimd), maar het effect op het aantal
      verkeersdoden en -gewonden is substantieel. In 2000 bedroeg het aantal verkeersdoden
      ongeveer i000 per jaar; het aantal ziekenhuisgewonden was ca. 14.000. Het project Duurzaam
      Veilig 2 zal (exclusief verkeershandhaving) deze aantallen met ca. 200 resp. ca 2800
      verminderen. De verhouding tussen deze effecten en de kosten is gunstig. In tentatieve
      berekeningen van de maatschappelijke baten is gekozen voor een conservatieve waardering van
      verkeersveiligheid. Door te kiezen voor een lage waardering voor de reductie van
      ongevaisrisico's, voorzichtige aannames rond werkingsduur en fasering van effecten (waardoor
      effecten ldeiner worden en de baten geringer) en de effecten van handhaving buiten
      beschouwing te laten ontstaat een conservatieve inschatting van de opbrengsten die Duurzaam
      Veilig 2 voor de maatschappij kan hebben.
          Daarbij moet worden aangetekend dat de efficiency van de verschillende typen maatregelen
      kan verschillen. Ook op de verschillende afzonderlijke onderdelen scoort het project Duurzaam
      Veilig 2 echter steeds goed. Bij infrastructurele maatregelen kunnen ook regionale verschillen
      een belangrijke rol spelen; verdere efficiencyverbetering is mogelijk door een adequate black-
      spot (knelpunten) analyse uit te voeren.
      Het voorstel 'Veilige overwegen' (V'vV28b: vervanging van knipperlichtinstallaties door
      slagbomen; claim 295 mln euro) is daarentegen als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. De
      effectiviteit in termen van veiligheid (12 doden minder per jaar) is vermoedelijk te hoog
      ingeschat en staat niet in verhouding tot de investeringskosten. Ook de invloed van calamiteiten
      op de punctualiteit op liet spoor is vanwege het geringe aantal ongevallen relatief beperkt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                                                                      BEOORDELÎNG VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
3.2.5 Decentralisatie
      Het NVVP beoogt een gedeeltelijke verdere decentralisatie van beleid rond infrastructuur.
      Projecten met een omvang tussen f25 mln en f500 mln worden in de toekomst niet meer
      primair vanuit het Rijk geëntameerd en begeleid; andere overheden kunnen over deze projecten
      meer zelfstandig beslissen dan voorheen. Er wordt een verhoging van de bestaande Gebundelde
      Doeluitkering (GDU) voor infrastructuurprojecten voorzien. Het ministerie van V&W heeft
      hiervoor een algemene claim ingediend (VWor). Ook VROM heeft, onder de titel Infrastructuur
      stedelijke netwerken' (VR09), een overkoepelende claim neergelegd. De landsdelen hebben een
      groot aantal projecten voorgesteld die hieronder niet alleen op hun eigen merites zijn
      beoordeeld, maar die tevens dienen als illustraties van de V&W-claim. Allereerst gaan we in op
      de landsdelige voorstellen; vervolgens worden op basis daarvan de koepelclaims van V&W en
      VROM beoordeeld.
      landsdelige GDU-voorstellen
      Het aantal openbaar vervoer voorstellen in de GDU cluster is beperkt. Per project gaat het echter
      veelal om hoge investeringsbedragen in de buurt van de maximum GDU-grens (f500 mln of
      225 mln euro). De voorstellen bestaan uit light rail (ZDi8: Maastricht-Heerlen-Aken-Luik,
      ZH24: Rijn-Gouwe lijn), kennen een light rail component (N0o8: Stadsgewestelijk Openbaar
      Vervoer Groningen) of maken gebruik van een vrije busbaan (ROA03: Zuidtangent
      Amsterdam). In de voorstellen komt onvoldoende naar voren welke knelpunten aangepakt
      worden met de projecten. Uit bijbehorend onderzoek blijkt dat van substitutie vanuit de auto
      niet of nauwelijks sprake is. Onduidelijk blijft ook of- en in welke mate - een project de
      maatschappelijke functie van het openbaar vervoer dient, bijvoorbeeld in termen van het
      bedienen van specifieke doelgroepen. Onguristige effecten op omgeving, landschap en
      geluidshinder blijven in de onderzoeken buiten beschouwing.
          Vaak zijn er goedkopere alternatieven voor de projecten denkbaar (bijv. bus in plaats van
      tram). De GDU 0V-voorstellen zijn veelal als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld met
      uitzondering van het Stadsgewestelijk 0V Groningen-Assen dat opwaardeerhaar is.
      Het aantal GDU wegenprojecten is betrekkelijk klein. Deze zijn op basis van een globale (quick-
      scan) kosten-baten analyse beoordeeld als robuust of opwaardeerbaar. Opvallend zijn de als
      robuust beoordeelde projecten Bereikbaarheid Brabantstad Oostzijde Stadsregio Eindhoven
      (BOSE, ZDi6) en de Buitenring Parkstad Limburg (GDU02), waar met relatief beperkte
      financiële middelen, via implementatie van een divers pakket aan maatregelen, forse positieve
      effecten ten aanzien van bereikbaarheid en kwaliteit van de leefomgeving worden bereikt.
      De landsdelige voorstellen rond het goederenvervoer hebben in veel gevallen betrekking op
      niultirnodale ontsluiting en zijn daardoor sterk gerelateerd aan de ruimtelijke inrichting. Het
                                                                                                           63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN FYSIEKE BEREIKBAAIEHEID
      betreft de voorstellen'Moerdijkse Hoek' (ZD02), 'Multimodaal Complex Tilburg-West' (ZD03),
      'OLS Westelijke Mijnstreek'(ZD05) en MTC Valburg'(029). De effectiviteit en efficiëntie van
      deze voorstellen is vaak onduidelijk. De kostenopbouw is vaak ondoorzichtig, waarbij bovendien
      veelal niet duidelijk is waarom de investeringen niet door een hogere uitgifteprijs kunnen
      worden gedekt. Vaak ontbreekt informatie over de aard en omvang van de effecten van het
      project en de daarmee verbonden maatschappelijke baten. Het is daarnaast twijfelachtig of de
      positieve effecten op milieu en congestie de vaak aanzienlijke extra investeringsbedragen
      rechtvaardigen. De betreffende voorstellen zijn op deze gronden veelal als
      zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
      G DU-koepeiclaims
      Bij de landsdelige voorstellen is het beeld gemengd en is het aantal robuuste voorstellen beperkt.
      De (elkaar overlappende, niet onderling afgestemde) koepelclaims van V&W ('Gebundelde
      Doeluitkering'; 2,3 mld euro) en VROM ('Infrastructuur stedelijke netwerken'; 4,1 mld euro)
      worden daarom als opwaardeerbaar beschouwd. Deze voorstellen kunnen worden verbeterd
      door met de landsdelen afspraken te maken over een nadere selectie van robuuste projecten.
3.2.6 Totaalbeeld
      De ingediende voorstellen zijn vaak met concrete informatie onderbouwd over effectiviteit cii
      efficiëntie. Daardoor kan voor dit beleidsterrein een relatief groot aantal voorstellen als robuust
      of juist als zwak/onbeoordeelbaar worden aangeduid. Daarbij zijn niet alle effecten financieel te
      waarderen. Bij een aantal robuuste wegenprojecten zijn er weliswaar ongunstige neveneffectcn
      op natuur en milieu, maar die zijn zodanig bescheiden van omvang dat het oordeel hierdoor niet
      verandert.
      Voor het dossier Fysieke bereikbaarheid zijn door de departementen en landsdelcn voorstellen
      ingediend met een totale claim van ruim 25 mld euro. Deze voorstellen vormen een aanvulling
      op de voorgenomen investeringen in de verbetering van de bereikbaarheid uit het
      Meerjarenprogramma Infrastructuur Transport (MIT). In het MIT gaat het tot 2010 om een
      bedrag van ruim 35 mld euro, waarbij ook een belangrijke impuls aan 0V-verbeteringen in de
      Randstad wordt gegeven.
      De onderbouwing van de verwachte effecten van infrastructuur vormt een belangrijk
      aandachtspunt bij de NVVP-voornemens. Rendabel investeren vraagt om een selectieve aani
      gericht op duidelijke knelpunten. De analyse van de ICES-voorstellen toont aan dat gerichte,
      kleine investeringen in benutting in veel gevallen beter scoren dan grote
      infrastructuurprojecten, doordat zij specifieke knelpunten wegnemen. Bij een aantal
      omvangrijke investeringsvoorstellen voor het openbaar vervoer geldt dat selectiviteit, timing en
      64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                                                                            BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
             fasering zeer belangrijk zijn. In veel gevallen is het rendement van projecten aanzienlijk te
             verbeteren door een gefaseerde en/of latere uitvoering van het project.
             Een gerichte en selectieve benadering is ook van belang voor een doelmatige besteding van
             decentraal aan te wenden gelden. Een relatief groot deel van de GDU voorstellen blijkt (nog) niet
             robuust. Afspraken met de Iandsdelen over de voorwaarden waaraan projecten moeten voldoen
             kunnen eraan bijdragen dat het geld aan rendementsvolle investeringen wordt besteed.
Tabel 3.5       Gebundelde Doeluitkering
                                                                                          mln euro        Oordeel
GDU/Openbaar vervoer
N008                    STOV Groningen-Assen                                                     227             B
ZD18                    Maastricht-Heerleri-Aachen-Lujk (0V MHAL)                                 77             C
R0A03                   Zuidtangent Oost                                                         227             C
ZH24                    Rijn Gouwe Lijn                                                           50             C
GDU/Wegen
ZD1 6                   Bereik Brabantstad Oostzijde Eindhoven                                  159              A
GDU02                   Buitenring Parkstad Limburg                                               47             A
R0A07                   Knoop N201 A4                                                           156              B
GDU/Goederenvervoer
ZD02                    Moerdijkse Hoek                                                           73             C
ZD03                   Multimodaal Complex Tilburg-West                                           29             C
ZD05                   Ongehinderd Logistiek Systeem W-Mijnstreek                                 87             C
GDU/Overig
AM04                   Tram- en wegverbinding via de Schinkel                                   136              B
041                    Verplaatsen spooremplacementen Deventer en Hengelo                         68            C
Koepelclaims
VR9                    Infrastructuur stedelijke netwerken                                     1860             B
VW1                    Clusterclaim Gebundelde Doeluitkering (GDU)                             2269             B
                                                                                                                6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>              SELECTIEF INVESTEREN:FYS1EKEBEF1EIKBAARHEIO
Tabel 3.6         Fysieke Bereikbaarheid (excl.      GDU)
                                                                                                       mln euro        Oordeel
Openbaar vervoer
VW3a                        HSL-Oost, perronverlenging en meer treinen                                       188              A
VW1 Sa                      Snelle spoorverbinding Deltametropool, optie 1                                   817              B
VW15b                       Snelle spoorverbinding Deltametropool, HSL                                      2723              B
VW28a                       Onderhoud spoor                                                                  889              B
VW3b                        HSL-Oost, aanvullende maatregelen                                                710              C
VW15c                       Snelle spoorverbinding Deltametropool, Zweefbaana                               2723              C
VW27                        Zuiderzeelijn                                                                   5445              C
VW29                        0V Chipkaart                                                                     182              C
Hoofdwegennet
VWO                         Kilometerheffing5                                                               1906              A
VW6a                        Benutting weginfra 2de generatie; optie 0 en 0+                                  363              A
 VW11                       Benutting RW15 (traject Maasvlakte - Beneluxplein)                               182              A
 N006                       Haak om Leeuwarden                                                                73              A
 N007                       A28 benutting Zwolle en Kortsluiting Meppel                                       88              A
 032                        Benutting Al                                                                      93              A
 034                        Benutting Al2                                                                    250              A
 ZD1 7e                     A2/A76 Urmond Kerensheide Ten Esschen                                            237              A
 ZD1 7b1                    A2 passage Maastricht - bereikbaarheid                                            25              A
 ZD1 7c                     A2 Den Bosch Eindhoven                                                            51              A
 UPO8                       KnooppuntAl A27enA28                                                             386              A
 EZ1                        Automatische Voertuiggeleiding                                                   138              B
 VW6b                       Benutting weginfra 2de generatie; optie 1 en 2                                   363              B
 ZD1 71b2                   A2 passage Maastricht - travers                                                   66              B
L06NH02                     2de Hollandse Brug A6                                                            113              B
ZH39                        RW1 5 Gorinchem Papendrecht                                                      318              C
Goederenvervoer
VW1 9                       Maasroute, modernisering fase 2                                                   60              A
VW23                        Subsidieregeling Openbare Inlandterminals[extrageld[                               5              A
VW24                        Wegontsluiting binnenvaart containerterminal Alphen/Rijn                           3              A
VW10                        Tweede Maasvlakte (en 750 ha natuur)                                            1706              B
VW] 2                       Ondergronds Logistiek Syst. Aalsmeer-Schiphol-Hoofddorp                          136              C
VW1 3                       Propyleennetwerk Rdam-Antwerpen-Geleen-Ruhrgebied                                  4              C
VW22                        Zeepoort 1) mond [verbeteren zeetoegang Noordzeekanaal]                          363              C
VW26                        Ijzeren Rijn; Reactiv. goederenspoor Antwerpen DuitslandC                        635              C
AM07                        2e Spooraansluiting Westpoort                                                     52              C
Verkeersveiligheid
VW8                         Duurzaam veilig 2                                                               2296              A
VW28b                       Veilige overwegen                                                                295              C
a De hoogte van de claim is gelijk aan VW1 5b
  De hoogte van de claims is nog niet bekend. Ten behoeve van de berekening is een eerste schatting gemaakt door de planbureaus,
waarbij is uitgegaan van een conservatieve schatting van de bijdrage van private partilen
  De hoogte van de claim is niet bekend en hangt om, af van de bijdrage van België. Ten behoeve van de berekening is hier
uitgegaan van een claim ter grootte van de totale projectkosten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                                                                                             B E LEI DSO PTI ES
3.3   Beleidsopties
3.3.1 N iet-i nvesteri ngs beleid
      Centrale elementen in het verbeteren van de bereikbaarheid zijn een betere beprijzing van het
      verkeer en vervoer, en waar nodig een betere benutting of uitbreiding van de fysieke
      infrastructuur. Daarnaast is ondersteunend beleid van belang voor het realiseren van de
      bereikbaarheidsdoelstellingen. Ondersteunend beleid wordt in het NVVP vormgegeven door
      onder meer locatie-, fiets- en parkeerbeleid en vervoermanagement. Het streven is om nieuwe
      woon- en werklocaties te ontwikkelen rond (vervoers-)knooppunten die goed ontsloten zijn voor
      openbaar vervoer en langzaam verkeer. De uitvoering van het beleid ligt primair bij de
      provincies en de kaderwetgebieden.
      Voor de verbetering van de leefbaarheid wordt, naast betere inpassing van infrastructuur,
      gestreefd naar het terugdringen van geluidsoverlast en milieuhinder. Hier bouwt het NVVP
      voort op bestaand beleid zoals het NMP3 en de Uitvoeringsnota Klimaat. Onder meer wordt
      gestreefd naar een verdere aanscherping van (Europese) normeringen voor veiliger, schonere en
      stillere voer- en vaartuigen in combinatie met het stimuleren van innovatieve technologieën.
      Op het gebied van verkeersveiligheid staat uitvoering van het programma 'Duurzaam Veilig'
      centraal. Een belangrijke rol speelt daarbij intensivering van de handhaving van de
      verkeersregels. Een voorbeeld hiervan zijn de Regioplannen, die nog dit jaar in alle politieregio's
      worden ingevoerd. Voor de uitvoering van de Regioplannen is op jaarbasis een bedrag van ca. 68
      mln euro gereserveerd. De Regioplannen richten zich onder meer op het onderliggend
      wegennet, waarbij de prioriteiten in samenwerking tussen politie, Openbaar Ministerie en lokaal
      bestuur tot stand komen.
      De NVVP-maatregelen op het gebied van beprijzen en variabilisatie van kosten zullen ook van
      toepassing zijn op het goederenvervoer over de weg. Ook voor spoorvervoer en binnenvaart
      wordt voorgesteld om de marginale kosten door te rekenen. Voor de binnenvaart wordt een
      probleem gesignaleerd voor kostentoerekening, omdat de vaarwegen ook voor de recreatievaart
      en de waterhuishouding worden gebruikt. Naast beprijzen noemt de nota verder onder meer een
      verbetering van transportefficiency en het voorkomen van niet- (kosten)efficiënt transport
      (transportpreventie).
           Het in rekening brengen van de marginale maatschappelijke kosten bij het goederenvervoer
      kan leiden tot een verhoging van de welvaart. Omdat nog onduidelijk is hoe de doorberekening
      concreet vorm zal krijgen, is nog niet aan te geven welke effecten verwacht mogen worden.
      Het belang van beleid gericht op efficiencyverbetering of transportpreventie naast het beprijzen
      van het gebruik van infrastructuur is niet zonder meer duidelijk. Immers, wanneer door
                                                                                                            67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: FYSIEKE BEREIKBAARHEID
      beprijzen de schaarse (infrastructurele) middelen optimaal worden gebruikt, kan aanvullend
      vraagbeïnvloedend beleid tot suboptimalisatie leiden. Verbeteringen zouden kunnen liggen in
      een bijdrage aan een meer gewenste ruimtelijke structuur (bijvoorbeeld systeemoptimalisatie) of
      aan innovaties in transport en logistiek die de internationale concurrentiepositie van de sector
      zouden kunnen versterken. Hierbij is het echter de vraag of en hoe de overheid een effectieve rol
      kan spelen. De mogelijkheden zijn beperkt door de relatief grote invloed van internationale
      ontwikkelingen en internationaal georiënteerde bedrijven.
3.3.2 De rol van investeringen en ander beleid
      Er is sprake van een koerswijziging ten opzichte van het verleden als gekeken wordt naar het
      soort maatregelen en de bijbehorende investeringen voor het oppakken van de beleidsopgaven.
      In het NVVP wordt nu gekozen voor een breed pakket van maatregelen, waarin het traditionele
      bouwen in fysieke infrastructuur een onderdeel is. Dit is niet alleen zichtbaar in de
      begrotingsvoorstellen, maar ook in de bij de ICES ingediende projectvoorstellen. Naast
      bouwprojecten wordt geld gevraagd voor de uitvoering van prijsbeleid, voor betere
      benuttingsmogelijkheden van bestaande infrastructuur, voor investeringen in de
      verkeersveiligheid en voor technologische vernieuwingen. Het gaat om aanbod én vraaggerichte
      maatregelen.
      Prijsbeleid is een zeer belangrijke pijler om de NVVP-doelstellingen voor het wegverkeer te
      realiseren. Voor het resultaat blijkt het van groot gewicht dat het prijsbeleid in de vorm van
      kilometerheffing ook naar plaats en tijd wordt gedifferentieerd. Een voorlopige verkenning geeft
      aan dat het realiseren van de bereikbaarheidsdoelstelling voor circa 50% van het prijsbeleid moet
      komen. De overige 50% moet grotendeels met benutten en bouwen worden opgelost. Sinds een
      aantal jaren wordt voor elke tracé-mer-studie één of meer benuttingsvarianten onderzocht.
      Ook bij veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving is, naast investeringen in harde
      infrastructuur en de inpassing daarvan, aandacht voor intensiveren van de handhaving van
      verkeersregels en het aanscherpen van (Europese) riormeringen.
      Investeringen vormen een logisch en noodzakelijk onderdeel van het verkeers- en vervoerbeleid.
      Wel moet worden bedacht dat al omvangrijke investeringen in het Meerjarenprogramma
      Infrastructuur Transport (MIT) zijn opgenomen. Tot      2010 wordt er voor al 35 mld euro
      geïnvesteerd via de reguliere begroting. Naast benuttingsprojecten en wegverbredingen ligt er
      een zwaar accent op 0v-verbeteringen in de Randstad. Rendabel investeren vraagt om een
      selectieve aanpak, gericht op duidelijke knelpunten en realiseerbare ontwikkelingsperspectieven.
      131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                                                                                  BELEUJSOPTIES
Literatuur hoofdstuk 3
AVV, 2000, 'NVVP-beleidsopties Verkend', Rotterdam
AVV, 2001, 'Signalenrapport Verkeer en Vervoer 2000', Rotterdam
CBS, 2000, 'De Mobiliteit van de Nederlandse bevolking in 1999', Heerlen
CPB, 2000A,' Trends, dilemma's en beleid. Essays over ontwikkelingen op langere termijn',
Den haag.
CPB, 2001, 'Mogelijkheden en beperkingen van overheidsinvesteringen: analyse ten behoeve
van de Verkenning Economische Structuur', CPB Document nr. 12, Den Haag.
CPB, 2000B, 'Mobiliteit en Welvaart, economische effecten van het NVVP 20001-2020', Den
Haag
V&W, 2001A, 'Van A naar Beter, Nationaal Verkeers- en Vervoerplan 2001-2020',
kabinets standpunt
V&W, 200IB, 'Koersen op de tijdgeest, Trens en trendhreuken rond Verkeer en Waterstaat»
SER, 1999, 'Investeren in verkeersveiligheid', Den Haag
                                                                                            69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: FYSIEKE BEREIKBAARHEID
70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                                                            BELEIDSOPG AVE N
4   Natuur, landschap en water
    in 1989 is het eerste Natuurbeleidspian vastgesteld met als kern de ontwikkeling van de
    Ecologische Hoofdstructuur (EHS): een samenhangend stelsel van natuurgebieden in
    Nederland. In de afgelopen io jaar is ca  50.000  ha (eenderde van de provincie Utrecht) aan
    nieuwe natuur verworven. De rijkdom aan planten- en diersoorten blijft echter nog wel onder
    druk staan door versnippering, verzuring, verdroging en verstedelijking. Beleidsnota's
    signaleren dat er tekorten bestaan aan groen in en om de steden. Er zijn reeds plannen voorzien
    om het areaal aan stedelijk groen te vergroten.
        Nederland kent een lange historie in de strijd tegen wateroverlast en het waarborgen van de
    veiligheid tegen overstromingen. De laatste jaren heeft een omslag in het denken over
    waterbeheer plaatsgevonden van 'water keren' naar 'water accomoderen'. Door een mogelijke
    klimaatverandering neemt de kans op overstromingen en wateroverlast in de tijd toe.
4.1 Beleidsopgaven
    Het kabinet hanteert als hoofddoelstelling van het natuur- en landschapsbeleid: behoud, herstel,
    ontwikkeling en duurzaam gebruik van natuur en landschap (LNV, 2000). Hoofddoelstellingen
    van het waterbeleid zijn het vergroten van de veiligheid, het beperken van de wateroverlast en
    het beschermen van de zoetwatervoorraad (VROM,        2001). Waar mogelijk en zinvol is het
    beleidsstreven om ruimte voor landschap, water en natuur te combineren.
    Aankoop en beheer van grond zijn in het huidige beleid belangrijke middelen om de
    hoofddoelstellingen voor natuur landschap te verwezenlijken. Het verkrijgen van een scherp
    inzicht in de kwantitatieve opgaven die het kabinet zich op dit punt stelt, is lastig. De ambities
    zijn meerdere malen verhoogd, er bestaan onduidelijkheden wat betreft definities, een deel van
    de aangekochte grond moet worden ingericht en tenslotte is er ook grond aangekocht buiten de
    Ecologische Hoofdstructuur (EHS) die nog moet worden geruild.
        Tabel 41 geeft een kwantitatief overzicht van wat nog gerealiseerd moet worden van de
    taakstellingen van het kabinet op verschillende terreinen voor aankoop dan wel beheer van
    grond voor natuur   Cl] landschap (de beleidsopgaven) en het geplande jaar van afronding.
                                                                                                          7'
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>               SELECTIEF INVESTEREN: NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
 Tabel 4.1         Bestaande kwantitatieve beleidsopgaven van het kabinet voor natuur en landschap per 1-1-2001
                                                                         nog te realiseren (ha)  gepland jaar van afronding
 Kwaliteit: groen in en om de stad
 Randstadgroen                                                                            21 000                  201 3/2020
 Bos, landschap en recreatie                                                               9000                   2010/2018
 Kwaliteit in landelijk gebied
 Landschapsimpuls                                                                         40000                         2020
 Agrarisch natuurbeheer                                                                 ca 6 000                        2020
 Duurzaamheid: EHS
 Agrarisch natuurbeheer binnen de EHS                                                  ca 54 000                        2020
 Reservaten en natuurontwikkeling                                                        101 000                        2018
 Traditioneel natuurterrein                                                               19 000                        2018
 Natte natuur                                                                      9500-10500                     2010/2015
 Robuuste en ecologische verbindingen                                             36 500-42 500                         2020
 Bron: Natuurcompendiurn (op basis van gegevens Dienst Landelijk Gebied)
               In de volgende paragrafen worden de beleidsopgaven verder uitgewerkt. De beleidsopgaven zijn
               daarbij ingedeeld in opgaven om de kwaliteit van de woon- en werkomgeving te verbeteren en in
               opgaven gericht op duurzaamheid. Met duurzaamheid wordt gedoeld op versterking van
               ecologische waarden en op (water)veiligheid.
4.1.1          Kwaliteit van de leefomgeving
               Groen in en om de stad
               Het beleidsterrein groen in en om de stad' kent twee hoofddoelstellingen: verbetering van de
               leefbaarheid in en om de stad en vergroten van de recreatiemogelijkheden voor stedelingen. De
               ontwikkeling van groen in en om steden lijkt niet meer toe te nemen. Zo blijkt het areaal
               stedelijk groen per inwoner - na een aanvankelijke stijging tot 1993 - in 1996 op ongeveer
               hetzelfde niveau te liggen als in 1989 (RPD, 2000). Tabel 4.1 laat zien dat het merendeel van de
               taakstellingen voor stedelijk groen nog gerealiseerd moet worden.
               Voor groen in de stad' heeft het Rijk voor de periode 2000-2005 financiële middelen
               beschikbaar gesteld aan de 30 grote steden (G30). Voor de periode 2005-2010 worden nieuwe
               afspraken gemaakt, waarbij een extra investeringsimpuls via de ICES een rol kan spelen.
               Daarnaast dient volgens het kabinet 440 ha groen bij nieuwe woningbouwlocaties gerealiseerd
               te worden (het 'VINAC'-groen: VROM, 1992). Er heeft nog geen evaluatie plaatsgevonden van
               de voortgang van dit relatief nieuwe beleid.
                 Daarnaast kan groen om de stad een verbinding vormen tussen natuurgebieden en zo bijdragen aan het
               vergroten van de biodiversiteit in de gebieden die behoren tot de EHS.
               72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>                                                                                      BELEIDSOPGAVEN
Voor groen om de stad' ligt het accent op de Randstad. Uit evaluaties blijkt dat de realisatie van
de Randstadgroenstructuur stagneert (RIVM et al., 2001). Belangrijke oorzaken zijn het
ontbreken van planologische duidelijkheid, hoge grondprijzen en (daarmee samenhangend)
onvoldoende bestuurlijk draagvlak op lokaal niveau.
Landschap
Volgens het kabinet staan ecologische en landschappelijke kwaliteiten van het landelijk gebied
onder druk (VROM, 2001, LNV, 2001). Het duurzaam beheer van de kwaliteit van het landelijk
gebied wordt steeds meer als taak van de agrarische sector gezien. Inspelend op de
veranderingen in het Europese landbouwbeleid, zet het Rijk daarom een beleid in dat moet
leiden tot enerzijds extensivering van de grondgebonden landbouw in combinatie met water- en
natuurbeheer. Anderzijds wil het kabinet concentratie van de niet-grondgebonden tuinbouw en
veeteelt. Het instrumentarium voor stimulering van een duurzame landbouw is op dit moment
in ontwikkeling.
Het kabinet streeft naar verbetering van de landschappelijke kwaliteit van ca 400.000 ha
agrarisch cultuurlandschap in 2020 (LNV, 2000). Een deel van deze beleidsambitie zal volgens
beleidsmakers kunnen worden verwezenlijkt door het aanleggen van landschapselementen
(40.000 ha), waarvan maximaal io.000 ha moet worden aangekocht. In de periode 2001             juni
2003 wordt in acht zogenoemde 'proeftuinen' geëxperimenteerd met planvorming en realisatie
van 'groenblauwe dooradering' van landschappen: het verrijken van landschappen met groene
(natuur) en blauwe (water) elementen.
    Aangewezen landschappelijk waardevolle gebieden zijn onder andere de Veenweidegebieden
en het 'Groene Hart' in de Randstad (VROM, 2001). Het Structuurschema Groene Ruimte
(LNV, 2001) noemt daarnaast als landschappelijk waardevolle gebieden: de Zeeuws-Zuid-
Hollandse Delta, een gedeelte van het rivierengebied, het Limburgse heuvelland en de Veluwe.
Reconstructie
Landelijke gebieden met diverse problemen betreffen de zandgronden in Oost- en Zuid-
Nederland, de Veenkoloniën en het Westland. Bij de zandgebieden, ruim i,i mln ha, bestaan
beleidsopgaven op meerdere fronten: terugdringing van vermesting, verzuring, verdroging,
'verstening', 'verrommeling' en stankhinder. 'Verzuring' door de landbouw kan lokaal de natuur
aantasten en ook 'vermesting' leidt tot nadelige ecologische effecten (RIVM, 2001).
    De beleidsambitie in de zandgebieden is om met gebiedsgerichte 'reconstructieplannen' de
problemen in samenhang te lijf te gaan. De doelen van het Westland zijn het behoud van de
centrumfunctie voor de glastuinbouw en een verbetering van de kwaliteit van het gebied. De
Veenkoloniën kennen drie hoofdproblemen (Commissie Structuurversterking Veenkoloniën,
2001): een eenzijdige economische structuur, achterblijvende sociaal-economische ontwikkeling
                                                                                                  73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
      en een negatief imago. Investeringen in natuur en landschap zouden kunnen helpen het gebied
      aantrekkelijker te maken (meer afwisseling) voor recreatie.
4.1.2 Duurzaamheid van de leefomgeving
      Water
      Doordat het klimaat verandert, neemt naar verwachting de hoeveelheid neerslag toe en stijgt de
      waterafvoer via de rivieren. De zeespiegel rijst, terwijl de bodem daalt. Zonder ingrijpen leiden
      deze ontwikkelingen tot een toename van wateroverlast en overstromingskansen.
           Het kabinet heeft besloten tot een omslag in het waterbeleid: van water keren' naar meer
      ruimte geven aan water. Het geven van die ruimte zou zoveel mogelijk in samenhang met
      natuurontwikkeling plaats moeten vinden (V&W, 1998 en a000; VROM, 2001).
      De volgende beleidsopgaven op watergebied zijn actueel (CPB, 2001, RIVM, 2000):
      veiligheid. Een mogelijke zeespiegelstijging en toename in de piekafvoeren in de rivieren leiden,
      zonder aanvullende maatregelen, tot een toename van de kans op overstroming. Een
      zeespiegelstijging van iio cm in ioo jaar (boven-scenario klimaatontwikkelingz) impliceert
      bijvoorbeeld een stijging van het overstromingsrisico van de zee van i:io.000 jaar naar               I:300
      jaar;
      wateroverlast. De mogelijke toename van de neerslag in de winter leidt tot een grotere kans op
      wateroverlast als gevolg van een beperkte capaciteit voor de opvang en afvoer van dit water. De
      schade door wateroverlast in regionale watersystemen bedroeg in het relatief natte jaar 1998 ca
      450 mln euro;
      zoetwatervoorraad. De beschikbare zoetwatervoorraad in de zomer zal afnemen door het grotere
      neerslagtekort en de verminderde rivierafvoeren in de zomer, terwijl in de winter de hoeveelheid
      neerslag juist zal toenemen;
      bodemdaling. De bodem in de veenpolders daalt naar verwachting met ca 20 cm per 50 jaar
      (GIW, 2001). De bodemdaling is het sterkst in Groningen en Zuid-Flevoland. Het huidige
      waterpeilbeheer is optimaal voor de landbouw, maar leidt tot verdere bodemdaling;
      verzilting. In laag-Nederland neemt de zoute kwel (opwaarts gerichte grondwaterstromtug) en
      zoutindringing via de Nieuwe Waterweg toe. Om verzilting tegen te gaan, is voldoende aanvoer
      van zoet water van belang, maar de beschikbaarheid hiervan zal naar verwachting afnemen;
      verdroging. Verdroging is het gebrek aan voldoende grond- of oppervlaktewater van de juiste
      kwaliteit in natuurgebieden of in gebieden met een nevenfunctie natuur. Ga 6o% van de
      verdroging is het gevolg van de, waterregulering voor de landbouw en de cl:iling van de
        In Waterbeleid voor de 21e Eeuw (WB21) is ervoor gekozerl om UIt veIlIgheidsoverwegingen voor de kust uit te
      gaan van het boven-scenario.
      74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                                                                                      BELEI DSOPGAVEN
grondwaterstanden die daardoor teweeg is gebracht. De Vierde Nota Waterhuishouding (V&W,
1998) formuleert een doelstelling van 25% vermindering van het verdroogde areaal in 2000 ten
opzichte van 1985. Momenteel is slechts 3% van het areaal hersteld en is 30% gedeeltelijk
hersteld. Voor 53% van de verdroogde gebieden is actie ondernomen, maar de effectiviteit van de
maatregelen is nog gering. V&W wijt dit aan het beperkte schaalniveau van uitvoering en de
trage doorwerking van maatregelen op waterhuishouding en ecologie (CIW, 2001).
Volgens de beleidsmakers kunnen met 'ruimte voor water' maatregelen niet alleen een
verbetering van de veiligheid en minder wateroverlast worden bereikt. Ook kan de verdroging
worden bestreden, de zoetwatervoorraad toenemen, de recreatiemogelijkheden verbeteren en de
natte karakteristiek van veel typisch Nederlandse landschappen worden hersteld.
    De kwantitatieve ruimteclaims voor water in de Vijfde Nota zijn fors: 90.000 ha voor
veiligheid, 25.000 ha aan open water om wateroverlast te beperken en 375.000 ha (2,5 maal de
provincie Utrecht) aan ruimtelijke maatregelen die passen bij 'meebewegen met water'.
Natuur
De EHS is het speerpunt van het natuurbeleid: een samenhangend stelsel van 750.000 ha
natuurgebied voor de veiligstelling van soorten en ecosystemen (LNV, 1990). De planologische
aanwijzing van de EHS zou de samenhang tussen natuurgebieden moeten vergroten. Daarbij
wordt gestreefd naar een groter aandeel grote natuurgebieden en het aanleggen van
verbindingszones tussen natuurgebieden.
    Om de taakstelling van de EHS, inclusief robuuste en ecologische verbindingen, te halen,
moet voor 2020 nog ca 135.000 ha grond worden verworven (dit is een deel van de hectares
genoemd in tabel .i; het andere deel is reeds aangekocht of behoeft niet te worden aangekocht
maar moet nog wel worden ingericht voor natuur) (RIVM/Alterra/LEI, 2001). De jaarlijkse
verwervingstaakstelling bedraagt 7.000 - 8.500 ha. In 2000 is bijna 9.000 ha verworven,
tegenover 6 á 7.000 ha per jaar in voorgaande jaren (RIVM et al., 2001). Een deel van de
gronden ligt niet binnen de EHS en moet nog geruild en ingericht worden. Daardoor is niet
duidelijk in welke mate de jaarlijkse taakstelling wordt gerealiseerd en welke beleidsopgave
resteert. Bovendien is het door overlap van diverse taakstellingen en verschillende definities
nioeilijk om een eenduidig kwantitatief inzicht te krijgen in het areaal dat conform de
beleidsnota's nog aangekocht en ingericht zou moeten worden ten behoeve van de EHS.
    Het Structuurschema Groene Ruimte II (LNV, 2001) voegt aan de bestaande taakstellingen
voor natte natuur (ca 10.000 ha) een nieuwe ambitie van 17.000 ha toe voor diverse rivieren en
voor Deltanatuur, die niet in tabel 4.1 is opgenomen.
    in gebieden waar het agrarisch gebruik de kwaliteit van de EHS negatief beïnvloedt, via
bodem, water en lucht, wil het kabinet een gebiedsspecifieke milieukwaliteit realiseren (VRaM,
                                                                                                   75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>       SELECTIEF INVESTEREN NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
       2001). Het Rijk wil intensieve veehouderijbedrijven binnen de groene contourgebieden en in
       beïnvloedingsgebieden rond de natuurkernen van de EHS verplaatsen of beëindigen.
       Op ongeveer Go.000 ha agrarisch gebied worden beheerovereenkomsten met agrariërs
       afgesloten, waarvan ca 9o% (54.000 ha) binnen de EHS ligt (RIVM/Alterra/LEI, 2001).
       Momenteel zijn voor 130 ha beheerovereenkomsten afgesloten met particuliere eigenaren.
       Omdat dit beleid vrij nieuw is, moet nog worden onderzocht hoe omvangrijk de beleidsopgaven
       hier zijn. De provincie zal in overleg met de landbouwsector de gewenste ontwikkelingen van de
       grondgebonden landbouw gaan bepalen in relatie tot de ruimtelijke kwaliteit en de
       milieucondities.
4.2    Beoordeling van investeringsvoorstellen
4.2.1  Kwaliteit van de leefomgeving
      Groen in en om de stad
      Op dit terrein hebben LNV en VROM een claim (LNI) van ca 2 mld euro ingediend. Beoogd is
      onder meer de vergroting van het aanbod aan grootschalig recreatief groen en groene
      verbindingen in en om steden (zie 6.1.i). Daarbij gaat het zowel om herinrichting en verbetering
      van bestaand groen als om de aanleg van nieuwe structuren. Het onderdeel 'Groen in en om de
      stad' (GIOS) in de claim is als 'opwaardeerbaar' beoordeeld. Het is aannemelijk dat er kansrijke
      groenprojecten rond steden zijn uit te voeren, maar om dit goed te kunnen beoordelen, moet het
      GIOS.onderdeel concreter en selectiever worden opgezet. De huidige claim maakt niet duidelijk
      in welke mate aan de beleidsopgave wordt bijgedragen. Het onderdeel over de Regionale Parken
      is als 'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld, met name omdat de maatregelen niet goed duidelijk
      zijn. Ook de afstemming met andere relevante VROM- en LNV-initiatieven is onduidelijk.
           De landsdelen hebben voor bijna i mld euro aan projecten geclaimd voor diverse
      groenprojecten in en rond steden en stedelijke gebieden. Het gaat om projecten rond Apeldoorn
      (045), rond steden in Noord-Nederland (N002) en rond de vier grote steden Amsterdam
      (AM23), Rotterdam (RD47), Den Haag (DH22) en Utrecht (UGii). De oordelen lopen uiteen van
      'zwak/onbeoordeelbaar' tot 'opwaardeerbaar'. Doordat nadere uitwerking van concrete
      maatregelen en inzicht in de precieze kosten ontbreken, is de efficiëntie van deze voorstellen
      niet goed te beoordelen en zijn de onzekerheden nog betrekkelijk groot. Het project
      'Groenblauwe slinger' (ZH27) beoogt de ontwikkeling van een 'kwalitatief hoogwaardige
      groenblauwe component als onderdeel van een stedelijk netwerk'. Het project is summier en
      weinig concreet uitgewerkt en is mede daarom als 'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>                                                                       BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
4.2.2  Kwaliteit in landelijk gebied
      Cultuurlandschap
       De departementale voorstellen gericht op herstel en behoud van cultuurhistorische
      landschappen zijn in het algemeen redelijk positief beoordeeld. Het voorstel 'nieuwe Hollandse
      Waterlinie' (LNI2) is als 'robuust' beoordeeld. Het is effectief en efficiënt voor het bereiken van
      het hoofddoel: inrichting en herstel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als multifunctioneel
      cultuurhistorisch fenomeen. Het project zal naar verwachting een positieve bijdrage leveren aan
      de ruimtelijke kwaliteit.
          Ook het project 'Malta' (0Gb) is als 'robuust' beoordeeld. Dit project is een uitwerking van
      het gelijknamige verdrag, waarin Nederland en andere landen zich verplichten te voorkomen dat
      archeologisch erfgoed verloren gaat, onder meer bij bouwactiviteiten. De claim betreft
      subsidiëring van kosten door niet voorziene archeologische vondsten, voorzover deze i% van het
      totale investeringsbedrag overschrijden. Betrokken partijen en diverse adviesorganen zijn op
      grond van uitvoerig onderzoek en verkenning van alternatieven tot de gekozen invulling
      gekomen. Tevens zijn de te hanteren procedures in de uitvoering goed uitgewerkt.
          Het voorstel van 0GW gericht op opbouw van meer cultuurhistorische kennisinfrastructuur
      (OG ii) is als 'opwaardeerbaar' beoordeeld: er is meer inzicht nodig in de verhouding tussen
      kosten en baten en er bestaan onduidelijkheden over de relatie met activiteiten rond een
      monumentenregister.
          Het voorstel 'regionale voorbeeldprojecten voor behoud van cultuurhistorische waarden'
      (VR30) is ook als 'opwaardeerbaar' beoordeeld. Slechts een deel van de geplande twaalf
      voorbeeldprojecten zijn bekend. De twee ingediende voorbeeldprojecten zijn geografisch niet
      goed afgebakend en bestaan slechts ten dele uit concrete inrichtingsmaatregelen zoals in de nota
      Belvedère wordt beoogd. Verder is de vereiste co-financiering van de EU en projectontwikkelaars
      onzeker.
          De landsdelige voorstellen (014 en ZH14) gericht op behoud en herstel van cultuurhistorisch
      landschappelijk waardevolle gebieden zijn als 'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Het ene
      project beoogt een kwaliteitsimpuls aan leveren aan de leefIaarheid van het platteland (014), het
      andere restauratie en herbestemming van Fort Wierickerschans (ZHi4). Onduidelijk is in beide
      gevallen echter wat concreet wordt gerealiseerd, zodat ook de effecten van beide projecten niet
      kunnen worden vastgesteld. Bovendien zijn er onzekerheden over de realisatie mogelijkheden
      en over de benodigde additionele financiering.
      Landschap algemeen
      Bij de departementale voorstellen die vanuit een breder oogpunt dan 'cultuurhistorie'
      landschappen beogen te verbeteren c.q. te behouden, is het beeld relatief ongunstig. Zo is het
      voorstel voor 'groen.blauwe dooradering' (LN4), het opknappen van landschappen met groene
                                                                                                            77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
en blauwe elementen (aanpassen sloot- en waterkanten, aanleg bosschages en moerasjes e.d.),
als 'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Het voorstel kan in principe wel een positieve bijdrage
leveren aan de ecologische, recreatieve en landschappelijke waarden van het landelijk gebied,
maar de effectiviteit en efficiëntie zijn niet goed te beoordelen, omdat niet duidelijk is op welke
plaatsen de maatregelen zullen worden genomen. Resultaten uit de 'proeftuinen' (zie paragraaf
4.i) kunnen meer zicht geven op het effect van het voorstel.
De voorstellen om de grondgebonden landbouw te transformeren tot drager van het open, niet-
verstedelijkte landschap (VR26) en om ongewenste bebouwing tegen te gaan en de aanleg van
vier nationale landschappen te realiseren (VR27-29) zijn alle als 'zwak/onbeoordeelbaar'
beoordeeld. De projecten zijn onrijp, waarbij veelal geen zicht bestaat op de wijze waarop de
plannen zullen worden uitgewerkt. Ook de samenhang tussen de projecten onderling is
onduidelijk.
Reconstructiegebieden
De voorstellen die proberen een brede kwaliteitsimpuls te geven aan probleemgebieden (zie
paragraaf 4.1) zijn voornamelijk als opwaardeerbaar' beoordeeld.
     In het LNV-voorstel Groene Deltametropool' (LN2) gaat het onder meer om investeringen in
herstel en behoud van het open karakter van het landschap en in recreatieruimte (parkstructuur)
als een buffer rond stedelijk gebied. Het voorstel bevat veel deelprojecten die verschillend
beoordeeld zijn, van 'robuust' tot 'zwak/onbeoordeelbaar'. Veel kosten van deelprojecten
betreffen grondaankopen die op vrijwillige basis moeten geschieden en dus onzeker zijn.
Beheersovereenkomsten en regelgeving in de ruimtelijke ordening zijn voor onderdelen van
deze projecten een belangrijk alternatief. Soms kan de efficiency worden verhoogd door
kansrijke onderdelen te selecteren.
     Het landsdelige voorstel 'integraal ontwikkelingsplan Het Nieuwe Westland' (ZH26) is ook
beoordeeld als 'opwaardeerbaar'. Het is een voorbeeld van een gebiedsgerichte aanpak door
verschillende partijen met een groot aantal onderdelen. Er bestaan echter nog onzekerheden
over de bijdragen van derden en de mogelijkheden om opbrengsten te genereren uit de verkoop
van nieuwe 'woningen in het groen'. Het is ook niet bekend of er een kosten-batenafweging
heeft plaatsgevonden. Een grotere SL'Iectivltejt zou een positief effect hebben op de m'fficientie
van dit voorstel.
     Het voorstel 'saneren verspreide glastuinbouw' (VR2I) is als 'zwak/onbeoordeelbaar'
beoordeeld. De kosten en de effecten van de maatregelen zijn alleen globaal aangegeven.
Onduidelijk is of de gevraagde voorzieningen niet kunnen worden gefinancierd uit de
grondexploitatie.
     De voorstellen 'kwaliteitsimpuls zandgebieden (LN6/VR22), reconstructie zandgronden
Noord-Brabant en Limburg (ZD25A en B) en reconstructie van zandgronden in Oost-Nederland
                    j)\LIi:i:lT'LI)uI. De \()ÛIuH1II'iI /ijII NII'I'Lb /L' l 'L:It('I1 El:I:Itl'Cl(lI \O(I CII)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>                                                                 BEOORDEUNG VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
 beter natuur- en landschapsbeheer, waterbeheersing, milieu en infrastructuuraanleg. Hoewel
 reeds lang over de 'reconstructieplannen' wordt nagedacht, zijn de voorstellen toch globaal en
 indicatief van aard. Er liggen mogelijkheden bij de projectonderdelen die zich specifiek richten
op natuuraanleg, infrastructuurverbetering en de externe effecten van landbouw. Om tot
 robuuste projecten te komen, moet er meer inzicht komen in de relatie met ander beleid, in
autonome ontwikkelingen en in de efficiency.
 Het voorstel van Oost-Nederland gericht op herstructurering van de verblijfsrecreatie op de
Veluwe (002) is te verbeteren met een betere onderbouwing, door beter aan te geven welke
maatregelen waar gepland worden en door de procesmatig kant van het project verder uit te
werken.
     Het voorstel gericht op 'herstructurering Heuvelland en realisatie Drielandenpark' (ZD2I) is
in de huidige vorm 'zwak/onbeoordeelbaar'. Er wordt in de claim niet concreet aangegeven voor
welke maatregelen de ICES-gelden gebruikt gaan worden, waardoor legitimiteit, effectiviteit en
efficiency nog niet zijn vast te stellen.
    Het departernentale voorstel 'kwaliteitsimpuls veenkoloniën' (LN7) is als
'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. De legitimiteit van het voorstel is op onderdelen
twijfelachtig. De meerwaarde in termen van natuur en recreatie is naar verwachting beperkt.
Het landsdelige voorstel 'herstructurering van veenkoloniën' (NOio) is als 'opwaardeerbaar'
aangemerkt. De voorgestelde maatregelen zijn hier beter in kaart gebracht dan in het
departementale voorstel. Het is voorstelbaar dat sommige projectonderdelen effectief en
efficiënt zijn. Effectiviteit en efficiency moeten echter scherper in beeld worden gebracht.
Het voorstel om een kwaliteitsimpuls aan de natuur in het Waddengebied (LNI0) te geven via
onder andere herstel van de natuurlijke afwatering van de Drentse Aa, is als
'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Er is niet aangetoond dat de voorgestelde maatregelen de
aangewezen aanpak zijn voor herstel van de watersystemen in het Waddenkustgebied en
realisatie van meer duurzame vormen van landbouw in dit gebied. Een financiële
onderbouwing van verschillende kostenposten ontbreekt, bovendien zijn de mogelijkheden voor
grondverwerving voor het project onzeker.
Bij het voorstel Verplaatsen marinevliegkamp Valkenburg' (VR17) is de gevraagde ICES-
bijdrage gericht op de inrichting van de nieuwe locatie. Er loopt nog een onderzoek naar
meerdere alternatieve locaties. De verplaatsing is een overheidstaak die niet gefinancierd kan
worden uit de verkoop en herinrichting van de huidige basis. Het voorstel is opwaardeerbaar: de
kwaliteit hangt af van de vraag of er een geschikte locatie kan worden gevonden.
                                                                                                    79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>            SELECTIEF INvEsTEREN: NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
Tabel 4.2       Natuur, landschap en water; kernresultaten kwaliteit van de leefomgeving
                                                                                    mln euro  oordeel
Groen in en om de stad
LN1a             Groenblauwe impuls: GIOS                                                1695      B
RD47             Regionale Groenparken                                                    261       B
DH22             Groen in en om de stad (Den Haag)                                        152       B
045              Groene mal Apeldoorn/Parkbuffer Over-Betuwe                               68       B
AM23             GIOS Amsterdam                                                           506      C
LN1b             Groenblauwe impuls: Regionale parken                                     499      C
N002             Stadsranden Noord-Nederland                                              247      C
ZH27             Groen Blauwe Slinger                                                     104      C
UG1 1            Parklandschap Utrecht West                                                91      C
Cultuurlandschap
LN12             Belvedere, onderdeel Nieuwe HolI. Waterlinie                             102       A
OC1O             Malta                                                                     45       A
OC1 1            Belvedere, onderdeel cultuurhistorische kennis                            36       B
VR30             Belvedere, onderdeel regionale voorbeeldprojecten                         91       B
ZH14             Cultuur Oude Hollandse Waterlinie                                         11      C
014              Cultuurhistorisch erfgoed Belvedere                                       45      C
Landschap algemeen
VR29             Aanleg 4 nationale landschappen                                          545      C
VR28             Sanering ongewenste bebouwing buitengebieden                             476       C
LN4              Groenblauwe dooradering                                                  472       C
VR26             Een impuls voor de grondgebonden landbouw                                136       C
VR27             Transformatieproces Nederlands landschap                                  23       C
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>                                                                              BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
 Vervolg tabel 4.2 Natuur, landschap en water; kernresultaten kwaliteit van de leefomgeving
                                                                                      mln euro               oordeel
 Reconstructie
 LN2a1            Westland                                                                  218                    A
 LN2b6            Behoud open ruimte: Verbinding Noordzeekust/IJsskust                       48                    A
 LN2c2            Parkstructuur gr. Deltametr.: Noordrand Hoeksche Waard                     22                    A
 LN2b3            Behoud open ruimte: Kwaliteitsimpuls Noord-Hollands Midden                 20                    B
 ZD25a            Reconstructie Zandgronden Noord-Brabant                                   771                    B
 LN6/VR22         Kwaliteitsimpuls Zandgebieden                                             692                    B
 NOlO             Herstructurering Veenkoloniën                                             476                    B
 VR] 7            Verplaatsen Marinevliegkamp Vaikenburg                                    213                    B
 LN2b2            Behoud open ruimte: Transformatie melkveehouderij                         225                    B
 LN2c1            Parkstructuur gr. Deltametr.: Westfiank Groene Hart                       218                    B
 ZD25b            Revitalisering Zandgronden Limburg                                        196                    B
 012              Co-financiering EU Reconstructie                                          159                    B
 ZH26             IOP Westland                                                              154                    B
 LN2b1            Behoud open ruimte: Verspreid glas in Groene Hart                          82                    B
 002              Herstructurering verblijfsrecreatie                                        27                    B
 VR21             Saneren verspreide glastuinbouw                                           204                    C
 LN20             Agro-bedrijventerreinen                                                   191                    C
 LN2b4            Behoud open ruimte: Kwaliteitsimpuls Utrecht/Gelderland                   193                    C
 LN1O             Kwaliteitsimpuls Waddengebied                                             189                    C
 LN2a2            Vestigingsklimaat Bollenstreek                                            163                    C
 LN2b7            Behoud open ruimte: Kwaliteitsimpuls kust                                 136                    C
 LN7              Kwaliteitsimpuls Veenkoloniën                                             113                    C
 LN2b5            Behoud open ruimte: Verbinding kust-achterland                             37                    C
 ZD21             Heuvelland Drielandenpark                                                  30                    C
             De hoofddoelen van de LNV-claim Agro-bedrijventerreinen' (LN20) zijn het creëren van een
             milieu- en diervriendelijke landbouwproductie en het verhogen van de landschapskwaliteit door
             de aanleg van agro-bedrijventerreinen. Het project wordt als 'zwak/onbeoordeelbaar'
             aangemerkt: de onzekerheden over de effecten en de efficiency zijn groot. Er bestaan daarnaast
             twijfels over de legitimiteit, omdat het ten dele om subsidiëring van normale' bedrijfsmatige
             activiteiten lijkt te gaan.
4.2.3        Duurzaamheid van de leefomgeving
             Water
             Er is een relatief groot aantal projecten ingediend op het gebied van verbetering van de
             waterveiligheid, waarbij riatuurontwikkeling vaak meelift. De oordelen zijn wisselend.
                                                                                                                   81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN; NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
De departementale voorstellen om ruimte voor water te bieden bij de 'Zandmaas' en de
 Biesbosch' (LNI4 en LNi6) zijn als 'robuust' beoordeeld. Het project 'Zandmaas' is effectief
waar het gaat om verhoging van de natuurwaarden in combinatie met een verlaging van het
overstromingsrisico. De natuurbaten zijn naar verwachting groot, omdat het project bijdraagt
aan een verrijking van de biodiversiteit in Nederland. Ook in het Biesbosch-project wordt een
soort van natuur versterkt dat vanuit het oogpunt van biodiversiteit bijzonder is. Het
projectvoorstel LNi5 gericht op diverse ruimte voor water'-projecten in het rivierengebied
(project 'Nadere Uitwerking RivierenGebied, NURG') is daarentegen als 'opwaardeerbaar'
beoordeeld. De inrichtingsplannen voor natuur zijn niet helder, waardoor de effectiviteit en
efficiëntie onzeker zijn. De potentiële effecten voor de natuurontwikkeling kunnen echter
aanzienlijk zijn. Het project kan worden opgewaardeerd door de natuurontwikkelingsplannen te
concretiseren.
Naast de voorstellen over waterbeheer bij rivieren, is ook een departementaal voorstel ingediend
voor duinverbreding langs de Noordzeekust (LN17) en een ander om het beheer van regionale
wateren te verbeteren (VR25/LNI9). Beide projecten zijn als 'opwaardeerbaar' beoordeeld. Het
kustvoorstel is naar verwachting effectief: de door de duiriverbreding te realiseren natuur wordt
hoog gewaardeerd. De efficiëntie is echter onduidelijk: de kosten per hectare zijn hoog door
zandsuppietie en aankoop van grond waar bollenteelt en kassenbouw wordt bedreven. Deze
kosten verschillen tussen de drie betreffende gebieden. De meekoppeling met een op veiligheid
gericht project van V&W kan de efficiëntie mogelijk verhogen (kostensynergie), maar dit komt
niet duidelijk naar voren. Bij het voorstel voor de regionale wateren zijn selectiviteit en
maatwerk van groot belang wanneer, zoals in dit voorstel, wordt gekozen voor ruimtelijke in
plaats van 'traditionele maatregelen' bij de aanpak van de waterprobleinatiek. In het voorstel
komen selectiviteit en maatwerk echter niet goed naar voren.
     Het voorstel om een kwaliteitsimpuls te geven aan water en natuur in de Zeeuwse delta
(LNII) is als 'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Er bestaan veel onduidelijkheden over de uit te
voeren maatregelen. Een soortgelijk voorstel van Zeeland (ZD24) is als 'opwaardeerbaar'
beoordeeld. De maatregelen zijn beter uitgewerkt, maar de effectiviteit en efficiëntie van liet
voorstel zijn nog moeilijk te bepalen. Bij het onderdeel 'versterking duin- en kustzone' in dit
voorstel bestaan twijfels over de legitimiteit van het beoogde ingrijpen in economische functies.
Tot slot zijn twee departementale watervoorstellen als 'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Bij
het voorstel 'hoofdwatersysteem en aanleg randmeer' (VR23)3 gaat het om het verwerven,
inrichten en beheren van gronden ten behoeve van vergroting van de afvoercapaciteit van de
grote rivieren en om de aanleg van een meer op de grens van de Noordoostpolder en de
  Het oordeel van deze claim is, conform afspraak, gebaseerd op informatie en commentaar van de indiener. Na
indiening en nog tot zeer recent zijn via andere kanalen diverse aanvl;Hcnde rapporten over Het Randrneerproect
beschikbaar gekomen, die niet zijn meepenornen bij de beoordellrle
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>                                                                BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
provincies Friesland en Overijssel. Er zijn bij de plannen echter grote onduidelijkheden over
afstemming met andere initiatieven en beleid, over de aard van de te treffen maatregelen, over
de kostenonderbouwing en over de te verwachten effecten. Het voorstel versterking
kustzone'(VR24) beoogt de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren van drie kustvlakken, waarvoor
door LNV (LNI7) een voorstel is ingediend om de duinen te verbreden. De efficiëntie van het
VROM-voorstel lijkt ongunstig en het is niet duidelijk welke maatregelen worden genomen.
Ook vanuit de landsdelen zijn diverse water-gerelateerde projectvoorstellen ingediend. Het
voorstel van Oost-Nederland voor rivierverruiming in de Ijsseldelta (007) is als 'robuust'
beoordeeld. Het ligt in de verwachting dat de voorgestelde maatregelen de beoogde effecten
zullen opleveren op het gebied van vermindering van wateroverlast en overstromingsrisico. Uit
pilotprojecten blijkt dat er goede kansen liggen voor hoogwaardige natuur. De efficiëntie van de
maatregelen is niet goed te bepalen, maar het feit dat een maatschappelijke kosten-batenanalyse
(MKBA) in het proces als voorwaarde is opgenomen, is in dit opzicht positief. Als
'opwaardeerbaar' beoordeeld zijn de projectvoorstellen 'revitalisering Fries merengebied'
(N003) en vergroting afvoer en bergingscapaciteit (ABC) Delfiand' (GW08). Het Friese project
is erg grootschalig opgezet. Mede als gevolg daarvan zijn de effectiviteit en efficiëntie
onvoldoende te bepalen. De claim voor Delfiand kan een effectieve en efficiënte manier zijn om
tot risicovermindering voor wateroverlast in Delfiand te komen met positieve neveneffecten op
het gebied van natuur en landschap. Er zijn echter nog onzekerheden over de mogelijkheid om
op korte termijn grondaankopen te realiseren. Een studie waarin tien alternatieve
maatregelenpakketten zijn doorgerekend, heeft tot dit voorstel geleid, maar het is niet duidelijk
op welke wijze de afweging heeft plaatsgevonden.
     De overige landsdelige watergerelateerde projecten (GW03, GWI5, GW16, GW23, 020) zijn
als 'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Belangrijke oorzaken van dit oordeel zijn de matige
concreetheid van de voorstellen, het soms niet in beschouwing nemen van alternatieven
(bijvoorbeeld van meer traditionele waterbeheersingsmaatregelen) en het niet goed scoren op
effectiviteit en efficiëntie.
Natuur
Een aantal departementale claims heeft betrekking op het versnellen en versterken van de
natuur en de ecologische hoofdstructuur (EHS) in Nederland.
     Van de departementale claim gericht op een kwaliteitsimpuls voor de Veluwe (LN9) is het
onderdeel dat betrekking heeft op 'natuur en landschap' als 'robuust' beoordeeld; het voorstel
draagt bij aan verrijking van de biodiversiteit en verbetering van de ruimtelijke samenhang. Het
onderdeel 'recreatie en toerisme' is 'opwaardeerbaar'. Hier is nog niet geheel duidelijk wat het
project inhoudt, bovendien is de legitimiteit van overheidsinvesteringsvoorstellen in de recreatie-
en toerismesector niet evident.
                                                                                                     83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre> SELECTIEF INVESTEREN: NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
 De voorgestelde aanpak voor de aanleg van robuuste verbindingen om de ruimtelijke
samenhang van de EHS te versterken (LN5) lijkt effectief en efficiënt, maar de aanpak is nog
 niet concreet genoeg om er een definitief oordeel over te kunnen vellen. Voorjaar 2002 zal een
inhoudelijke verkenning naar de robuuste verbindingen worden afgerond op grond waarvan dit
 mogelijk wel kan. Het voorstel is als opwaardeerbaar' beoordeeld.
     Bij het voorstel om de EHS versneld te realiseren (LN8) is de efficiëntie onzeker. Een
versnelling van grondaankoop voor de EHS kan een prijsopdrijvende werking hebben voor
grond. Een goed alternatief lijkt het om niet in een korte periode tot versnelling van de EHS en
de Randstadgroenstructuur over te gaan, maar om kansen af te wachten: alleen op het moment
dat er geschikte grond vrijkomt (bijvoorbeeld doordat boeren gaan stoppen) over te gaan op
versnelde aankoop. Het voorstel is 'opwaardeerbaar'.
     De zogenaamde 'eerste opgave' van het voorstel 'grijs-groene' knooppunten (verbeteren EHS
Veluwe) om de versnipperende werking van grijze infrastructuur tegen te gaan (LNI3a) is
eveneens als 'opwaardeerbaar' beoordeeld, de 'tweede opgave' (LN13b) (oplossen knelpunten van
geplande robuuste verbindingen) als 'zwak/onbeoordeelbaar'. De maatregelen vanuit de 'eerste
opgave' zijn nog te weinig uitgewerkt om de effecten en de baten goed te kunnen bepalen; er
lijken echter wel goede mogelijkheden te liggen. Het project is te verbeteren door per locatie
scherper te analyseren wat de oplossing is met de gunstigste kosten-batenverhouding. De
'tweede opgave' is prematuur.
     Om het ecosysteem in de Waddenzee te verbeteren, is een claim ingediend om de
kokkelvisserij in het Waddengebied uit te kopen (VR3I). Het voorstel is als 'opwaardeerbaar'
beoordeeld, uitgaande van een positief effect op de natuur. Uitvoering van het project zal verdere
nadelige ecologische effecten voorkomen, terwijl de maatschappelijke kosten betrekkelijk gering
zijn. De kosten van uitkopen vormen een financiële overdracht en zijn slechts ten dele op te
vatten als een maatschappelijke kostenpost4. Wel kan er sprake zijn van vervroegde
afschrijvingen van schepen en apparatuur. De grootste onzekerheid betreft de omvang van de
nadelige effecten op het Waddenecosysteem. Het onderzoek daarnaar is nog niet afgerond.
De landsdelige investeringsvoorstellen gericht op duurzame natuurontwikkeling zijn wisselend
beoordeeld. Het voorstel 'Ilperveld Integraal' (GW2I) is als robuust' beoordeeld. De maatregelen
  Via de zogenaamde excess barden' dle fi:ianoering via beastingHeffIng met zicH meebleligt.
84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>                                                                         BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
Tabel 4.3      Natuur, landschap en water; kernresultaten duurzaamheid van de leefomgeving
                                                                                  mln euro              oordeel
Water
LN14               Zandmaas                                                            227                    A
LN16               Biesbosch                                                            54                    A
007                Rivierverruiming ljsseldelta                                         11                    A
LN19/VR25          Regionale watersystemen                                             893                    B
LN1 7              Versterking zwakke schakels in de kustzone                          681                    B
LN15               Nadere uitwerking Rivierengebied                                    438                    B
ZD24               Groen Blauwe Delta                                                  323                    B
N003               Revitalisering Friese meren                                         144                    B
GW08               ABC Delfiand                                                         51                    B
VR23               Hoofdwatersysteem en aanleg Randmeer                               1997                    C
LN1 1              De Zeeuwse Delta                                                    554                    C
VR24               Versterking kustzone                                                454                    C
020                Kwaliteitsimpuls regionale watersystemen                             68                    C
GW23               Ruimte voor Water in Flevoland                                       57                    C
GW16               Wieringer Randmeer                                                   38                    C
GW03               Alternatief Bruisend Water Reeuwijk                                  18                    C
GW1 5              Ontwikkeling van de oude kreek de Strypse Wetering                   10                    C
Natuur
LN9b               Kwaliteitsimpuls Veluwe: natuur en landschap                         58                    A
GW21               Ilperveld integraal                                                  14                    A
LN5                Robuuste Groene Verbindingen                                        924                    B
LN1 3a             Grijs-Groene Kruispunten: eerste opgave'                            454                    B
LN8                Versnelling EHS (en Randstadgroenstructuur)                         390                    B
VR31               Waddenzee; Uitkopen kokkelvisserij                                  113                    B
005                Groen-grijze knooppunten                                             91                    B
LN9a               Kwaliteitsimpuls Veluwe: recreatie en toerisme                       36                    B
FL24               Stimulering Recreatie Oostvaardersplassen                              5                   B
LN13b              Grijs-Groene Kruispunten: tweede opgave'                            976                    C
001                Bevordering Natuurontwikkeling Veluwe                                48                    C
          brengen in vergelijking tot andere natuurprojecten betrekkelijk lage kosten per hectare met zich
          mee, terwijl uit voorstudies blijkt dat de verwachte baten hoog zijn. Het oplossen van groen-
          grijze knooppunten in Oost-Nederland (005) is als opwaardeerbaar' beoordeeld. Het grote
          belang voor met name de natuurwaarde (realisatie EHS) is evident, evenals de noodzaak voor
          een extra impuls om dit te kunnen realiseren. Het voorstel is echter gebrekkig uitgewerkt. Tot
          slot is het voorstel om natuurontwikkeling te bevorderen op de Veluwe (Ooi) als
          'zwakjonbeoordeelbaar' beoordeeld. Het voorstel zou verbeterd kunnen worden door een betere
          onderbouwing te geven, concreter aan te geven welke maatregelen waar worden gepland, aan te
          geven hoe de betrokken partijen worden benaderd en duidelijker te maken hoe het zich
          verhoudt tot voorstel LN9 (Veluwe).
                                                                                                              85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
      Het voorstel 'stimulering recreatief medegebruik Oostvaarderspiassen (FL24) is eveneens als
      'opwaardeerbaar' beoordeeld. Via een in te richten 'etalage' zal worden gepoogd de recreatieve
      en educatieve functie van het internationaal bekende natuurgebied Oostvaardersplassen te
      vergroten. De mate waarin de druk op het natuurgebied door het project toeneemt, is hierbij
      onduidelijk. Gezien het feit dat er een MER-procedure wordt gevolgd, ligt het voor de hand de
      uitkomsten daarvan af te wachten.
4.2.4 Totaalbeeld beoordelingen
      De kwaliteit van de voorstellen loopt sterk uiteen en het aantal robuuste voorstellen is relatief
      laag. De voorstellen laten zien dat er in potentie goede kansen liggen om met investeringen in
      natuur, water en landschap belangrijke maatschappelijke baten te genereren. Desondanks zijn
      veel claims als 'opwaardeerbaar' of'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Hierbij speelt onder
      meer een rol dat veel voorstellen (nog) onvoldoende zijn geconcretiseerd. Er lijken in dit dossier
      sterke verbeteringen mogelijk door de natuur-, landschap- en waterclaims vooraf, bij indiening,
      meer in samenhang te bezien en daarbij aandacht te schenken aan het voorkomen van overlap
      en de mogelijkheden van synergie. Tevens lijkt het zaak de beleidstekorten in de claims beter te
      onderbouwen en, in kwalitatieve zin, scherper in te gaan op de maatschappelijke kosten en
      baten. Bij de watergerelateerde projecten is verbetering mogelijk door dieper in te gaan op de
      voor- en nadelen van alternatief beleid ten opzichte van de ingediende voorstellen.
4.3   Beleidsopties
4.3.1 Ander beleid dan investeren
      Natuur, landschap, groen
      Er is meer beleid mogelijk dan investeren in aankoop van grond. Subsidies voor beheer van
      gebieden die in bezit blijven van derden (bijvoorbeeld agrariërs) en waarvoor gebruiksrestricties
      gelden vormen een alternatieve vorm van natuur- en landschapsbeheer die al in de praktijk
      wordt toegepast (CPB, 2001). Ook regelgeving in samenhang met handhaving en planologische
      vastlegging zijn belangrijk om natuur en landschap te bèschermen. Indien men waardevolle
      natuur en bijzondere landschappen effectief wil beschermen, is goede regelgeving noodzakelijk.
      Prijsbeleid kan een bijdrage leveren aan het verminderen van het gebruik van 'open ruimte' ie
      het algemeen (en aan financiering van investeringen), maar het is minder geschikt in sit1Iet]
      waarin natuurgebieden of waardevolle landschappen beslist niet mogen worden aangeta
      In het natuur- en landschapsbeleid speelt regelgeving een centrale rol. De EHS wordt
      opgenomen in de groene contour van de Vijfde Nota (VROM, 2001). Echter, door een
      86
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>                                                                                        BELEWSOPTIES
tweedeling in het beschermingsregime van natuur (enerzijds de Europese Vogel- en
Habitatrichtlijngebieden en anderzijds 'overige EHS'-gebieden) is een gradatie aangebracht in
de mate van bescherming waarvan nog niet duidelijk is wat dit nu in de praktijk betekent.
Verder vallen waardevolle landschapselementen in de aangewezen Belvedere-gebieden onder de
groene contour. In de Vijfde Nota en het Tweede Structuurschema Groene Ruimte (SGR II) zijn
daarnaast zes nationale landschappen aangewezen waar in beginsel geen stedelijke uitbreiding
mag plaatsvinden: het Groene Hart, de Hoeksche Waard, de veenweidegebieden ten noorden
van Amsterdam, het Rivierengebied, de Zeeuws-Zuid-Hollandse delta, de Veluwe en het
Limburgs Heuvelland.
Ten aanzien van verbetering van de omgevingskwaliteit - meer groen en recreatie in en om rond
steden - kan naast de overheid ook de markt een rol spelen (CPB, 2001). De externe effecten van
een kwaliteitsimpuls aan de leefomgeving in en om steden strekken zich uit tot in het
omliggende gebied. De ontwikkeling van groen in en om de stad zal worden bemoeilijkt door de
relatief hoge grondprijzen in het stedelijk gebied. Investeringen zouden gedeeltelijk in PPS-
verband (Publiek-Private Samenwerking) kunnen plaatsvinden. Ook restricties in het kader van
Ruimtelijke Ordeningsbeleid - bijvoorbeeld in bestemmingsplannen - kunnen bij ontwikkeling
van groen in en om steden een belangrijke rol vervullen.
De aanpak van milieuproblemen als verdroging, vermesting, verzuring en verstoring is
belangrijk voor behoud en herstel van natuur en biodiversiteit. Een gebiedsgerichte, integrale
benadering, zoals een aantal ICES-voorstellen beoogt, kan daarbij een kosteneffectieve
aanvulling zijn op een generieke normstelling. Meer samenhangende besteding van middelen
voor natuurverwerving, voor opkoop mestoverschotten en voor lokale bestrijding van
verdroging, kan de effectiviteit van het natuurbeleid vergroten (RIVM, 2000). Om tot een
effectief gebiedsgericht plan te komen, is het van belang dat de planonderdelen concreet zijn
uitgewerkt en dat er sprake is van maatwerk, verder vraagt dit om een duidelijke samenhang
met generick beleid.
Water
Ruimtelijke maatregelen vormen een interessant aanvullend instrumentarium om wateroverlast
en overstromingen tegen te gaan (CPB, 2001). Bij deze ruimtelijke maatregelen wordt
functiecombinatie nagestreefd, bijvoorbeeld met natuurontwikkeling. Traditionele maatregelen,
zoals dijkverhoging en uitbreiding van de gemaalcapaciteit blijven echter in voorkomende
gevallen reële alternatieven.
                                                                                                  87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>       SELECTIEF INVESTEREN NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
4.3.2 Beleidsperspectief
      Natuur, landschap, groen
       Het algemene beeld is dat voor de overheid een investeringsrol is weggelegd bij grondaankoop
      voor de EHS en bij de inrichting en het beheer van natuurgebieden, bijvoorbeeld door middel
      van het geven van beheerssubsidies (CPB,         2001). Dergelijke investeringen zijn beoogd in veel
       ICES-voorstellen. Wel geldt dat investeren in grondaankoop of het geven van beheersubsidies in
      samenhang met ander beleid moet plaatsvinden. En dat, met name voor investeringen in groen
      rond steden, gedacht kan worden aan financiële bijdragen vanuit de markt.
           Een goede combinatie van planologische, juridische en financiële instrumenten lijkt
      noodzakelijk om de doelen te kunnen halen. Vooral heldere planologische regelgeving lijkt
      onontbeerlijk om natuur en landschap te beschermen en om een relatief goedkope
      aankoopstrategie voor natuur en stedelijk groen te bewerkstelligen.
      Water
      In een aantal gevallen zullen ruimtelijke maatregelen te verkiezen zijn boven de traditionele
      maatregelen. Kwalitatieve baten voor bijvoorbeeld natuur en landschap, maar ook eventuele
      sociale gevolgen voor bijvoorbeeld boeren die verplicht worden te verhuizen, moeten bij de
      keuze tussen ruimtelijke en traditionele maatregelen worden meegewogen. Ook moet worden
      bedacht dat een waterfunctie gebruiksbeperkingen oplegt, bijvoorbeeld voor
      verstedelijkingsmogelijkheden voor de toekomst. Selectiviteit en maatwerk is van groot belang.
      Een combinatie van ruimtelijke' en 'traditionele' maatregelen die toegesneden is op de
      specifieke eigenschappen en problemen van het desbetreffende gebied geeft naar verwachting
      het hoogste maatschappelijk rendement.
      88
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>                                                                                  B E LE 1 DSO 'f1 ES
Literatuur hoofdstuk 4
CIW (Commissie Integraal Waterbeheer), 2001, 'Water in beeld', Den Haag
Commissie Structuurversterking Veenkoloniën, 2001, 'Van afhankelijkheid naar kracht',
Drachten
CW (Commissie Waterbeheer 21e eeuw), 2000, 'Waterbeleid in de 2ie eeuw', Den Haag
CPB, 2001, 'Mogelijkheden en beperkingen van overheidsinvesteringen: analyse ten behoeve
van de Verkenning Economische Structuur', Den Haag: Centraal Planbureau
LNV, 1990, 'Nationaal Natuurbeleidsplan', Den Haag
LNV, 2000, 'Nota Natuur voor Mensen, Mensen voor natuur', LNV, juli 2000
LNV, 2001, SGR 2, 'Structuurschema Groene Ruimte', LNV
OCW, 1999, 'Nota Belvedere', Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
RIVM, 2000, 'Nationale Milieuverkenning 5, 2000 -2030', Alphen aan den Rijn: Samsori BV.
RIVM, Alterra en LEL, 2001, 'Natuurbalans 2001', Alphen aan den Rijn: Kluwer
RIVM, 2001, 'Milieubalans 2001', Alpher aan den Rijn: Kluwer
RPD, 2000, 'Balans Ruimtelijke Kwaliteit', Den Haag: Rijksplanologische Dienst
V&W, 1998, 'Vierde nota Waterhuishouding', Den Haag: Ministerie van Verkeer en Waterstaat
V&W, 2000, 'Ruinite voor de Rivier', Den Haag: Ministerie van Verkeer en Waterstaat
VROM, 1992, Vierde Nota over de ruimtelijke ordening extra', Den Haag: Ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VROM, 2001, 'Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening', Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
                                                                                                  89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: NATUUR, LANDSCHAP EN WATER
90
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>                                                                             ONFWIKKELINGEN EN BELEIDSOPGAVEN
5     Vitaliteit grote steden
      Lang was de positie van de grote steden zorgwekkend. Vanaf het begin van de jaren tachtig werd
      ze gekenmerkt door economische stagnatie, hoge werkloosheid, concentraties van huishoudens
      met lage inkomens en allochtonen en een stijging van de criminaliteit. De laatste jaren is hier op
      enkele terreinen verandering in gekomen. De steden hebben geprofiteerd van de gunstige
      ontwikkeling van de Nederlandse economie sinds de tweede helft van de jaren negentig. Ook in
      de stedelijke gebieden was er sprake van een sterke toename van de werkgelegenheid. De sporen
      van de stedelijke groei zijn op vele plaatsen zichtbaar. Niet alleen aan de randen van de stedelijke
      gebieden, maar ook in de binnensteden zijn nieuwe kantoren en bedrijfspanden verrezen. In de
      gewilde woonwijken stegen de prijzen van koopwoningen fors.
          Dat betekent niet dat alle grootstedelijke problemen van de baan zijn. In een groot deel van
      de steden liggen de werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de
      bijstandsaffiankelijkheid nog steeds ruim boven het nationale gemiddelde. Vele stadsbuurten
      kampen met problemen op het gebied van de leefbaarheid. Tegen die achtergrond kan het
      huidige grotestedenbeleid worden geplaatst. Het beleid bestaat uit drie pijlers: de pijler
       economie en werkgelegenheid', de fysieke pijler en de sociale pijler.
      In dit hoofdstuk worden de investeringsvoorstellen op het gebied van de vitaliteit van de grote
      steden tegen het licht gehouden. Die investeringsvoorstellen hebben overigens niet alleen
      betrekking op de steden die aan het grotestedenbeleid deelnemen. In paragraaf 5.1 wordt aan de
      hand van een korte beschrijving van de ontwikkelingen in de stedelijke gebieden de omvang van
      de beleidsopgaven in de grote steden geschetst. Vervolgens worden in paragraaf 5.2 de
      investeringsvoorstellen beoordeeld. In paragraaf 5.3 komen alternatieven voor investeringen aan
      de orde.
5.1   Ontwikkelingen en beleidsopgaven
5.1.1 Economie en arbeidsmarkt
      In tegenstelling tot de eerdere jaren was de economische ontwikkeling in de meeste stedelijke
      regio's en steden in de periode 1995-1999 gunstig. In figuur 5.1 is die ontwikkeling weergegeven
      voor de verschillende categorieën steden uit het grotestedenbeleid en hun randgemeenten.
                                                                                                            9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>               SELECTIEF INVESTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
Figuur 5.1 Gemiddelde volume-ontwikkeling BBP (1995-1999) en arbeidsvolume (1995-1998) in de G25 en
               hun randgemeenten in % per jaar
   6
   4
   3
   2
   0
          C4-omgeving         G4-stederl         Gz,-steden        Gzi -omgeving      Nederland
Bron: CBS, bewerking Kolpron.
Figuur 5.2 Geregistreerde werkloosheid als % van de beroepsbevolking 1994-1999
   16
                                                                                     G21
                                                               G25          - -. -•• Neder'and
   14
   12
     1994              1995              1996               1997                1998            1999
Bron: CBS, bewerking ISEO (2001)
              92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>                                                                                    ONTWIKKELINGEN EN BELEIDSOPGAVEN
       In de vier grote steden, waarde arbeidsmarktproblemen relatief groot zijn, is de
       werkgelegenheid nog krachtiger gegroeid dan in Nederland als geheel. In de directe omgeving
       van de vier grote steden, de G4, is de werkgelegenheidsgroei hier nog bovenuit gegaan. Ook bij
       de G21 is het beeld gunstig. Daar zijn de stedelijke economieën zowel in termen van bruto
       product als arbeidsvolume sneller gegroeid dan de randgebieden van die steden.
           De krachtige economische groei heeft geleid tot een daling van de werkloosheid in de steden.
       In figuur 5.2 is de ontwikkeling van de geregistreerde werkloosheid voor de verschillende
       categorieën steden uit het grotestedenbeleid weergegeven.
           Bij deze op zichzelf gunstige ontwikkeling kunnen echter de volgende kanttekeningen
      worden geplaatst:
       De daling van de werkloosheid was niet in alle steden even sterk. Bij de G4 bleef de daling in
      Amsterdam en Rotterdam achter bij het Nederlands gemiddelde. In Utrecht was de daling
      echter veel sterker, waardoor de Utrechtse werkloosheid nu onder het Nederlands gemiddelde
      ligt (Van der Wouden en De Bruijne, 2005, p. 16o). De sterke stijging van de inkomende pendel
      in de jaren negentig is een indicatie dat de grootstedelijke werklozen minder van de banengroei
      hebben geprofiteerd dan de niet-stadsbewoners. In elk van de vier grootste steden ligt het
      aandeel van de pendelaars onder de in de stad werkzame bevolking boven de 50% (Van der
      Wouden en De Bruijne, 2005, P. 97). De uitgaande pendel is eveneens gegroeid. De on vang van
      de uitgaande pendel is echter kleiner dan de inkomende pendel. Ook bij de G21 zijn er grote
      verschillen. Steden als Almelo, Deventer, Heerlen, Leeuwarden en Schiedam hebben hoge
      werkloosheidspercentages, elders zijn ze lager (ISEO        2001,   p. 177).
      De groei van de stedelijke economie heeft in de drie grootste steden niet geleid tot een
      evenredige daling van het aantal bijstandsuitkeringen. In deze steden ligt het beroep op de
      bijstand een factor    2 â 3 hoger dan het Nederlands gemiddelde (Van der Wouden en De Bruijne,
      2001,  P. 100-102, 16o).
      Er is er een groot verschil tussen categorieën werklozen. De werkloosheid onder allochtonen en
      lager opgeleiden is nog steeds hoog. Het instrumentarium van het grotestedenbeleid is voor een
      belangrijk deel afgestemd op deze categorieën. De pijler 'Economie en werkgelegenheid' bestaat
      voor een belangrijk deel uit maatregelen op het gebied van de gesubsidieerde arbeid. Het blijft
      echter een lastige opgave om de doelgroepen van dit beleid mee te laten profiteren van de
      reguliere werkgelegenheidsontwikkeling, die zich met name aan de randen van de
      grootstedel ij ke gebieden heeft voorgedaan.
5.1.2 Kwaliteit stedelijk gebied
        De aan het grotestedenbeleid deelnemende gemeenten zijn in verschillende groepen ingedeeld. G4: Amsterdam,
      Rotterdam, Den Haag, Utrecht; G21: Almelo, Arnhem, Breda, Deventer, Eindhoven, Enschede, Groningen,
      Helmond, Hengelo, 's Hertogenbosch, Leeuwarden, Maastricht, Nijmegen, Tilburg, Zwolle, Dordrecht, Haarlem,
      Heerlen, Leiden, Schiedam, Venlo. G21-1-G4G25.
                                                                                                                  3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>            SELECTIEF INVESTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
            De eenzijdige samenstelling van de woningvoorraad in de grote steden en de geringe kwaliteit
            van een groot aantal woningen vermindert de aantrekkelijkheid van de steden als woonplaats,
            met name voor de hogere en middeninkomens. Dat probleem is het meest urgent in de vier
            grootste steden. Daarnaast bestaat er in veel steden een behoefte aan hergebruik van verouderde
            werklocaties, zeker waar deze in de nabijheid liggen van vervoersknooppunten. Tot de opgave
            van de grote steden behoort eveneens het onderhoud en herstel van het historisch karakter van
            de steden. Veel steden met een historische kern hebben een groot aantal gebouwen met
            monumentale status. Die monumenten dragen bij aan een aantrekkelijk woon- en
            verblij fsmilieu.
            In tabel 5.1 wordt een beeld gegeven van de samenstelling van de woningvoorraad in de vier
            grote steden en Nederland, onderverdeeld in enkele categorieën.
Tabel 5.1        Enkele kenmerken van de woningvoorraad in de vier grote steden en Nederland, 1998
                                      Amsterdam           Rotterdam  Den Haag          Utrecht        Nederland
                                                  %
Eengezinswoningen                                 12              28        19              41                  69
Koopwoningen                                      16              24        34              40                  51
Lage huur (t/m 318 euro p.m.)                     58              47        39              35                  26
Bron: CBS (WBO 98, SCP-bewerking)
             De grote steden hebben een relatief gering aandeel aan koopwoningen en een groot aandeel aan
            goedkope huurwoningen, waarbij de situatie in Amsterdam het meest extreem is. Door het
            geringe aandeel koopwoningen is er een sterke prijsstijging geweest van woningen in de
            populaire buurten, waardoor deze woningen onbereikbaar werden voor een belangrijk deel van
            de middeninkomens. Zij verlieten in toenemende mate de stad (Van der Wouden en De Bruijne,
            2001). Daarnaast leidt deze situatie tot minder doorstroming. Veel huishoudens met een relatief
             hoog inkomen blijven, bij gebrek aan alternatief op de stedelijke woningmarkt, in goedkope
            huurwoningen wonen. In de steden van de G21 groep is de discrepantie doorgaans minder
            groot. In de meeste van deze steden is het aandeel koopwoningen tussen de 35 en 50 procent
             (ISFO 2001, P. 194).
            Tabel 5.2 bevat de resultaten van een door het SGP in het Woningbehoefte-onderzoek
             uitgevoerde simulatie, waarbij een schatting is gemaakt van de aanbodtekorten en -overschotten
             die zouden optreden in het geval dat de woonwensen van de huishoudens die de komende viel
             jaar binnen of naar de stad wilden verhuizen, zouden worden gerealiseerd. Ter    CII  liil<ing 'zit::
             de gegevens voor de randgemeenten in de grootstedelijke regio's opgenomen.
             94
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>                                                                                 ONTWIKKELINGEN EN BELEIDSOPGAVEN
Tabel 5.2       Potentiële vraag en aanbod woningen naar enkele woningkenmerken, 1998
                                                Vier grote gemeenten                  Randgemeenten
                                                Vraag            Aanbod               Vraag              Aanbod
                                                    %
Eengezinswoningen                                   29                21                 72                   70
Koopwoningen                                        33                25                 58                   54
Lage huur (t/m 318 euro p.m.)                       40                48                 19                   21
Bron: CBS (WBO 98, SCP-bewerking)
             Deze simulatie bevestigt het beeld van een aanzienlijk tekort aan eengezins- en koopwoningen
            op de stedelijke woningmarkt, terwijl er een potentieel overschot is aan woningen met een lage
            huur (deze woningen hebben veelal een lage kwaliteit). De tabel geeft een benadering van de
            overschotten en tekorten in relatie tot de woningvoorraad. In absolute termen vertaald ligt
            bijvoorbeeld het tekort aan koopwoningen in de vier grote steden volgens deze simulatie tussen
            de 75.000 en de 80.000. In de randgemeenten zijn de discrepanties veel minder groot.
                De fysieke pijler van het grotestedenbeleid probeert door middel van de stedelijke
            vernieuwing deze discrepantie te verminderen, onder meer door het scheppen van een grotere
            diversiteit aan woonmilieus binnen de naoorlogse wijken, die een aanzienlijk deel van de
            woningvoorraad in de grote steden bevatten.
                In de kabinetsnota 'Mensen, Wensen, Wonen' (VROM         2000) is een verhoogde ambitie voor
            de stedelijke woonkwaliteit geformuleerd. De trendmatige ontwikkeling op basis van de
            bestaande woningbouwplannen (GSB/ISV en VINAC) vindt het kabinet tekortschieten. Derhalve
            is een transformatieopgave geformuleerd om een hogere kwaliteit van de woningvoorraad te
            bieden die beter aansluit bij de vraag van woonconsumenten. Het kabinet heeft zich in de
            genoemde nota tot doel gesteld om in de periode 2000-2010 samen met de lokale overheden en
            andere partijen te komen tot 225.000 extra centrum-stedelijke woningen, 275.000 extra groen-
            stedelijke woningen en 80.000 samenvoegingen tot ruimere woningen. Daarnaast worden ook
            225.000 woningen onttrokken om meer ruimte te maken voor groen. Deze verhoogde ambitie
            geldt voor het totale stedenbeleid; de grote steden vormen hier een subgroep van. Voor de totale
            stedelijke woonkwaliteit wordt uitgegaan van de volgende beleidsopgaven voor de periode 2000-
            2010 (tabel 5.3).
                                                                                                               010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>            SELECTIEF INvEsTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
Tabel 5.3        Mutaties woningvoorraad bij verhoogde transformatieambitie per woonmilieu 2000-2010
                       voorraad         nieuw- productie     afbraak    samen-    transform.   voorraad groei (%)
                           2000          bouw         overig         voegingen         woon-       2010
                                                                                      milieus
                             x dzd woningen
Centrum stedelijk            474            125           13      35         19           141       699         47
Buïten centrum              2530            268           17     122         40         —329       2325         —8
Groen stedelijk              485            175            4      69         20           187       762         57
Totaal                      3489            568           34     226         79            —1      3786           9
Bron: VROM2000
             Het aandeel koopwoningen in de woningproductie beliep in 1998 en iggg in de G4 tussen de
            50  en 6o% , tegen een aandeel van 8o% gemiddeld in Nederland (CBS, 2001). Het aandeel
            koopwoningen in de nieuwbouw is wel beduidend hoger dan in de woningvoorraad. Er is echter
            geen sprake van een inhaal van de G4 ten opzichte van het landelijke beeld.
                 Ook de omzetting van huur- naar koopwoningen, een tweede instrument om de kwaliteit
            van de woningvoorraad te verbeteren en om aanbod en vraag beter op elkaar aan te laten sluiten,
            verloopt stroef. De doelstelling is om landelijk 50.000 woningen per jaar om te zetten via de
            corporaties (VROM,        2000).    In 1999 bedroeg het aantal echter slechts 16.600 en in 2000 zelfs
            niet meer dan 12.500. In de vier grote steden waren de aantallen slechts respectievelijk 1.760 en
            1.400 (VROM op basis van Kadastergegevens).
                 Het aandeel koopwoningen in de voorraad van de G4 is wel licht toegenomen, maar een
            substantiële verhoging van het aandeel koopwoningen is dus nog niet opgetreden. Een
            belangrijke oorzaak is dat plannen in de fysieke sfeer een lange voorbereidings- en
            uitvoeringstijd hebben. Daarnaast is het zo dat de jaarlijkse stedelijke productie aan
            nieuwbouwwoningen doorgaans rond of (vaker) onder de i% van de bestaande voorraad ligt.
            Substantiële veranderingen van de verhoudingen in de stedelijke woningvoorraad kosten
            daarom vele jaren. Conclusie is dat het ambitieniveau voor de stedelijke woningmarkt en de
            onigeviugskwaliteit is toegenomen, maar dat de resultaten tot dusverre hierbij achterblijven.
            Ten aanzien van de kwaliteit van de werklocaties wordt in veel steden gestreefd naar
            vernieuwing en hergebruik van verouderde bedrijfslocaties. Die bevinden zich voor een deel ei
            de binnensteden, dikwijls in de buurt van het spoor. Daarnaast zijn er plannen om nieuwE
            vervoersknooppunten, zoals de toekomstige HSL-stations, te ontwikkelen tot hoogwaardimt
            werk- en verblijfslocaties. In de jaren negentig zijn veel stadsbesturen begonnen met hel
            opwaardereri van de binnensteden. De resultaten daarvan zijn niet name de laatste jaren
             96
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>                                                                                     ONTWIKKEUNGEN EN BELEIDSOPGAVEN
              zichtbaar geworden. De projecten variëren van de bouw van beeldbepalende publieke gebouwen,
              zoals musea en theaters, tot het onderhoud van historische binnenstadsgebieden en een beter
              beheer en ontwerp van de openbare ruimte.
              In de publicatie 'Kiezen of Delen' die ten behoeve van de vorige IGES-investeringsimpuls door
             de planbureaus in 1998 is uitgebracht, werd reeds geconstateerd dat 'het brengen van werk naar
             de werklozen' geen effectieve route is om de werkloosheidsproblematiek aan te pakken.
              Herstructurering van bedrijventerreinen is vanuit het oogpunt van werkloosheidsbestrijding
             daarom niet het meest aangewezen instrument. Wel kunnen met de herstructurering van
             bedrijventerreinen effecten worden bereikt op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid
             en milieu (zie ook hoofdstuk 9 Ruimtelijke inrichting).
5.1.3        Leefbaarheid
             Het bevorderen van de leefbaarheid van de stedelijke gebieden is van meet af aan een
             belangrijke doelstelling van het grotestedenbeleid geweest. Het begrip 'leefbaarheid' verwijst
             naar de fysieke en sociale kwaliteit van de woon- en leefomgeving. De problemen rond
             leefbaarheid zijn dikwijls ongelijk over de steden gespreid. Met name oude en vroeg-naoorlogse
             wijken worden met leefbaarheidsproblemen geconfronteerd.
                  Veiligheid is voor veel burgers een belangrijk onderdeel van de leefbaarheid. Al jarenlang
             worden criminaliteitsbestrijding en ordehandhaving in enquête-onderzoek het meest genoemd
             als belangrijke prioriteiten van de politiek (SGP, SSN,  2001,  P. 271). De slachtoffer-enquêtes
             onder de bevolking (Politiemonitor bevolking) geven een beeld van de totale omvang van de
             criminaliteit. Uit een vergelijking van de gegevens blijkt dat naar schatting een derde van het
             aantal misdrijven bij de politie wordt gemeld. In 1999 waren er in totaal ongeveer 4,8 miljoen
             misdrijven, waarvan er 1,6 miljoen hij de politie zijn gemeld (SGP 2001, P. 170-171). In tabel 54
             is de ontwikkeling weergegeven van verschillende typen misdrijven in de eigen buurt - de
             misdrijven die tot problemen van de leefbaarheid kunnen worden gerekend - in de vier grote
             steden, de overige gemeenten met meer dan ioo.000 inwoners (waaronder een groot deel van
             de G21) en voor Nederland als geheel.
Tabel 5.4        Percentage slachtoffers in de eigen buurt onder de bevolking van 15 jaar en ouder, 1993-1999
                              persoonsdelicteri     woningdelicten          autodelicten          fietsdelicten
                             1993        1999       1993       1999        1993        1999       1993         1999
Amsterdam                       6,7        7,0       12,9        11,2       22,0         20,9       15,7        19,8
Rotterdam                       5,7        4,2       14,0         6,8       24,9         21,3       11,2         7,7
Den Haag                        4,2        5,1       10,9        10,5       22,2         22,7        8,8        10,3
Utrecht                         4,3        5,6       21,2         9,7       24,3         27,0       16,1        14,8
overige steden >
100000 inwoners                 2,8        3,4         9,6        8,1       19,5        19,3         8,9         9,6
Nederland                       2,3        2,4         7,9        6,2       16,1        14,2         6,3         5,9
                                                                                                                   97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>    SELECTIEF INVESTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
    De tabel laat zien dat het criminaliteitsniveau in de grote steden beduidend hoger ligt dan in de
    rest van Nederland. Dat geldt zowel voor de G4 als de G21. Opvallende uitzonderingen zijn de
    woningdelicten in Rotterdam en Utrecht, die zeer sterk zijn afgenomen. Inbraakpreventie-
    projecten, zoals het project 'Veilig wonen in Utrecht', hebben hier waarschijnlijk een bijdrage
    aan geleverd. De tabel geeft een beeld van de ontwikkelingen in de steden als geheel, maar ook
    hier geldt dat de criminaliteitsproblemen ongelijk over de steden zijn gespreid. Een stedelijke
    toe- of afname kan daarom samengaan met een tegengestelde trend in bepaalde buurten. Uit
    gegevens over aangiften van misdrijven bij de politie blijkt, dat deze in de periode 1996-1999
    zijn toegenomen. De stijging was het sterkst in de G4, maar ook in de G21 was de stijging hoger
    dan het Nederlands gemiddelde (ISFO 2001, P. 201).
    Gezien deze ontwikkelingen bestaat er ondanks de vele inspanningen op het gebied van het
    veiligheidsbeleid nog een omvangrijke beleidsopgave. Een deel van het veiligheids- en
    leefbaarheidsbeleid is ondergebracht in de sociale pijler van het grotestedenbeleid. Deze sociale
    pijler kampt met aanzienlijke problemen op het gebied van de onderlinge samenhang van de
    maatregelen. Een aanpak van die problemen is, gezien de urgentie van de beleidsopgave, van
    groot belang (CPB 2000; van der Wouden en De Bruijne             2001).
    Bij de leefbaarheid van de steden spelen ook andere onderwerpen een rol, zoals de aanwezigheid
    van groene gebieden in en om de stad en de stedelijke milieukwaliteit. Deze onderwerpen
    worden in andere hoofdstukken behandeld. Zo wordt in hoofdstuk 8 (Milieu) vastgesteld, dat de
    luchtkwaliteit rond drukke wegen in steden momenteel op veel plaatsen onvoldoende is. Bij
    uitvoering van vigerend beleid zal deze situatie sterk verbeteren. De beleidsopgaven op het
    gebied van groen in en om de stad zijn in hoofdstuk 4 (Natuur, landschap en water) besproken.
5.2 Beoordeling van investeringsvoorstellen
    De voorstellen ter bevordering van vitale steden hebben vooral betrekking op de hiervoor
    besproken beleidsopgaven rond 'kwaliteit stedelijk gebied' en 'leefbaarheid'. Economie en
    werkgelegenheid neemt een grote plaats in het huidige grotestedenbeleid. Daarin zijn onder
    meer de maatregelen op het terrein van de gesubsidieerde arbeid opgenomen, die vooral
    bestemd zijn om de positie van de werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt te
    verbeteren. Daarnaast zijn enkele economische stimuleringsmaatregelen gekoppeld aan de
    stedelijke vernieuwing uit de fysieke pijler in het grotestedenbeleid. Wel wordt in veel van de
    investeringsvoorstellen een direct of indirect positief economisch effect verondersteld. Zo gaat
    het bij de nieuwe sleutelprojecten en enkele voorstellen ten aanzien van de versterking van de
    stedelijke structuur om het scheppen van nieuwe werklocaties, en veronderstelt het voorstel
                     ('11 veiligheid' ccii ponticfcffcct op lid vctiinelKhin1ut in dc ltcddll.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>                                                                        BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
       De voorstellen op het gebied van de beleidsopgave kwaliteit stedelijk gebied' zijn sterk
      uiteenlopend van aard: zij variëren van overkluizing van wegen tot monumentenzorg. Bij de
       leefbaarheid' is het voorstel 'leefbaarheid en veiligheid' het belangrijkste voorstel, waarbij ook
      een aantal voorstellen van de landsdelen op dit gebied zijn betrokken. De voorstellen moeten
      overigens in verband worden gezien met enkele investeringsvoorstellen in het onderwijs (zie
      hoofdstuk 7 Kennisinfrastructuur), die ook aan de steden ten goede komen.
5.2.1 Kwaliteit stedelijk gebied
      Monumenten en toplocaties
      De voorstellen voor monumentenzorg van VROM en 0GW beide getiteld 'restproblematiek
      monumentenzorg' verminderen de betreffende problematiek (achterstallig onderhoud) in
      aanzienlijke mate. De publieke belevingswaarde van monumenten is groot. Verder is van belang
      dat uitstel in veel gevallen tot extra kosten leidt. Tegen deze achtergrond zijn de voorstellen als
      robuust beoordeeld. Wel passen hierbij enkele kanttekeningen. De waarde die mensen aan
      monumenten toekennen zou beter kunnen worden onderzocht. Dergelijk onderzoek zou tevens
      kunnen uitwijzen of er sprake is van 'afnemende meeropbrengsten' van verdere verbetering van
      monumenten. In de voorstellen is een helder vervolgproces geschetst; daarbij zou echter meer
      aandacht kunnen worden besteed aan medefinanciering door private partijen.
          Het voorstel 'Kwaliteit van binnenstedelijke toplocaties' betreft de bijdrage die rijksgebouwen
      kunnen leveren aan ruimtelijke kwaliteit in binnensteden. De bijdrage aan de verbetering van de
      ruimtelijke kwaliteit is naar verwachting positief. De betreffende projecten zijn echter minder
      geschikt als trekkers van nieuwe ontwikkelingen dan reeds uitgevoerde projecten in het
      verleden. Goed denkbaar is dat de markt (projectontwikkelaars, bouwers) deze investering ook
      zonder overheidsbijdragen tot stand brengt. De claim is als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
      Vervoersknooppunten
      Het voorstel 'Sleutelproj ecten; Knooppuntontwikkeling Stedelijke Netwerken' behelst
      investeringen in Nieuwe Sleutelprojecten, waaronder de ontwikkeling van het sleutelproject
      Zuidas. Ook een aantal landsdelige voorstellen kan als illustratie van deze claim worden opgevat.
      Kern van de meeste projecten is de aanleg van woningen, kantoor- en andere commerciële
      locaties rond vervoersknooppunten. Een financiële overheidsbijdrage kan bijdragen aan
      verbetering van de kwaliteit van de publieke ruimte, aan infrastructurele ontsluiting en aan het
      wegnemen of mitigeren van externe effecten. Bij sommige onderdelen lijken de kosten in
      verhouding tot de genoemde doelen hoog. Bovendien is de legitimiteit vaak onduidelijk, omdat
      middelen zonder nadere onderbouwing worden geclaimd om de 'onrendabele top' van de
      investering te financieren. De meeste voorstellen van de landsdelen onder deze noemer zijn als
                                                                                                             99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
opwaardeerbaar beoordeeld, de rest als zwak/onbeoordeelbaar. Tegen deze achtergrond is het
voorstel als geheel als opwaardeerbaar beoordeeld.
Woningen
Het voorstel 'Kwaliteitsimpuls bestaande woonwijken' komt de facto neer op een verhoging van
het budget voor de Investeringen Stedelijke Vernieuwing (ISV), waarmee overigens meer doelen
worden nagestreefd dan met het onderhavige voorstel. Het voorstel is als zwak/onbeoordeelbaar
beoordeeld, omdat er grote onzekerheden bestaan over de verwachte kosten en baten. Ook is de
onzekerheid over de hoogte van de bijdragen van private partijen in de financiering van de
projecten groot. Er bestaat geen inzicht in de aard en omvang van de problematiek en de
plannen van de gemeenten worden niet getoetst op kwaliteit.
Ruimte creëren
De claim 'Verplaatsing, opheffing en bebouwing van spoorwegemplacernenten' betreft het
verkleinen van veiligheidsrisico's en het verhogen van ruimtelijke kwaliteit door rangeer-
terreinen te verplaatsen van centrumlocaties naar plaatsen buiten steden. Potentieel kunnen
hiermee belangrijke maatschappelijke baten worden bereikt. Zolang de specifieke locaties met
inzicht in de kosten en de baten niet bekend zijn - en ook het proces dat zal worden gevolgd bij
de bepaling van deze locaties niet helder is - is een beoordeling van effectiviteit en efficiency
echter nog niet mogelijk. Verder is het niet duidelijk of deze projecten niet betaald kunnen
worden uit de opbrengsten van de vrijkomende grond; in dat geval zou de overheid zich kunnen
beperken tot een faciliterende rol (bestemmingswijzigingen). De claim is daarom beoordeeld als
opwaardeerbaar.
     Een relatief grote claim (2,36 mld euro) is ingediend voor 'Stedelijke structuurverbetering
door overkluizingen, intensiveringen en verbetering milieukwaliteit'. Deze claim is
zwak/onbeoordeelbaar, met mame omdat cruciale aspecten nog niet zijn uitgewerkt.
Voorbeelden zijn de rollen van overheid en bedrijfsleven bij de exploitatie van de extra ruilrite,
de keuze van concrete projecten en de verhouding tussen brongerichte milieumaatregelen en de
hier voorgestelde overkluizingen van wegen. Hierdoor is de efficiëntie onduidelijk en zijn de
onzekerheden groot. De soortgelijke voorstellen 'Overkluizingen en ondertunnelingen
Amsterdam' en 'Inpassingsmaatregelen hoofdwegennet Rotterdam' zijn als
zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld vanwege de zeer matige uitwerking en onderbouwing en het
feit dat in veel gevallen goedkopere alternatieven voorhanden zijn. Per locatie zou veel selectiever
moeten worden geanalyseerd wat de meest efficiënte oplossing is om de doelen te halen, zoals
riiiintewinst en verbetering van de leefbaarheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>                                                                 BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
  Versterking stedelijke structuur
  De voorstellen voor versterking van de stedelijke structuur betreffen claims voor integrale
  gebiedsontwikkeling in of nabij centrale steden. In de meeste gevallen worden ICES-bijdragen
  gevraagd voor financiering van de 'onrendabele top'.
     Het voorstel 'Herstructurering en kennispark Venlo-noord' beoogt een stedelijke
 herstructurering waarbij twee grote bedrijfscomplexen uit een woonwijk worden verplaatst naar
 kennispark Venlo-noord. Het voorstel is als robuust beoordeeld, omdat het een aanzienlijke
 bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit door intensiever gebruik van de ruimte, bundeling
 van samenhangende functies en aan de kwaliteit van de regio. De private sector is zowel
 financieel als inhoudelijk bij het voorstel betrokken.
     De voorstellen 'Centrum-Noord Heerlen' en 'Herstructurering westelijke Maasoever' zijn
 gericht op een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, onder andere door intensiever
 ruimtegebruik en door versterking van de samenhang van functies. Beide voorstellen zijn
 beoordeeld als opwaardeerbaar, omdat de efficiency nog onvoldoende is aangetoond.
     De overige voorstellen in dit cluster zijn als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. Het voorstel
 'Transformatie Waalhaven Rotterdam' (claim 136 mln euro) betreft de omzetting van een
 havengebied in een woon-werkgebied. Het voorstel verkeert nog in een studiefase en kent veel
 onzekerheden. Ook het Amsterdamse voorstel 'Transformatieslagen' (claim 454 mln euro)
 betreft herontwikkeling van bedrijfslocaties. Ook dit voorstel is als zwak/onbeoordeelbaar
 beoordeeld, onder meer omdat het nog onvoldoende is uitgewerkt. Vanwege de beperkte
uitwerking van de voorstellen is niet helder of niet voor een deel bedrijfseconomische
activiteiten worden gefinancierd. Er bestaan dan ook vraagtekens bij de voorstellen wat betreft de
legitimiteit van overheidsingrijpen.
Herstructurering bedrijventerreinen
Het project 'Herstructurering Bedrijventerreinen' (EZ3, 681 mln euro) betreft het op peil
houden van voldoende en kwalitatief goede bedrijfslocaties. Een overheidsbijdrage is met name
legitiem voor zover deze betrekking heeft op ruimtelijke kwaliteitsaspecten van de
bedrijventerreinen in relatie tot hun omgeving. De effectiviteit en efficiency van dit
overkoepelende voorstel zijn niet goed te beoordelen. Het is niet duidelijk op welke wijze de
toedeling van middelen zal plaatsvinden. Een analyse van de regionale voorstellen leert echter
dat er voorstellen zijn waarin wordt aangegeven dat geïnvesteerd wordt in de publieke ruimte, de
ruimtelijke kwaliteit en leefomgeving wordt verbeterd en waarin het deel dat het bedrijfsleven
invult en financiert, is aangegeven. Tegen deze achtergrond is het koepelvoorstel als
opwaardeerbaar beoordeeld.
De landsdelige voorstellen in de cluster bedrijventerreinen zijn deels als opwaardeerbaar en
deels als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. De onderbouwing van de kosten ontbreekt veelal,
                                                                                                    I[I
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
      terwijl de maatregelen niet of slechts kwalitatief zijn beschreven. De effectiviteit en efficiency
      van de voorstellen zijn daarom vaak niet goed in te schatten. Daarnaast geldt dat in een aantal
      gevallen niet is aangeven of ook andere partijen, zoals het bedrijfsleven, betrokken zijn. De
      projecten 'Waarderpolder Haarlem' (NH4) en 'Revitalisering Ambacht en Nijverdal in
      Veenendaal' (UP4) zijn beide als opwaardeerbaar' beoordeeld. De maatregelen zijn hier wat
      duidelijker omschreven, de kosten per hectare zijn relatief laag ten opzichte van de verwachte
      baten en private partijen zijn betrokken bij de voorstellen en dragen bij in de kosten.
5.2.2 Leefbaarheid
      Leefbaarheid en veiligheid
      Het voorstel dat het dichtst bij het huidige grote stedenbeleid ligt, Leefbaarheid en veiligheid
      grote steden' (BZI) (claim 1,36 mid euro), is moeilijk te toetsen. In het kader van het grote
      stedenbeleid is met de deelnemende steden afgesproken dat geen projecten meer ingediend
      behoeven te worden bij de rijksoverheid; financiering en toetsing vinden plaats op
      programmaniveau. Dat betekent dat het voorstel in feite een doeluitkering aan de steden is,
      waarvan ex ante niet is vast te stellen welke lokale investeringen daaruit voort zullen vloeien.
      Verschillende voorstellen van de landsdelen zijn onder de paraplu van 'Leefbaarheid en
      veiligheid grote steden' te brengen (zie tabel 5.5). Dit gegeven is benut om het departementale
      voorstel te toetsen. Het beeld van deze voorstellen van de landsdelen is wisselend: één voorstel is
      als 'robuust' beoordeeld, de meeste voorstellen zijn 'opwaardeerbaar', de overige zijn
      zwak/onbeoordeelbaar. Tegen deze achtergrond is de departementale claim als 'opwaardeerbaar
      beoordeeld. Selectiviteit is hier een belangrijk aandachtspunt.Bij veel van deze voorstellen zijn
      nog verbeteringen nodig. Het feit dat er op dit terrein al belangrijke inspanningen worden
      geleverd, vormt nog een extra reden voor een selectieve benadering.
5.2.3 Overige projecten
      De overige (landsdelige) voorstellen in dit dossier zijn om uiteenlopende redenen als
      'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Het voorstel 'E-programma' (RDI0; ICT in de wijken)
      bestaat uit een relatief groot aantal deelprojecten, waarvan de samenhang niet altijd duidelijk is.
      Fr bestaan grote onzekerheden wat betreft de effectiviteit van de maatregelen. 'Deconcentratie
      zorginstellingen' (Oo) is een wellicht veelhelovend maar prematuur voorstel, waarvan de
      voorstudiefase nog niet is aferoncl.
        Bij de beoordeling van dit voorstel is ondersteuning verleend door TwynstraGudde.
      102
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>                                                                      BEoORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
5.2.4 Totaalbeeld
      Het aantal robuuste projecten in dit dossier is beperkt. De voornaamste reden is dat de op zich
      mogelijk nuttige claims op het vlak van leefbaarheid, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit in dit
      dossier veelal zeer breed zijn opgezet. Hierdoor is het moeilijk te beoordelen of de vele projecten
      die binnen de claims kunnen worden uitgevoerd 'robuust' zijn. Een veel scherpere selectie van
      projecten lijkt nodig.
                                                                                                           03
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>             SELECTIEF INVESTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
Tabel  5.5       Vitaliteit grote steden; kernresultaten per subdossier
                                                                        mln euro Oordeel
Monumenten
0C9           Restproblematiek monumentenzorg                                100       A
VR19          Restproblematiek monumentenzorg                                 82       A
VR18          Kwaliteit van binnenstedelijke toplocaties                     236       C
Vervoersknooppunten
VR S          Sleutelprojecten                                              1407       B
NOOl          Stationsgebied Groningen                                        79       B
ZD04          Masterplan Venlo                                                68       C
ZD09          Brabantstad Zuidelijk vervoersknooppunt                        136       C
ZD13          Stationsgebied Helmond                                          45     B/C
ZD20          Centrum-noord Heerlen                                           11       B
DH12          Sleutelproject Hoog Haaghe                                     154       C
Woningen
VR32          Kwaliteitsimpuls bestaande woonwijken                         2904       C
Ruimte creëren
VR14          Verplaatsing etc. van spooremplacementen                      1770       B
VR15          Stedelijke structuurverbetering door overkluizing, etc.       2360       C
RD25          1 npassingsmaatregelen Hoofdwegennet                           685       C
AM13          Overkluizingen en ondertunnelingen Amsterdam                    91       C
RD1 5         Knooppunt Abram van Rijckevorselweg                             23       C
Versterking stedelijke structuur
ZD22          Herstructurering en kennispark Venlo-noord                       9       A
ZD1 9         Herstructurering Westelijke Maasoever                          118       B
AM30          Transformatieslagen                                            454       C
RD24          Transformatie Waalhaven Rotterdam                              136       C
UG08          Stedelijke herstr. Cartesiusdriehoek                            73       C
Bedrijventerreinen
EZ3           Herstructurering bedrijventerreinen                            681       B
Landsdelige voorstellen, cluster bedrijventerreinen
NH04          Bedrijventerrein Waarderpolder Haarlem                          43       B
UPO4          Revitalisatie Het Ambacht en Nijverkamp in Veenendaal            4       B
ZD06b         Herstructurering Zeeuwse steden: Terneuzen                      23       B
ZD06a,        Herstructurering Zeeuwse steden: Middelburg, Goes               78       C
ZDO6c
026           Bedrijfsverplaatsing                                           454       C
RD08          Ruimte voor bedrijvigheid                                      168       C
ZH1 3         Strategisch Economisch Proflel Drechtsteden                    113       C
ROA1 1        Bedrijventerrein De Pionier                                     15       C
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>                                                                                                      B E LE 1 ÜSO PTI ES
 Vervolg tabel 5.5 Vitaliteit grote steden; kernresultaten per subdossier
                                                                                     mln euro              Oordeel
 Leefbaarheid en veiligheid
 RD33              Steunpunten Opvoedingsondersteuning                                       2                        A
 3Z1               Leefbaarheid en veiligheid grote steden                               1 361                        B
 DH31              Criminaliteit en veiligheid                                            186                         B
 RD32              Peuterspeelzalen                                                          5                        B
 RD31              Verbeteren Gezondheidsirifrastructuur                                     5                        B
 015               Leefbaarheid kleine kernen                                               45                        C
 051               Vernieuwing fysieke kant sociale infrastructuur                          45                        C
 Overig
 RD1O              E-programma                                                              55                        C
 050               Deconcentratie Zorginstellingen                                          23                        C
5.3          Beleidsopties
5.3.1        Alternatief beleid
             Bij de bevordering van de vitaliteit van de steden staat het grotestedenbeleid centraal. Dat beleid
             heeft sinds 1999 een verbreding gekregen. De convenanten, die in dat jaar door de rijksoverheid
             met de steden zijn afgesloten, hebben een looptijd tot 2004. Het beleid bestaat uit drie pijlers:
             de pijler economie en werkgelegenheid, de fysieke pijler en de sociale pijler:
             Onder de pijler economie en werkgelegenheid vallen de maatregelen, die de stedelijke
             economie en de werkgelegenheid moeten bevorderen. Gesubsidieerde arbeid is hier een
             belangrijk instrument. Met uitzondering van de herstructurering van de bedrijventerreinen zijn
             in de hier getoetste investeringsvoorstellen geen maatregelen opgenomen, die direct gericht zijn
             op het bevorderen van de grootstedelijke economie. Wel worden bij veel voorstellen secundaire
             positieve economische effecten verondersteld, zoals bij leefbaarheid en veiligheid'.
             De fysieke pijler omvat vooral de stedelijke vernieuwing (ISV en IPSV), die tot doel heeft
             bestaande stedelijke woonwijken te transformeren tot aantrekkelijker woonmilieus. In
             tegenstelling tot de meeste onderdelen van het grotestedenbeleid gaat het hier om investeringen,
             die vergelijkbaar zijn met die in de ICE S-dossier. Het ISV-deel wordt via een sleutelverdeling
             met een redelijke mate van bestedingsvrijheid aan gemeenten en provincies uitgekeerd, in het
             IPSV-deel (verreweg het kleinste deel) kunnen projecten worden ter beoordeling worden
             ingediend, waarbij de beste projecten worden gehonoreerd. Op dit punt is dus in beperkte mate
             van Financiële prikkels gebruik gemaakt om de kwaliteit van de voorstellen te verhogen. Wellicht
             is een dergelijke aanvullende constructie ook toepasbaar bij andere investeringsstromen met een
             gedecentraliseerd karakter.
             De sociale pijler omvat een reeks van beleidsterreinen op het gebied van onderwijs, jeugdzorg,
             leefbaarheid, veiligheid, inburgering en maatschappelijke opvang. In dat opzicht zijn niet alleen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre> SELECTIEF INVESTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
 de voorstellen in dit hoofdstuk van belang, maar zijn ook enkele voorstellen uit het hoofdstuk
  kennisinfrastructuur relevant, onder andere de investeringsvoorstellen in schoolgebouwen. De
 sociale pijler worstelt in hoge mate met een gebrek aan samenhang tussen de beleidsterreinen.
 Concentratie van die sociale pijler op enkele belangrijke onderwerpen, zoals leefbaarheid en
 veiligheid, zou de samenhang kunnen vergroten (Van der Wonden en De Bruijne, p147 e.v.).
 Een sterke prioritering op onderwerpen zou wellicht ook tot een verbetering van de in de vorige
 paragraaf besproken investeringsvoorstellen onder 'leefbaarheid en veiligheid' leiden.
 Ten opzichte van de eerste periode van het grotestedenbeleid (1995-1999) is de
 beleidssystematiek veranderd. Werden in de eerste periode nog projecten getoetst door de
 rijksoverheid, in de huidige periode is dat niet meer het geval. Het stedelijk beleid wordt slechts
 op programma-niveau beoordeeld. De steden hebben daartoe Meerjarige
 OntwikkelingsProgramma s opgesteld.
 Er zijn daarnaast nog twee andere ontwikkelingen ten aanzien van de vitaliteit van steden die
om aandacht vragen:
Ten eerste verdient de regionale component van het beleid meer aandacht. Arbeidsmarkt,
woningmarkt en vervoersmarkt hebben voor een niet onbelangrijk deel een regionaal karakter.
 Regionale beleidsafstemming betekent daarom doorgaans een verbetering van de
beleidseffectiviteit.
Ten tweede doen zich de laatste jaren grote knelpunten voor in de kwaliteit van de publieke
dienstverlening in de steden, bijvoorbeeld in het onderwijs, de gezondheidszorg en de
politiezorg. Die problemen hebben voor een deel te maken met personeelstekorten in deze
sectoren. Niet alleen is het werk in de grote steden vaak zwaarder, vanwege de
oververtegenwoordiging van achterstandsgroepen in de steden, maar ook is het door de
overspannen stedelijke markt van koopwoningen vaak lastig goede huisvesting voor deze
beroepsgroepen te vinden. Het laatste knelpunt is alleen op te lossen door het doorvoeren van de
stedelijke herstructurerings- en nieuwbouwprogramma's (zie paragraaf 5.1.2). Onder de
voorstellen in dit hoofdstuk en in het hoofdstuk kennisinfrastructuur' zijn er enkele, die tot
doel hebben het werkklimaat binnen de publieke dienstverlening via investerilleel 1        1 II
of de werkomgeving te verbeteren, zoals die in de gezondheidszorg (verbeteren
gezondheidsinfrastructuur) of in het onderwijs (zie aldaar). Personeelstekort    iii LIE' p u 1)1: 1.
sector is een belangrijk knelpunt, waardoor de effectiviteit van ander beleid of andere proJcu        Ii
kan worden ondergraven. Waarschijnlijk zijn investeringen niet voldoende om deze problemen
aan te pakken. Als mogelijk alternatief zouden (al dan niet tijdelijke) compensatiemaatregelen
voor het zwaardere werk in de publieke dienstverlening in de grote steden kunnen worden
overwogen.
106
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>                                                                                               B E LE D EO PTI ES
5.3.2 Investeringen in breder perspectief
      in de pijler economie en werkgelegenheid van het grotestedenbeleid vormen investeringen
      slechts een deel van het beleidsinstrumentarium. Het scheppen van werkgelegenheid voor
      achterstandsgroepen verloopt evenmin via investeringen, maar via gesubsidieerde banen.
      Daarbij moet bedacht worden dat de mogelijkheden van het grotestedenbeleid hier in het
      algemeen beperkt zijn. Ten eerste heeft de arbeidsmarkt een boven-lokale schaal, waardoor het
      gemeentelijk beleid beperkingen kent om problemen op de arbeidsmarkt te beïnvloeden. Verder
      wordt de groei van de economie voor een belangrijk deel bepaald door algemene (internationale)
      trends op het gebied van economie, technologie en demografie. De belangrijkste maatregelen
      die de overheid ten dienste staan zijn nationaal van aard en hebben betrekking op instituties,
      zoals die rond arbeidsmarkt, sociale zekerheid en fiscaliteit (CPB, 2000).
          Ook in de sociale pijler vormen de investeringen, zoals die in schoolgebouwen of
      gezondheidscentra, vaak niet het grootste deel van de totale ingezette publieke middelen. Hier
      zijn met name de instrumenten van belang, die worden ingezet om de kwaliteit van de publieke
      dienstverlening in de steden te verbeteren, zoals regulering en subsidiëring in de
      gezondheidszorg en het onderwijs, inkomensoverdrachten via de sociale zekerheid en
      individuele huursubsidie, en de politiezorg.
      Voor de fysieke pijler is het beeld anders. Zoals uit de beleidsopgaven in paragraaf 5.' blijkt, is er
      in de grote steden een aanzienlijk kwaliteitstekort in de woningvoorraad. De grote steden
      hebben te maken met een tekort aan goede woningen in de koopsector. Investeringen staan hier
      centraal, onder meer via het reeds eerder besproken Investeringsbudget stedelijke vernieuwing.
      De voeding van het ISV bedraagt in de periode 2000-2004 ruim 2 miljard Euro (mcl. oude
      budgetten stadsvernieuwing en herstructureringsgelden). De in dit hoofdstuk besproken
      investeringsvoorstellen in de woonomgeving en de stedelijke infrastructuur vormen doorgaans
      een uitbreiding of voortzetting van de reeds bestaande investeringsstroom. Dat geldt
      bijvoorbeeld ook voor de in dit hoofdstuk als robuust beoordeelde investeringsvoorstellen op het
      gebied van de monumentenzorg, waarmee een inhaalslag ten opzichte van de bestaande
      inspanningen wordt beoogd.
      Vormen investeringen dus maar een deel van het grotestedenbeleid, tegelijkertijd is het zo dat
      investeringen in de stedelijke infrastructuur niet alleen in het kader van het grotestedenbeleid
      plaatsvinden. Ook andere investeringen zijn van belang voor de stedelijke vitaliteit, bijvoorbeeld
      transportinfrastructuur en natuur rondom de stedelijke gebieden. Het totaalbeeld van de
      investeringsvoorstellen in stedelijke gebieden omvat dus meer dan de voorstellen die in dit
      hoofdstuk zijn beoordeeld.
                                                                                                             107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre> SELECTIEF INVESTEREN: VITALITEIT GROTE STEDEN
 Literatuur hoofdstuk 5
 CPB, 2000, 'Op weg naar een effectiever grotestedenbeleid', Werkdocument     117, Centraal
 Planbureau, Den Haag
 ISEO, 2001, 'Jaarboek 2000 grotestedenbeleid', Rotterdam.
 Kolpron, 2001, 'De steden als (hernieuwde) motoren van economische dynamiek', Kolpron
 Consultants, Den Haag
 Priemus, H. en G. Mariën, 2002, Ruimtelijk-economisch investeringsbeleid en stedelijke
 vernieuwing: deel 2 grotestedenbeleid en stedelijke vernieuwing', B&G, februari 2002, p. 6-io
 SCP, 2001, 'De sociale staat van Nederland', Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
 TK, 2001-2002, 'Extra-comptabel overzicht GSB-budgetten', Memorie van toelichting bij de
 begroting voor 2002, Tweede Kamer, 28000 hoofdstuk VII nr.2, vergaderjaar 2001-2002, P.
 302 -3 T 1.
 VROM, 2000, 'Mensen, wensen, wonen' (Nota wonen), Ministerie van Volkshuisvesting,
 Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Den Haag.
 Wouden, R. van der en E. de Bruijne, 2001, 'De stad in de omtrek', Sociaal en Cultureel
 Planbureau, Den Haag.
lol
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>                                                                                          BELEIDSOPGAVEN
6    ICT en overheid
     De beleidsterreinen Dienstverlening overheid' en Elektronische bereikbaarheid' worden in dit
    hoofdstuk samen behandeld, enerzijds omdat zij als gemeenschappelijke eigenschap de
    intensieve toepassing van ICT hebben en anderzijds omdat de claims rond 'Elektronische
    bereikbaarheid' relatief klein zijn. Deze beleidsterreinen vertonen overigens ook raakvlakken
    met het beleidsterrein 'Kennisinfrastructuur'; in dat hoofdstuk worden voorstellen beschreven
    die zich niet alleen kenmerken door kennisontwikkeling maar ook door intensivering van de
    toepassing van ICT.
        In paragraaf 6.1 worden de heleidsopgaven op deze terreinen beschreven. Paragraaf 6.2
    bevat de beoordelingen van de ingediende investeringsvoorstellen. Paragraaf 6.3 gaat in op
    alternatief en flankerend beleid.
6.1 Beleidsopgaven
    Uit diverse beleidsnota's is een aantal hoofddoelen van beleid rond Dienstverlening overheid en
    Elektronische bereikbaarheid te destilleren. Hierna worden de beleidsopgaven, uitgesplitst naar
    deze doelen, in vogelvlucht besproken.
    ICT-gebruik
    Nederland wil een koploperpositie innemen in de wereld op ICT-gebied (EZ, 1999, BZK, 1998a,
    EU, 1999). De overheid wil daartoe onder meer optreden als 'launching customer': als grote
    vrager naar ICT-toepassingen ontwikkeling van technieken afdwingen en stimuleren. Verder wil
    de overheid 'het goede voorbeeld geven' in de kwaliteit van haar eigen dienstverlening. De
    overheid wil kennis en innovatie op ICT-gebied stimuleren en de toegang tot ICT voor burgers
    vergroten.
        Tenslotte stelt de overheid zich verantwoordelijk voor een betrouwbare en kwalitatief goede
    basis voor telecommunicatie infrastructuur. De overheid wil daarnaast de randvoorwaarden
    scheppen voor een concurrerende markt en mededinging versterken (EZ, 1999, BZK, 1998).
    Uit een benchmarkstudic van a000 blijkt dat Nederland in termen van ICT-gebruik een zevende
    plaats inneemt onder 55 onderzochte landen. Naar verwachting zal ons land in 2003 de zesde
    plaats bezetten. Met name de Rijksoverheid neemt een voorhoedepositie in: 90% van alle
    werkplekken bij de Rijksoverheid heeft toegang tot e-mail, waarvan 45% ook tot Internet. Ook
    met toegankelijkheid loopt Nederland voorop. Rond elektronische identificatie loopt Nederland
    echter achter (EZ/BZK, 2000).
                                                                                                     109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: ICT EN OVERHEID
Het percentage van de bevolking dat toegang heeft tot Internet groeit snel: in 2000 had 41% van
de Nederlandse bevolking een Internetaansluiting (PC-bezit 68%) tegenover 15% in 1998 (CBS,
2001).
    Nederland is binnen de EU relatief ver gevorderd met de liberalisering op de
telecommunicatiernarkt.
Administratieve lastenreductie bedrijfsleven
In het Regeerakkoord is de ambitie uitgesproken om de administratieve lasten voor het
bedrijfsleven door wet- en regelgeving en in contacten met de overheid in 2000 met 25% te
laten dalen ten opzichte van 1994. Een lastenvermindering van 0,9 mld euro kan op termijn
leiden tot een groei van 0,3% van het BBP (CPB, 1999).
    De administratieve lasten zijn echter gestegen van 5,9 mld euro in 1993 tot 8,1 mld euro in
1999 (Actal, 2001). De stijging is grotendeels (ca 75%) toe te schrijven aan de economische groei
en aan additionele wet- en regelgeving (ca 5%) (Cie Slechte, 1999). Door het kabinetsbeleid zijn
de lasten volgens Actal met 6% gedaald.
Dienstverlening overheid
De overheid wil haar gegevens zoveel mogelijk actief toegankelijk maken voor burgers, bedrijven
en andere overheden. Recente rampen hebben de behoefte aan een transparante overheid en
openbaarheid van informatie verder versterkt. Meta-data-services, gouden gidsen op Internet,
kunnen overheidsinformatie ontsluiten. Zo is de site www.overheid.nl in 2000 ca io.000 maal
per dag geraadpleegd: een stijging van 43% ten opzichte van 1999. Zogenaamde basisinformatie
voor de democratische rechtstaat, zoals wetteksten en kamerstukken, is via elektronische
loketten kosteloos ontsloten (TK, 1999, 2000).
    Uit een inventarisatie blijkt dat de overheid ca 30.000 datasets bezit die potentieel door
derden kunnen worden gebruikt. In 1998 werd 50% hiervan door derden gebruikt, voornamelijk
door andere overheden, waarvan 70% gratis werd verstrekt (BDO, 1999). De overheid heeft zich
verder tot doel gesteld dat in 2002 alle gemeenten te benaderen zijn op het Internet. In 2000
had 37% van de gemeenten een Internetsite (EZ. 2000).
Bij het toegankelijk maken van informatie bestaat een aantal barrières, zoals de garantie van
authenticiteit van informatie, wetgeving op het gebied van auteursrecht, privacy en de prijs v:o
data. Toegankelijkheid kan op gespannen voet staan met deze randvoorwaarden. De oven
als wetgever en toezichthouder zorg dragen voor randvoorwaarden in het ICT-speelveld i
onnodige barrières slechten.
De overheid wil daarnaast de burger meer betrekken als discussiant, mee-beslisser en co-
producent bij beleidsontwikkeling: participatieve democratie. Deze ontwikkeling bevindt zich
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>                                                                                                     BELEI DSOPCAVEN
             nog in de beginfase, maar ook in het buitenland staat dit nog in de kinderschoenen (EZ/BZK,
              2000). Het merendeel van de bevolking blijkt nauwelijks interactief te communiceren met de
             overheid en hier ook geen behoefte aan te hebben (Cie Toekomst Overheidscommunicatie,
              2001).
              Inzet van ICT en veranderingen in werkprocessen kunnen ook de efficiency bij de overheid zelf
             verhogen. Voorbeelden zijn Informatie-uitwisseling tussen overheden en het gebruik van
             standaarden. Ook authentieke registraties van basisbestanden (zoals registraties van personen,
             bedrijven, gebouwen of geografische informatie) kunnen de efficiency van overheden verhogen.
              De overheid is voor deze registraties verantwoordelijk. Voor het 'Basisbedrijvenregister' en de
             'Geografische basisregistratie' bestaan nog omissies en harmonisatieopgaven (TK, 2000).
                  De overheid heeft zich tot doel gesteld dat 25% van de overheidsdienstverlening in 2002
             langs elektronische weg mogelijk is. Voor de gehele overheid was dit in 2000 nog niet het geval
             (zie tabel 6.1). Het Rijk en de grote gemeenten verstrekken al wel meer dan 25% van hun
             diensten elektronisch (TK, 2000). Een kwaliteitsverbetering van overheidsdienstverlening kan
             ook baten voor de burger opleveren in de vorm van kortere wacht- en doorlooptijden in
             contacten met de overheid.
Tabel 6.1         Dienstverlening overheid
Dienstverlening elektronisch                                     aan burgers                        aan bedrijven
Overheid algemeen                                                       18%                                    19%
Rijk (inc. ZBO's)                                                       32 %                                   45 %
Gemeenten                                                               13%                                    11%
100.000 + gemeenten                                                                   aan burgers en bedrijven 27%
Bron: TK, 2000
             Elektronische bereikbaarheid
             Nederland beschikt over een uitgebreid kabelnetwerk. Eind is was ca 8% van de kabelnetten
             'verglaasd' (glasvezels i.p.v. koper) en geschikt gemaakt voor tweerichtingsverkeer (EZ, 1999).
             Het aanleggen van de 'laatste kilometer' glasvezelkabel naar 90% van de woningen en bedrijven
             in Nederland kost 5 tot 8 mld euro (Commissie Andriessen, 2001). Wat betreft
             telecommunicatie-tarieven bevindt Nederland zich ten opzichte van de rest van Europa in de
             middenmoot.
             Conclusie
             Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat de belangrijkste concrete beleidsopgaven rond
             elektronische bereikbaarheid en dienstverlening overheid de volgende zaken betreffen:
             administratieve lastenreductic van bedrijven:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>    SELECTIEF INVESTEREN ICT EN OVERHEID
    efficiency- en kwaliteitsverbetering overheid;
    het wegnemen van barrières op het gebied van toegankelijkheid van overheidsdata.
    Met name bij de administratieve lastenreductie voor het bedrijfsleven en de beschikbaarheid van
    basisbestanden' is er een grote afstand tussen de doelen van de overheid en de autonome trends
    die zich aftekenen.
6.2 Beoordeling van de investeringsvoorstellen
    In deze paragraaf worden de beoordelingen beschreven van investeringsvoorstellen rond ICT en
    overheid.
    Dienstverlening overheid
    Het project 'Stroomlijning Basisgegevens' (BZ3) beoogt de registratie van niet-natuurlijke
    personen en de geografische registratie van gebouwen, wegen, leidingen etc. te ontwikkelen tot
    unieke, eenduidige gegevensbronnen. Dit gebeurt door sanering en standaardisatie van reeds
    aanwezige bestanden. Hierdoor is naar verwachting een flinke efficiencywinst te behalen in de
    back-office van overheden en door administratieve lastenverlichting van bedrijven. Daarnaast
    zou een eenduidige registratie kunnen bijdragen aan het reduceren van bijvoorbeeld sociale
    verzekeringsfraude. Er is een parallel te trekken met het reeds uitgevoerde project dat geleid
    heeft tot een Grootschalige Basisadministratie (GBA) van personen en dat succesvol was.
        Er bestaan onzekerheden over de omvang van de baten en coördinatieproblemen in relatie
    tot deze relatief complexe problematiek. Positief zijn in dit verband de geplande
    pilotonderzoeken. Door goed gebruik te maken van de resultaten hiervan, zou het project en de
    uitvoering daarvan verder aan kracht winnen. Tegen deze achtergrond en gelet op de grote
    potentiële baten is het project als robuust beoordeeld.
    De voorstellen voor 'Elektronische Dienstverlening' betreffen het elektronisch beschikbaar
    stellen van publieke dienstverlening door Rijk (BZ5), gemeenten, provincies en politie (BZ2).
    Deze voorstellen zijn erg grootschalig en breed opgezet; er is meer aandacht nodig voor
    behoeften van gebruikers en voor een goede fasering. Verbeteringen zijn mogelijk door een
    selectieve benadering. Het voorstel voor elektronische dienstverlening voor de sector Rijk is
    minder uitgewerkt en onderbouwd en als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
    Bij het project 'Identificatie en Vertrouwen' (BZ4)' gaat het om grootschalige implementatie van
    tE c}inolor,ir voor identi fk itie en beveiIuin, om in de elektronische uitwisseling tussen overheid
      Bij de beoordeling van dit voorstel IS ondersteuning verleend door TwynstraGudde.
    112
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>                                                                         BEOOROEUNG VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
en bedrijven en burgers formele transacties mogelijk te maken. Bij dit voorstel is wederom
sprake van een te brede opzet en bestaat onduidelijkheid over de overheidsrol. Daarnaast lijkt er
nog onvoldoende zicht te bestaan op technische mogelijkheden, beperkingen en
ontwikkelingen; dit houdt onder meer het risico in dat op het verkeerde paard wordt gewed'.
Andere minpunten zijn mogelijke beveiligingsproblemen en een aanzienlijk beslag op de
arbeidsmarkt voor ICT'ers. Dit voorstel is als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
De claim 'Informatisering Arbo-kennisinfrastructuur' (SZ4)z behelst het via internet
beschikbaar maken van kennis omtrent arbeidsongeschiktheid. Potentieel zijn er grote
maatschappelijke baten van reductie van het grote aantal arbeidsongeschikten en de kosten van
dit project zijn relatief laag. De vraag is echter in hoeverre informatieproblemen ten aanzien van
arbeidsongeschiktheid een belangrijke oorzaak van de problematiek zijn. Bovendien is de relatie
tot bestaand beleid onhelder en bestaat er aanzienlijke onduidelijkheid over de inhoud van de
maatregelen. Tegen deze achtergrond van plussen èn minnen is het voorstel als opwaardeerbaar
beoordeeld.
Elektronische bereikbaarheid
Het voorstel Gigaport 2' (EZ2) dat investeringen beoogt in geavanceerde telecommunicatie-
voorzieningen voor de realisatie van een hoogwaardig onderzoeksnetwerk, is als
zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. Het project is een vervolg van 'Gigaport 1'. Met name voor
onderdeel     t, het realiseren van een landelijk netwerk, geldt dat de toegevoegde waarde
onduidelijk is. Gigaport 1' levert immers al een netwerk met een snelheid van 8o Gigabits per
seconde.
     De claim 'Werklocaties op het breedbandnetwerk' (024) beoogt breedbandaansluitingen te
realiseren bij bedrijventerreinen, kantoorlocaties en kennislocaties in de provincie Gelderland.
Op knooppunten van het netwerk zijn bedrijfsverzamelgebouwen gepland. De legitimiteit van
overheidsinvesteringen in communicatietechnologie is niet duidelijk: het betreft een uitsluitbare
dienst, waarin door private partijen kan worden voorzien. Een belangrijk alternatief is dan ook
een veel grotere betrokkenheid van private partijen. Het voorstel is als zwak/onbeoordeelbaar
beoordeeld.
     Het voorstel 'Kenniswijk'      (V'sV7)  wordt eveneens als zwak/onbeoordeelbaar beschouwd.
Weliswaar lijkt het experiment om breedbandtechnologie voor burgers beschikbaar te maken op
de juiste schaal te zijn opgezet, maar het is de vraag of een voortrekkersrol van de overheid
noodzakelijk is. Verder is de veronderstelde bijdrage van gebruikers onzeker. Bij het oordeel
dient de kanttekening te worden gemaakt dat recentere informatie over het project en de
  Bij de beoordeling van dit voorstel is ondersteuning verleend door TwynstraGudde.
  Ook bij dit voorstel is ondersteuning verleend door TwynstraGudde.
                                                                                                            Iu
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>            SELECTEFINVE5TEREN:ICTENOVERHEID
            ontwikkelingen rond het project vanaf de tweede helft van      2001  geen rol hebben gespeeld bij de
            beoordeling. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft aangegeven dat de ministerraad
            inmiddels heeft besloten om tot uitvoering van het project over te gaan.
            Totaalbeeld beoordelingen
            De algemene indruk die naar voren komt is dat bij Dienstverlening overheid diverse voorstellen
            te grootschalig zijn opgezet. Verbeteringen zijn mogelijk door een selectieve benadering en door
            afstemming op behoeften van gebruikers. Een uitzondering is het project 'Stroomlijning
            Basisgegevens'; daar is het project vermoedelijk adequaat gedimensioneerd, maar zijn er
            onzekerheden die met onderzoek en pilots kunnen worden gereduceerd.
                 Bij 'Elektronische bereikbaarheid' is de noodzaak van overheidsingrijpen vaak niet duidelijk.
             Bij communicatie-infrastructuur heeft de overheid met name een rol op het gebied van
            coördinatie, standaardisatie en het bevorderen van voldoende concurrentie; investeringen
            kunnen dan in beginsel aan de markt worden overgelaten.
Tabel 6.2        Dienstverlening overheid en Elektronische bereikbaarheid; kernresu Itaten
                                                                                      mln euro          Oordeel
Dienstverlening Overheid
 3Z3              Stroomlijning Basisgegevens                                               681                A
 3Z2              Elektronische Dienstverlening lagere overheden, politie                  1248                B
BZ5               Elektronische Dienstverlening Rijksoverheid                               193                C
 3Z4              Identificatie en vertrouwen                                               908                C
5Z4               Informatisering Arbo-ken nisinfrastructuur                                 23                B
Elektronische bereikbaarheid
 EZ2              Gigaport II                                                               113                C
024               Werklocaties op het breedbandnetwerk                                       34                C
 VW7              I<enniswijk                                                                45                C
6.3         Beleidsopties
            Dienstverlening overheid
             Investeringen kunnen een belangrijke rol spelen rond de dienstverlening van de overheid. Zo
            levert het project 'Stroomlijning Basisgegevens' een bijdrage aan de beschikbaarstelling van
            basisbestanden van de overheid, waardoor zowel een hogere efficiency van de
            overheillie111verlenin als een inductie van adniiiiistratieve lasten veer liet bedrïjfslevell  \\orJI
            bereikt.
                 Ook Li.iniii      i 1 1\  1 Hieii Hileici        eLli
            samenwerking tussen overheden. Investeringen in ICT kunnen echter geen
            114
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>                                                                                          BELEI DSOPTI ES
coördinatieproblemen tussen overheden oplossen. Bij een rendementsvolle strategie zal steeds
goed gekeken moeten worden naar de oorzaak van coördinatieproblemen en de mogelijkheden
en beperkingen die ICT heeft om deze te slechten.
    De meeste projecten die op dit terrein zijn ingediend, lijken echter te grootschalig van opzet.
Daarbij is ook van belang dat grootschalige investeringen een aanzienlijk beroep zouden doen
op de arbeidsmarkt in deze sector: een selectieve aanpak is daardoor extra gewenst. In die
selectiviteit en fasering is het belangrijk aan te sluiten bij de behoeften van gebruikers.
Investeringen kunnen worden aangevuld met maatregelen op het gebied van wet- en
regelgeving. Voor de overheid ligt er een taak om binnen het raamwerk van de Europese
regelgeving randvoorwaardelijke zaken te regelen en onnodige barrières te slechten. Het gaat
hier onder meer om onderwerpen als privacy, authenticiteit en auteursrecht. Zo vormt het
doelbindingspnincipe in de privacywet (gegevens alleen gebruiken voor het doel waarvoor ze zijn
ingewonnen) een belemmering voor beleidsopgaven op het gebied van toegankelijkheid van
overheidsdata en administratieve lastenreductie voor het bedrijfsleven.
    Daarnaast kan met het instellen van de juiste prijsprikkels in een prijsregime voor
overheidsdata de maatschappelijke welvaart worden vergroot. Voor overheidsdata gelden
momenteel verschillende prijsregimes: van gratis, verstrekkingskosten volgens de Wet
Openbaarheid van Bestuur (Wob), integrale verstrekkingskosten (selectie en helpdesk) tot
integrale kosten van data (inclusief inwinning en beheer). De juiste prikkels voor zowel
afnemers als dataleveranciers om data toegankelijk et maken, kunnen de efficiency verhogen.
Het in rekening brengen van marginale verstrekkingskosten (inclusief de kosten van een selectie
van data en de nazorg) lijkt het best bij dit principe aan te sluiten.
    Deze maatregelen sluiten aan bij de beleidsopgaven voor het toegankelijk maken van
overheidsdata, een administratieve lastenreductie voor het bedrijfsleven en voor een verhoging
van de kwaliteit en efficiency van overheidsdienstverlening. Ze versterken de eerder genoemde
investeringen.
Elektronische bereikbaarheid
Bij de communicatie infrastructuur staan investeringen niet centraal. Op dit terrein heeft de
overheid met name een rol bij coördinatie, standaardisatie en het bevorderen van voldoende
concurrentie. Het gaat hier bijvoorbeeld om Europese standaarden voor telecommunicatie,
duidelijkheid over randvoorwaardelijke zaken bij UMTS, een coördinerende overheidsrol in de
verdeling van frequenties en nummerruimtes in de ether en het regulerend optreden door de
overheid om negatieve effecten van een natuurlijk monopolie op communicatie-infrastructuur
aan banden te leggen. Investeringen in de informatie infrastructuur kunnen in beginsel aan de
markt worden overgelaten. De overheid kan in specifieke gevallen bijdragen om bepaalde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: ICT EN OVERHEID
ontwikkelingen te versnellen, maar een dergelijk beleid is in deze dynamische markt niet zonder
risico.
Literatuur hoofdstuk 6
Actal, 2001, 'Jaarverslag 2000' Adviescollege Toetsing Administratieve Lasten, Den Haag
BZK, 1998, 'Actieprogramma elektronische overheid', Den Haag
BDO, 1999, 'Elektronische bestanden van het bestuur', Eindhoven
CBS, 2001, Statline
CPB, '999, externe notitie administratieve lasten 99/45, Den Haag
Commissie Administratieve lasten (Slechte), 1999, 'regels zonder overlast', Den Haag
Commissie Andriessen, 2001, 'Slim Graafwerk; Samen werken aan glasvezel in de wijk',
Internet Society Nederland, Zoetermeer (www.isoc.nl)
Commissie Toekomst Overheidscommunicatie, 2001, In dienst van de democratie', Den Haag
EZ, 1999, 'De Digitale Delta', Ministerie van Economische Zaken
EZ, 2000, 'Voortgangsrapportage De Digitale Delta e-Europe voorbij', Den Haag
EZ en BZK, 2000, 'Internationale ICT-toets 2000', Ministeries van Economische Zaken en
Binnenlandse Zaken en Koninkrijkszaken. Den Haag
Europese Commissie, 1999, 'Actieprogranima e-Europe', Luxemburg
Tweede Kamer, iggg, Brief Minister Grote Steden- en integratiebeleid aan TK, 16 december
1999 (TK 26 387 nr. 4), Voortgang actieprogramma elektronische overheid 1999,Den Haag
Tweede Kamer, 2000, Brief Minister Grote Steden- en integratiebeleid aan TK, 18 december
2000    (TK 26 387 nr. 9), Voortgang actieprogramma elektronische overheid 2000, Den Hae
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>                                                                                                            BELEIDSOPGAVEN
7      Kennisinfrastructuur
       In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op de beleidsopgaven rond de
       kennisinfrastructuur (paragraaf 7.1), de beoordelingen van ingediende voorstellen (7.2) en
       mogelijke alternatieven voor investeringen (7.3).
7.1    Beleidsopgaven
7.1.1  Autonomievergroting
       Uit recente beleidsnota's op de terreinen van onderwijs en wetenschap blijkt dat het kabinet
       streeft naar grotere autonomie voor scholen en onderzoekers. De invloed van 'het veld' op de
       inrichting van het onderwijs en op de inhoud van de wetenschappelijke onderzoeksagenda
       neemt toe. Bij het technologiebeleid valt deze trend al langer te constateren: het beleid is niet
       gericht op specifieke technologieën, maar op stimulering van technologisch onderzoek over de
       hele linie met behulp van generieke regelingen.
       Empirisch onderzoek naar de effecten van grotere autonomie is niet beschikbaar. Maar op
      theoretische gronden valt te beargumenteren dat deze trend goed past bij de overgang naar de
      kenniseconomie: in een steeds complexere samenleving ondervindt de overheid een
      toenemende informatie-achterstand ten opzichte van decentrale partijen. Een belangrijke
      beleidsuitdaging is daarom processen en incentive-structuren zo in te richten, dat decentrale
      partijen beslissingen nemen die in overeenstemming zijn met het algemeen belang.
7.1.2 Een sterkte/zwakte analyse in vogelvlucht
      Uit internationaal vergelijkbare indicatoren voor de kenniseconomie ontstaat voor Nederland
      een gemengd beeld: op een aantal indicatoren is de score relatief hoog, op andere indicatoren
      scoort Nederland gemiddeld tot laag. In een enkel geval is de Nederlandse score weliswaar niet
      slechter dan elders, maar niettemin zorgwekkend (vroegtijdige schoolverlaters, lerarentekorten).
      Sterktes
      De belangrijkste sterktes van de Nederlandse kenniseconomie zijn (CPB, 2002):
        Deze paragraaf is gebaseerd op CPB (2002).
        Zie OCW (1999), EZ (2000) en de recente Onderwijsbeleidsbrieven van de OCW-bewindslieden. Ter illustratie
      een paar citaten: 'Ten aanzien van inhoudelijke sturing past de overheid een terughoudende opstelling' (OCW,
      1999, blz. 16). 'Was het tot voor kort zo dat de overheid het proces voor de inrichting van het onderwijs vergaand
      aangaf, de komende jaren zullen scholen zelf meer dan ooit de verantwoordelijkheid dragen voor de ontwikkeling
      van het onderwijs. Zover zijn we nu nog niet, maar het is de richting waarin wij willen gaan' (OCW, 2000, blz.   ).
                                                                                                                         117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: KEN N ISI N FRASTRUCTUUR
      Ondenvijs: Ons land kent een relatief hoog gemiddeld opleidingsniveau. Ook het aandeel van de
      bevolking met een HBO- of WO-diploma is relatief hoog. Nederlandse werknemers en
      leerlingen scoren goed bij internationaal vergelijkbare toetsen.
      Wetenschappelijk onderzoek: De onderzoeksproductie per onderzoeker is hoog. Het bedrijfsleven
      draagt relatief veel bij aan de uitgaven voor onderzoek bij publieke kennisinstellingen. Dit laatste
      wijst erop dat dit onderzoek relevant is voor het bedrijfsleven.
      Innovatiefonderzoek bij bedrijven: De immateriële investeringen (R&D-uitgaven,
      marketinguitgaven, uitgaven voor software, betaalde royalty's) zijn relatief omvangrijk. Het
      percentage innoverende bedrijven is hoog.
      Zwaktes
      Op de volgende onderdelen scoort de Nederlandse kenniseconomie minder goed:
      Onderwijs: Het aantal vroegtijdig schoolverlaters is hoog. De onderwijsprestaties van
      achterstandsgroepen zijn zorgwekkend (ook in veel andere landen). Het onderwijs kampt met
      grote tekorten aan leraren.
      Wetenschappelijk onderzoek: Octrooieri van Nederlandse bedrijven verwijzen zelden naar
      Nederlands onderzoek, hetgeen kan betekenen dat wetenschappelijk onderzoek niet relevant is
      voor octrooieerbare innovaties bij bedrijven. Enquêtes onder bedrijven wijzen uit dat
      universiteiten en andere publieke kennisinstellingen geen belangrijke informatiebron zijn voor
      innoverende bedrijven.
      Innovatiefonderzoek bij bedrijven: De R&D-uitgaven van het Nederlandse bedrijfsleven zijn
      relatief laag, deels door het Nederlandse specialisatiepatroon.
      Onduidelijkheden
      De beschikbare indicatoren leveren niet altijd een duidelijk beeld op van de Nederlandse score.
      Er is sprake van:
      Conflicterende indicatoren: benutting bij wetenschappelijk onderzoek, R&D uitgaven versus
      immateriële investeringen bij technologisch onderzoek, het aantal leerlingen per docent (waarbij
      het beeld wisselt per onderwijstype), beloning leraren (waarbij liet beeld wisselt tussen soorten
      docenten).
      Ontbrekende indicatoren, met name waar het gaat om kwaliteit: van schoolgebouwen, van ICT-
      voorzieningen, van het middelbaar beroepsonderwijs en van het hoger onderwijs.
7.1.3 Indicatoren als eerste stap
      Het zojuist geschetste beeld leent zich niet voor eenvoudige generalisaties van het type: de
      kwaliteit van de Nederlandse kennisinfrastructuur is goed of slecht. Het beeld is niet zwart/wit:
      tegenover relatief goede scores op een flink aantal indicatoren staan serieuze zorgpunten.
      Subjectieve oordelen en voorkeuren spelen een rol bij de weging van de verschillende
      118
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>                                                                                             BELEIDSOPGAVEN
      indicatoren. Het totaaloordeel over de Nederlandse kenniseconomie blijkt gevoelig te zijn voor
      de gekozen indicatoren en voor het gekozen wegingsschema. Subjectieve oordelen spelen ook
      een rol bij het beoordelen van signalen over de kwaliteit van de kennispijlers. Dergelijke
      signalen zijn vaak niet uit te drukken in kwantitatieve en internationaal vergelijkbare
      indicatoren, maar kunnen niettemin wijzen op een ernstig probleem.
       Indicatoren zijn slechts een eerste stap in een beleidsgerichte analyse. Om vast te kunnen stellen
      waar een rol ligt voor nieuw of aangepast overheidsbeleid, is nog een aantal analysestappen
      nodig. Een definitief oordeel is pas mogelijk na een maatschappelijke afweging van kosten en
      baten. Vaak ontbreekt de vereiste informatie voor een dergelijke analyse. De gevolgen van
      kennisbeleid voor de welvaart zijn daarom voor een belangrijk deel onduidelijk. Dit pleit voor
      een lerend beleid met ruimte voor experimenten.
7.1.4 Beleidsopgaven
       Uit de sterkte/zwakte analyse komt een gemengd beeld naar voren. De Nederlandse prestaties
      op kennisgebied zijn niet slecht, maar zijn op een aantal aspecten voor verbetering vatbaar (zie
      hierboven, onder zwaktes). Voor het bepalen van de beleidsopgaven op kennisgebied zijn verder
      de volgende overwegingen van belang:
      Het maatschappelijk rendement van extra investeringen in kennis is vaak moeilijk vast te
      stellen, en nog moeilijker te voorspellen. Toch blijkt het mogelijk om op basis van een
      economische analyse te komen tot een beoordeling van de ingediende projectvoorstellen.
      Criteria zoals legitimiteit, haalbaarheid, concreetheid, draagvlak en onderbouwing van de kosten
      vormen tezamen een relatief fijnmazige zeef.
      Beleidsopties rond kennis omvatten niet alleen de inzet van extra publieke middelen, maar ook
      instiwtionele vernieuwing: veranderingen in de vormgeving van beleid.
      De gevolgen van dergelijke veranderingen zijn vaak niet goed te voorspellen. Dit vraagt om
      lerend kennisbeleid, dat bestaat uit de stappen onderzoeken, experimenteren en evalueren:
          Onderzoeken, daar waar dit mogelijk is, in hoeverre beleidswijzigingen nodig zijn;
          bijvoorbeeld bij prestatie- en benuttingsprikkels bij wetenschappelijk onderzoek, of bij
          kwaliteitsprikkels bij hoger onderwijs.
          Experimenten, op beperkte schaal, met institutionele hervormingen waarvan gunstige
          effecten worden verwacht, bijvoorbeeld op basis van buitenlandse ervaringen.
          Evalueren van de uitkomsten van deze experimenten.
      Paragraaf 7.3 presenteert een aantal voorbeelden van beleidsopties gericht op lerend
      kennisbeleid.
                                                                                                        119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN KENNISINFRASTRUCTUUR
7.2   Beoordelingen
      De beoordelingen zijn ingedeeld in twee categorieën:
      beoordelingen van 'reguliere' voorstellen (subparagraaf 7.2.1)
      beoordelingen van thema's ingediend in het ICES/KIS traject (7.2.2)
7.2.1 Reguliere voorstellen
      Schoolgebouwen
      De verschillende voorstellen voor aanpassing en verbetering van schoolgebouwen hebben een
      aantal gunstige eigenschappen, maar de effectiviteit is moeilijk in te schatten omdat op dit punt
      veelal geen onderzoek beschikbaar is. Niettemin is het project 'Modernisering Schoolgebouwen
      VMBO' (0C3) als robuust beoordeeld. Het betreft een forse aanmoedigingspremie voor het
      versnellen van investeringen in (ver)nieuwbouw in het Voorbereidend Middelbaar
      Beroepsonderwijs. Het doel is het aantrekkelijker maken van het VMBO voor leerlingen en
      docenten. Dit kan bijdragen aan minder schooluitval en aan betere onderwijsprestaties in het
      algemeen. Een sterk punt van dit voorstel is dat het kwaliteitsverbetering in het onderwijs tot
      stand brengt zonder extra beslag op schaarse leerkrachten. Bovendien zijn de potentiële baten
      groot, omdat het schooltype VMBO op verschillende punten (aantrekkelijkheid, schooluitval)
      relatief slecht scoort in vergelijking met andere schooltypen.
      Het project 'Modernisering VO schoolgebouwen' (0C4) behelst het creëren van werkplekken
      voor leraren in het Voortgezet Onderwijs (één werkplek per drie personen). Doel is het vergroten
      van de aantrekkelijkheid van het lerarenvak. In hoeverre werkplekken echter daadwerkelijk
      bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het lerarenvak en aan het terugdringen van
      lerarentekorten, is onzeker. De werkplekken zijn niet afgezet tegen alternatieven, zoals het
      beschikbaar stellen van laptops, of een eigen invulling van verbetering van arbeidsvoorwaarden
      door de scholen (lump-sum uitkering). Aangezien de uitgangssituatie van scholen in termen van
      huisvesting en ruimte belangrijk kan verschillen, is dit een belangrijk punt. Tegen deze
      acliteïpmo:id n lu project als op\\aarde(IhaaI heoomdeeld.
      De ciann 1 let uiultifbtictioueie sdioolgebouw' (005) betrelÏ hucvest     lIg vaj (primair en
      voortgezet) onderwijs en buitenschoolse opvang in één gebouw. Dit kan bijdragen aan         CL:;
      hogere arbeidsparticipatie van vrouwen, door het verminderen van 'breng/haal'-problenieti.
      Voorzover het project ook uitbreiding behelst van het aantal plaatsen voor kinderopvang kan de
      beschikbaarheid van personeel een knelpunt vormen. Verder is niet duidelijk of huisvesting op
      één locatie efficiënt is, en of lokaal behoefte bestaat aan multifunctionele schoolgebouwen. De
      claim wordt als opwaardeerbaar beschouwd.
      120
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>                                                                                          B E OORD E 0 NO EN
Het project 'Schoolgebouwen' (DH27) beoogt in Den Haag basisscholen geschikt te maken voor
educatie van kinderen van 2,5 tot 4 jaar; bij deze scholen wijkvoorzieningen te creëren; VMBO
scholen te moderniseren; en in het voortgezet onderwijs werkplekken voor leraren en andere
voorzieningen te realiseren. Het voorstel is als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. De
effectiviteit en de efficiëntie zijn onduidelijk en onzeker. Uitgaande van einddoelen (beter
opgeleide leerlingen, sociale cohesie) lijken er belangrijke alternatieven te zijn zoals (verdere)
salarisverhoging voor leraren (maakt het vak ook aantrekkelijker), vervroeging van de leerplicht,
kleinere klassen, extra 'remedial teachers' en buurthuizen los van scholen.
ICT en onderwijs
Een reeks voorstellen heeft betrekking op een grotere rol van ICT in onderwijs en cultuur. Het
project 'Innovatie en dynamiek in het leren' (OCi; claim 2,56 rnld euro) beoogt een uitbreiding
van ICT-voorzieningen (hardware en software) bij scholen. Er gebeurt al het een en ander op dit
terrein: over de periode 1999-2003 wordt in ICT op scholen ca. 280 euro per leerling
geïnvesteerd (ca. 56 euro per jaar). Er is geen onderzoek beschikbaar naar de relatie tussen
sommige van de genoemde ICT-voorzieningen (breedbandaansluitingen, hogere pc-dichtheid)
en de kwaliteit van het onderwijs. Een alternatief is het formuleren van duidelijke doelstellingen
rond ICT (kerndoelen/eindexameneisen), gekoppeld aan een generieke verhoging van het
schoolbudget. Scholen kunnen dan verschillende ICT-voorzieningen afwegen tegen elkaar en
tegen andere aanwendingsmogelijkheden zoals een apart computerlokaal. De claim is
beoordeeld als opwaardeerbaar.
Het voorstel 'e-Cultuur' (0C2)3 beoogt het digitaliseren en beschikbaar stellen van cultureel
beeld- en geluidsmateriaal. Dit voorstel lijkt effectief, maar er bestaan onduidelijkheden over de
vraag naar dit materiaal en over de wijze waarop een en ander wordt geconcretiseerd. Gezien de
dalende kosten van digitalisering is een heldere prioritering en temporisering zinvol. Verder zijn
er onzekerheden over de gekozen technologie (breedband) en over auteursrecht. Het voorstel is
als opwaardeerbaar beoordeeld.
 De claim 'Arbeidsmarktplan: onderwijs' (ZD30) van het landsdeel Zuid beoogt middels
aantrekkelijker onderwijs en beïnvloeding van studiekeuzes tekorten aan technisch personeel in
Zuid-Nederland te verminderen. Het voorstel is als opwaardeerbaar beoordeeld, met name
vanwege onzekerheden en onduidelijkheden rond de effectiviteit van de maatregelen.
De claim 'Arbeidsmarktplan: Employability' (ZD3i) van landsdeel Zuid wil ziekte en
arbeidsongeschiktheid verminderen met voorlichting (en onderwijs); ook dit voorstel is gezien
onzekerheden over de effecten als opwaardeerbaar beoordeeld.
  Bij de beoordeling van dit voorstel is ondersteuning verleend door TwynstraGudde.
                                                                                                          121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre> SELECTIEF INVESTEREN: KENNISINFRASTRUCTUUR
 Het voorstel 'Leven Lang Leren' (008) beoogt omvorming van instellingen voor (lager en
 middelbaar) beroepsonderwijs tot open leercentra, die naast initieel onderwijs ook
 onderwijsfaciliteiten bieden aan het bedrijfsleven. De noodzaak van extra subsidies bovenop de
 bestaande fiscale subsidies, is echter niet aangetoond. Bovendien lijkt stimulering van leven lang
 leren via subsidiering van het publieke aanbod niet de meest effectieve weg. Private
 onderwijsaanbieders spelen reeds een belangrijke rol op de markt voor postinitieel onderwijs. Er
 zijn aanwijzingen dat non-participatie aan postinitiële scholing vooral te maken heeft met het
 ontbreken van scholingsprikkels bij werkenden. De claim is daarom als zwak/onbeoordeelbaar
 beoordeeld.
 Het project 'Groene Kennisinfrastructuur' (LN2I) omvat vier deelprojecten: 'Modernisering
schoolgebouwen', Herontwerp van opleidingen', 'Versterking relatie beroepsonderwijs -
 bedrijfsleven' en 'Kennis delen'. De informatie per deelproject is zo summier dat een
inhoudelijk oordeel hierover niet mogelijk is. Het voorstel is als zwak/onbeoordeelbaar
beoordeeld.
 De overige voorstellen op dit terrein zijn als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld; een belangrijke
factor daarbij is dat veelal de noodzaak en/of de effectiviteit van deze investeringen niet is
aangetoond. Daarnaast is vaak onduidelijk welke activiteiten met de claims worden gefinancierd,
op welke wijze specifieke maatregelen en locaties worden geselecteerd. Ook is soms niet helder
of er wel vraag naar de betreffende voorzieningen is.
Ken nisparken
Het project 'Kenniscampus Leeuwarden' (N0i7)4 beoogt de samenwerking tussen drie
hogescholen te versterken, onder meer door fysieke concentratie op één kenniscampus. Er
bestaan onzekerheden over de mate van bereidheid tot deze samenwerking en over de
efficiëntie-voordelen van samenwerking. Daar staat tegenover dat het project kan bijdragen aan
de versterking van de kennisinfrastructuur - en daarmee aan verkleining van de economische
achterstand - van het Noorden. Tegen deze achtergrond is het voorstel als opwaardeerbaar
beoordeeld.
     Het voorstel Keunisparken en techuocentra'             (022;  claim 381 mlii euro) van het laudsdee]
Oost beoogt kennisclusters te versterken door bedrijventerreinen voor high-tech bedrijven op
universiteitsterreinen te creëren. De te bereiken effecten en de relatie daarvan met de in te
zetten middelen zijn echter onduidelijk en onzeker. Het voorstel is als zwak/onbeoordeelbaar
beoordeeld.
   Bij de beoordeling van dit voorstel is ondersteuning verleend door TwynstraGudde.
122
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>                                                                                                        BEOORDELING EN
 Tabel 7.1        Kennkinfrastructuur (excl. ICES/KIS); kernresultaten per subdossier
                                                                                  mln euro                    Oordeel
 Schoolgebouwen
 0C3                  Modernisering VMBO schoolgebouwen                                318                          A
 0C4                  Modernisering VO schoolgebouwen                                  143                           S
 005                  Het multifunctionele schoolgebouw                                619                           B
 DH27                 Schoolgebouwen                                                    90                          C
 ICT en onderwijs
 OC1                  Innovatie en dynamiek in het leren                              2559                           B
 0C2                  Investeren in Cultuur                                            113                           B
 ZD30                 Arbeidsmarktplan: Onderwijs                                       51                           S
 ZD31                 Arbeidsmarktplan: Employability                                   18                           S
 008                  Leven Lang Leren                                                1407                          C
 LN21                 Groene kennisinfrastructuur                                      839                          C
 007                  Sta rtkwalificatie beroepsbevolking                              567                          C
 ZH29                 Kennisstructuur Zuidvleugel                                      241                          C
 BZ6                  Elektronische Dienstverlening overheid Onderwijs                 178                          C
 DH28                 ICT in onderwijs                                                 158                          C
 5Z2                  Expertisecentrum digitale vaardigheden                            45                          C
 Ken nisparken
 NO1 7                Kenniscampus Leeuwarden                                           25                           B
 022                  Kennisparken en technocentra                                     381                           C
7.2.2        ICES-KIS
             De ICES heeft het CPB verzocht richtinggevende uitspraken te doen over de wenselijkheid van
             extra investeringen rond een achttal kennisthema's. Een aparte notitie doet verslag van de
             aanpak en van de uitkomsten (zie bijlage F). Deze subparagraaf bevat een korte samenvatting
             van de resultaten.
             De ICES-KIS-thema's zijn volgens een andere procedure beoordeeld dan de reguliere ICES-
             voorstellen. Eén van de verschillen betreft de voor de beoordeling beschikbare tijd: voor het
             beoordelen van de      130   ICES-KIS projecten was slechts een maand beschikbaar. Door de krappe
             planning was het ook niet mogelijk de andere planbureaus bij de beoordeling te betrekken. De
             verantwoordelijkheid voor de ICES-KIS beoordelingen berust dan ook geheel bij het CPB.
             De beoordeling van de kennisthema's is gebaseerd op 130 voorstellen (investeringspakketten),
             verdeeld over de thema's. Van deze         130 voorstellen zijn er 104 beoordeeld. Een aantal kleinere
             projecten, die niet van belang zijn voor het oordeel op thema-niveau, zijn buiten beschouwing
             gebleven.
                  Op basis van de ingediende voorstellen is nagegaan in hoeverre een schifting mogelijk is in
             kansrijke en minder kansrijke thema's. Deze schifting heeft, vanwege de beperkte tijd die voor
                                                                                                                    123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>              SELECTIEF INVESTEREN: KEN N 151 N FRASTRUCTU UR
              de bestudering van de voorstellen beschikbaar is, een globaler karakter dan de andere
              beoordelingen in dit rapport. Het is van belang te benadrukken dat deze quick scan een aantal
              belangrijke vragen onbeantwoord laat:
              Financiële onderbouwing: binnen het bestek van deze quick-scan was het niet mogelijk te
              toetsen in hoeverre de gevraagde ICES-bijdragen realistisch zijn. Overigens staat de
              aangeleverde informatie een oordeel hierover vrijwel nooit toe.
              Noodzaak additioneel onderzoek: rond elk van deze thema's zijn reeds onderzoeksgroepen
              actief. In hoeverre additionele inspanningen nodig zijn om beleidsdoelstellingen te halen is in
              dit stadium niet goed te beoordelen.
              Beschikbaarheid onderzoekers: de gevraagde impuls komt in een aantal gevallen bovenop
              lopende beleidsintensiveringen. Het is de vraag of forse extra budgetten op korte termijn
              kunnen worden besteed zonder concessies te doen aan de onderzoekskwaliteit.5
              Effecten op welvaart: effecten op economische groei, duurzaamheid of andere aspecten van
              welvaart zijn niet in kaart gebracht. Dat zou overigens ook na een meer uitgebreide analyse
              buitengewoon lastig (zo niet onmogelijk) blijken, vanwege fundamentele onzekerheden.
              Tabel 7.2 vat de resultaten van de quick.scan op themaniveau samen.
Tabel 7.2         Samenvattend oordeel kennisthema's
Thema                                                                                     A                                    B         Totaal beoordeeld
                                                                                   aantal voorstellen
                                                                                   (totale ICES-KIS bijdrage, mln euro)
A.  Systeeminnovaties                                                              1 (11,3)                        5(116,6)                           11 (241,8)
B.  ICT                                                                            1 (43,1)                      12 (426,4)                           20 (648,1)
C.  Competenties in de kennismaatschappij                                                 0                        3 (125,1)                           6 (137,5)
D.  Ruimtegebruik                                                                 3(171,3)                         7 (200,9)                          17 (572,9)
E.  Kennisoverdracht en MKB                                                               0                          2 (21,1)                          8 (103,0)
F.  Duurzaamheid                                                                   5(94,0)                         7 (144,1)                          24 (479,1)
G.  Life sciences                                                                  4 (88,0)                        7 (182,1)                          16 (335,9)
    Life sciences zonder Genomics-projecten                                        3 (63,0)                          3 (28,8)                         11 (157,6)
H.  Microsysteem- en nanotechnologie                                                     0                         2 (122,1)                           2 (122,1)
Totaal                                                                          14 (407,8)                     44 (1338,4)                        104 (2640,5)
               Zo stelt liet kabinet VOUS genorrircs gedur- er -ide de periocl I'oS-2 sub reeds idi,', riilii eL.Jrri l.,e',chikhaar. dss bijna 33,', mum er
             per Jaar. Dit betekent reeds een forse extra vraag naar genomics-onderzoekers. De Tijdelijke Adviescommnssme lnfrastructi
             Cenomics merkte hier in april jl. nog over op: "Er bestaan (minstens) zo's kleine 400 vacatures . door vacante en extra
             formatieplaatsen - in Nederland op het gebied van genomics en direct aan genomics verwante disciplines bij de
             onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven. )...] De algemene verwachting is dat het probleem van de openstaande genomics
             vacatures de komende jaren zal blijven".
             124
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>                                                                                       BEOOROELINGEN
Van de 104 beoordeelde voorstellen ontvangen er 14 de kwalificatie A (zonder de Genomics-
projecten worden de cijfers 99 respectievelijk 13). De totale claims van deze voorstellen bedragen
408 mln euro. Van deze 14 voorstellen hebben 12 voorstellen betrekking op de thema's
Ruimtegebruik, Duurzaamheid, en Life sciences (en zonder de Genomics-projecten 12 van de
13). De voorstellen dragen bij aan innovaties in waterbeheer en ruimtegebruik,
verwerkingstechnologieën en op medisch terrein cel- en weefseltechnologie. In dit stadium
kunnen deze drie thema's derhalve sterk worden genoemd. Het definitieve oordeel over de
ICES-KIS projecten binnen deze thema's zal echter afhangen van de nadere uitwerking op
projectniveau. De overige vijf thema's krijgen in deze fase het predikaat opwaardeerbaar of
zwak. Zij sluiten onvoldoende aan bij de behoefte in de markt, zij vormen slechts een beperkte
aanvulling op bestaande investeringen of de ingediende projecten lijken niet primair een
legitieme overheidstaak.
     Het thema ICT omvat een flink aantal voorstellen die als opwaardeerbaar zijn beoordeeld.
Veel van die voorstellen roepen vragen op over de mate waarin marktpartijen niet zelf in (een
deel van) de voorgestelde activiteiten kunnen voorzien, waardoor additionele overheidssteun
(deels) onnodig is. Maar ook de beoordeling op de andere criteria gaf geen reden tot een hogere
beoordeling van het thema. Het totaal oordeel van het thema is daarom opwaardeerbaar.
     Voor het oordeel over het thema Competenties in de Kennismaatschappij is vooral het
oordeel over één van de voorstellen, 'Impuls voor het wetenschapspersoneelsbeleid', relevant.
Hoewel dit project een legitiem probleem adresseert, namelijk een dreigend tekort aan hoog
opgeleid personeel voor wetenschappelijke instellingen, is de gekozen aanpak niet overtuigend.
Het voorstel behelst namelijk inzet van extra middelen voor talentvolle onderzoekers op andere
projecten uit de huidige ICES-KIS-ronde. Echter, de kosten van die onderzoekers zijn al
opgenomen in de begrotingen van die projecten. Het project behelst voorts financiering van de
vrijgevallen plekken van onderzoekers die op ICES.projecten gaan werken. Hiervoor geldt iets
soortgelijks: bestaande budgetten voorzien reeds in de financiering van deze onderzoeksbanen.
De andere ICES-KIS voorstellen zouden de noodzaak van deze extra middelen voor het
aantrekken van onderzoekers moeten onderkennen en in de aanvraag meenemen. Het voorstel
lijkt dan ook dubbelop. Ook de overige projecten binnen dit thema scoren vaak zwak.
     Het oordeel over het thema Kennisoverdracht en het MKB is kort samengevat gebaseerd op
de volgende overwegingen. Van 5 van de 8 beschouwde pakketten is de inhoud niet duidelijk. Bij
de drie resterende pakketten bestaan vragen over de legitimiteit.
     Binnen het thema Microsysteem- en nanotechnologie hangt het oordeel vooral af van de
kwaliteit van het projectvoorstel Nanoned (gevraagde ICES-bijdrage 113 mln euro). Dit voorstel
scoort een B, mede vanwege het ontbreken van een duidelijk draagvlak bij potentiële gebruikers.
Onderzoek naar nanotechnologie heeft volgens de indieners een sterk fundamenteel karakter. in
de huidige vorm gaat het voorstel toch uit van zeer forse private bijdragen, zonder dat voldoende
zicht wordt geboden op het realisme hiervan.
                                                                                                  25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN KENNJSINFRASTUCTUUR
      Deze opmerkingen zijn relevant voor het vervolgtraject. De definitieve vaststelling van de
      beschikbare budgetten per thema is pas mogelijk nadat gedetailleerde projectvoorstellen zijn
      ingediend en beoordeeld door organisaties als NWO, KNAW en SENTER. Een optie die daarom
      serieuze overweging verdient is budgetten niet nu al te oormerken voor specifieke (sub-)thema's.
      Immers, oormerken dwingt de instanties die de gelden verdelen (NWO, KNAW, regie-orgaan)
      om middelen in te zetten voor het betreffende (sub-)thema, ook als dit betekent dat de
      kwaliteitslat lager moet worden gelegd. Dit valt te vermijden door de budgethouder op te dragen
      binnen een breed gedefinieerd (cluster van) thema's de onderzoeksmiddelen uit te zetten bij de
      beste onderzoekers.
7.2.3 Conclusie: beleidsopgaven en investeringsvoorstellen
      in hoeverre sluiten de investeringsvoorstellen aan op de in paragraaf 7.1 genoemde zwaktes in
      de Nederlandse prestaties op kennisgebied? Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden,
      omdat de ingediende voorstellen vaak niet expliciet verwijzen naar een bepaalde zwakte. Met
      deze kanttekening kunnen de volgende observaties worden gemaakt:
      Onderwijs
      Het probleem van een hoog aantal vroegtijdig schoolverlaters, of van achterblijvende
      onderwijsprestaties van achterstandsgroepen, komt expliciet aan de orde in 04 modernisering
      VMBO schoolgebouwen. Daarnaast is het mogelijk dat andere onderwijsprojecten, zoals ICT in
      het onderwijs (OCT) een bijdrage leveren aan betere prestaties op deze terreinen. Bij de huidige
      stand van kennis is hierover echter weinig met zekerheid te zeggen.
      Verbetering van de arbeidsvoorwaarden van leraren kan een bijdrage leveren aan vermindering
      van het lerarentekort. 0C4 (modernisering schoolgebouwen VO) en ZD30 (Arbeidsmarktplan:
      onderwijs) zijn hierop gericht, maar de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen is
      onduidelijk.
      Wetenschap
      Veel van de ICES-KIS projecten besteden aandacht aan de betrokkenheid van gebruikers, met
      name van het in Nederland gevestigde bedrijfsleven, bij de voorbereiding en uitvoering. In een
      later stadium - wanneer de ICES-KIS projecten verder zijn uitgewerkt - moet deze betrokkenheid
      nader worden ingevuld.
      Technologie
      De ICES-KIS projecten kunnen additionele R&D-uitgaven door het Ncdcrhude becb'i jfNlc\ cii
      liitloldldflii, iiii:ii iii 1it ttidlillfll dit effect nee er O1i/d*(r
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>                                                                                             BELEI DSOPTI ES
    Beleidsexperimenten blijven onderbelicht
    Zoals aangegeven in paragraaf 7.1 is de effectiviteit van veel kennismaatregelen moeilijk te
    voorspellen. Lerend beleid vraagt dan om experimenteren en evalueren. In de ingediende
    voorstellen wordt echter weinig aandacht besteed aan beleidsexperimenten. Bij een aantal van de
    met B beoordeelde voorstellen valt te overwegen op kleine schaal van start te gaan met
    experimenten. De volgende paragraaf noemt hiervan een aantal voorbeelden.
7.3 Beleidsopties
    Een goed vertrekpunt bij de keuze van beleidsopties op kennisgebied is de vraag: hoe kunnen we
    met de beschikbare middelen het onderwijs en onderzoek het beste verbeteren? In algemene zin
    luidt het antwoord: door het geld daar in zetten waar het maatschappelijk rendement het hoogst
    is. Zoals elders uiteengezet scoort beleid gericht op preventie van onderwijsachterstanden op
     jonge leeftijd dan hoog. Voor dit soort beleid komt echter langs reguliere weg al veel extra geld
    beschikbaar.
    Ook andere beleidsopties zijn, op basis van theoretische overwegingen en/of buitenlandse
    ervaringen, veelbelovend. De effectiviteit en efficiency van deze beleidsopties in de Nederlandse
    context is echter onzeker. Dit pleit voor lerend beleid, gericht op experimenteren en evalueren.
    Een aantal voorbeelden van dergelijk lerend beleid volgen hieronder.
    Optie 1: experiment rond team beloning onderwijs
    Onder teambeloning wordt hier verstaan: bonussen voor docententeams op basisscholen en
    scholen voor voortgezet onderwijs, uit te keren aan de scholen die de sterkste verbetering in
    prestaties laten zien (betere CITO/eindexamenresultaten, minder (allochtone) uitval). Het CPB
    heeft in eerdere publicaties (o.a. CPB 2002) al gewezen op gunstige uitkomsten bij buitenlandse
    experimenten (Israël, VS).
    Optie 2: experiment rond publieke bekostiging private aanbieders MBO en HBO
    Een andere optie is extra middelen in te zetten voor een experiment met publieke bekostiging
    van private onderwijsaanbieders in MBO en HBO (bijv. LOEI). Door schaalvergroting zijn in
    sommige regio's regionale onderwijsmonopolies ontstaan. Kwalitatieve signalen geven
    aanleiding voor bezorgdheid over de onderwijskwaliteit bij deze monopolies (zie bijvoorbeeld
    het jaarverslag van de onderwijsinspectie, of de keuzegids hoger onderwijs). Het creëren van een
    level plclyingjield voor private aanbieders kan onderwijsmonopolies doorbreken. Dat kost wellicht
    iets, omdat een deel van de bestaande studentenpopulatie bij private instellingen dan voor
    bekostiging in aanmerking komt. De omvang van de kosten is afhankelijk van de vormgeving
                                                                                                        127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: KENNISINFRASTRUCTUIJR
van deze beleidsoptie: met een leeftijdsgrens van 30 jaar zijn de kosten waarschijnlijk laag. Een
optie is experimenteren met een beperkt aantal opleidingen (bijv. HEAO).
Optie : prestatie-bekostiging wetenschappelijk onderzoek universiteiten
Het huidige verdeelmodel voor de financiering van universitair onderzoek hanteert bij de
verdeling van beschikbare middelen over de 13 universiteiten een verdeelsleutel gebaseerd op
vaste aandelen (onveranderd sinds begin jaren '8o). Onderzoeksprestaties of studentenaantallen
spelen bij de verdeling over universiteiten geen rol. Een dergelijk model bevat geen
kwaliteitsprikkels, en garandeert evenmin dat onderzoeksmiddelen terechtkomen bij de beste
onderzoekers. Vanwege toenemende tekorten aan onderzoekers, en vanwege toenemende
internationale mobiliteit van onderzoekers, neemt het belang van een goed onderzoeksklimaat
van top onderzoekers toe. Dit pleit voor een bekostigingsmodel waarin onderzoeksprestaties
beloond worden met onderzoeksfinanciering. Zoals elders uiteengezet (CPB, 2002), verdient
een experiment met het Engelse model serieuze overweging.
Optie : universitaire unit beleidsexperimenten en evaluaties
Een laatste optie behelst het oprichten van een experimenteer- en evaluatie-unit, onder te
brengen bij één of meer universiteiten. Een dergelijke onafhankelijke unit bundelt expertise
rond het opzetten van beleidsexperimenten, en krijgt de opdracht (en misschien ook bepaalde
bevoegdheden) mee te werken aan het opzetten van experimenten en het evalueren van
kennisbeleid bij de verschillende departementen. De kwaliteit (en trouwens ook met de
kwantiteit) van serieuze beleidsevaluaties laat nog veel te wensen over. Hier is nog een
belangrijke inhaalslag mogelijk.
Investeren in kennis: do's en dont's
De geschetste opties behelzen vooral institutionele hervorming, en niet zozeer de inzet van extra
middelen. De oordelen over de investeringsprojecten eerder in dit hoofdstuk geven evenmin
aanleiding tot een forse extra inzet van middelen (waarbij overigens de belangrijke aantekening
past dat definitieve beoordelingen van projecten ingediend in het kader van ICES-KIS pas
beschikbaar zullen zijn in 2003). Zijn extra investeringen in de kennisinfrastructuur dan
helemaal niet wenselijk? Kunnen alle knelpunten opgelost met institutionele vernieuwing. 0f
blijven belangrijke investeringskansen op kennise 1:
Dit zijn belangrijke vragen, waarop helaas geen eciivoiidig aiitvvooicI 1110ge1ijI is. Voor OER goed
kwantitatieve ex ante analyse van kennisinvesteringen ontbreekt de vereiste informatie.
Investeren in kennis heeft daarom - noodzakelijkerwijs - grotendeels het karakter van tasten in
het duister. Anders geformuleerd: we weten eenvoudigweg niet of extra overheidsuitgaven aan
wetenschappelijk onderzoek, onderwijs, R&D-subsidies een hoog maatschappelijk rendement
128
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>                                                                                       BELEIDSOPTIES
hebben. Sterker nog, het is veelal onduidelijk hoe extra middelen het meest doelmatig kunnen
worden ingezet. Een oordeel over de wenselijkheid en allocatie van extra kennisinvesteringen
kan dus niet alleen gebaseerd zijn op cijfermatige analyses vooraf.
Het formuleren van de do's op kennisgebied is daarom verre van eenvoudig. De volgende twee
do's vormen hierop een uitzondering, de eerste wellicht iets duidelijker dan de tweede:
i. De onzekerheid over de effecten van extra middelen pleit - nogmaals - voor lerend beleid,
    met als sleutelbegrippen experimenteren en evalueren.
2.  Institutionele vernieuwing kan 'smeergeld' vergen, bijvoorbeeld om scholen en
    universiteiten ertoe te bewegen mee te doen aan experimenten rond institutionele
    vernieuwing.
Wat zijn de dont's rond kennisinvesteringen? Wat is in ieder geval geen verstandige aanwending
van extra middelen? Hierbij gaat het om de doelmatigheidsvraag. Ook deze vraag laat zich niet
gemakkelijk beantwoorden, maar één don't betreft centrale sturing. Decentraal is immers vaak
meer informatie beschikbaar over de wijze waarop middelen het beste kunnen worden ingezet:
wat zijn de behoeftes op deze school (huisvesting, computers, leermiddelen)? Welk
onderzoeksproject heeft de beste kans van slagen? Dit pleit voor een generieke inzet van
middelen. Bijkomend voordeel van een dergelijke uitgangspunt zijn de lagere uitvoeringskosten,
zowel voor overheid als voor ontvanger. Het kan soms wenselijk zijn deze decentrale
beslissingen bij te sturen, maar alleen indien decentrale beslissingen te weinig rekening houden
met het algemeen belang (externe effecten), én indien de overheid over de informatie en de
instrumenten beschikt die nodig zijn om decentrale beslissingen in de gewenste richting te
kunnen beïnvloeden. Aan deze laatste eis is in de praktijk lang niet altijd voldaan.
                                                                                                 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>SELECT EF INvEsTEREN: KEN N ISI NFRASTRUCTUUR
Literatuur hoofdstuk 7
CPB, 2002, 'De pijlers onder de kenniseconomie: opties voor institutionele vernieuwing',
Centraal Planbureau, januari 2002, www.cpb.nl/goto/kenniseconomie
EZ, 2000, 'De Kenniseconomie in zicht', Ministerie van Economische zaken, Den Haag
0GW, 1999, 'Wie oogsten wil, moet zaaien; Wetenschapsbudget 2000', Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Zoetermeer
0GW, 2000, 'Onderwijs in stelling: kracht en creativiteit voor de kennissamenleving',
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Zoetermeer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>                                                                                                      BE LE 1050 PC AVE N
8             Milieu
              Binnen het milieubeleid wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende thema's, zoals het
              broeikaseffect, geluidhinder en veiligheid. De milieuthema's vermesting en verdroging worden
              behandeld in hoofdstuk 4 'Natuur, landschap en water'.
              In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op beleidsopgaven (paragraaf 8.1), de
              beoordelingen (paragraaf 8.2) en op mogelijkheden voor ander beleid dan investeringen
              (paragraaf 8.3).
8.i           Beleidsopgaven
8.1.1         Broeikasgassen    en luchtkwaliteit
              De uitstoot van broeikasgassen, waarvan het gas kooldioxide (CO,) de belangrijkste is, kan leiden
              tot idimaatverandering. Deze uitstoot vormt een hardnekkig milieuprobleem vanwege het
              mondiale karakter en het feit dat deze uitstoot via energiegebruik (vooralsnog) sterk gerelateerd
              is aan economische ontwikkeling. Voor 2010 lijkt bij het vigerende binnenlandse beleid het
              Nederlandse emissiedoel niet haalbaar (tabel 8.1). Hierbij moet worden aangetekend dat de
              overheid beoogt om daarnaast voor 2050 een emissiereductie van 20 mln ton CO,-equivalenten
              te kopen in het buitenland. Als dat slaagt, resteert er een binnenlandse taakstelling, afhankelijk
              van economische groei en succes van beleid, van nul tot zeven miljoen ton. Om ambitieuze
              emissiedoelen op de langere termijn voor 2030 (NMP4) te halen, is een forse inspanning nodig.
 Tabel 8.1        Emissiedoelen afgezet tegen verwachte niveaus met vigerend beleid
                                                                           doel  emissieniveau bij vigerend beleid
                                                                                             (EC- en GC-scenario)
                                                                                                                  240a
 Klimaatverandering: CO2 (mln ton)                            in 2010: 21 7-226'                 in 2010: 212 -
                                                                in 2030: 70-100                   in 2030: 210-245
 Verzurende stoffen: NOx (mln kg) in 2010                                   231                            278— 292'
 Verzurende stoffen: NH3 (mln kg) in 2010                                   100                                    130'
 Verzurende stoffen: S02 (mln kg) in 2010                                    46                               70— 73'
 Bron: RIVM (2000), VROM (2001), CPB/RIVM (2002).
  CPB en RIVM (2002)
  RIVM (2000)
              De aanpak van emissies die zorgen voor grootschalige luchtverontreiniging en verzuring (onder
              andere stikstofoxiden (NO3), zwaveldioxide (SO,) en ammoniak (NH 3 )) is evenals klimaat-
              verandering een internationaal probleem, zij het dat het qua schaalniveau meer een Europees
              karakter heeft. Met de emissies van de verzurende stoffen gaat het de goede richting uit, dankzij
              nationaal en internationaal vigerend milieubeleid. Desondanks zijn hier extra
                                                                                                                     131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN;MILIEU
      beleidsinspanningen nodig, omdat de doelen voor deze stoffen met het vigerende beleid niet
      zullen worden gehaald (tabel       8.1).
          Ook op lokaal niveau bestaan luchtverontreinigingsproblemen. In 1999 is een richtlijn
      luchtkwaliteit van de Europese Unie van kracht geworden. De richtlijn heeft betrekking op
      zwaveldioxide, stikstofoxide, fijn stof (PM 0) en lood. De grenswaarden (jaargemiddelden) voor
      NO en PM 0 zullen vanaf 2010 worden vastgesteld op 40 pg/m3. Toetsing aan deze
      grenswaarden levert op dat in 2000 de grenswaarde voor het jaargemiddelde voor stikstofoxide
      in veel stedelijke gebieden wordt overschreden. Langs zo'n 700 kilometer weg wordt een
      overschrijding van de 40 pg/m3 norm berekend (Folkert et al., 2001). Bij uitvoering van het
      bestaande beleid verbetert de situatie ten opzichte van het jaar 2000 sterk: met name
      emissiereducerende maatregelen aan voertuigen (de 'EURO'-emissie-eisen aan personen-,
      bestel- en bedrijfsvoertuigen) zorgen er voor dat de mate van overschrij dingen in de periode
      2010 - 2030 sterk zal afnemen (Folkert et al., 2001)
8.1.2 Geluidhinder
      Veel mensen in Nederland ondervinden hinder door geluid. Door onder meer de hoge
      bevolkingsdichtheid en vele verkeersbewegingen in Nederland is bij ca 75% van de woningen
      sprake van een geluidsbelasting door weg-, rail- of luchtverkeer met meer dan   50 decibel (dB(A)),
      de streefwaarde voor nieuwbouwwoningen. In het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) (VROM,
      2001) streeft men naar een forse verbetering van de akoestische kwaliteit in stedelijk gebied,
      mede door aanpak van de rijksinfrastructuur. Op de langere termijn (2030) streeft men in
      diverse omgevingen - woongebieden, natuurgebieden, en dergelijke - een hoge geluidskwaliteit
      na.
          Het zal een grote beleidsinspanning vergen om in 2010 en 2030 de gewenste geluidkwaliteit
      in de diverse leefomgevingen te verkrijgen. Met vigerend beleid zal de geluidhinder door het
      verkeer de komende decennia namelijk niet afnemen (RIVM, 2000). Ook de stiltegebieden in
      Nederland zullen door verkeerslawaai bij vigerend beleid naar verwachting verder worden
8.1.3 Externe veiligheid
      Het uitgangspilt     \ai i }isi N i 4-ID  is dal u       ii    j  k Ei iii
      worden blootgesteld aan een jaarlijkse overlijdenskans van meer dan één op één miljoen als
      gevolg van opslag, transport of gebruik van gevaarlijke stoffen. Uitzonderingen gelden voor
      luchtvaart en vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Op dit moment worden in Nederland
      tenminste 23.000 inwoners blootgesteld aan een hoger overlijdensrisico. Naast luchtvaart
      vormen spoorwegemplacementen, bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken, opslaan of
      produceren, LPG-tankstations, ammoniak-koelinstallaties en opslagen van bestrijdingsmiddelen
      en chemicaliën de belangrijkste risicobronnen.
      au
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>                                                                        BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
       De risico's zijn in de laatste tien jaar mogelijk enigszins toegenomen door de toenemende
       bebouwing met woningen en kantoren, met name rondom spoorwegen, wegen en luchthavens
       (RIVM, 2001).
8.1.4 Afval
       De beleidstekorten binnen het thema afval zijn verschillend van aard. Bij de afvalinzameling ligt
       het tekort op het vlak van leefbaarheid van binnensteden (o.a. zwerfvuil) en onvoldoende
      hergebruik van afval. Bij verontreinigde waterbodems en baggerspecie is het probleem dat de
      opslagdepots voor specie vol raken en dat het laten liggen van de verontreinigde specie
      milieurisico's met zich mee brengt. Bij stortplaatsen en andere plaatsen met
      bodemverontreiniging is het tekort tweeledig. Enerzijds kan door de aanwezige verontreiniging
      de ruimte niet optimaal worden gebruikt. Anderzijds kunnen de verontreinigingen in de loop
      der tijd weglekken. Bij het afvalwaterbeheer in steden liggen tekorten in het niet goed
      functioneren van de afvalwaterketen waardoor overstorten van riolen plaatsvinden die gepaard
      gaan met gezondheidsrisico's. Bovendien zorgt het huidige rioolsysteem er onvoldoende voor
      dat regenwater nuttig kan worden gebruikt.
8.2   Beoordeling van investeringsvoorstellen
8.2.1 Broeikasgassen en luchtkwaliteit
      De claim Klimaatneutrale energiedragers' (VRij betreft vrijstelling van energiebelastingen voor
      duurzame energie. Fiscale stimulering biedt voor marktpartijen meer flexibiliteit dan een
      investeringssteun: zij kunnen zelfde mogelijkheden voor hun reactie selecteren (en daarmee
      kosten en baten afwegen). Wel is de claim in zijn uitwerking nog pril, vandaar dat het oordeel
      'opwaardeerbaar' is gegeven. Andere energie/broeikasclaims (EZ4, EZ5, EZ6, VR2, VR4 en
      VR6) zijn opwaardeerbaar of zwak/onbeoordeelbaar, om verschillende redenen. Soms is een of
      ander weinig uitgewerkt en onderbouwd, soms zijn de effectiviteit en efFiciency twijfelachtig. Op
      dit terrein zijn regulering en marktconforme instrumenten (hefFingen, verhandelbare
      emissierechten) vaak betere instrumenten dan subsidiëring.
           De claim Luchtverontreiniging rond snelwegen' (VW20) richt zich op het halen van
      luchtkwaliteitseisen bij snelwegen. De indieners beogen fysieke maatregelen: een gewijzigde
      inpassing van de weg, sloop van huizen, e.d. De claim is als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
      De voorgestelde aanpak om alleen te focussen op fysieke maatregelen voor het halen van
      luchtkwaliteitsnormen in 2010 lijkt niet efficiënt, mede omdat de knelpunten met het huidige
      (EU-)bronbeleid en mogelijke aanscherpingen daarvan in de toekomst al ten dele worden
      weggenomen. Daarnaast is het geclaimde bedrag van 1,5 mld euro niet onderbouwd. Voor het
      oplossen van deze problematiek is een selectieve aanpak nodig.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: MILIEU
8.2.2 Geluid
      Er zijn twee voorstellen voor vermindering van geluidshinder rond wegen en Spoorwegen
      ingediend (VWi8 en VR7), die tijdens het beoordelingsproces zijn samengevoegd tot één
      voorstel ('Innovatie geluidbeleid spoor, weg'). De claim heeft één robuust onderdeel: een
      innovatieprogramma voor geluidmaatregelen bij de bron. Met een geslaagd innovatie-
      programma kunnen in de toekomst tegen lagere kosten dan met de huidige maatregelen (onder
      andere schermen, stil asfalt) relatief grote maatschappelijke baten worden gehaald. De rest van
      de claim . realisering van resultaten uit het innovatieprogramma - is zwak/onbeoordeelbaar
      omdat eerst de resultaten van het innovatieprogramma bekend moeten zijn alvorens effectieve
      en efficiënte stappen kunnen worden gezet.
8.2.3 Externe veiligheid
      In deze categorie zijn drie departementale claims aan de orde. Deze claims zijn gericht op het
      verminderen van risico's van respectievelijk chemische industrie ('Seveso-bedrijven', VRI2),
      LPG-tankstations (VRII) en opslagplaatsen van munitie en explosieven (VRI3). Deze claims zijn
      als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld omdat belangrijke aspecten als de kosten, alternatieve
      maatregelen, mogelijke andere financieringsbronnen en alternatief beleid nog nauwelijks zijn
      onderbouwd c.q. onderzocht.
          Ook voor een landsdelig voorstel (uitplaatsing munitiedepot Ypenburg, DHi8) op het gebied
      van externe veiligheid geldt dat het oordeel zwak/onbeoordeelbaar is. Op basis van de summier
      aangeleverde informatie kan bijvoorbeeld niet worden opgemaakt wat de maatschappelijke
      voordelen van dit voorstel zijn.
8.2.4 Afval
      De voorstellen op dit terrein ('Verwerking baggerspecie', VR34, 'Nieuwe systemen
      afvalinzameling binnensteden', VR5, 'Versnellen nazorg oude stortplaatsen', VR16) zijn ten dele
      potentieel effectief en efficiënt. Het onderdeel 'eenvoudige verwerking van baggerspecie' in de
      baggerspecie-claim is robuust. De effectiviteit en efficiency van dit onderdeel lijken goed: bij
      slagen van proeven is er winst in bereikbaarheid van vaarwegen en ruimtewinst in de vorm van
      minder depots te behalen. De claim 'nazorg oude stortplaatsen' is op te waarderen door aan te
      geven op welke locaties nazorg van belang is. Momenteel wordt hier studie naar gedaan.
           De landsdelige claim voor bodemsanering van oude gasfabriekterreinen in Overijssel (042:1)
      is robuust. Het Overijsselse deel is goed uitgewerkt met nadere informatie. De claim is legitieiii
      effectief en mogelijk efficiënt. Een soortgelijke claim voor Gelderland (042b) is opwaardeerba:II
      omdat er veel minder informatie over beschikbaar is dan over het Overijsselse deel, waardoor dl
      onzekerheden over de precieze kosten en baten relatief groot zijn.
      134
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>                                                                              BEOORDELING VAN INVESTERINGSVOORSTELLEN
             De departementale en landsdelige voorstellen over afkoppelen van regenwater van de riolering
             (VR3 en DH25) zijn opwaardeerbaar: de potentie is groot, maar de onderbouwing en uitwerking
             zijn onvoldoende.
8.2.5        Overig
             De claim Stimuleringsfonds biologische gewasbeschermingsmiddelen' (LN22) betreft een
             subsidie voor een fonds ter stimulering van het gebruik van milieuvriendelijke bestrijdings-
             middelen. De claim is beoordeeld als zwak/onbeoordeelbaar: het voorstel is slecht ingebed in
             nieuw beleid, er zijn goede alternatieven en de effectiviteit is niet met zekerheid te schatten
             maar lijkt twijfelachtig.
 Tabel 8.2       Milieu; kernresultaten per subdossier
                                                                                    mln euro                Oordeel
 Energie/Broeikasgassen/ Luchtkwaliteit
 VR]              Klimaatneutrale energiedragers                                          340                       B
 VR4              Marktniches Voor nul-emissie technologieën:
                  demonstratiefase / introductiefase                                   9]/136                    B/C
 VW21             Retrofit binnenvaart (nieuwe motoren)                                     ]4                      B
 VW20             Luchtverontreiniging rond snelwegen                                    ]452                       c
 EZ4              Restwarmte Regio Rijnmond                                               227                       c
 VR6              Medefinanciering avi's met hoog energierendement                          9]                      c
 VR2              Onderzoek en Demo-programma Schoon Fossiel                                54                      c
 EZ6              Energie uit asfalt                                                        27                      c
 EZ5              Bijmenging Waterstof in gasnet                                            25                      c
 Geluid
 VW1 S/VR7        Innovatie geluidbeleid spoor, weg: innovatie/realisatie           147/2178                    A/C
 Veiligheid
 VR] 2            Sanering risico's vanwege Seveso-bedrijven                              227                       C
 VR] 1            Verplaatsing of beëindiging LPG-tankstations                              91                      C
 VR] 3            Sanering opslagen van munitie en explosieven                              45                      C
 DH]8             Uitplaatsen munïtiedepot Ypenburg                                         45                      C
 Afial
 VR34             Verwerking baggerspecie: eenvoudig / thermisch                       99/110                   A/C
 042              Stortplaatsen, gasfabrieken: Overijssel/Gelderland                    22/11                   A/B
 VR5              Nieuwe systemen afvalinzameling binnensteden                            264                      C
 VR] 6            Versnellen nazorg oude stortplaatsen                                    ] 36                      B
VR3               Kwaliteitsimpuls stedelijk water                                        ] 36                      B
 DH25             Afkoppelen regenwater                                                     12                      B
 Overig
 LN22             Stimuleringsfonds biologische gewasbeschermingsmiddelen                   9]                     [S
                                                                                                                  135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN: MILIEU
8.2.6 Totaalbeeld milieubeoordelingen
       In het milieudossier is aan de ingediende voorstellen relatief vaak het oordeel
      'zwak/onbeoordeelbaar' gegeven. Dit heeft veel te maken met de karakteristiek dat het dossier
      milieu niet het eerst aangewezen terrein is om met het instrument 'overheidsinvesteringen op
      effectieve en efficiënte wijze doelen te bereiken. Hierop wordt nader ingegaan in de volgende
       paragraaf.
           Bij de milieuclaims die als robuust zijn beoordeeld ligt een dergelijke overheidsrol wel sterk
      voor de hand: investeren in collectieve goederen als stille wegen en spoorwegen, in schone
      vaarwegen en in de ruimtelijke kwaliteit door het opruimen van verontreinigingen uit het
      verleden (gasfabriekterreinen). Bij de overige milieuterreinen (onder andere terugdringen
      emissies, hogere veiligheid) liggen marktconforme instrumenten en regulering meer voor de
      hand. De overheid kan met gerichte subsidies wel een rol spelen om op deze terreinen op
      termijn tot innovaties te komen. Deze rol zou zich in tegenstelling tot de ingediende claims
      meer moeten richten op innovatie en R&D en minder op subsidiëring van marktintroductie van
      bewezen technieken.
8.3   Beleidsopties
8.3.1 Ander beleid
      Een verhoogde energieheffing lijkt zinvol om CO-emissies te reduceren. Lijesen et al. (2001)
      hebben de economische en milieu-effecten van een aantal varianten voor de verhoging van de
      opbrengst van de Regulerende Energiebelasting (REB) geanalyseerd. De REB is een belasting op
      verwarmingsbrandstoffen (aardgas, huisbrandolie, petroleum en LPG) en elektriciteit. Er zijn
      varianten doorgerekend waarbij alleen de huidige REB-tarieven worden verhoogd en varianten
      waarbij de vrijstelling voor de grootgebruikers wordt verkleind (de zogenaamde 'verbreding' van
      de REB). Alle doorgerekende heffingsvarianten hebben een totale (initiële) heffingsopbrengst
      van  1,4  miljard Euro. In de varianten wordt in 2020 tussen 2,5 en 8,5 Mton CO minder
      uitgestoten ten opzichte van de referentie. De macro-economische kosten van de varianten zijil
      minder dan o,i% van het BBP in 2020. Verdubbeling van de hefFingsopbrengsten in de
      varianten leidt grosso modo tot een verdubbeling van de emissiereductie en de ec000miVLI1L
      effecten.
          Ook bij de sector verkeer is prijsbeleid een middel om CO-emissiereducties te
      bewerkstelligen. In hoofdstuk 4 (fysieke bereikbaarheid) is het voorstel voor een
      Kilometerheffing beschreven. Stijging van de variabele autokosten beperkt het aantal kilometer,
      en daarmee de emissies. Op basis van onder andere AVV en Feimann et al.        (2000)  kan voor
        De effecten ge'den ten opzichte van het GC-referentiescenario.
      136
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>                                                                                                           BELEDSOPTIES
2010 en 2020 (EG- en GC-scenario) een emissiereductie-effect worden geschat van ruwweg                            0,7
tot 1,5 Mton CO,. Deze schatting is onzeker omdat nog niet al het onderzoek is afgerond. Indien
de tariefstelling van een kilometerheffing nog sterker zou worden gedifferentieerd naar gewicht-
en milieukenmerken, bijvoorbeeld naar GO-uitstoot per afgelegde kilometer, kunnen de milieu-
effecten hoger uitvallen.
Regelgeving heeft als belangrijkste voordeel dat het milieu-effect zeker is (mits de overheid goed
handhaaft). Het nadeel is dat - door onvoldoende informatie bij de overheid - marktpartijen
waarvoor de normen gaan gelden, gedwongen kunnen worden relatief dure maatregelen te
nemen waardoor de efficiëntie niet gunstig is. Dit betekent niet dat regelgeving in het geheel
geen rol kan spelen: met name bij woningen kunnen energieprestatienormen een goed middel
zijn om tegen niet al te hoge kosten milieuwinst te halen. Bij wegvoertuigen heeft de EU-
normstelling op stoffen als NON , VOS en deeltjes tot efficiënte maatregelen geleid (CPB,
2000b).
     Door inzet van het instrument regelgeving kan de energie-efficiency worden bevorderd. In
CPB et al. (1998) en ECN, RIVM (198) worden als mogelijkheden genoemd:
verdere aanscherping van de energieprestatienormen voor nieuwe woningen en
utiliteitsgebouwen;
het stellen van eisen aan bestaande woningen en gebouwen
het in EU-verband instellen van voorschriften voor energie-efficiency van huishoudelijke
elektrische apparatuur.
Ook kan in navolging van emissie-eisen voor wegvoertuigen voor stoffen als NO en PM,0
worden gedacht om emissie-eisen te stellen voor de GO-uitstoot2 .
     De effecten van een regelgevingspakket kunnen (additioneel t.o.v. heffingen) worden geschat
op enkele Mtonnen in 2010. De kosten zijn ioo ii 200 miljoen Euro per jaar (ruw geschat op
basis van CPB et al., 1998). Vanuit kostenoogpurit is het van belang dat nieuwe regelgeving met
een redelijke termijn wordt ingevoerd: de markt weet dan wanneer ze aan nieuwe eisen moet
voldoen en kan zich een aantal jaren er op voorbereiden waardoor de kosten van aanpassingen
veelal lager zijn ten opzichte van meer abrupte invoering.
De ervaringen met energie-subsidies zijn niet gunstig (CPB, 2000a en CPB, 1998). Bij dit soort
regelingen speelt free rider' gedrag een belangrijke rol en door het prijsverlagend effect van
subsidies wordt de vraag naar het betreffende energie-gebruikende product of activiteit
  De Europese Commissie heeft een convenant met de internationale auto-industrie (het zogenoemde ACEA-
convenant') afgesloten om vanaf 2008 nieuwe auto's te verkopen met een gemiddelde CO-uitstoot van 140 g/km.
Het is voorstelbaar dergelijke eisen verplicht te stellen, eventueel uit te breiden naar andere voertuigcategorieën en
de emissie-eisen in de toekomst verder aan te scherpen.
                                                                                                                     137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>             SELECTIEF INVESTEREN: MILIEU
             gestimuleerd. Een mogelijke uitzondering op dit beeld zijn subsidies voor onderzoek en
             ontwikkeling, bijvoorbeeld voor onderzoek naar duurzame energiesystemen.
  Transportinvesteringen als milieumaatregel?
  Investeringen in 0V en in goederenvervoer per spoor of met de binnenvaart (zie hoofdstuk 4, fysieke
  bereikbaarheid) zijn niet per definitie goede milieumaatregelen. Dergelijke investeringen leiden meestal - ceteris
  paribus - tot geringe substitutie van wegverkeer naar 0V, spoor en binnenvaart. Ze kunnen daarnaast leiden tot
  generatie van verkeer (er treden nieuwe verplaatsingen op), zodat de netto-milieueffecten van dergelijke projecten
  ten opzichte van de situatie dat deze investeringen niet worden gepleegd, slechts gering positief of zelfs gering
  negatief kunnen zijn. Hierbij moet men tevens bedenken dat door het EU-emissienormeringsbeleid voor
  wegvoertuigen de milieuvoorsprong die spoor en binnenvaart hadden deels aan het verdwijnen is. Bovendien geldt
  dat nieuwe spoorlijnen of overslagterminals kunnen leiden tot natuur- of landschapsaantasting.
  De conclusie is dat investeringen in 0V, spoor en binnenvaart mogelijk vanuit economisch en sociaal oogpunt
  gerechtvaardigd zijn. Het verminderen van milieudruk is bij dergelijke investeringsprojecten op zijn hoogst een
  gering neveneffect.
8.3.2        Perspectief
             Met niet-investeringsinstrumenten lijkt 1fl 2020 een aanzienlijke binnenlandse C0
             emissiereductie mogelijk (5 â 15 Mton) tegen bescheiden maatschappelijke kosten. Grotere
             reducties in 2010 zijn moeilijker te bereiken vanwege de relatief korte termijn waarin nieuw
             beleid kan worden geïmplementeerd. Wil men de scherpe beleidsopgave in 2030 halen (zie
             paragraaf 8.1), dan lijkt inzet van met name heffingen en regulering in geleidelijk meer
             aangescherpte vorm, onontbeerlijk. Investeringen kunnen voor CO,-reductie slechts een
             marginale rol vervullen.
             Wat geluidhinder en lokale leefbaarheid betreft, kunnen investeringen wel een relatief
             belangrijke rol spelen naast regulering en marktconforme instrumenten. Daarbij is echter een
              ('Iecti(\e aiiiixil< Vifl gïOoI  belLI11 (zi(, lloofclVtlik it:iliteii zlcdeii).
             1 let \ laa-stuk  1 OlKl e\lCiiie \CiliLlIeid keiit  \VelizWaLII           ijke iiitda „iiieii, nazi z'n
             instrumentering die primair in de investeringssfeer ligt. Regelgeving, inclusief adequate
             handhaving, is hier het eerst aangewezen beleid. Overheidsinvesteringen voor bijvoorbeeld
             verplaatsing van ongewenste activiteiten liggen in specifieke situaties in de rede, vooral als er
             urgente problemen zijn die moeten worden aangepakt.
             Bij milieuproblemen die in het verleden zijn ontstaan, zijn maatregelen die zich richten op
             toekomstige gedragsverandering uiteraard minder zinvol. Overheidsinvesteringen kunnen hier
             138
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>                                                                                      BELEI OSOPTI ES
een rol spelen; in een aantal gevallen samen met investeringen vanuit de private sector,
afhankelijk van waar de baten neerslaan. Het is verstandig om alternatieve mogelijkheden
(bijvoorbeeld functioneel saneren), investeringen vanuit andere bronnen (bijvoorbeeld het
bodemsaneringsfonds) en interacties met andere beleidsterreinen (zoals de waterhuishouding)
in de afweging te betrekken.
In het hierboven geschetste perspectief voor toekomstig milieubeleid staan een geleidelijke
intensivering van heffingen en regulering derhalve centraal, en spelen investeringen en
subsidies een meer beperkte rol.
Literatuur hoofdstuk 8
CPB, RIVM, SGP, AVV, 1998, 'Kiezen of delen: ICE S-maatregelen tegen het licht', Den Haag:
Centraal Planbureau
CPB, a000a, 'Naar een efficiënter milieubeleid - een maatschappelijk-economische analyse van
vier hardnekkige milieuproblemen', Den Haag: Centraal Planbureau
CPB, 2000b, 'Mobiliteit en Welvaart. Economische effecten van het Nationaal Verkeers- en
Vervoerspian 2001-2020 (NVVP)', Den Haag: Centraal Planbureau
CPB en RIVM, 2002, 'Economie, energie en milieu. Een verkenning tot 2010'. Den Haag,
Centraal Planbureau, Bilthoven, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
ECN, RIVM, 1998, 'Optiedocument voor emissiereductie van broeikasgassen'. Petten: Energie
Centrum Nederland, Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Feimann, P.F.L., Geurs, K.T., R.M.M. van den Brink, J.A. Annema, G.P. van Wee, 2000,
'Verkeer en vervoer in de Nationale Milieuverkenning 5', Bilthoven: Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu
Folkert, R.J.M., H.C. Eerens, M. Odijk, P.B. Van Breugel, L. van Bree, S.S.A. Mogith, 2002,
'Realisering E U-NO -normen in Nederland, implementatie ie E U-dochterrichtlijn in
Nederland', Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
                                                                                                  aR
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: MILIEU
Lijesen, M., M. Mulder, M. Vromans, 2001, 'Fiscale vergroening en energie II: Economische
effecten van verhoging en verbreding van de Regulerende Energiebelasting', Den Haag: Centraal
Planbureau
Muconsult, 2001, 'Monitoring trends nieuwe personenauto's. Fase i en a: 1996-2000', RDC en
RDW, kenmerk VRio.004, Amersfoort: Muconsult bv.
Nijland. H.A., E. van Kempen, J. Jabben, J.A. Annema, 2001, 'Geluidmaatregelen: kosten en
baten', Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Pizer, W.A., 1997, 'Prices versus Quantities Revisited: The Case of Climate Change', Discussion
Paper 98-02, Washington: RESOURCES for the future
RIVM, 2000, 'Nationale Milieuverkenning 5 2000-2030', Alphen aan den Rijn: Samson bv.
RIVM, 2001, 'Milieubalaris 2000', Alphen aan den Rijn: Samson bv.
VRaM, 2001, 'Een wereld en een wil. Werken aan duurzaamheid. Nationaal Milieubeleidspian
4', Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Wijngaart, R. van den, J.R. Ybema, 2002, 'Referentieraming broeikasgassen. EmissieraIiing
voor de periode 2001-2010', RIVM-rapport 773002020/2002, Bilthoven: Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Petten: EnergieCentrum Nederland (ECN)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>                                                                                            BELEI OSOPGAVEN
9      Ruimtelijke inrichting
       In de ruimtelijke ordening (RO) komen veel terreinen samen. De RO heeft primair als taak om
       de verschillende ruimtelijke wensen op een goede manier af te wegen. De integratie van
       verschillende wensen kan leiden tot ruimtelijke tegenstrijdigheden. Dit hoofdstuk geeft een
       globaal beeld van de ruimtelijke beleidsopgaven (paragraaf 9.1) en van investeringsvoorstellen
      die (mede) op die beleidsopgaven zijn gericht (paragraaf 9.2). De beoordelingeri van deze
       voorstellen zijn al in de voorgaande hoofdstukken behandeld. In dit hoofdstuk gaat het om een
       ruimtelijke beschrijving van deze investeringsvoorstellen en over alternatieven voor
      investeringen (paragraaf 9.3).
9.1    Beleidsopgaven
       Diverse beleidsterreinen - zoals wonen, werken, infrastructuur, natuur, landschap, milieu en
      veiligheid - kennen een ruimtelijke dimensie. Globaal kan men stellen dat er in de ruimtelijke
      ordening een natuurlijke spanning bestaat tussen individuele wensen, zoals woonwensen en
      behoefte aan ruimte voor werken en infrastructuur, en collectieve waarden als natuur en open
      ruimte' (tOETs, 2001). Het gebruik voor de ene functie gaat meestal ten koste van een andere
      functie. De effecten van grondgebruik strekken zich bovendien verder uit dan de directe
      omgeving. Afhankelijk van functie en plaats gaat grondgebruik gepaard met positieve dan wel
      negatieve externe effecten op de kwaliteit van de omgeving. Het omgaan met deze spanning
      vereist een permanente afweging tussen de concurrerende kwaliteiten. Een vrije marktuitkomst
      houdt geen rekening met collectieve waarden en is daarom vanuit welvaartsoogpunt geen
      optimale uitkomst. De uitdaging voor de ruimtelijke ordening is om individuele wensen en
      collectieve waarden te combineren en hierin een optimale balans te vinden.
9.1.1 Algemene uitgangspunten van het beleid
      De Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (VROM, 2001, 2002) introduceert 'ruimtelijke kwaliteit'
      als uiteindelijke doelstelling van de ruimtelijke ordening. De doelstellingen voor de
      leefomgeving zijn samengevat in zeven dimensies van ruimtelijke kwaliteit, die richting geven
      aan de ruimtelijke inrichting van Nederland voor de komende dertig jaar:
      Ruimtelijke diversiteit;
      Economische en maatschappelijke functionaliteit;
      Culturele diversiteit;
      Sociale rechtvaardigheid;
      Duurzaamheid;
      Aantrekkelijkheid;
      Menselijke maat.
                                                                                                        141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN RUiMTELIJKE INRICHTINU
In de Vijfde Nota wordt een groot aantal beleidsuitdagingen geformuleerd. Voor drie aspecten
worden deze beleidsuitdagingen in de Vijfde Nota het meest uitgewerkt: 'kwaliteit stad en land'
(contourenbeleid), 'stedelijke netwerken' en 'water'.
Beleidsuitdagingen voor 'kwaliteit stad en land'
De Vijfde Nota constateert dat Nederland eenvormiger wordt: de verstedelijking rukt op, met
name in de Randstad, en het contrast tussen stand en platteland vervaagt. De Vijfde Nota wil de
kwaliteit van de leefomgeving verbeteren en het contrast tussen stad en land weer verscherpen.
Mogelijkheden voor recreatie, landschappelijk schoon en het behoud van cultureel erfgoed zijn
belangrijke elementen in het streven naar een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
Om gebieden met name tegen verstedelijking te beschermen, is op basis van de Vierde Nota
Ruimtelijke Ordening (VROM, 1988) restrictief beleid gevoerd. Volgens de Vijfde Nota is dit
restrictieve beleid niet erg geslaagd: de effectuering van restrictief beleid viel tegen door andere
belangen op gemeentelijk niveau (werkgelegenheid, woningbouw, financiële belangen) en
verouderde bestemmingsplannen.
     In de periode 1995-1999 is 580 ha in het Groene hart bebouwd in de vorm van verspreid
liggende uitbreidingen. Dit is 0,3% van het totale areaal in het Groene Hart. In dezelfde periode
is in de provincies Zuid-Holland 0,85%, in Noord-Holland 0,54%, in Utrecht i,o% en in Noord-
Brabant 0,54% van het areaal bebouwd (A.J.W. de Wit en H.A.M. Thunissen, 2001).
Omdat het restrictief beleid niet toereikend bleek om waardevolle open ruimte te vrijwaren van
verstedelijking, worden in de Vijfde Nota een zevental gebieden aangewezen als Nationale
landschappen. In deze gebieden met bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische en
recreatieve waarden die nu of in de toekomst onder druk staan van verstedelijking of door
andere ingrepen die het landschap zouden kunnen aantasten, wil de Vijfde Nota naast
beschermen ook investeren om de kwaliteit te behouden en te ontwikkelen. De beleidsopgave
rond landschap en natuur wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 4.
Daarnaast is het wegnemen van de 'mismatch tussen vraag en aanbod op de woningmarkt een
belangrijke beleidsuitdaging. Om het buitengebied te vrijwaren van bebouwing pleit de Vijfde
Nota ervoor 50% van de nieuwe woningen in bestaand bebouwd gebied te realiseren. Zij wil
door de ruimte veel intensiever te gebruiken en verouderde delen te herstructureren een verd
aantasting van het open gebied voorkomen. Ook voor bedrijventerreinen wordt gestreefd na:ii
een intensivering.
     Uit onderzoek naar woonvoorkeuren van het SGP (Van Dugteren en Knol, 2001) blijkt een
tekort te bestaan aan centrum-stedelijke, groen-stedelijke woningen en 'wonen in het groen'. De
beleidsopgave op dit gebied wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 5 'Vitaliteit grote steden'.
142
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>                                                                                        BELEIDSOPGAVEN
 Beleidsopgaven voor stedelijke netwerken
 Een ander centraal element in de Vijfde Nota vormt het concept van stedelijke netwerken'. De
Vijfde Nota wil hiermee de stedelijkheid in de netwerksamenleving bevorderen en steden
geschikt houden en maken voor de netwerkeconomie. De bebouwingsopgave tot 2030 ZOU
zoveel mogelijk moeten worden opgevangen binnen stedelijke netwerken. De aandelen
woningen en werkgelegenheid in stedelijke netwerken moeten volgens de Nota tenminste gelijk
blijven en mogelijk toenemen. Efficiënt ruimtegebruik in stedelijke netwerken wordt hierbij
nagestreefd door samenwerking tussen gemeenten.
Beleidsopgaven voor water
 Doordat het klimaat mogelijk verandert, neemt naar verwachting de hoeveelheid neerslag toe en
stijgt de waterafvoer via de rivieren. De zeespiegel rijst, terwijl de bodem daalt. Zonder ingrijpen
leiden deze ontwikkelingen tot een toename van wateroverlast en overstromingskansen.
Het kabinet heeft besloten tot een omslag in het waterbeleid: van 'water keren' naar meer
ruimte geven aan water. Het geven van die ruimte zou zoveel mogelijk in samenhang met
natuurontwikkeling plaats moeten vinden (V&W, 1998, 2000; VROM, 2002). Een verdere
uitwerking van de beleidsopgave rond 'water' wordt behandeld in hoofdstuk 4 'Natuur,
landschap en water'.
Diverse investeringsbudgetten
Bij de Vijfde Nota is een uitvoeringsprogramma verschenen met een investeringsprogramma.
Op het gebied van ruimtelijke ordening blijft kaderstelling, toepassing van planologisch-
 juridische instrumenten en doorwerking en handhaving de eerste lijn waarlangs ruimtelijk
beleid wordt gevoerd. Een investeringsprogramma met publieke en private investeringen vormt
hierop een aanvulling.
     Voor de uitvoering van het beleid uit de Vijfde Nota worden in hoofdlijnen de volgende
investeringsinstrumenten onderscheiden:
Bestaande budgetten van het ministerie van VROM, waaronder het budget investeringen
ruimtelijke kwaliteit (BIRK, 454 mln euro) en de saneringsregeling ongewenste bestemmingen;
Bestaande budgetten en lopende programma's en projecten van andere departementen;
Europese middelen (bijvoorbeeld het Interreg III programma);
Gedecentraliseerde rijksmiddelen (bijvoorbeeld Grotestedenbeleid, 1 nvesteringsbudget
Stedelijke Vernieuwing (ISV));
Investeringen van lagere overheden, marktpartijen en burgers.
Hieruit kan worden opgemaakt dat de doelen van de Vijfde Nota met een groot aantal financiële
regelingen worden nagestreefd. De ICES-investeringsvoorstellen vormen hierop een aanvulling.
                                                                                                   '43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>      SELECTIEF INVESTEREN RUIMTELIJKE INRICHTLNG
9.1.2 Ruimtebehoeften
      Uit een verkenning van de ruimtevraag (CPB, 200la) blijkt tot 2030 nog een flinke ruimtevraag
      voor wonen te bestaan. Het gaat om zowel uitbreidings- als vervangingsvraag en een
      veranderende samenstelling van de woningvoorraad. De toename van de ruimtevraag is het
      omvangrijkst in de periode tot 2010 en neemt daarna door demografische ontwikkelingen
      geleidelijk af.
          De totale extra bruto ruimtevraag voor bedrijfslocaties bedraagt in de periode tot 2020 zo'n
      40.000     tot 50.000  ha. Na 2020 is er nog slechts een marginale extra ruimtevraag als gevolg van
      de lage werkgelegenheidsgroei, die op basis van demografische ontwikkelingen wordt verwacht.
      De algemene economische ontwikkeling, (bio-)technologische ontwikkelingen, de Europese
      integratie en het Europese landbouwbeleid bepalen de ruimtevraag van de landbouw. Naar
      verwachting zal de landbouw op lange termijn met minder ruimte toekunnen. Landbouwareaal
      komt echter niet vanzelf 'vrij'. Het ruimtebeslag van de landbouw is sterk verbonden met het
      ruimtelijke ordeningsbeleid: als de overheid toestaat dat landbouwgrond een andere
      bestemming krijgt, zal de landbouwfunctie normaliter verdwijnen. Landbouw kan in sommige
      gevallen goed worden gecombineerd met natuur. Het kabinet beoogt een bevordering van
      duurzame landbouw en zet onder meer in op dergelijke functiecombinaties.
      Ook voor andere functies is ruimte nodig. Infrastructuur neemt ruimte in, de behoefte aan
      recreatie neemt toe en in diverse nota's zijn beleidsdoelstellingen geformuleerd op het gebied
      van natuur, landschap en water die (aanzienlijke) ruimtelijke consequenties met zich
      meebrengen. Zo is in de nota 'Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur' (LNV, 2000) de
      beleidsopgave in termen van het areaal voor de ecologische hoofdstructuur (EHS) verhoogd en
      wordt in de nota 'Waterbeleid voor de aie eeuw' (Cie Waterbeheer 21e Eeuw,       2000)  gesteld dat
      in de toekomst meer ruimte voor water nodig is om de waterproblematiek het hoofd te bieden
      (zie hoofdstuk 4 'Natuur, landschap en water').
      Ruimtelijke spanningen
      De Vijfde Nota spreekt bij ongerestricteerde groei van de ruimtevraag over een ruimtetekort in
      kwantitatieve zin ter grootte van de provincie Zuid-Holland. Het is niet duidelijk in hoeverre
      hier rekening is gehouden met mogelijkheden voor functiecombinaties, waarbij met name
      gedacht moet worden aan combinaties van water, natuur, recreatie en landbouw. Bovendien is
      ruimte geen fysieke optelsom. Keuzes voor de ruimtelijke inrichting zullen implicaties hebbEn
      voor de prijzen van grond en onroerend goed, de congestie en de mate waarin tegemoet kan
      worden gekomen aan de maatschappelijke behoeften aan natuur en 'open ruimte'.
          De geschetste algemene ontwikkelingen zijn ook in het regionale beeld terug te vindli.
      Belangrijke regionale verschuivingen worden niet verwacht. Zo is de ruimtevraag voor         1   11
      werken in de landsdelen West en Zuid ruim        70%  van de nationale vraag (CPB, 2001). DE
      144
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>                                                                                        RUIMTELIJKE PROJECTEN
    ruimtebehoeften leiden op regionale schaal tot spanningen die door de verstedelijkingsdruk het
    meest tot uitdrukking komen in de regio's West en Zuid. Ruimtebehoeften kennen een beperkt
    regionaal schaalniveau: de ruimtebehoefte voor wonen in de regio Amsterdam kan nu eenmaal
    niet worden opgelost door landbouwareaal in de omgeving van Rotterdam te onttrekken en de
    bewoners van de Randstad hebben voor hun recreatieve behoeften maar in beperkte mate iets
    aan natuur in Overijssel. De ruimtelijke 'matching' is van evident belang.
        De beleidsuitdagingen die hieruit voortvloeien, zijn uiteraard niet louter fysiek. De
    ruimtevraag voor wonen en werken, als ook voor natuur en water, kan indien men dat wenst
    worden ingepast ten koste van de landbouw. De beleidsopgave bestaat uit het goed combineren
    van de verschillende functies met een hoge ruimtelijke kwaliteit. Landbouw is daarbij niet alleen
    een leverancier van agrarische producten, maar speelt ook een belangrijke rol in landschap- en
    natuurbeheer.
    De beleidsopgaven zijn al met al stevig te noemen: een aanzienlijke verstedelijkingsvraag met
    een sterk accent op meer kwaliteit en hogere ambities rond natuur, landschap en water.
9.2 Ruimtelijke projecten
    Veel investeringsvoorstellen hebben een ruimtelijke component. In deze paragraaf worden van
    projecten waarin de ruimtelijke dimensie van relatief groot belang is, de ruimtelijke weerslag en
    de relatie met de beleidsopgaven vanuit de ruimtelijke ordening besproken. De analyse beperkt
    zich hier grotendeels tot relatief grote projecten en projecten die als 'robuust' zijn beoordeeld.
    De beoordelingen van deze voorstellen worden uitgebreider behandeld in de andere,
    thematische hoofdstukken.
    Ruimtelijke kwaliteit is een belangrijke factor in de beoordelingen. De volgende aspecten zijn
    daarbij van belang:
    Zuinig omgaan met ruimte; intensief, meervoudig ruimtegebruik;
    Ben inrichting, Organisatie van de ruimte die vanuit het perspectief van de gebruiker logisch is.
    Met andere woorden: de juiste functie op de juiste plek (het kunnen combineren van functies in
    minder tijd en met minder hinder; het samenbrengen van functies die elkaar versterken);
    Variatie en differentiatie ('minder van hetzelfde').
    Stedelijke herstructurering
    De Vijfde Nota ziet transformatie en intensief, soms meervoudig ruimtegebruik als belangrijke
    middelen om in de ruimtebehoeften voor wonen en werken te voorzien. De ruimtelijke kwaliteit
    van het stedelijk gebied wordt daarbij als leidraad genomen.
                                                                                                          '45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>            SELECTIEF INVESTEREN RUIMTELIJKE INRICHTING
Kaart 9.1   Ruimtelijke weergave stedelijke herstructureringen
          OORDEEL
                 A
                            10        € 10.000 mln
                                      €1.000 mln
                                                                  1
                 B                    €lOOmIn
                                                                (
                 c                    € 10 mln
                                                                    '\
                                                                     1
                                                        _1)Ar30
                                           AM13         •41\
          Projecten in heel Nederland
          JEi 1EEI]
                                       L...1
                                           OC9NR19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>                                                                                   RUIMTELIJKE PROJECTEN
 Bij de ICES zijn diverse voorstellen ingediend die zich richten op stedelijke herstructurering,
 intensief (meervoudig) ruimtegebruik en de ontwikkeling van vervoersknooppunten in
 stedelijke netwerken en hiermee vanuit het oogpunt van de Vijfde Nota de ruimtelijke kwaliteit
 versterken. Kaart 9.1 geeft een overzicht van deze voorstellen voor zover deze geografisch
 kunnen worden toegedeeld. in het ICES-KIS traject is overigens ook een thema gericht op
 intensief en meervoudig ruimtegebruik (zie hoofdstuk 8). De projecten onder dit thema kunnen
 niet geografisch worden gelokaliseerd.
 Het voorstel 'kwaliteitsimpuls bestaande woonwijken' (VR32) wordt uitgebreider behandeld in
 hoofdstuk 5 'Vitaliteit grote steden'. Er bestaan aanzienlijke beleidsopgaven op dit gebied en
investeringen zouden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van
de leefomgeving. Het voorstel is desalniettemin als 'zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld vanwege
een gebrek aan selectiviteit, de relatief hoge kosten in relatie tot de verwachte baten en de zeer
hoge en onzekere veronderstelde bijdrage van private partijen.
Verschillende landsdelige voorstellen kunnen worden beschouwd als uitwerkingen van het
departementale voorstel 'knooppuntontwikkeling stedelijke netwerken'. De projecten behelzen
voornamelijk de aanleg van kantoren, woningen en commerciële locaties op een OV-knooppunt.
 De projecten zijn hoofdzakelijk gesitueerd in het Zuiden.
     Van de voorstellen op het gebied van stedelijke herstructurering zijn zeven voorstellen
gelegen in landsdeel 'Zuid', drie voorstellen in het Westen en één in het Noorden van het land.
Voor de voorstellen in landsdeel 'West' zijn de claims verhoudingsgewijs het grootst. Het ligt in
de rede stedelijke herstructureringen met name uit te voeren in gebieden met een relatief hoge
ruimtedruk en daarmee gepaard gaande relatief hogere grondprijzen. Intensief ruimtegebruik
staat daarbij centraal. De voorstellen in de Randstad, waar de ruimtedruk relatief het grootst is,
scoren echter alle 'zwak/onbeoordeelbaar'. Dit komt met name vanwege onduidelijkheden over
de maatregelen en over de legitimiteit van overheidsingrijpen. De voorstellen zijn veelal niet
nader uitgewerkt.
Tenslotte is een aantal projecten ingediend die het intensief ruimtegebruik als hoofddoelstelling
hebben, zoals het voorstel van de verplaatsing van spoorwegemplacementen (VR14) om zo
ruimte te creëren in stadscentra en het voorstel voor overkluizingen van het hoofdwegennet
(VRi5 en RD25). Bij uitvoering van de projecten komt grond vrij die gebruikt kan worden voor
stedelijke functies, waardoor de waarde stijgt. De kosten van de projecten overstijgen echter deze
grondprijsstijging in aanzienlijke mate. De baten van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit,
leefbaarheid en eventuele milieu- of veiligheidsbaten zouden dan moeten opwegen tegen de
resterende kosten. Vaak ontbreekt informatie om de efficiëntie op deze wijze te kunnen
beoordelen. Soms lijken de kosten koog in verhouding tot de baten.
                                                                                                     147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: RUIMTELIJKE INRICHTING
Herstructurering van bedrijventerreinen
De kern van herstructurering van bedrijventerreinen is het op peil houden van voldoende en
kwalitatief goede bedrijfslocaties. Een overheidsbijdrage is met name legitiem voor zover deze
betrekking heeft op de openbare ruimte van de bedrijventerreinen (collectieve goederen) en
wanneer er economische prikkels ontbreken om negatieve externe effecten van veroudering van
bedrijventerreinen tegen te gaan. De effecten van investeringsvoorstellen op de ruimtelijke
kwaliteit zijn een belangrijk onderdeel van de beoordeling.
    Herstructurering van verouderde bedrijventerreinen kan ingrijpen op diverse aspecten van
de ruimtelijke kwaliteit. Zo kan na een herstructurering de ruimte intensiever benut worden,
soms mede onder invloed van bodemsanering. De kwaliteit van de publieke ruimte, maar ook
van de private ruimte kan toenemen, waarvan de effecten uitstralen op de omgeving. Een terrein
kan ook verouderd zijn, omdat de omgeving - de aanleg van een woonwijk - of de
maatschappelijke opvattingen (bijvoorbeeld veiligheid of milieu-eisen) zijn gewijzigd. Een
herstructurering kan dan bijdragen aan het principe van de juiste functie op de juiste plaats'.
Tenslotte kan in sommige gevallen herstructurering als alternatief dienen voor de aanleg van
een nieuw bedrijventerrein, waarmee open ruimte' wordt bespaard.
    De baten op het gebied van de ruimtelijke kwaliteit moeten in samenhang bekeken worden
met de kosten, met effecten op andere bedrijventerreinen, mogelijke alternatieven - bijvoorbeeld
transformatie naar woningbouw - en de omgeving.
Veelal zijn herstructureringsvoorstellen echter ook ingediend met een regionaal-economische
argumentatie. Middels het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en het vestigingsklimaat
wordt een impuls gegeven aan de economische ontwikkeling omdat het huidige bedrijfsleven
behouden blijft, zich beter kan ontwikkelen of dat er nieuwe bedrijven naar de regio komen. In
de projecten ontbreekt vaak een kwantitatieve onderbouwing van deze baten. Bovendien gaat het
vaak om verplaatsing van activiteiten tussen of binnen regio's, waardoor de economische baten
voor Nederland als geheel veelal beperkt zijn.
Van de zes beoordeelde landsdelige voorstellen zijn er vijf gelegen in landsdeel West' en één in
het Oosten van het land (zie kaart 9.2). Gezien de ruimtedruk die zich voor een groot deel in het
Westen manifesteert, kan een nadruk van investeringen op het gebied van zuinig ruimtegebruik
in dit landsdeel efficiënt zijn. De grondprijzen in stedelijk gebied in het Westen zijn doorga TilT
hoger dan in andere delen van Nederland. De claim voor landsdeel 'Oost' is in dit licht relatiiif
hoog. Nu speelt bij de herstructureringen van bedrijventerreinen ook een historische
component: met name oude industriesteden, waarvan relatief veel in het Oosten zijn gelegen,
bezitten verouderde bedrijventerreinen. Landsdeel 'Zuid' heeft geen herstructureringsprojecten
van alleen bedrijventerreinen ingediend.
148
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>                                                                     RUIMTELIJKE PROJECTEN
Kaart 9.2 Ruimtelijke weergave herstructureringen bedrijventerreinen
                                                                                       149
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: RUIMTELijKE INRICHTING
De voorstellen zijn deels als 'opwaardeerbaar' en deels als 'zwak/onbeoordeelbaar'
gekwalificeerd. Bij de opwaardeerbare projecten speelt een rol dat het project onvoldoende is
uitgewerkt om een goede indruk te krijgen van de kosten-batenverhouding, bij de
zwakke/onbeoordeelbare projecten dat er vaak onduidelijkheden bestaan over de rol van de
private sector. In hoofdstuk 5 'Vitaliteit grote steden' worden de herstructureringsprojecten en
de legitimiteit van overheidsingrijpen uitvoeriger behandeld.
Stedelijk groen
Stedelijk groen wordt in de Vijfde Nota en de Balans Ruimtelijke Kwaliteit (VROM, 2000) als
een belangrijk onderdeel gezien van de ruimtelijke kwaliteit. Op het gebied van 'groen in en om
de stad' zijn zeven landsdelige voorstellen bekeken ter nadere uitwerking van de koepeiclaim
'Groenblauwe impuls' (LN1). Vijf van deze voorstellen (driekwart van de geclaimde middelen in
landsdelige voorstellen) zijn in het Westen gelegen (zie kaart 9.3).
Dat het aantal en de hoogte van de claims relatief hoog zijn voor landsdeel 'West', kan enerzijds
gelegen zijn in de relatief hoge beleidsopgave in dit landsdeel door de hogere ruimtedruk en de
mate van verstedelijking, anderzijds duwen de hogere grondprijzen in het Westen de kosten
omhoog. De hoge grondprijzen vormen een belemmering bi) de ontwikkeling van stedelijk
groen (Binnenlands Bestuur, 2001).
Uit de woningbehoefte onderzoeken van 1994 en 1998 blijkt de beleidsopgave op het gebied van
stedelijk groen relatief het grootst te zijn in de landsdelen West en Zuid (zie figuur 9.1). In 1998
gaf bijna   20%   van de ondervraagde huishoudens in de landsdelen West en Zuid aan dat er geen
groenvoorzieningen in de buurt aanwezig zijn, tegenover ca 16% in landsdeel Oost en 13% in
het Noorden. Deze percentages zijn sinds het woningbehoefte onderzoek van 1994 gestegen.
Het gaat hier wel om de perceptie van de aanwezigheid van groen in de woonomgeving, hetgeen
niet direct hoeft overeen te komen met de daadwerkelijke aanwezigheid van groen. De perceptie
geeft wel een indicatie voor een beleidsopgave op dit gebied.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>                                                         RUIMTELIJKE PROJECTEN
Kaart 9.3 Ruimtelijke weergave stedelijk groen
                        -VE
      OORDEEL                  €1O.000mIn
                                                        NO2
                               € 1000 mln
              A
                                                      1
                                               1 AM23
        Projecten in heel Nederland
               LN1A
        T
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>           SELECTIEF INVESTEREN: RUIMTELIJKE INRICHTING
Figuur 9.1 Huishoudens zonder groenvoorzieningen (volgens huishoudens zelf) in vier landsdelen
     %
     20
      15
     10
       5
       0
               Noord             Oost              West     Zuid        Nederland
           Bron: WBO (1994 en 1998)
           Landschap
           Op het gebied van landschappelijke kwaliteit is een groot aantal departementale en landsdelige
           voorstellen ingediend. Deels betreft dit een gebiedsgerichte reconstructie en/of verplaatsing van
           functies. De juiste functie op de juiste plaats' vormt hier een belangrijk uitgangspunt. Een deel
           van de projecten behelst een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit met het behoud van het
           cultureel erfgoed, conform doelen uit de Nota Belvedere (0GW, 9999) en de Vijfde Nota. Een
           ander deel richt zich op de ruimtelijke kwaliteit van het platteland en een verscherping van het
           contrast tussen stad en land, conform het Vijfde Nota beleid. Projecten ter verbetering van de
           kwaliteit van de leefomgeving kunnen ook bijdragen aan recreatieve doelen.
           De geografische ligging van de claims is te zien op kaart 9.4. Het grootste aandeel van de
           projecten, zowel in aantal als in het geclaimde bedrag, is gelegen in de landsdelen Zuid en West
           (beide ca 2 mld euro van de in totaal 5 mid euro aan claims die geografisch kunnen worden
           toegerekend). Dit is wederom gezien de ruimtedruk en de bestaande beleidsopgaven in deze
           landsdelen te verwachten. De als robuust beoordeelde projecten zijn voornamelijk in het Westen
           gesitueerd. Zie verder paragraaf 4.2.2 in het hoofdstuk 'Natuur, landschap en water'.
           152
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>                                                             RUIMTELIJKE PROJECTEN
Kaart 9.4 Ruimtelijke weergave projecten kwaliteit landschap
              Historisch geografisch waardevol gebied
              Belvedere gebied
       OORDEEL
         Projecten in heel Nederland
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre> SELECTIEF INVESTEREN RUIMTELIJKE INRICHTING
 Natuur
 Er zijn diverse projectvoorstellen ingediend op het gebied van natuur. De 'robuuste groene
 verbindingen' (LN5) en de 'versnelling van de EHS' (LN8) bevatten deelprojecten die verspreid
over Nederland zijn gelegen. De landsdelige natuurprojecten liggen voornamelijk in de
landsdelen Oost en Noord en zijn deels als 'opwaardeerbaar' en deels als
'zwak/onbeoordeelbaar' gekwalificeerd. Het enige landsdelige natuurproject in het Westen,
'Ilperveld Integraal' (GW2I), is als 'robuust' beoordeeld. Het project schept naar verwachting
 hoge natuurbaten tegen relatief lage kosten per hectare in een omgeving waar een relatief grote
 behoefte bestaat aan recreatie en natuur. Een overzicht van de natuurprojecten is gegeven in
kaart 9.5. Voor een gedetailleerder overzicht wordt verwezen naar hoofdstuk 4 'Natuur,
landschap en water'.
 Natuur kan in veel gevallen gecombineerd worden met recreatieve doelen. De beleidsopgave
voor recreatie is gezien de verstedelijking relatief het grootst in het Westen. De ruimtelijke
spreiding van de landsdelige projecten volgt in dit opzicht de beleidsopgave niet. Daarbij moet
worden opgemerkt dat het bij natuur niet alleen om recreatie gaat: ook het in stand houden van
ongerepte natuur en biodiversiteit is van belang. Het gaat daarbij ook om de typen gerealiseerde
natuur en de kansen voor een natuurtype in een bepaald gebied. Gezien de aanwezigheid van
relatief veel natuur in het Oosten is het voorstelbaar dat de kansen in dit landsdeel, ook met het
oog op biodiversiteit waarvoor ook de omvang van een natuurgebied een belangrijke rol speelt,
relatief groter zijn dan in andere landsdelen.
Water
Op watergebied zijn ca 15 projectvoorstellen ingediend, die deels betrekking hebben op de kust
(1689 mln euro), deels op de rivieren (2727 mln euro) en deels op het systeem van regionale
wateren (koepelproject 681 mln euro). Vaak worden de projecten gecombineerd met natuur- en
recreatiedoeleinden. Natte natuur wordt (internationaal) hoog gewaardeerd. In veel gevallen
neemt met de uitvoering van projecten die met ruimtelijke maatregelen de waterproblematiek
proberen tegen te gaan, de ruimtelijke kwaliteit dan ook toe.
     In de Vijfde Nota neemt 'water' een belangrijke plaats in als element in de ruimtelijke
ordening. In de Nota wordt een aanzienlijke ruimteclaim voor water vermeld van ca 90.000 ha
voor veiligheid, 25.000 ha om de wateroverlast te beperken en 375.000 ha aan ruimtelijke
maatregelen die passen bij het meebewegen met water'. De 'ruimte voor water maatregelen'
leggen daarbij wel een gebruiksbeperking op voor verstedelijkingsmogelijkheden in de
toekomst. De projecten hebben daarmee consequenties voor de mogelijkheden voor de
ruimtelijke innchtin. Een over7cht van de IJIiJJiIe!Ij<e w-'erlag van de vJ)J)rtelIeJ1 k te zien op
kiJJJt k••
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>                                                                   Rui MTELI) KE PROJ ECTEN
Kaart 9.5 Ruimtelijke weergave projecten natuur
   OORDEEL                       €10.000 mln
                                 €1.000 mln            /       1       -
     E      A
                                 €lOOmIn
    •      B
           Beheersgebied
                                                       • ' :.                       LN13a
           Natuurontwikkeling / reservaat
            EHS te ontwikkelen verbinding                            011
                                                         FL24        /
                                                              05
                                                                 9b
                                                                                ç
                              /                 (LN13b          òi
                                                          —r
                                                         '.
         Projecten in heel Nederland
             LN5,
                         LN8I
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>          SELECTIEF INVESTEREN: RUIMTELIJKE INRICHTING
Kaart 9.6 Ruimtelijke weergave waterprojecten
      OORDEEL                       € 10.000 mln
                             —€        1.000 mln               --
             A
                                       100 min                NO3 -
             B
                                       10 mln
                                                       GW16            VR.
                                                                     07   -'
              LN17              VR24
                                   --. -j     1    2   ------       --
                                              L:       Gw23
                                                                             020
                         [Nl 1
        Projecten in heel Nederland
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>                                                                                 RUIMTELIJKE PROJECTEN
Van de 'rivierenprojecten' zijn twee projecten in liet Zuiden als robuust, één project in het
Oosten als opwaardeerbaar en een project in het Noorden als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
 De robuuste projecten combineren maatregelen ter bescherming van de veiligheid tegen
overstromingen met natuur tegen relatief lage kosten per hectare ten opzichte van de verwachte
baten.
     De regionale waterprojecten zijn verspreid over het land ingediend met een nadruk op het
Westen. De problematiek van wateroverlast in regionale watersystemen is relatief het sterkst in
landsdeel West ten gevolge van het relatief lage bodempeil en de ligging ten opzichte van de
grote rivieren. De projecten in landsdeel West zijn niettemin met uitzondering van 'ABC
Delfiand' (GWo8, opwaardeerbaar) als zwak/onbeoordeelbaar' beoordeeld. Uit onderzoek (CPB,
2000)   blijkt dat ruimtelijke investeringen (50.000  ha) ten behoeve van regionale wateren in laag
Nederland (met name in het Westen) alleen gelegitimeerd kunnen worden vanuit
niet-monetaire baten (landschap, duurzame maatregelen, zoetwatervoorraad). Indien de
projecten zo worden gekozen dat deze niet-monetaire baten optimaal worden gerealiseerd en
tegelijkertijd geen potentiële locaties voor verstedelijking worden gekozen, kunnen deze
projecten vanuit het oogpunt van de maatschappelijke welvaart positief scoren. Dit vergt een
nauwkeurige selectie en afweging van verschillende mogelijkheden en alternatieven, die in de
meeste voorstellen onvoldoende naar voren komen.
Transportinfrastructuur
De geografische ligging van projecten op het gebied van fysieke bereikbaarheid is te zien in kaart
9.7.
    De qua investeringsomvang belangrijkste robuuste projecten betreffen de verkeersveiligheid
en de kilometerheffing. Invoering van de kilometerheffing legt zelf geen beslag op ruimte, maar
kan soms een alternatief zijn voor fysieke investeringen, waardoor het ruimtebeslag van een
uitbreiding van de verkeerscapaciteit beperkt wordt.
    Nieuwe transportinfrastructuur kan van invloed zijn op de ruimtelijke kwaliteit door
bijvoorbeeld versnippering en het aantasten van natuurwaarden. Vaak worden aanvullende
maatregelen getroffen om deze effecten te reduceren, zoals de aanleg van een ecoduct of een
tunnel. Overigens hebben veel van de hoofdwegennetprojecten die bij de ICES zijn ingediend,
betrekking op intensivering van bestaande weginfrastructuur; de ruimtelijke effecten hiervan
zijn betrekkelijk gering. Het gaat primair om investeringen in betere benutting van het
hoofdwegennet. Voor het merendeel betreft het verbeterde benutting van de hoofdroutes tussen
de Randstad en het Noorden (A28), Oosten (AI/Al2) en Zuiden van het land (A2). Dat de meeste
projecten buiten de Randstad gesitueerd zijn, kan verband houden met het feit dat in het kader
van het Bereikbaarheids Offensief Randstad (BOR) al aanzienlijke investeringen in de Randstad
zijn voorzien, bovenop de investeringen die in het Meerjarenprogramma Infrastructuur
Transport (MIT) al voorzien zijn.
                                                                                                   157
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>           SELECTIEF INVESTEREN: RUIMTELIJKE INRICHTING
Kaart 9.7 Ruimtelijke weergave projecten fisieke bereikbaarheid
       OORDEEL             r-€ 10.000 mln                                       N06 .
                A                     €1.000 mln
                B                     € 100 mln
                c                     €lOmln
                                                                                        )N07
                                  VW22
                                                                               H
                                                                               -
                                                                             VW27
                                                    AM7
                                  VW12 i                 VW15 FL6
                              VW15B
                                            1 kf
                           12                7
                                     i,'11 1I
                                                                                     J032
                                                                    j4W3a
                                                                            nou
             VW1 0
                                              Ly
                                                          VW15C
                                               VW24
                                                             ZH39
                                                                1
                                                                       ZD17C
                                                 VW13
                                                                                  ZD17A
                                                               ZD17B1
         Projecten in heel Nederland
                                                                               ZD17B2
                                                        VW1.
         IE ......IL                                1         J
           1 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>                                                                                             8 E LE ID 50 PTI ES
      De belangrijke investeringen in de Randstad betreffen verbeteringen van het openbaar vervoer,
      die echter minder gunstig scoren. Zowel de verkeers- als de ruimtelijke effecten van aanleg van
      een nieuwe snelle spoorverbinding ('Rondje Randstad') zijn nog met grote onzekerheden
      omgeven. Op voorhand lijken de verkeerskundige effecten ontoereikend om de zeer hoge
      investeringskosten terug te verdienen; de overige effecten, zoals een bijdrage aan een gewenste
      ruimtelijk-economische structuur of verbeterde leeflaarheid, zijn nog met grote onzekerheden
      omgeven. Aanleg van een Rondje Randstad kan echter niet los worden gezien van een groot
      aantal andere ruimtelijke plannen op het gebied van wonen, ruimte en natuur in de Randstad.
      Aanleg van een Rondje Randstad kent daarnaast ongunstige effecten op leefmilieu, bijv. in de
      vorm van doorsnijding van landschappen en geluid- en visuele hinder. Onduidelijk is echter of
      aanleg van een Rondje Randstad in dit opzicht per saldo ongunstig is, omdat bij niet-aanleggen
      een deel van de mobiliteit op een andere manier zal worden afgewikkeld.
9.3   Beleidsopties
9.3.1 Alternatief beleid
      Ruimtelijke ordening is van oudsher niet primair gericht op directe ontwikkeling van gebieden.
      Ruimtelijke investeringen vinden wel op grote schaal plaats als resultaat van wensen rond
      wonen, werken, natuur etc. Zo beschouwd is de ruimtelijke dynamiek een resultaat van
      enerzijds sectorale vernieuwingswensen en anderzijds een 'rem' vanuit de ruimtelijke ordening
      (zie figuur 9.2). Het RO-instrumentarium is enerzijds kaderstellend (wetgeving, regelgeving) en
      randvoorwaarden scheppend (planvorming, visieontwikkeling) en anderzijds gericht op
      bescherming van gebieden en van belangen van burgers en bedrijven (wetgeving). Een
      financieel instrumentarium voor ruimtegebruik (heffingen en subsidies) is relatief van minder
      belang. Met name heffingen worden nog nauwelijks gebruikt.
                                                                                                            '59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>            SELECTIEF INVESTEREN RUIMTELIJKE INRICHTING
Figuur 9.2 Mate van ruimtelijke dynamiek en type instrumentarium
  Behouden                     Beheren                           Ontwikkelen
  Conserveren                  Benutten                          Vernieuwen
  (Bijna) statisch             Bestaande verbeteren              (Hoog) dynamisch
  Regelgeving
                                                                         Investeren
            Regelgeving en handhaving
            Het centrale instrument in de Ruimtelijke Ordening is regelgeving. in de Vijfde Nota is als
            uitwerking hiervan een contourenbenadering voorgesteld met rode en groene contouren. Het
            restrictieve beleid uit de Vierde Nota, streekpiannen voor provincies en bestemmingsplannen
            voor gemeenten zijn eveneens uitwerkingen van RO-regelgeving.
                Handhaving is bij de uitvoering van regelgeving in de RO een belangrijke voorwaarde voor
            de effectiviteit van het beleid. Uit het jaarverslag 2000 van de Inspectie Ruimtelijke Ordening
            bleek, dat de uitvoering en handhaving van ruimtelijke regelgeving door gemeenten vaak nog te
            wensen overlaten. in 8o% van de afgeronde onderzoeken is de inspectie van mening dat de Wet
            Ruimtelijke Ordening (WRO) beter moet worden nageleefd. Er bleken met name problemen te
            bestaan rond de actualiteit en handhaving van bestemmingsplannen (Inspectie Ruimtelijke
            Ordening, 2001).
                Regelgeving kan vooral een belangrijk alternatief zijn voor investeringen in situaties waarin
            bestaande waarden in stand moeten blijven en de handhaving kan worden gewaarborgd.
            Heffingen: 'open ruimte heffing'
            Prijsbeleid is nuttig als men gedrag wil beïnvloeden bij min of meer continue processen, maar
            niet in unieke situaties, zoals het voorkomen van bebouwing in een onvervangbaar
            natuurgebied. Als het niet om een uniek gebied gaat, maar om 'open ruimte' in het algemeen,
            kan een 'open ruimte heffing' een rol spelen. Een dergelijke heffing kan 'schaarsterents'
            afromen en daardoor een deel van de externe effecten van het verloren gaan van 'open ruimte'
            internaliseren. De negatieve externe effecten van verstedelijking komen in de huidige situatie
            i6o
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>                                                                                                 B E LEI D 50 PT IES
      terecht bij het collectief, terwijl een individu de grondprijsstijging door wijziging in een
      stedelijke bestemming incasseert.
          Indien de heffing duidelijk kleiner is dan het verschil tussen de marktwaarde van de grond
      voor en na de bestemmingswijziging, dan zullen hiervan weinig allocatieve effecten uitgaan. De
      heffing heeft dan weinig gevolgen voor de grond- en onroerend goedprijzen en de mate van
      verstedelijking wordt niet gestuurd. De heffing moet dan primair worden bezien vanuit het
      rechtvaardigheidsbeginsel (de vervuiler betaalt). Het feit dat sommigen grote winsten incasseren
      louter vanwege een bestemmingswijziging, kan als onwenselijk worden gezien.
          In principe zou met een open ruimte heffing ook de allocatie kunnen worden verbeterd,
      indien de hoogte van de heffing het prijseffect door stedelijke bestemmingswijziging benadert
      (CPB, 2001b).
      Wet- en regelgeving buiten de Ruimtelijke Ordening
      Naast regelgeving in de ruimtelijke ordening kan ook wet- en regelgeving vanuit andere
      disciplines van invloed zijn op de ruimtelijke inrichting. Zo beïnvloedt milieuwetgeving op het
      gebied van geluid, stank en veiligheid de mogelijke inrichting van bedrijventerreinen en de
      relatie met de omgeving. Deze wet- en regelgeving is niet statisch en verandert in de tijd door
      veranderende omstandigheden en wijzigende maatschappelijke opvattingen. Dit geldt ook voor
      regelgeving voor activiteiten die invloed hebben op bijvoorbeeld een nabijgelegen natuurgebied.
      De externe effecten van activiteiten strekken zich verder uit dan de naaste omgeving.
9.3.2 Afweging
      De afweging tussen investeren en ander beleid wordt mede bepaald door de wenselijkheid om in
      bestaande situaties in te grijpen. Globaal kan onderscheid worden gemaakt tussen gevallen
      waarin de huidige situatie gecontinueerd moet worden, gevallen waarin een verandering
      beleidsmatig noodzakelijk wordt geacht en situaties waarin de huidige situatie mag veranderen,
      maar de verandering niet primair door de overheid wordt geambieerd.
      Wanneer de bestaande ruimtelijke situatie onveranderd zou moeten blijven, zoals bij de
      instandhouding en bescherming van unieke (natuur)gebieden, waardevolle
      (cultuur)landschappen of open ruimte tussen twee steden, ligt regelgeving met adequate
      handhaving voor de hand. Daarmee is niet gezegd dat financiële overheidsbijdragen geen rol
      kunnen spelen. Zo kan bijvoorbeeld het verstrekken van beheersvergoedingen bijdragen aan
      handhaving van een bestaande situatie in een veranderende omgeving.
      Wanneer handhaving van de bestaande situatie niet strikt noodzakelijk wordt geacht, is een mix
      van instrumenten denkbaar. Een coördinerende rol voor de overheid, of een mogelijke deelname
      aan een PPS-samenwerking, ligt hier voor de hand. Het voortouw om de situatie te veranderen,
                                                                                                               161
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INvEsTEREN: RUIMTELIJKE INRICHTING
ligt in dit geval in beginsel bij private partijen. De overheid kan wel bepaalde condities stellen op
ruimtelijk of sociaal gebied (groen in een wijk, sociale woningbouw etc.). Door een heffing
kunnen eventuele externe effecten die gepaard gaan met de ruimtelijke verandering,
bijvoorbeeld van het verloren gaan van open ruimte', (voor een deel) worden beprijsd. De
heffingsopbrengst kan worden besteed aan een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit of aan een
verlaging van andere belastingen. Verder onderzoek kan de mogelijkheden van het instrument
heffingen in beeld brengen en voor zover er negatieve bij-effecten optreden, daarvoor mogelijk
oplossingen aandragen.
Wanneer tenslotte ingrijpen in de bestaande situatie noodzakelijk wordt geacht, zoals
bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe natuur of een stedelijke herstructurering met belangrijke
effecten op de ruimtelijke kwaliteit, kunnen overheidsbijdragen een belangrijke rol spelen. Dit
kan in de vorm van het verstrekken van beheersvergoedingen of subsidies, waarbij de grond in
eigendom blijft van een andere eigenaar, door aankoop van grond en met investeringen die
gepaard gaan met het opnieuw inrichten van landelijk of stedelijk gebied.
     Indien bij een project zowel publieke als private baten optreden, ligt een PPS meer voor de
hand. Publieke baten liggen primair op het gebied van een verbetering van de ruimtelijke
kwaliteit, van milieu, water of van sociale baten. Regelgeving speelt een additionele rol voor
situaties waarin met investeringen is ingegrepen in de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld om de
effecten van de investeringen in de toekomst te waarborgen.
In de praktijk zal het vaak gaan om een mix van RO-regelgeving (bijvoorbeeld
bestemmingsplannen, streekplannen en contouren), condities die de overheid stelt (zoals eisen
aan de ruimtelijke inrichting van een nieuwe woonwijk of voorwaarden op sociaal gebied),
heffingen om een deel van de waardesprong van een bestemmingswijziging 'af te romen' en een
coördinerende dan wel participerende financiële rol van de overheid (in relatie tot collectieve
doelen, zoals de inrichting van de publieke ruimte).
 62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>                                                                                      BELEI DSOPTI ES
Literatuur hoofdstuk 9
Binnenlands Bestuur, 2001, week      /34, pag. 17 'In en om de stad wordt het nauwelijks
groener', Den Haag
Commissie Waterbeheer 21e Eeuw, 2000, 'Waterbeleid voor de 2ie eeuw', Den Haag.
CPB, 2000, 'Ruimte voor Water: kosten en baten van zes projecten en enige alternatieven', CPB
Werkdocument 130, Den Haag.
CPB, 2oola, 'De ruimtevraag tot 2030 in twee scenario's', Den Haag.
CPB, 200lb, 'Mogelijkheden en beperkingen van overheidsinvesteringen', Den Haag.
Dugteren F. van, Knol F., 2001, 'Ruime kavel of compacte stad?', SGP, werkdocument 77, Den
Haag.
Inspectie Ruimtelijke Ordening, 2001, 'Jaarverslag 2000', Den Haag.
LNV, 2000, 'Nota Mensen voor Natuur, Natuur voor Mensen', Den Haag.
0GW, 1999, 'Nota Belvedere', Den Haag.
tOETs, 2001, 'Ex ante evaluatie van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening', CPB, RIVM/DLO,
RPD, SGP, Den Haag.
VROM, 1988, 'Vierde nota Ruimtelijke Ordening', Den Haag.
VROM, 2000, 'Balans Ruimtelijke Kwaliteit', Den Haag.
VROM, 2001, 'Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening PKB deel i', Den Haag.
VROM, 2002, 'Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening PKB deel 2 en 3', Den Haag.
Wit A.J.W. de en Thunissen H.A.M., 2001, P. 25-27 VI Matrix maart 2001 o.b.v. Landelijk
Grondgebruikbestand Nederland LGN4
V&W, 1998, 'Vierde nota Waterhuishouding', Den Haag.
                                                                                                 163
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN RUIMTELIJKE INRICHTING
V&W,    2000,    Ruimte voor de Rivier', Den Haag.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>                                                                                          TOTALE UITKOMSTEN
10   Totaalbeeld projectbeoordeli ngen
     Dit hoofdstuk schetst in kort bestek een totaalbeeld van de beoordeelde projecten over alle
     dossiers samen. Na een beschrijving van de totale uitkomsten in paragraaf io.i wordt in
     paragraaf 10.2 ingegaan op de afzonderlijke dossiers.
10.1 Totale uitkomsten
     Een totaalbeeld van de beoordelingen wordt gegeven in tabel 10.1. Uit de tabel blijkt dat de
     categorie robuuste projecten met ri% van de totaal beoordeelde claims relatief klein is. Bijna de
     helft van de ingediende projecten, 47%, is als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. Het aandeel
     van de robuuste claims is bij landsdelige projecten wat hoger dan bij de departementale claims.
     Het aandeel zwakke/onbeoordeelbare projecten is echter bij de landsdelen eveneens hoger.
     Er dient met nadruk op te worden gewezen dat een ongunstige beoordeling van
     projectvoorstellen geenszins betekent dat daarmee ook een oordeel wordt gegeven over de
     achterliggende beleidsdoelen. Het oordeel heeft betrekking op de kwaliteit van het
     projectvoorstel. Zwakke/onbeoordeelbare projecten vallen in twee categorieën uiteen: deels
     betreft het goed uitgewerkte voorstellen, waarvan de effectiviteit en efflciëntie ongunstig
     uitvallen. Voor een ander deel betreft het voorstellen die zo summier zijn ingevuld en
     beargumenteerd dat er op dit moment geen uitzicht is om met beperkte aanpassingen alsnog tot
     een robuust investeringsplan te kunnen komen. Bovendien speelt bij deze laatste categorie
     projecten ook vaak mee dat de effecten van onderdelen van de voorstellen die wel duidelijk zijn,
     geen gunstige effecten lijken te hebben. De implicatie voor deze laatste categorie projecten is,
     dat een stevige herformulering en herschikking van de projectinhoud nodig zal zijn om de
     beoogde doelen te realiseren.
         Hier ligt dan ook een belangrijke uitdaging om de doelen om deze gebieden in de toekomst
     te kunnen realiseren.
     Grote en kleine claims
     De 25 grootste projecten, die alle door de departementen zijn ingediend, vertegenwoordigen
     gezamenlijk een claim van bijna 46 mld euro. Hiervan is ruim 9% als robuust beoordeeld. Het
     gaat om de projecten Duurzaam Veilig' en 'Kilometerheffing'. Duurzaam Veilig is een grote
     claim (VW8, 2,3 mld euro) die een groot aantal projectonderdelen kent. Het project
     kilometerheffing (VWo, 1,9 mid euro) is een belangrijke bouwsteen vormt voor het realiseren
     van de bereikbaarheidsdoelstellingen uit het NVVP. Een probleem bij veel grote projecten is
     echter dat zij vaak te groot van opzet zijn in relatie tot de omvang van de problemen of de
     kansen. Voorbeelden zijn het project Zuiderzeelijn (VW27) en de aanleg van een snelle
                                                                                                        165
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>              SELECTiEF  INVESTEREN: TOTAALBEELD PROJECTBEOORDELJNGEN
              spoorverbinding in de Deltametropool (VWI5), waar spanning bestaat tussen beleidsmatige
              wenselijkheden en de haalbaarheden op een steeds meer ontwikkelde mobiliteitsmarkt. Ook
              bevat een deel van deze grote projecten onrendabele onderdelen of zijn er alternatieve
              oplossingen voor het zelfde probleem te bedenken die voordeliger zijn. Voorbeelden hiervan zijn
              projecten als Kwaliteitsimpuls Bestaande Woonwijken (VR32, 2,9 mld euro), Stedelijke
              Structuurverbetering door Overkluizing (VRI5, 2,4 mld euro) en Innovatie Geluidsbeleid Spoor
              en Weg (VWI8, 2,2 mld euro) die alle als zwak/onbeoordeelbaar zijn beoordeeld.
Tabel 10.1         Beoordelingen, totaaloverzicht
                                                      Departementen                  Landsdelen                     Totaal
                                                        mld euro    %               mld euro      %                 mld euro       %
A                                                       7,7         10              1,5            13                9,2           10
B                                                      34,5         45              4,1            35              38,6            44
C                                                      33,7         44              6,1            52              39,8            45
Totaal                                                 75,9        100             16,2          100               92,0           100
  In dit overzicht is in de regel totaal' bij de 11,7 mld euro direct beoordeelde landsdelige projecten de indirect beoordeelde claim
van 4,5 mld euro opgeteld; er is niet gecorrigeerd voor overlap tussen landsdelige en departementale voorstellen.
              Ook is een aantal koepelclaims ingediend die, vanwege de wisselende kwaliteit van de
              voorbeeldprojecten, als opwaardeerbaar zijn beoordeeld. Te denken is hierbij aan de claims voor
              de Gebundelde Doeluitkering (VW1, 2,3 mld euro), Sleutelprojecten(VR8, 1,4 mld euro) en
              Herstructurering Bedrijventerreinen (EZ3, 0,7 mld euro).
              Tegenover de zeer grote claims staat een groot aantal relatief kleine claims. De ioo kleinste
              projecten vertegenwoordigen in totaal een geclaimd bedrag van ca. 5 mld euro. Hiervan is ruim
              20% als robuust beoordeeld. In de groep van relatief kleine projecten die robuust beoordeeld
              zijn, bevindt zich een breed spectrum van onder meer een aantal kleinere infrastructurele
              maatregelen (N07, benutting A28, ZD17 A2), een aantal (deel-)projecten voor behoud van open
              ruimte (LN2) en natuurprojecten in de Veluwe (LN9b) en de Biesbosch (LN16). Tegenover het
              relatief grote aantal robuuste projecten in deze groep staat dat ruim de helft als
              zwak/onbeoordeelbaar is beoordeeld, om uiteenlopende redenen.
              Synergie?
              Met name de landsdelen wijzen in de investeringsvoorstellen veelal op synergie met andere
              voorstellen. Daarbij is niet steeds duidelijk welke definitie van synergie wordt gehanteerd. Vaaj.
              gaat het om voorstellen die zich op hetzelfde beleidsprobleem en/of hetzelfde ruimtelijke gcH J
              richten. In veel gevallen leiden voorstellen tot ruimtelijke herverdeling van welvaart of kenillu
              166
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>                                                                                         SLOTBESCHOUWING
     investeringen afnemende meeropbrengsten ten opzichte van al bestaand beleid       (1+1<2").  In
     andere gevallen versterken voorstellen elkaar in die zin dat de effecten van bepaalde
     investeringen additioneel zijn ten opzichte van andere investeringen   ("1+1=2"). Dergelijke
     additionaliteit wordt in dit rapport echter niet beschouwd als synergie: echte synergie treedt op
     als uit de combinatie van projecten extra meerwaarde voortkomt ten opzichte van de opgetelde
     afzonderlijke effecten   ('1+1>2").
         De beoordeling door de planbureaus geeft aan dat er wel regelmatig sprake is van
     additionaliteit. Echte synergie komt veel minder vaak voor. Waar synergie optreedt is dit
     meegenomen in de beoordelingen. Dit betreft met name de samenhang tussen
     transportinfrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld in stationsgebieden.
10.2 Slotbeschouwing
     Beleidsopties
     Op alle terreinen die in dit rapport worden beschouwd zijn zowel robuuste als
     zwakke/onbeoordeelbare projecten ingediend. Op sommige terreinen is het aantal robuuste
     projecten echter klein. Naar verwachting zullen diverse beleidsopgaven niet met de ingediende
     investeringen kunnen worden gedekt. De vraag rijst hoe met deze beleidstekorten kan worden
     omgegaan. Hiervoor staan verschillende opties open.
     Een mogelijke benadering zou kunnen zijn om per beleidsterrein de instruineotkeuze nog eens
     te bezien. Er lijkt bij overheden soms een beeld te bestaan dat elk probleem met geld
     (investeringen, subsidies) kan en moet worden opgelost. Ook de indiening van ioo miljard euro
     aan investeringen bij de planbureaus past in dit beeld. Verschillende beoordelingen wijzen
     echter op afnemende meeropbrengsten van investeringen. Veel problemen lenen zich primair
     (milieu) of in belangrijke mate (alle andere terreinen) voor andere instrumenten. Het gaat
     daarbij met name om heffingen (bereikbaarheid, milieu, ruimte), regelgeving (milieu, ruimte,
     elektronische bereikbaarheid), institutionele vernieuwing (kennis) en uitvoerende
     overheidstaken (grote steden).
     Daarnaast zou kunnen worden overwogen om bepaalde beleidsstrategieën bij te stellen. Dit geldt
     bijvoorbeeld voor de ruimtelijke sturing met 0V-investeringen. Uit de beoordelingen blijkt dat
     de mogelijkheden om met infrastructuur-investeringen veranderingen in de ruimtelijk-
     economische structuur te realiseren beperkt zijn.
         In dit verband kan de vraag worden gesteld of investeringsbeleid een sturend of een meer
     accommoderend karakter moet hebben. In het eerste geval worden aanzienlijke bedragen
     geïnvesteerd met de ambitie om structurele veranderingen te bewerkstelligen. In het tweede
     geval is het oogmerk is om knelpunten weg te nemen en kansen te benutten, tegen de
                                                                                                     167
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEBEN: TOTAALBEELD PROJECTBEOORDELINGEN
achtergrond van bestaande situaties en trends.
Verder lijkt een betere invulling van beleidsstrategieën gewenst. Als de investeringsvoorstellen die
passen bij een bepaalde beleidsstrategie (bijvoorbeeld waterveiligheid door ruimtelijke
maatregelen) in dit rapport minder gunstig worden beoordeeld, betekent dit nog niet dat de
beleidsstrategie minder zinvol zou zijn. Het is van belang om bij goede strategieën ook goede
projecten te formuleren. De beoordelingen geven niet alleen aan in welke opzichten veel
voorstellen tekort schieten; zij leiden ook tot aangrijpingspunten voor verbetering. Bij het
opstellen van robuuste voorstellen staan de volgende aspecten centraal:
Meer nadruk op selectiviteit in het investeringsbeleid. Het gaat daarbij niet alleen om de keuze
van kansrijke investeringsvoorstellen, maar ook om selectiviteit binnen deze voorstellen. Als
bijvoorbeeld wordt beoogd om op dertig plaatsen natuur te ontwikkelen, lijkt het waarschijnlijk
dat deze investering op sommige plaatsen hogere baten (of lagere kosten) kent dan op andere
plaatsen. Het is dan zinvol om de schaarse middelen op deze plaatsen te concentreren.
Een adequate dimensionering van investeringen. Veel investeringsvoorstellen zijn aanzienlijk
groter dan hetgeen nodig zou zijn om bestaande en verwachte knelpunten weg te nemen of om
kansen te benutten. Met aanzienlijk kleinere investeringen kunnen dan vergelijkbare voordelen
worden bereikt. Diverse ingediende wegenprojecten laten zien hoe dit kan: betrekkelijk
kleinschalige investeringen worden voorgesteld op plaatsen waar ernstige knelpunten rond
congestie en/of leefbaarheid bestaan. Veel van deze projecten zijn robuust.
Bij de dimensionering van overheidsinvesteringen is ook de verhouding tot private bijdragen
van belang. Als er sprake is van een investering die zowel private als collectieve baten kent, dient
een eventuele overheidsbijdrag te zijn afgestemd op de omvang van de collectieve baten. Het
zonder meer Financieren van een zogenaamde 'onrendabele top' past hier niet in.
Meer aandacht voor timing en fasering van investeringen. Rond de timing van projecten dient
onderscheid gemaakt te worden naar verschillende situaties. Soms kan uitstel tot een verbeterde
efficiency leiden. Dit doet zich voor wanneer concrete knelpunten ontbreken of wanneer de
vraag zich nog moet ontwikkelen. Dit doet zich soms voor bij infrastructuurprojecteten, die
zicht richten op problemen die naar verwachting pas op lange termijn kunnen gaan spelen.
Verder is er vaak sprake van aanzienlijke onzekerheden met betrekking tot toekomstige baten.
Deze overwegingen pleiten voor een benadering waarin urgentie en risicobeheersing veel
aandacht krijgen. In deze benadering worden de op korte termijn te besteden middelen ingezet
bij bestaande, urgente knelpunten waarbij met relatief beperkte middelen aanzienlijke
verbeteringen kunnen worden bereikt. Door fasering van de projecten kunnen toekomst iee
risico's soms belangrijk worden beperkt. Hier tegenover staan situaties waar snel ingrijpen
vereist is, omdat uitstel leidt tot hogere maatschappelijke kosten. Investeren in onder liotief    1
Monumenten, of bescherming van gebieden met zeldzame flora of fauna zijn hierv:111
voorbeelden. Tenslotte zijn er situaties waarin timing een ondergeschikte rol speelt. /1     leiden
168
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>                                                                                     SLOTBESCHOUWING
uitstel of versnelling van projecten gericht op natuurontwikkeling niet noodzakelijk tot een
hogere of lagere efficiency.
Tenslotte is de sanenhang tussen projecten van belang. Programmatische of gebiedsgerichte
samenhang tussen projecten kan van invloed zijn op de beoordeling van individuele projecten.
Er kan zowel sprake zijn van synergie tussen projecten als van afnemende meeropbrengsten van
projecten ten opzichte van bestaand beleid of andere projecten. Synergie staat niet op voorhand
vast en een programmatische aanpak impliceert dan ook niet dat hierdoor vanzelfsprekend
synergie ontstaat. De individuele kwaliteit van projecten blijft van grote betekenis, ook binnen
een bredere programmatische aanpak.
Decentralisatie
Bij diverse ingediende investeringsvoorstellen gaat het om (uitbreiding van) decentraal in te
zetten middelen. Voorbeelden hiervan zijn de Gebundelde Doeluitkering (GDU) voor
transportinfrastructuur en het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) voor het grote
stedenbeleid. Bij deze programmavoorstellen is er sprake van een grote mate van decentrale
vrijheid (alleen toetsing achteraf). Ook andere voorstellen hebben een sterk decentraal karakter,
zoals Groen in en om de stad en Regionale watersystemen.
Decentralisatie heeft zowel voordelen als nadelen. Een voordeel is dat beter kan worden
ingespeeld op lokale verschillen in omstandigheden en preferenties. Het belangrijkste nadeel is
dat meer algemene doelen van de centrale overheid mogelijk niet of onvoldoende tot uiting
komen in de lokale uitwerking. Een theoretisch ideale situatie ontstaat als de centrale overheid
zijn doelen vertaalt in concrete randvoorwaarden; daarbinnen kan de lokale overheid dan naar
'maatwerk' streven.
Investeren in een rendementsvolle omgeving is een belangrijk doel van de centrale overheid. De
sterk wisselende efficiëntie van de afzonderlijke landsdelige voorstellen duidt erop dat met
nadere selectie aanzienlijke maatschappelijke voordelen kunnen worden bereikt. Een nadere
invulling zou kunnen worden gezocht in afspraken gericht op een inhoudelijke toetsing van
individuele voorstellen door de decentrale overheden, die gelijkenis vertoont met de wijze
waarop in dit rapport investeringsvoorstellen worden beoordeeld.
Een invulling die de decentrale overheden meer vrijheid laat is de gekozen constructie bij het
ISV-budget. Een belangrijk deel van dit budget wordt via een sleutelverdeling met een redelijke
mate van bestedingsvrijheid aan gemeenten en provincies uitgekeerd. in het onderdeel
"Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing (IPSV)" kunnen echter projecten ter beoordeling
worden ingediend, waarbij de beste projecten worden gehonoreerd. Op dit punt is dus in
beperkte mate van centrale toetsing gebruik gemaakt om de kwaliteit van de voorstellen te
                                                                                                  69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: TOTAALBEELD PROJECTBEOORDELINCEN
verhogen.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er verschillende mogelijkheden zijn om toetsing vooraf te
combineren met decentrale beslissingsbevoegdheid. Van geval tot geval kan worden gezocht
naar een optimale mix.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>                                                 BIJLAGE A:OORDEEL VAN DE WETENSCHAPPELIJKE KLANI<BORDGROEP
Bijlage A Oordeel van de Wetenschappelijke
                   Klankbordgroep
Bij het onderzoek dat de planbureaus hebben uitgevoerd ten behoeve van de Nieuwe
Investeringsimpuls zijn zij geadviseerd door een Wetenschappelijke Klankbordgroep. De leden
van de Klankbordgroep zijn prof. dr. H.A. Keuzenkamp, prof. dr. P. Rietveld, prof. dr. H.
Verbruggen en prof. ing. W.C.L. Zegveld (voorzitter). De Klankbordgroep heeft vier maal
vergaderd. De planbureaus hebben de Klankbordgroep verzocht een (eind)oordeel te geven over
de kwaliteit van het onderzoek. Dit oordeel wordt hier weergegeven.
Algemeen oordeel over werkzaamheden planbureaus
Een project waarin enkele honderden afzonderlijke projectvoorstellen worden beoordeeld in
betrekkelijk korte tijd, kent onvermijdelijk het karakter van een quick-scan. Essentieel voor een
goed (dat wil zeggen, valide en toetsbaar) eindresultaat is dat de werkzaamheden transparant,
gedocumenteerd en goed onderbouwd zijn. Ook moeten projecten op verschillende
beleidsterreinen een gelijke kans hebben in de beoordeling. Wij menen dat de gevolgde
procedure van de planbureaus ertoe heeft geleid dat aan deze voorwaarden is voldaan. De
planbureaus hebben een zakelijk en systematisch beoordelingskader ontwikkeld, dat in
belangrijke mate heeft bijgedragen aan de consistentie in de beoordelingen.
Niet alleen het grote aantal projectvoorstellen legt beperkingen op aan de diepgang van de
beoordeling. Ook de informatieverstrekking van de indieners blijkt in veel gevallen een
belangrijke beperkende factor. Het is in principe de verantwoordelijkheid van de indiener om
adequate informatie te leveren. In veel gevallen bleken indieners hiertoe niet in staat. De
spelregels van het beoordelingsproces boden indieners ruimte om hierin alsnog te voorzien,
vooral ook omdat de Planbureaus zich zeer coulant hebben opgesteld bij de toepassing van de
spelregels voor het aanleveren van informatie rond de projecten. Hierdoor hebben de indieners
voldoende gelegenheid gehad om de merites van de voorstellen naar voren te brengen.
In veel projecten is slechts betrekkelijk zachte informatie beschikbaar, die noodzaakt tot
kwalitatieve toetsingen. Binnen de beperkingen die de beschikbaarheid van informatie oplevert,
heeft echter een systematische analyse plaatsgevonden.
De omvang van het project stelt ook de klankbordgroep voor een niet eenvoudige taak.
Omdat het nauwelijks mogelijk is om alle afzonderlijke beoordelingen in detail te bekijken,
betreft dit oordeel met name de aanpak en de uitkomsten als geheel. Waar de klankbordgroep
specifieke opmerkingen had over beoordelingen dan wel de gehanteerde methode, is daar door
de Planbureaus op adequate wijze mee omgegaan. Naar ons oordeel is het project door de
                                                                                                         171
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre> SELECTIEF IN VESTEREN: B IJ LAG EN
 Planbureaus met voldoende zorgvuldigheid uitgevoerd. Wij menen dat de resultaten een goede
 basis zijn voor verdere besluitvorming.
 Kanttekeningen bij de uitkomsten
 Bij dit algemene positieve oordeel plaatsen wij een aantal kanttekeningen:
 De projecten op het gebied van natuur scoren opvallend slecht, terwijl hiervoor een forse
 beleidsopgave is geformuleerd. Dit zou aanleiding kunnen geven tot de suggestie dat de
gehanteerde beoordelingsmethode 'discrimineert'. Wij menen dat dit niet het geval is. Uit de
analyse komt wel naar voren dat het bij de ingediende projecten aan samenhang en een
gestructureerde benadering ontbreekt. De indieners zijn kennelijk niet in staat geweest om deze
 projecten op eenzelfde beargumenteerde en onderbouwde wijze in te dienen als projecten in de
sfeer van bijvoorbeeld infrastructuur. Hierbij heeft wellicht een rol gespeeld dat de
beleidsontwikkeling voor natuur zich nog in een relatief vroege fase bevindt. Het is wenselijk
meer aandacht te besteden aan het proces van de beleidsvoorbereiding dat voorafgaat aan
indiening van projectvoorstellen bij de ICES.
in een aantal gevallen worden middelen geclaimd voor projecten, waarvan de baten in
belangrijke mate toevallen aan een beperkt aantal private partijen. Hier lijkt meer aandacht voor
de verhouding tussen de gestelde doelen en de inzet van middelen en voor de rol van de
overheid van belang.
Bij de uitvoerbaarheid van projecten, met name in de sfeer van de kennisinfrastructuur, kan de
beschikbaarheid van menskracht een knelpunt vormen voor realisatie van de plannen. De
planbureaus wijzen hier voorzichtig op; wij wensen dit nogmaals te benadrukken. Bij de
vormgeving van het beleid en investeringsplannen op dit gebied rijst de vraag of investeringen,
waarvoor de know-how moet worden geïmporteerd, wel beklijven. Nederland is op de
internationale arbeidsmarkt voor academici vaak een tussenstation voor een overstap naar de
VS.
Het proces van beleidsvorming richt zich sterk op investeringen. Daarbij lijken andere
instrumenten relatief weinig aandacht te krijgen. Uit de analyse van de planbureaus blijkt dat
met name heffingen en regulering vaak betere mogelijkheden bieden dan investeringen.
Aanbevelingen
Wanneer de onderzoeksinspanning wordt vergeleken met de omvang van het wellicht
uiteindelijk beschikbare budget ligt de vraag voor de hand of het wenselijk is om over een aantal
jaren opnieuw een zo groot aantal voorstellen op deze wijze te laten beoordelen. Bovendien is de
gemiddelde kwaliteit van de voorstellen laag. Wij bevelen aan om op zoek te gaan naar een meer
gerichte werkwijze. Ofschoon pasklare oplossingen niet voorhanden lijken, kan worden gedacht
172
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>                                                 BIJLAGE A:OORDEEL VAN DE WETENSCHAPPELIJI<E KLANKBORDGROEP
in de richting van een gestructureerde voorfase, waardoor een eerste selectie van voorstellen
plaatsvindt. Te denken is aan een scherpere afbakening van het begrip investering, een
minimale omvang van te onderzoeken voorstellen, indieners aanzetten tot afstemming met
andere proj ectvoorstellen, en/of een 'submission-fee'.
Daarbij zou ook voor de landsdelen een volwaardige rol moeten zijn weggelegd. In de huidige
opzet moest indiening door de departementen worden geaccordeerd, wat tot ernstige vertraging
bij de indiening heeft geleid. Hierdoor resteerde minder tijd voor informatieverzameling dan bij
de departementale voorstellen en konden minder landsdelige projecten worden beoordeeld,
zodat een nadere selectie nodig bleek. Een mogelijk gevolg hiervan is, dat een aantal kansrijke
landsdelige voorstellen niet kon worden beoordeeld.
Het budgetteringsproces heeft de leden van de klankbordgroep bevreemd. Het heeft er alle
schijn van dat in een aantal gevallen de eventuele honorering van gunstig beoordeelde ICES-
voorstellen ertoe leidt dat de indieners ruimte op de eigen begroting krijgen voor uitvoering van
als zwak beoordeelde projecten. Wij achten dit ongewenst, omdat het afbreuk doet aan het
bestuurlijke proces en aan de consistentie in de afweging van het overheidsbeleid. Een
systematische beoordeling en integrale afweging van alle belangrijke investeringsuitgaven
verdient de voorkeur.
In het verlengde van dit punt van budgettering merkt de klankbordgroep op, dat het niet altijd
zinvol lijkt om de inzet van middelen voor een lange planningsperiode vast te leggen. In een
aantal gevallen is gefaseerde uitvoering (met mogelijkheid tot afbreken of bijsturen) gewenst,
waarvoor enige beleidsruimte beschikbaar zou moeten zijn. Met andere woorden, wij pleiten
ervoor de ICES-ruimte niet in één keer weer voor een langere periode vast te leggen, maar op
basis van tussenevaluaties nog beschikbare ruimte nader te alloceren.
Een punt van zorg is voorts het gebrek aan expertise bij de indieners, waardoor de
onderbouwing van veel, ook grote projecten zwak is. Het verdient aanbeveling de
beleidsvoorbereiding op dit punt te verbeteren. Gedacht kan worden aan een algemene
verbetering van kennis en ervaring op het terrein van beleidsanalyse en daarnaast aan gerichte
training in het schrijven van betere voorstellen door indieners.
Tot slot meent de klankbordgroep dat de zeer grote omvang van veel ingediende projecten er
mede debet aan is dat de positieve effecten vaak niet opwegen tegen de totale projectkosten. Een
scherpere afbakening van projecten en een duidelijker fasering kunnen bijdragen aan betere
projectvoorstellen.
                                                                                                        173
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: BijLACEN</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>                                                                  BijLAGE B:Lijsr VAN VOORSTElLEN EN BEOORDELINGEN
Bijlage B Lijst van voorstellen en beoordelingen
Deze bijlage bevat een lijst van alle departementale en direct beoordeelde landsdelige projecten,
met de geclaimde bedragen en het oordeel. De ICES-KIS projecten zijn in deze tabellen niet
opgenomen.
     De projectcodering komt overeen met de codering op de bij dit rapport gevoegde CD-ROM
met beoordelingen.
Tabel Bi    Departementale voorstellen
Code        Projectnaam                                                                 VES*      Claim Oordeel
                                                                                                    mln euro
   BZ1      Leefbaarheid en veiligheid grote steden                                    GS           1361        B
   BZ2      Elektronische Dienstverlening lagere overheden, politie                     DO         1248         B
   BZ3      Stroomlijning Basisgegevens                                                 DO           681        A
   BZ4      Identificatie en vertrouwen                                                 DO          908         C
   BZ5      Elektronische Dienstverlening Rijksoverheid                                 DO           193        C
   BZ6      Elektronische Dienstverlening Onderwijs                                    KI            178        C
   EZ1      Automatische Voertuiggeleiding                                             FB            138        B
   EZ2      Gigaport II                                                                EB             113       C
   EZ3      Herstructurering bedrijventerreinen                                        GS            681        B
   EZ4      Restwarmte Regio Rijnmond                                                  MI            227        C
   EZ5      Bijmenging Waterstof in gasnet                                             Ml              25       C
   EZ6      Energïe uit asfalt                                                         MI              27       C
  LN1a      Groenblauwe impuls: GIOS                                                   NL          1695         B
  LNib      Groenblauwe impuls: Regionale parken                                       NL           499         C
 LN2a1     Westland                                                                    NL            218        A
 LN2a2      Bollenstreek                                                               NL            163        C
 LN2b1      Behoud open ruimte: Verspreid glas in Groene Hart                          NL              82       B
 LN2b2      Behoud open ruimte: Transformatie melkveehouderij                          NL            225        B
 LN2b3      Behoud open ruimte: Kwal. impuls Noord-Hollands Midden                     NL             20        B
 LN2b4      Behoud open ruimte: Kwal. impuls Utrecht/Gelderland                        NL            193       C
 LN2b5      Behoud open ruimte: Verbinding kust-achterland                             NL              37      C
LN2b6       Behoud open ruimte: Verbinding Noordz.kust/Ijss.kust                       NL             48       A
LN2b7       Behoud open ruimte: Kwaliteitsimpuls kust                                  NL            136       C
LN2cS      Parkstructuur gr. Deltametr.: Westflank Groene Hart                         NL            218        B
LN2c2      Parkstructuur gr. Deltametr.: Noordrand Hoekse Waard                        NL             22       A
  LN4      Groenblauwe dooradering                                                     NL            432       C
  LN5      Robuuste Groene Verbindingen                                                NL           924        B
                                                                                                               175
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>SE LECh EE IN VESTE REN: B IJ LAG EN
   LN6          Kwaliteitsimpuls Zandgebieden                         NL   692  B
   LN7          Kwaliteitsimpuls Veenkoloniën                         NL    113 C
   LN8          Versnelling EHS (en Randstadgroenstructuur)           NL   390  B
  LN9a          Kwaliteitsimpuls Veluwe: recreatie en toerisme        NL     36 B
  LN9b          Kwaliteitsimpuls Veluwe: natuur en landschap          NL     58 A
  LNio          Kwaliteitsimpuls Waddengebied                         NL   189  C
  LN11          De Zeeuwse Delta                                      NL   554  C
  LN12           Belvedere, onderdeel Nieuwe Holi. Waterlinie         NL   102  A
 LN13a          Grijs-Groene Kruispunten: eerste opgave               NL   454  B
 LN13b          Grijs-Groene Kruispunten: tweede opgave               NL   976  C
  LN14          Zandmaas                                              NL   227  A
  LN15           Nadere uitwerking Rivierengebied                     NL   438  B
  LNi6           Biesbosch                                            NL     54 A
  LN17          Versterking zwakke schakels in de kustzone            NL   681  B
  LN19           Regionale watersystemen                              NL   303  B
  LN20          Agro-bedrijventerreinen                               GS    191 C
  LN21           Groene kennisinfrastructuur                          KI   839  C
  LN22           Stimuleringsfonds Biologische gewasbeschermingsmidd. Ml     91 C
   OCi           la. ICT Innovatie en dynamiek in het Ieren           KI  2559  B
   0C2           Ib. ICT Investeren in e-Cultuur                       <1   113 B
   0C3           Ila. Modernisering VMBO-schoolgebouwen               1<1   318 A
   0C4           lIb. Modernisering VO-schoolgebouwen                 KI    143 B
   005           lIc. Het multifunctionele schoolgebouw               1<1  619  B
   007           Illa. Startkwalificatie beroepsbevolking             KI   567  C
   008           IlIb. berusting beroepsonderwijs; Leven Lang Leren   KI  1407  C
   0C9           IVa. Restproblematiek monumentenzorg                 GS   100  A
  OCio           lVb. Malta                                           NL     45 A
  OCli           lVc. Belvedere, onderdeel cultuurhistorische kennis  NL     36 B
   SZ2           Expertisecentrum Digitale vaardigheden               Kl     45 C
   SZ4           Informatisering Arbo-kennisinfrastuctuur             Ki     23 B
   VR1           Klimaatneutrale energiedragers(EKI)                  Ml   340  6
   VR2           Onderzoek en Demo-progr. Schoon Fossiel(SchoFo)      MI     54 C
   VR3           Kwaliteitsimpuls stedelijk water                     Ml    136 B
  VR4a           Marktniches voor nul-emissie technologieën           Ml     91 B
  VR4b           Marktniches voor nul-emissie technologieën           Ml    136 C
   VR5           Nieuwe systemen afvalinzameling binnensteden         Ml   264  C
   VR6           Medefinanciering avi's met hoog energierendement     Ml     91 C
   VR8           Knooppuntontwikkeling stedelijke netwerken           GS  1407  B
176
</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>                                                              BIJLAGE B:LIJST VAN VOORSTELLEN EN BEOORDELINGEN
  VR9  Infrastructuur stedelijke netwerken                                          FB         1860         B
 VRii Verplaatsing of beëindiging LPG-tankstations                                  Ml             91       C
 VR12 Sanering risicos vanwege Seveso-bedrijven                                     Ml           227        C
 VR13 Sanering opslagen van munitie en explosieven                                 Ml              45       C
 VR14 Verplaatsing/opheffing en bebouwing spooremplacementen                       GS           1770        B
 VR15 Stedelijke structuurverbetering door overkluizing, etc.                      GS          2360         C
 VR16 Versnellen nazorg oude stortpiaatsen                                         MI            136        B
 VR17 Verplaatsen Marinevliegkamp Valkenburg                                       NL             213       B
 VR18 lnvest. in kwal. van binnenstedelijke toplocaties                            GS            236        C
 VR19 Restproblematiek monumentenzorg                                              GS              82       A
 VR21 Sanering verspreide glastuinbouw                                             NL            204        C
 VR23 Hoofdwatersysteem en aanleg Randmeer                                         NL          1997         C
 VR24 Versterking kustzone (duinverbreding)                                        NL            454        C
 VR25 Regionale watersystemen                                                      NL            590        B
 VR26 Een impuls voor de grondgebonden landbouw                                    NL            136        C
 VR27 Transformatieproces Ned. landschap                                           NL              23       C
 VR28 Sanering ongewenste bebouwing buitengebieden                                 NL            476        C
 VR29 Aanleg 4 nationale landschappen                                              NL            545        C
 VR30 Belvedere, onderdeel regionale voorbeeldprojecten                            NL              91       B
 VR31 Waddenzee; Uitkopen kokkelvisserij                                           NL             113       B
 VR32 Kwaliteitsimpuls bestaande woonwijken                                        GS         2904          C
VR34a Verwerking baggerspecie; eenvoudige verwerking                               Ml             99        A
VR34b Verwerking baggerspecie; thermische immobilisatie                            Ml            110        C
  VWo Kilometerheffing                                                             FB          1906         A
  VWi Clusterclaim Gebundelde Doeluitkering (GDU)                                  FB          2269         B
 VW3S HSL-Oost, perronverlenging en meer treinen                                   FB            188        A
 VW3b HSL-Oost, aanvullende maatregelen                                            FB            710        C
 VW6a Benutting weginfra 2de generatie; optie o en 0+                              FB            363        A
 VW6b Benutting weginfra 2de generatie; optie  1 en 2                              FB            363        B
  VW7 Kenniswijk                                                                   KI              45      C
  VW8 Duurzaam veilig 2                                                            FB         2296          A
 VWio Tweede Maasvlakte (en 750 ha natuur)                                         FB          1706         B
 VW11 PMR+Ai5: Uitbreiding RW15 Maasvlakte Vaanplein                               EB            182       A
 VW12 Ondergronds Logistiek Syst. Aalsmeer-Schiphol-Hoofddorp                      FB            136       C
 VW13 Propyleennetwerk Rdam-Antwerpen-Geleen-Ruhrgebied                            FB               4      C
VW15a Snelle spoorverbinding Deltametropool, optie    1                            FB            817       B
VW15b Snelle spoorverbinding Deltametropool, HSL                                   FB          2723        B
VW15c Snelle spoorverbinding Deltametropool, Zweefbaan                             FB               o      C
                                                                                                           '77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>S ELECTIE F IN VESTE REN: 8 IJ LAGEN
 VW18a           Innovatie geluidbeleid spoor/weg: innovatieprogramma     MI  147 A
 VWiBb           Innovatie geluidbeleid spoor/weg: knelpunten/realisatie  MI 2178 C
  VW19           Maasroute, modernisering fase 2                          FB   Go A
  VW20           Luchtverontreiniging rond snelwegen                      Ml 1452 C
  VW21           Retrofit binnenvaart(nieuwe motoren)                     Ml   14 B
  VW22           Zeepoort Ijmond [verbeteren zeetoegang Noordzeekanaal]   FB  363 C
  VW23           Subsidieregeling Openbare Inlandterminals[extrageld]     FB    5 A
  VW24           Wegontsluiting binnenvaart containerterminal Alphen/Rijn FB    3 A
  VW26           Ijzeren Rijn; Reactiv. goederenspoor Antwerpen Duitsland FB  635 C
   VW27          Zuiderzeelijn                                            FB 5445 C
  VW28a          Onderhoud spoor                                          FB  889 B
  VW28b          Veilige overwegen                                        FB  295 C
   VW29          0V Chipkaart                                             FB  182 C
   VW30          VERA tweede fase                                         FB  454 C
   VW31          Verruiming Margrietkanaal Lemmer-Delfzijl                FB  370 B
   VW32          Twentekanalen                                            F8  124 8
   VW33          Duurzaam veilig (vervolg)                                FB 2692 B
   VW34A         A27 (BRUT) Brug                                          F8   82 A
   VW34B         A27 (BRUT) Overige maatregelen                           FB  283 B
   VW35A         80R Noordvleugel Rotterdam                               FB  681 B
   VW35B         BOR Z.O. vleugel Noordelijke Randstad                    FB  68o C
   VW36          Regionet                                                 FB  159 B
   VW37          Sleutelprojecten                                         FB  182 B
   OCl2a         ICES-KIS Robuust'                                        KI  408 A
   0C12b         ICES-KIS Opwaardeerbaar'                                 Kl 1292 8
   OCic          ICES-KIS Zwak'                                           KI 2617 C
178
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>                                                          BIJLAGE B:LIJST VAN VOORSTELLEN EN REOOROELINGEN
Tabel B2 Landsdelige voorstellen
Code     Projectnaam                                                            VES      Claim Oordeel
                                                                                              mln euro
  NOOl   Herontwikkeling stationsgebied Groningen                              GS             79        B
  N002   Stadsranden Noord-Nederland                                            NL          247         C
  N003   Revitalisering Friese meren                                            NL          144         B
  N006   Haak om Leeuwarden                                                    FB             73        A
  N007   A28 benutting Zwolle en Kortsluiting Meppel                           EB             88        A
  N008   STOV Groningen-Assen                                                  EB           227         B
  NOlO   Herstructurering Veenkoloniën                                         NL           476         B
  NOl 7  Kenniscampus Leeuwarden                                               KI             25        B
   001   Bevordering Natuurontwikkeling Veluwe                                 NL             48        C
   002   Herstructurering verblijfsrecreatie (001 +002)                        NL             27        B
   005   Groen-grijze knooppunten                                              NL             91        B
   007   Rivierverruiming ljsseldelta                                          NL             11        A
   012   Co-financiering EU Reconstructie                                      NL           159         B
   014   Cultuurhistorisch erfgoed Belvedere                                   NL             45        C
   015   Leefbaarheid kleine kernen                                            GS             45        C
   020   Kwaliteitsimpuls regionale watersystemen                              NL             68        C
   022   Kennisparken en technocentra                                          KI           381         C
   024   Werklocaties aan breedbandnetwerk                                     EB            34         C
   026   Bedrijfsverplaatsing                                                  GS           454         C
   029   MTC Valburg                                                           EB            36         C
   032   Benutting Al                                                          EB            93         A
   034   BenuttingAl2                                                          EB           250         A
   041   Verplaatsen spooremplacementen Deventer en Hengelo                    GS            68         C
  042e   Stortplaatsen en gasfabriekterreinen Overijssel                       Ml            22         A
  042b   Stortplaatsen en gasfabriekterreinen Gelderland                       Ml            11         B
   045   Groene mal Apeldoorn/Parkbuffer Over-Betuwe                           NL            68         B
   050   Deconcentratie Zorginstellingen                                       GS            23         C
  051    Vernieuwing fysieke kant sociale infrastructuur                       GS            45         C
  ZD02   Moerdijkse Hoek                                                       EB            73         C
  ZD03   Multimodaal Complex Tilburg-West                                      EB            29         C
 ZD04    Masterplan Venlo                                                      GS            68         C
 ZDO5    Ongehinderd Logistiek Systeem W-Mijnstreek                            EB            87         C
 ZD06a   Herstructureringsopgave Zeeuwse steden: Middelburg                    GS            36         C
 ZD06b   Herstructureringsopgave Zeeuwse steden: Terneuzen                     GS            23         B
 ZD06c   Herstructureringsopgave Zeeuwse steden: Goes                          GS            42         C
                                                                                                       '79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>SE LECTEF IN VESTE REN: B IJ LAG EN
   ZD09         Brabantstad Zuidelijk Vervoersknooppunt            GS 136 C
  ZD1 3a        Stationsgebied Helmond Centrum/Aansluiting station GS  14 C
  ZD1 3b        Stationsgebied Helmond Centrum/Zuid. ontsluiting   GS  32 8
   ZD1 6        Bereik Brabantstad Oostzijde Eindhoven             FB 159 A
  ZD1 7a        A2/A76 Urmond Kerensheide Ten Esschen              FB 237 A
 ZD1 71b1       A2 passage Maastricht - bereikbaarheid             FB  25 A
 ZD1 7b2        A2 passage Maastricht - travers                    FB  66 B
  ZD1 7c        A2 Den Bosch Eindhoven                             FB  51 A
   ZD18         Maastricht-Heerlen-Aachen-Luik (0V MHAL)           FB  77 C
   ZD1 9        Herstructurering Westelijke Maasoever              GS 118 B
   ZD20         Centrum-Noord Heerlen                              GS  11 B
   ZD21         Heuvelland Drielandenpark                          NL  30 C
   ZD22         Herstructurering en kennispark 'Venlo-Noord        GS   9 A
   ZD24         Groen Blauwe Delta                                 NL 323 8
  ZD25a         Reconstructie Zandgronden Noord-Brabant            NL 771 B
  ZD25b         Revitalisering Zandgronden Limburg                 NL 196 8
   ZD30         Arbeidsmarktplan: onderwijs                        KI  51 8
   ZD31         Arbeidsmarktplan: employability                    KI  18 B
   AM04         Tram- en wegverbinding via de Schinkel             FB 136 B
   AM07         2e Spooraansluiting Westpoort                      F8  52 C
   AM1 3        Overkluizingeri en ondertunnelingen Amsterdam      GS  91 C
   AM23         GIOS Amsterdam                                     NL 506 C
   AM30         Transformatieslagen                                GS 454 C
   DH12         Sleutelproject Hoog Hage (Station Den Haag CS)     FB 154 C
   DH18         Uitplaatsen munitiedepot Ypenburg                  MI  45 C
   DH22         Groen in en om de stad (Den Haag)                  NL 152 8
   DH25         Afkoppelen Regenwater                              Ml  12 8
   DH27         Schoolgebouwen                                     KI  90 C
   DH28         ICT in Onderwijs                                   KI 158 C
   DH31         Criminaliteit en veiligheid                        GS 186 8
 L06/NH02       2de Hollandse Brug A6                              FB 113 B
  FL24          Stimulering Recreatie Oostvaardersplassen          NL   5 8
   GW03         Alternatief Bruisend Water Reeuwijk                NL  18 C
   GW08         ABC Delfiand                                       NL  51 8
   GW1 5        Ontwikkeling van de oude kreek de Strypse Wetering NL  10 C
   GW16         Wieringer Randmeer                                 NL  38 C
   GW21         Ilperveld integraal                                NL  14 A
   GW23         Ruimte voor Water in Flevoland                     NL  57 C
180
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>                                                              BIJLAGE B:LIJST VAN VOORSTELLEN EN BEOORDELINGEN
 NH04        Bedrijventerrein Waarderpolder Haarlem                                 FB            43        B
R0A03        Zuidtangent Oost                                                       FB          227         C
R0A07        Knoop N201 A4                                                          FB          156         B
ROA1 1       Bedrijventerrein De Pionier                                           GS             15        C
 RD08        Ruimte voor bedrijvigheid                                             GS           168         C
 RD1O        Eprogramma                                                            GS             55        C
 RD1 5       Knooppunt Abram v Rijckevorselweg                                     GS             23        C
 RD24        Transformatie Waalhaven Rotterdam                                     GS           136         C
 RD25        Inpassingsmaatregelen Hoofdwegennet                                   GS           685         C
RD31         Verbeteren Gezondheidsinfrastructuur                                  GS              5        B
RD32         Peuterspeelzalen                                                      GS              5        B
RD33         Steunpunten Opvoedingsondersteuning                                   GS              2        A
RD47         Regionale Groenparken                                                 NL           261         B
UGOS         Stedelijke herstructurering Cartesiusdriehoek                         GS             73        C
UG1 1        Parklandschap Utrecht west                                            NL             91        C
UPO4         Revital. Het Ambacht en Nijverkamp in Veenendaal                      GS              4        B
UPO8         l<nooppuntAl A27enA28                                                 EB           386         A
ZH39         RW15 Gorinchem Papendrecht                                            FB           318        C
ZH1 3        Strategisch Economisch Profiel Drechtsteden                           GS           113        C
ZH14         Cultuur Oude Hollandse Waterlinie                                     NL            11        C
ZH24         Rijn Gouwe Lijn                                                       FB            50        C
ZH26          OP Westland                                                          NL           154         B
ZH27         Groen Blauwe Slinger                                                  NL           104        C
ZH29        Kennisinfra Zuidvleugel                                                KI           241        C
GDU02       Buitenring Parkstad Limburg                                            FB            47        A
Codering VES-dossiers:
   DO: Dienstverlening overheid
   EB: Elektronische bereikbaarheid
   FB: Fysieke bereikbaarheid
   GS: Vitaliteit Grote Steden
   KI:  Kerinisinfrastructuur
   Ml: Milieu
   NL: Natuur en Landschap
                                                                                                           181
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN BIJLACEN
182
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>                                                                  B3LAGE C:FORMAT VOOR INDIENING VAN VOORSTELLEN
Bijlage C Format voor indiening van voorstellen
Aan de indieners van de in dit rapport beoordeelde investeringsvoorstellen is gevraagd om
informatie in te dienen conform een standaard-indeling, aan de hand van een aantal vragen.
Deze standaardisering:
verkleint de kans op lacunes in de informatie;
vergroot de aansluiting op het door de planbureaus gehanteerde beoordelingskader (zie bijlage
D). Overigens is, behalve bij het beoordelingskader, ook aansluiting gezocht bij de informatie
die indieners voorhanden (zouden moeten) hebben;
maakt de beoordelingen van vaak sterk uiteenlopende projecten consistenter.
Het format is hieronder weergegeven.
Format
N.B. Tussen haakjes is een indicatie gegeven van de gewenste omvang van diverse onderdelen
Naam van de maatregel
Contactpersonen
ie contactpersoon (naam, telefoon, fax, e-mail)
Vervanger (naam, telefoon, fax, e-mail)
Doel en werking
Relatie met overheidsdoelen (bijv. externe effecten, sociale doelen)
Werking (veranderingen die optreden door de maatregel)
Samenhang met andere projecten of voorstellen
(ioo woorden)
Kosten
Gevraagde middelen, totaal en jaarcijfers
Overige kosten (bijv. inzet ambtenaren, bestaande (subsidie)regelingen)
Bijdragen uit andere bronnen (bijv. reguliere begroting, andere overheden, bedrijfsleven)
Verwachte effecten
Omvang van de verwachte bijdrage aan beleidsdoelen (indien mogelijk kwantitatief)
In welke periode treden deze effecten op?
 Dit format was niet van toepassing voor de ICES-KIS voorstellen.
                                                                                                             183
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>S ELECTIE F IN VESTE EE N B 1) LAG EN
Relatie van deze verwachte effecten met de inzet van middelen
(gewenste en ongewenste) neveneffecten
Verdeling van effecten over landsdelen of regios
Zijn er evaluaties voorzien?
(150   woorden)
Totstandkoming van het voorstel
Op welke wijze is de maatregel geselecteerd / voorbereid?
Welke overwegingen hebben de omvang van de maatregel bepaald?
Zijn er bronnen van nadere informatie omtrent het voorbereidingsproces?
(loo woorden)
Robuustheid
Bestaat er een mogelijkheid dat de maatregel niet de verwachte effecten heeft? hoe groot is de
kans daarop?
Is het slagen van de maatregel afhankelijk van andere projecten of van bepaalde ontwikkelingen?
zijn er mogelijke knelpunten? is er sprake van verdringing van andere maatregelen of
projecten?
(ioo woorden)
Noodzaak
Waarom is het huidige beleid c.q. de reguliere middelen niet voldoende om de beleidsdoelen te
halen?
(loo woorden)
Alternatief en flankerend beleid
Als deze middelen niet ter beschikking zouden komen, hoe zou het beleidsdoel dan dichterbij
kunnen worden gebracht?
Is er flankerend beleid voorzien? in welke vorm? hoe draagt dit bij aan de werking van de
maatregel?
(150   woorden)
184
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>                                                                           BILACE D:BEOORDELINGSKADER
Bijlage D Beoordelingskader
Inleiding
In deze bijlage wordt het beoordelingskader geschetst dat in dit rapport wordt gehanteerd bij het
toetsen van investeringsvoorstellen.
Bij het beoordelen van beleidsvoorstellen zijn twee vragen van groot belang:
Welke beleidsdoelen worden nagestreefd?
Welke criteria worden gebruikt om het succes van de voorstellen - in termen van de
beleidsdoelen - te meten?
Op deze vragen wordt hieronder allereerst ingegaan. Vervolgens wordt beschreven hoe de
projectbeoordelingen zijn uitgevoerd. Tot slot volgen conclusies.
Beleidsdoelen
Overheidsbeleid kent een groot aantal doelen op uiteenlopende terreinen. Willekeurige
voorbeelden van sterk verschillende doelen zijn het handhaven van de openbare orde, het
bevorderen van een redelijke inkomensverdeling en het voorkomen van het broeikaseffect.
Sommige doelen worden geoperationaliseerd tot streefcijfers voor specifieke grootheden zoals
bijvoorbeeld de rijsnelheid op autowegen. Deze specifieke doelen hangen samen met
achterliggende, meer algemene doelen. Deze primaire doelen van de overheid kunnen in drie
hoofcategorieën worden ingedeeld:
economische doelen zoals inkomen en productiviteit;
milieudoelen, inclusief landschap en natuur;
sociale en leefbaarheidsdoelen, zoals ruimtelijke kwaliteit en veiligheid.
Het voeren van beleid behelst veelal een afweging binnen en tussen deze categorieën. In veel
gevallen zijn er directe kosten in termen van overheidsuitgaven, waar baten (en soms ook
kosten) in termen van bovengenoemde categorieën tegenover staan. Zo zal de aanleg van een
rondweg bij een stad niet alleen een investering (kosten) vergen en leiden tot een betere
bereikbaarheid (economisch doel), maar tegelijk in de stad emissies (milieu) en
verkeersongevallen (sociaal en economisch) kunnen verminderen en wellicht ten koste gaan van
het landschap.
  CPB/RIVM/SCP/AVV, op.cit., p. .
                                                                                                    85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>SELECTI EE NVESTEREN Bij LAGEN
De verschillende doelen kunnen in beginsel bij elkaar worden gebracht door een breed
welvaartsbegrip te hanteren. Dit omvat niet uitsluitend economische doelen in engere zin zoals
inkomensgroei, maar ook andere doelen die bijdragen aan het welbevinden van mensen. Op de
wijze waarop aan dit uitgangspunt concreet inhoud is gegeven, wordt nader ingegaan onder
'Methode'.
De ICES beoogt met de nieuwe investeringsimpuls bepaalde accenten in het
investeringsprogramma van de overheid te versterken. Dit wordt geconcretiseerd in de
Verkenning Economische Structuur van de ICES, waaraan ook het CPB een bijdrage heeft
geleverd. Bij de beoordeling van de projecten is getracht om met deze accenten rekening te
houden.
Criteria
Algemene criteria die aan overheidsbeleid kunnen worden gesteld zijn legitimiteit, effectiviteit
en efficiëntie. Deze paragraaf beschrijft de wijze waarop deze criteria worden geconcretiseerd
ten behoeve van de projectbeoordeling. Daarna wordt kort ingegaan op drie aspecten die ook van
belang kunnen zijn bij de beoordeling van maatregelen: onzekerheden, proceskenmerken en
alternatieven. Tot slot wordt een totaalbeeld gegeven.
Legiti m iteit
Legitimiteit heeft betrekking op de vraag of het overheidsingrijpen gewenst is. Daarbij is voor
een inhoudelijke beoordeling allereerst van belang of er een ratio voor overheidsingrijpen is. Dit
hangt primair af van de vraag of 'de markt' ongewenste uitkomsten oplevert. Dat is het geval als
er sprake is van marktfalen. Voorbeelden van marktfalen zijn negatieve externe effecten
(bijvoorbeeld voor het milieu), positieve externe effecten (bijvoorbeeld als de baten van
kennisinvesteringen niet 'vanzelf bij de investeerder terechtkomen) en marktmacht
(monopolies).
           Er wordt vaak reeds beleid gevoerd om (effecten van) marktfalen te bestrijden. Als deze
maatregelen al voldoende effect sorteren, is er geen duidelijke ratio voor additioneel beleid.
Als er sprake is van minder gewenste uitkomsten van marktprocessen, staat niet op voorhand
vast dat overheidsingrijpen tot betere uitkomsten leidt. Daarbij is de vraag relevant of de
overheid over voldoende informatie en instrumenten beschikt om de maatregel goed vorm te
geven. Als dat niet het geval is, is er sprake van overheidsfcden; het middel is dan mogelijk erger
dan de kwaal. Dit komt tot uiting bij de beoordeling van de effectiviteit en de efficiëntie van de
maatregel.
           Een aspect dat vaak tot legitimiteit wordt gerekend is het draagvlak voor een maatregel.
Het inschatten daarvan en vooral het wegen van het belang van deze factor is een taak die
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>                                                                                    BIJLAGE D:BEOORDELINGSKADER
primair ligt bij politici en beleidsmakers. Planbureaus kunnen deze factor niet expliciet
meewegen bij het beoordelen van maatregelen. Wel kan worden vastgesteld dat het draagvlak
vaak sterk samenhangt met verdelingseffecten: het draagvlak is vaak beperkt als de maatregel sterk
ongelijke effecten voor verschillende groepen heeft, of als bestaande ongelijkheden erdoor
worden versterkt. Daarom zullen de planbureaus belangrijke verdelingseffecten in kaart
brengen en rapporteren. Deze effecten zijn echter alleen meegenomen bij de beoordeling als er
met betrekking tot deze effecten expliciete overheidsdoelen bestaan, zoals bijvoorbeeld het
verkleinen van de economische achterstand van Noord-Nederland. in andere gevallen zijn
belangrijke verdelingseffecten wel genoemd, maar hebben zij geen invloed op de beoordeling.
Bij deze verdelingseffecten is ook het verschijnsel 'rent-seeking' van belang: pogingen van
bedrijven en instellingen om geld van de overheid 'binnen te halen' ter verbetering van de eigen
financiële positie.
Effectiviteit
De effectiviteit van een maatregel hangt in de eerste plaats samen met de maatschappelijke
baten ervan, in termen van doelen als bijvoorbeeld extra economische groei, natuur,
milieuverbetering of sociaal-culturele doelen. De bijdrage van de maatregel aan deze doelen is
daarom expliciet in beeld gebracht c.q. getaxeerd. Ook neveneffecten zijn daarbij meegenomen.
Efficiëntie
De efficiëntie van een maatregel wordt in beginsel bepaald door de verhouding tussen de
maatschappelijke kosten en de maatschappelijke baten.
           Bij het inschatten van de baten van een voorstel wordt - zoals hierboven aangegeven -
een breed welvaartsbegrip gehanteerd. Dit betekent dat ook kwalitatieve 'baten' (bijvoorbeeld
natuur, veiligheid) nadrukkelijk in de beoordeling van de efficiëntie zijn betrokken.
De maatschappelijke kosten betreffen de overheidsuitgaven voorzover zij worden besteed aan
investeringen of andere activiteiten3. Ook uitgelokte investeringen of andere kosten van deze
partijen vormen maatschappelijke kosten; uiteraard dienen in deze maatschappelijke
benadering ook de baten van andere partijen te worden meegerekend.
           Naast de directe overheidsuitgaven voor een maatregel zijn ook bijkomende kosten van
belang. Tot slot kunnen er kosten optreden in die zin dat een maatregel negatieve
(neven)effecten heeft op andere overheidsdoelen dan het doel waarop de maatregel is gericht.
Een voorbeeld zijn de milieu-effecten van een nieuwe weg. Ook deze kosten moeten worden
ingeschat en in de beoordeling worden meegenomen.
  Voorzover de uitgaven niet aan investeringen worden besteed gaat het vaak om overdrachten van overheid naar
andere partijen die voor Nederland als geheel geen kostenpost vormen.
                                                                                                             187
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre> SELECTIEF IN VESTER EN: B IJ LAGEN
 Hierboven is, in relatie tot het criterium legitimiteit, al ingegaan op de verdeling van kosten en
 baten over enerzijds bedrijven en instellingen en anderzijds de overheid. Een situatie waarin de
 overheid een onevenredig deel van de kosten draagt kan ook ten koste gaan van de economische
 efficiëntie. In een dergelijke situatie treden voor bedrijven en instellingen kostendalingen op, die
 worden gefinancierd uit belastingopbrengsten. Dergelijke vervormingen kunnen leiden tot een
 minder optimale allocatie (een minder efficiënte economie), omdat de kosten van handelingen
 niet meer de maatschappelijke kosten weerspiegelen. Bovendien leiden veel belastingen ook tot
 vervorming van prijzen en hoeveelheden (excess burden').
Synergie
 De effectiviteit en efficiëntie van voorgestelde maatregelen kan ook worden beïnvloed door
andere voorstellen (synergie of antagonisme). Er is nagegaan of van een dergelijke relatie sprake
is. In dat geval zouden de voorstellen in samenhang moeten worden beschouwd. In de praktijk
van de projectbeoordelingen is slechts in een beperkt aantal gevallen synergie aangetroffen in
die zin dat het geheel meer is dan de som der delen. Wel zijn - uiteraard - situaties aangetroffen
waarin verschillende projecten elkaar versterken in die zin dat zij gunstige effecten sorteren op
dezelfde beleidsdoelen: de effecten kunnen dan bij elkaar worden 'opgeteld'.
             Wel is synergie of antagonisme aanwezig in relatie tot onzekerheden: als het effect van
een voorstel afhangt van uitvoering van een ander voorstel, is dat effect om die reden onzeker.
Onzekerheden
 Bij de beoordeling is van belang of er onzekerheden zijn ten aanzien van de verwachte effecten,
en of deze effecten afhangen van bepaalde ontwikkelingen of van ander beleid. Ook bij de
kosten kunnen risico's en onzekerheden, bijvoorbeeld van kostenstijgingen, van belang zijn.
Alternatieven
Naast de legitimiteit, effectiviteit en efficiëntie van de maatregel zelf, is bij de beoordeling ook
van belang of er andere maatregelen zijn die het betreffende beleidsdoel dichterbij kunnen
brengen. Voorzover dergelijke maatregelen ook als voorstellen zijn ingediend voor de
beoordeling door de planbureaus, wordt met deze alternatieven 'vanzelF rekening gehouden.
             Voorzover de alternatieven niet als voorstel zijn ingediend (bijvoorbeeld omdat geen
bijdrage uit het Fonds Economische Structuurversterking nodig is), zijn de ze relevant voor de
beoordeling: als er voor een maatregel (kosten)effectievere alternatieven zijn, zal de maatregel
niet snel een positieve beoordeling krijgen. Bovendien kunnen deze 'betere' alternatieven een rol
spelen bij het samenstellen van beleidspakketten door de planbureaus.
188
</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>                                                                                                    BIJLAGE D:BEOORDELINGSKADER
              Procesken merken
              Een voorgestelde maatregel dient bij voorkeur op zijn eigen merites te worden beoordeeld. De
              wijze van totstandkoming van het voorstel is niet relevant als er een duidelijk beeld bestaat van
              alle kosten en effecten. In de praktijk kon een dergelijk integraal beeld in een aantal gevallen
Figuur Di         Algemene criteria, toegespitste criteria en concrete vragen
   Algemene criteria          Toegespitste criteria                Concrete vragen
                                                                      Is er sprake van marktfalen?
                               Ratio van                              Schiet het huidige beleid tekort?
     Legitimiteit                                                     Beschikt de overheid over
                               overheids
                                                                      voldoende kennis?
                                                                      Maatschappelijke baten:
                                                                        Economie
                                        termen van               J      Milieu en natuur
                              beleidsdoelen                             Sociale, culturele en
                                                                       leefbaarheidsdoelen
                                                                      M aatschappelijke kosten:
                                                                        Investeringen straks
                                                                          (direct en uitgelokt)
     Efficientie            1 Kosten-                                   Inzet ambtenaren
                    t-.   »i batenverhouding                            Economie
                                                                        Milieu en natuur
                                                                        Sociale, culturele en
                                                                       leefbaarheidsdoelen
                                                                      Waarschijnlijkheid van het niet
                                                                      slagen van de maatregel
                                     Onzekerheden / risico's       - Onzekerheden tav. het effect
                                                                      of de kosten
                                                                   - Afhankelijkheid van onzekere
                                                                      maatregelen of ontwikkelingen
                                                                      Op welke andere manieren
                                     Alternatieven                    kan het beleidsdoel dichterbij
                                                                      worden gebracht?
                                                                      Hoe is de maatregel
                                                                      geselecteerd?
                                   1 Proceskenmerken                  Hoe is de omvang van de
                        1          1                                  maatregel bepaald?
                                                                      Zijn er evaluaties voorzien?
                        1
                          -
                            r - - - - - - - - - - --
                              l Verdelingseffecten
                                                                 --   Ondervinden bepaalde groepen
                                                                      of regio's sterke effecten?
                                                                      Is er sprake van 'rent-seeking'?
                                                                                                                            189
</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: BIJLACEN
niet binnen de gegeven termijn worden gevormd. In dergelijke gevallen biedt de manier waarop
het voorstel is 'gemaakt' relevante, indirecte informatie over de kwaliteit. Zo zal een voorstel
waaraan jaren door een groot aantal deskundigen is gewerkt mogelijk meer kwaliteit hebben dan
een voorstel waarvan de totstandkoming niet duidelijk is.
            Een tweede proceskenmerk is de wijze waarop de omvang van de maatregel is bepaald.
Daarbij is de vraag relevant wat zou kunnen worden bereikt met bijvoorbeeld de helft - of het
dubbele - van de geclaimde middelen. Als de omvang van de claim bewust is bepaald op basis
van inhoudelijke gegevens, vormt dat een positief kwaliteitskenmerk.
            Tot slot is van belang of in het voorstel tussentijdse evaluaties (en bijbehorende
beslismomenten) zijn voorzien. Dit is met name van belang bij voorstellen waarbij de
financiering zich over meerdere jaren uitstrekt. Bij deze voorstellen wordt het risico van het niet
(voldoende) slagen van het project verkleind als 'tijdens de rit' geëvalueerd wordt, met
bijstellingen of zelfs het beëindigen van de financiering als mogelijk resultaat van deze
evaluaties.
Totaalbeeld
De samenhang tussen algemene criteria, meer toegepaste criteria en concrete vragen die in deze
paragraaf is geschetst, wordt samengevat in figuur Ci. De daarin weergegeven concrete vragen
geven aan welke informatie de planbureaus per voorstel op een rij hebben gezet. Een groot deel
van deze informatie wordt ontleend aan het door de indieners ingevulde 'format'. De vragen in
het format komen dan ook grotendeels overeen met de vragen in de figuur.
Methode
De beste manier om de effecten van een maatregel op alle overheidsdoelen mee te wegen is een
maatschappelijke kosten-batenanalyse (KBA). Daarin kunnen alle effecten van een maatregel
systematisch worden ingeschat en zo mogelijk worden voorzien van een financiële waardering4.
Het kabinet heeft besloten dat dergelijke KBA's noodzakelijk zijn bij infrastructuurprojecten van
nationaal belang'.
 Het maken van een integrale maatschappelijke KBA is echter een tijdrovend proces. Veelal zijn
deelonderzoeken nodig voor afzonderlijke aspecten (kosten, economische effecten, milieu-
effecten etc.), die pas daarna kunnen worden geïntegreerd tot een totaalbeeld. Daarbij vergt
bovendien de afstemming tussen de deelonderzoeken vaak de nodige aandacht. Het uitvoeren
van een integrale KBA voor honderden voorstellen is in praktische zin onhaalbaar. Het was dus
' CPB/NEI, Evaluatie van infrastructuurprojecten. Leidraad voor kosten-batenanalyse, Sdu, Den Haag, 2000.
   Tweede Kamer 1999.2000, 26428, nr. 21, 27-4.2000.
190
</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>                                                                              BijLAGE D:BEOORDELINGSKADER
 noodzakelijk om alternatieve, minder tijdrovende onderzoeksmethoden te hanteren. Daarbij was
 het richtsnoer dat de uitkomsten een goede benadering dienen te geven van de resultaten die
 met een integrale KBA zouden worden bereikt.
 Het meest voor de hand liggende alternatief voor een integrale KBA is een 'kengetallen-KBA'.
 Hierbij worden de belangrijkste kosten en baten van een voorstel ingeschat op basis van vooral
reeds beschikbaar materiaal en Vrij algemeen geldige verhoudingsgetallen6. Deze aanpak wordt
voorzover mogelijk gehanteerd. Dit betekent dat projecten goed 'scoren' als de totale kosten
kleiner zijn dan de totale baten (kosten-batenverhouding kleiner dan i).
Voor sommige maatregelen zijn de baten wel in fysieke termen kwantificeerbaar, maar niet of
moeilijk in geld uit te drukken (bijvoorbeeld natuuraanleg). Als de baten van een maatregel
grotendeels één fysiek doel betreffen (bijvoorbeeld reductie van NO-emissies of verhogen van
het aantal academici), en de kosten vooral bestaan uit overheidsuitgaven (investeringen,
subsidies), is de maatregel beoordeeld met een kosten-effectiviteitsanalyse. Daarbij wordt per
maatregel de verhouding tussen (fysiek) effect en kosten bepaald, en bepaalt deze verhouding de
relatieve kwaliteit van de maatregel in vergelijking met andere maatregelen die op hetzelfde doel
zijn gericht.
           Bij de keuze van de fysieke effecten die in kosten-effectiviteitsanalyses worden gebruikt
wordt zo goed mogelijk aangesloten bij het hiervoor geschetste brede welvaartsbegrip. Dit
impliceert dat hierbij bij voorkeur primaire (algemene) doelen worden gebruikt. Als alleen zeer
specifieke doelen in de analyse worden megenomen, kan dit er toe leiden dat andere effecten,
die ook de welvaart beïnvloeden, ten onrechte buiten beeld blijven.
Voor andere maatregelen zijn de baten (of belangrijke kosten) noch fysiek, noch Financieel
kwantificeerbaar (bijvoorbeeld monumentenzorg). in deze gevallen wordt gebruik gemaakt van
een meer kwalitatieve analyse. Per maatregel wordt daarbij voor relevante aspecten beoordeeld
hoe het project (relatief) presteert (goed, redelijk, matig etc.), waarna een globaal eindoordeel
wordt gegeven.
De geschetste benadering heeft een 'getrapt' karakter: bij voorkeur een (kengetallen) KBA; als
dat niet kan een kosten.effectiviteitsanalyse; als ook dat niet mogelijk is een kwalitatieve aanpak.
De middelste kolom van Figuur C.i bevat de 'toegespitste criteria'. Deze zijn bij het beoordelen
van elk voorstel ingezet volgens het in figuur   C.2  weergegeven 'stroomschema'7 .
6
  CPB/NEI, op,cit.
  Deze aanpak is ook toegepast in CPB/RIVM/SCP/AVV, op.cit.
                                                                                                      191
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>                SELECTIEF INvEsTEREN: BIJLAGEN
Figuur D2            Werkwijze bij de beoordeling
                       ICES-investeri ngsvoorstel
                                         4. Ja
                Projectdefinitie:                            Nee
                  is het project voldoende concreet?
                                            Ja
                                                               Nee
      Legitimiteit:
        is er marktfalen?
                                            Ja
                                         4.
      Effectiviteit:                                           Nee
       Draagt het project in voldoende mate bij               -
       aan het behalen van de primaire doelen?
      Efl9ciëntie:
       Staan de maatschappelijke baten in een
       redelijke verhouding tot de kosten?
                                         -
    --------------------------------------ua
       Onzekerheden/risico's:
         Zijn de resultaten aan grote
         onzekerheden en/of risico's onderhevig?
       Procesken merken:
         Wordt het proces van besteding van de
         middelen zodanig ingericht dat de aansluiting
         bij de beoogde doelen gewaarborgd is?
      Alternatieven:
        Zijn er andere beleidsinstrumenten die
        een duidelijk hoger (maatschappelijk)
        rendement hebben?
          robuust            opwaardeerbaar         zwak/onbeoordeelbaar
                Eerst is bezien of het project voldoende concreet is; is dit niet het geval dan volgt er een vraag
                om nadere informatie aan de indieners. Als dit onvoldoende concrete aangrijpingspunten
                oplevert, volgt er geen beoordeling.
                              Daarna is nagegaan of er een ratio voor overheidsingrijpen is, of er substantiële baten
                zijn en of de kosten.batenverhouding (relatief) gunstig is. Scoort het project met betrekking tot
                de ratio voor overheidsingrijpen of de omvang van de baten ongunstig, dan volgt een oordeel C
                (zwak/onbeoordeelbaar). Als het project wel aan deze criteria voldoet, volgt een beoordeling van
                de kosten.batenverhouding, waarbij ook risico's en onzekerheden en de merites van eventuele
                alternatieven een belangrijke rol spelen. Deze beoordeling resulteert in het predikaat A
                (robuust), B (opwaardeerbaar) of C (zwak/onbeoordeelbaar).
                192
</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>                                                                             BIJLAGE D:BEOORDELINGSKADER
In veel gevallen zijn met betrekking tot specifieke criteria zowel positieve als negatieve aspecten
te herkennen, en is de score op die criteria noch onverdeeld gunstig, noch geheel ongunstig. In
deze gevallen heeft de beoordeling een meer 'wegend' karakter.
De categorie B heeft betrekking op voorstellen waarvan sommige elementen gunstig worden
beoordeeld, maar andere elementen niet; herformulering of aanscherping zou dan tot een beter
voorstel kunnen leiden. Daarnaast zijn in deze categorie voorstellen geplaatst waarover
weliswaar informatie beschikbaar is, maar deze informatie niet voldoende is om tot een
eenduidig oordeel te komen. Het streven was echter om zo veel mogelijk projecten van het
oordeel A of C te voorzien.
Conclusies
Bij de beoordeling van maatregelen voor de ICES stond een breed welvaartsbegrip centraal,
waardoor niet alleen economische doelen in engere zin, maar ook milieu-effecten en bijdragen
aan sociale doelen worden meegewogen. De algemene criteria legitimiteit, effectiviteit en
efficiëntie zijn vertaald in meer toegespitste criteria als baten, kosten-batenverhouding en
marktfalen, en vervolgens in concrete projectkenmerken. Bij de projectbeoordeling vormde een
globale kosten-batenanalyse het uitgangspunt. In gevallen waar financiële waardering niet
mogelijk is, is de kosteneffectiviteit beoordeeld. Als ook dat niet mogelijk was, werd een
kwalitatieve analyse uitgevoerd. Op deze wijze is getracht om, werkend vanuit het gedachtegoed
van het brede welvaartsbegrip en de maatschappelijke kosten-batenanalyse, de voor- en nadelen
van de maatregelen zo goed mogelijk tegen elkaar af te wegen.
                                                                                                     193
</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>SELECTIEF INVESTEREN: BIJLAGEN
194
</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>                                                                                          BIJLAGE E:ORGANISATIE VAN HET PROJECT
           Bijlage E Organisatie van het project
           Het uitvoerende werk is verricht door een projectteam dat bestond uit 9 leden: 4 medewerkers
           van het CPB, i van het RIVM, i van het RPB, i van het SGP              ,2  van AVV en i van de Stichting
           DLO. De werkzaamheden zijn gecoördineerd door het CPB; ook de externe communicatie is
           met name door het CPB verzorgd. De rol van AVV was ondersteunend. Naast de projectteam-
           leden zijn andere medewerkers van de instituten ingezet en zijn activiteiten uitbesteed waar
           specifieke expertise bij de planbureaus ontbrak.
           Een Stuurgroep bestaande uit directieleden van de planbureaus heeft de werkzaamheden
           begeleid. Daarnaast was er een Wetenschappelijke Klankbordgroep die de planbureaus heeft
           geadviseerd en een oordeel heeft gegeven over de resultaten (zie Bijlage A).
           Over de voortgang van het project is regelmatig gecommuniceerd met de ICES, het ICES-
           secretariaat en de ICES-contactpersonen van de verschillende departementen. De communicatie
           tussen verschillende betrokkenen is samengevat in figuur Er.
Figuur Ei Communicatie tussen betrokkenen
                                         Stuurgroep
    ICES-
    secretariaat
                                                             ________ Wetenschappelijke
                                        Projectteam
                                                                          klankbordgroep
    Beleidsgroep
      Medewerkers instituten          1                 1 Uitbestedingen?
            Dit betrof met name twee uitbestedingen aan TwynstraGudde m.bt. projecten met technische' ICT-elementen
           (zie de hoofdstukken 5, 6 en 7). Ook de bijdrage van de Stichting DLO kan ten dele als een uitbesteding worden
           opgevat.
                                                                                                                            195
</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>INVESTEREN IN KENNIS: EEN QUICK SCAN VAN ACHT KENNISTHEMA'S
196
</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>                                                                     BIJLAGE F:JNVESTEREN IN KENNIS: EEN QLJICK SCAN VAN ACHT KENNISIHEMA'S
               Bijlage F Investeren in kennis: een quick scan van acht
                                       kennisthema's
               Inleiding
               De ICES heeft het CPB verzocht richtinggevende uitspraken te doen over de wenselijkheid van
               extra investeringen rond een achttal kennisthema's (zie Tabel F.i). In een eerdere CPB-notitie
               (01.15)  werd geconstateerd dat kansrijke thema's niet konden worden geïdentificeerd op basis
               van de toen beschikbare informatie. Dit gold voor alle acht thema-rapporten. Tevens was bij een
               drietal thema-rapporten onduidelijk welke activiteiten precies werden voorgesteld.
Tabel F1       Overzicht kennisthema's
                                                                                           Periode 2003-2010 (bedragen in mln euro)
l<enn Jsthema                                                                Aantal               Kosten            Private   Gevraagde
                                                                    investerings.          investerings-         bijdragen     TCES/KIS-
                                                                        pakketten              pakketten                         bijdrage
A.   Systeeminnovatie                                                            15                  532,1             74,3          260,2
                                                                                27a
B.   ICT                                                                                           1934,9             553,2          874,2
C.   Competenties in de kennismaatschappij                                       6                   154,9              9,0          137,5
D.   Ruimtegebruik                                                               22                1293,8             257,0          593,0
E.   Kennisoverdracht en MKB                                                     12                  239,1             41,2          111,2
F.   Duurzaamheid                                                                30                1015,2             182,0          497,5
G.   Gezondheids- voedings- gen en biotechnologische                             16                  857,1            187,0          335,9
     doorbraken (Life sciences), waarvan
        LJfe sciences zonder Genomics-projecten                                  11                  349,0             86,6          157,6
H. Microsysteem. en nanotechnologie                                               2                  924,2            518,6          122,1
Totaal                                                                          130                6951,3            1822,3        2931,6
 In de brief van het ICES-KIS secretariaat is ten onrechte één project aan thema C in plaats van aan thema B toegewezen
               Inmiddels is meer informatie beschikbaar over de voorgestelde activiteiten binnen de
               verschillende kennisthema's. Door het veld' zijn in totaal 130 voorstellen
               (investeringspakketten) ingediend, verdeeld over de acht thema's (zie Tabel F.i).
                    Deze bijlage verkent op basis van de ingediende voorstellen in hoeverre nu ivel een schifting
               mogelijk is in kansrijke en minder kansrijke thema's. Deze schifting heeft, vanwege de beperkte
               tijd die voor de bestudering van de voorstellen beschikbaar is, het karakter van een quick scan.
                                                                                                                                        197
</pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>              SELECTI LF INvESTEREN: Bij LAGEN
              Werkwijze: een 6-stappenplan
              De oordelen over de acht kennistliema's zijn tot stand gekomen via een 6-stappenplan:
              Per thema: selectie van te beoordelen voorstellen. Deze stap is nodig om binnen de gestelde
              termijn tot een gefundeerd oordeel te kunnen komen; dat een voorstel niet is beoordeeld zegt
              dus niets over de kwaliteit van het voorstel. Van elk thema zijn de beoordeelde voorstellen
              samen goed voor ruim 90% van de gevraagde ICFS-bijdrage voor het betreffende thema.
              Per voorstel: beoordeling op basis van de volgende twee criteria:
                  zijn de activiteiten duidelijk omschreven?
                  is de legitimiteit van (nieuw) overheidsbeleid voldoende onderbouwd?
              Een voorstel scoort hoog op dit tweede criterium indien duidelijk is aangegeven dat:
                  er moet sprake zijn van inwktfalen: de voorgestelde activiteiten komen niet tot stand zonder
                  overheidsbeleid;
                  de voorgestelde activiteiten voorzien in een maatschappelijke behoefte.
Tabel Fz      Legitieme en inhoudelijk duidelijke voorstellen
Thema                                                        aantal legitieme en duidelijke   totale ICES-KIS bijdrage
                                                                        voorstellen (aantal     legitieme en duidelijke
                                                                 beoordeelde voorstellen)       voorstellen (mln euro)
    Systeeminnovaties                                                                 6 (11)                      128,0
    ICT                                                                              12 (20)                      446,8
    Competenties in de kennismaatschappij                                               3(6)                      125,1
    Ruimtegebruik                                                                    11(17)                       412,3
    Kennisoverdracht en MKB                                                             2 (8)                      21,1
    Duurzaamheid                                                                     17 (24)                      333,9
    Life sciences, waarvan                                                           11 (16)                      270,0
        Life sciences zonder Genomics-projecteri                                      6 (11)                       91,8
    Microsysteem. en nariotechnologie                                                   2 (2)                     122,1
Totaal                                                                              65 (104)                     1933,8
              Tabel   F.2   vat de uitkomsten van deze stap samen. Van de    130  voorstellen zijn 104  beoordeeld;
              vervolgens zijn daaarvan 65 als legitiem en duidelijk aangemerkt.
              Voorstellen die hoog scoren op deze twee criteria gaan door naar stap 4. Van voorstellen die niet
              doorgaan wordt, waar relevant, aangegeven waarom het voorstel laag scoort bij legitimiteit.
              Van de voorstellen die doorgaan naar stap 4 vindt een nadere beoordeling plaats op basis van de
              volgende criteria:
                  draagvlak: is aannemelijk gemaakt dat bij onderzoekers en gebruikers draagvlak bestaat voor
                  het onderzoek, bijvoorbeeld via een eigen bijdrage aan (de financiering van) het onderzoek of
                  via deelname in een advies- of programmacommissie?
              '9t
</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>                                                BIJLAGE F:INVESTEREN IN KENNIS: EEN QUICI< SCAN VAN ACHJ KENNISTHEMAS
     kvalireitsborging: in hoeverre bevat het voorstel duidelijke procedurele stappen ten aanzien
     van de selectie van onderzoekers, de voortgangsbewaking, en de evaluatie van geleverde
     on derzoeksprestaties en eventuele consequenties?
Per voorstel: totaaloordeel: A: sterk; B: opwaardeerbaar; C: zwak/onbeoordeelbaar.
Per thema: totaaloordeel: aantal en bedrag aan sterke resp. opwaardeerbare voorstellen.
De volgende paragrafen beschrijven voor elk van de acht thema's de uitkomsten van dit
stappenplan.
Beperkingen van deze quick scan
Het is van belang te benadrukken dat deze quick scan een aantal belangrijke vragen
onbeantwoord laat:
Financiële onderbouwing: binnen het bestek van deze quick scan was het niet mogelijk te
toetsen in hoeverre de gevraagde ICES-bijdragen realistisch zijn. Overigens staat de
aangeleverde informatie een oordeel hierover vrijwel nooit toe.
Noodzaak additioneel onderzoek: rond elk van deze thema's zijn reeds onderzoeksgroepen
actief. in hoeverre additionele inspanningen nodig zijn om beleidsdoelstellingen te halen is in
dit stadium niet goed te beoordelen.
Beschikbaarheid onderzoekers: de gevraagde impuls komt in een aantal gevallen bovenop
lopende beleidsintensiveringen. Het is de vraag of forse extra budgetten op korte termijn
kunnen worden besteed zonder concessies te doen aan de onderzoekskwaliteit.2
Effecten op welvaart: effecten op economische groei, duurzaamheid of andere aspecten van
welvaart zijn niet in kaart gebracht. Dat zou overigens ook na een meer uitgebreide analyse
buitengewoon lastig (zo niet onmogelijk) blijken.
Samenvattend oordeel
Tabel F.3 vat de resultaten op themaniveau samen. Van de 65 ingediende voorstellen scoren 14
robuust terwijl 45 opwaardeerbaar zijn. De overige 6 voorstellen zijn zwak.
2
  Zo stelt het kabinet voor genomics gedurende de periode 2001-2006 reeds 181,5 mln euro beschikbaar, dus bijna
36,5 mln euro per jaar. Dit betekent reeds een forse extra vraag naar genomics-onderzoekers. De Tijdelijke
Adviescommissie Infrastructuur Genomics merkte hier in april ji. nog over op: 'Er bestaan (minstens) zon kleine
400 vacatures - door vacante en extra formatieplaatsen - in Nederland op het gebied van genomics en direct aan
genomics verwante disciplines bij de onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven. [.1 De algemene verwachting is
dat het probleem van de openstaande genomics vacatures de komende jaren zal blijven".
                                                                                                                  199
</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>              SE L ECTIEF IN VESTE EEN: B LAGEN
              Van de 104 beoordeelde voorstellen ontvangen er 14 de kwalificatie A. De totale ICES-claim van
             deze voorstellen bedraagt 408 mln euro. Van deze 14 voorstellen hebben           12 voorstellen
              betrekking op de thema's Ruimtegebruik, Duurzaamheid, en Life sciences. In dit stadium
             kunnen deze drie thema's derhalve sterk worden genoemd. De overige vijf thema's krijgen in
             deze fase het predikaat opwaardeerbaar of zwak. Bij het thema systeeminnovaties zijn inhoud of
             legitimiteit vaak onvoldoende duidelijk. Beschrijvingen hebben over het algemeen een hoog
             abstractieniveau, in tegenstelling tot pakketten in de andere thema's. Concrete uitwerking van
             beoogde onderzoeksresultaten, of van te ontwikkelen tools en producten, ontbreekt dikwijls.
Tabel F3 Samenvattend oordeel kennisthema's
Thema                                                              aantal voorstellen                      totaal aantal
                                                                                                           beoordeelde
                                                                     A                         B             voorstellen
                                                             (totale ICES-KIS bijdrage, mln euro)
A.  Systeeminnovaties                                        1 (11,3)                 5 (116,6)                11(24] 8)
B.  ICT                                                      1 (43,1)                12 (426,4)                20 (648,1)
C.  Competenties in de kennismaatschappij                            0                3 (125,1)                 6 (137,5)
D.  Ruimtegebruik                                           3 (171,3)                 7 (200,9)                17 (572,9)
E.  I<ennisoverdracht en MKB                                         0                  2 (21,1)                8 (103,0)
F.  Duurzaamheid                                             5(94,0)                  7 (144,1)                24 (479,1)
G.  Life sciences, waarvan                                   4 (88,0)                 7 (182,1)               16 (335,9)
        Life sciences zonder Genomics-projecten              3 (63,0)                   3 (28,8)               11 (157,6)
H. Microsysteem- en nanotechnologie                                 0                 2 (122,1)                 2 (122,1)
Totaal                                                     14 (407,8)               45 (1338,4)             104 (2640,5)
             Het thema ICT omvat een flink aantal voorstellen die als opwaardeerbaar zijn beoordeeld. Veel
             van die voorstellen roepen vragen op over de mate waarin marktpartijen niet zelf in (een deel
             van) de voorgestelde activiteiten kunnen voorzien, waardoor additionele overheidssteun (deels)
             onnodig is. Maar ook de beoordeling op de andere criteria gaf geen reden tot een hogere
             beoordeling van het thema. Het totaal oordeel van het thema is daarom opwaardeerbaar.
                   Voor het oordeel over het thema Competenties in de Kennismaatschappij is vooral het
             oordeel over slechts één van de voorstellen, Impuls voor het wetenschapspersoneelsbeleid, relevant.
             Hoewel dit project een legitiem probleem adresseert, namelijk een dreigend tekort aan hoog
             opgeleid personeel voor wetenschappelijke instellingen, is de gekozen aanpak niet overtuigend.
             Het voorstel behelst namelijk inzet van extra middelen voor talentvolle onderzoekers op andere
             projecten uit de huidige ICES-KIS-ronde, en op de vrijgevallen plaatsen van die onderzoekers.
             De andere ICES-KIS voorstellen zouden de noodzaak van deze extra middelen voor het
             200
</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>                                        BijLAGE FJNVESTEEEN IN KENNIS EEN QUICK SCAN VAN ACHT KENNISTHEMA'S
aal] relKken van onderzoekers moeten onderkennen en in de aanvraag meenemen. Het voorstel
lijkt dan ook dubbelop. Ook de overige projecten binnen dit thema scoren vaak zwak.
     Het oordeel over het thema Kennisoverdracht en het MKB is kort samengevat gebaseerd op
de volgende overwegingen. Van 5 van de 8 beschouwde pakketten is de inhoud niet duidelijk. Bij
de drie resterende pakketten bestaan vragen over de legitimiteit.
     Binnen het thema Microsysteem- en nanotechnologie hangt het oordeel vooral af van de
kwaliteit van het projectvoorstel Nanoned (gevraagde ICE S-bijdrage 113 mln euro). Dit voorstel
scoort een B, mede vanwege het ontbreken van een duidelijk draagvlak bij potentiële gebruikers.
Onderzoek naar nanotechnologie heeft volgens de indieners een sterk fundamenteel karakter. In
de huidige vorm gaat het voorstel toch uit van zeer forse private bijdragen (zie tabel ii), zonder
dat voldoende zicht wordt geboden op het realisme hiervan.
     Deze opmerkingen zijn relevant voor het vervolgtraject. De definitieve vaststelling van de
beschikbare budgetten per thema is pas mogelijk nadat gedetailleerde projectvoorstellen zijn
ingediend en beoordeeld door organisaties als NWO, KNAW en SENTER. Een optie die daarom
serieuze overweging verdient is budgetten niet nu al te oormerken voor specifieke (sub-)thema's.
Immers, oormerken dwingt de budgethouder (NWO, KNAW, regie-orgaan) middelen in te
zetten voor het betreffende (sub-)thema, ook als dit betekent dat de kwaliteitslat lager moet
worden gelegd. Dit valt te vermijden door de budgethouder op te dragen binnen een breed
gedeFinieerd (cluster van) thema's de onderzoeksmiddelen uit te zetten bij de beste
on derzoc Isc rs.
Huidige inspanningen rond thema's
Hoe verhouden de gevraagde bijdragen zich tot de huidige inspanningen op de verschillende
thema's? Antwoord op deze vraag is om twee redenen van belang:
om de haalbaarheid te kunnen beoordelen (bijvoorbeeld: een groei van io% binnen thema X
stuit minder snel op capaciteitsproblemen dan een jaarlijkse verdubbeling).
om te kunnen aftasten in hoeverre de huidige activiteiten tekortschieten.
Helaas is het niet mogelijk om een volledig beeld te krijgen van de huidige inspanningen, o.a.
omdat de thema-indeling niet goed aansluiten bij bestaande indelingen. Daarom is langs
verschillende wegen geprobeerd een ruwe indicatie te geven van de huidige inspanningen.
Systeemin novaties
Omdat een duidelijke definitie van het begrip systeeminnovaties ontbreekt, is het niet goed
mogelijk de huidige inspanningen in kaart te brengen. Het (enige) gunstig beoordeelde project
Ajp (instituut voor systeemarchitectuur en -integratie) heeft bovendien aanzienlijke overlap met
nanoned.
                                                                                                        201
</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>SE LECTIE F IN VESTEREN: BIJ LAG EN
ICT
Het totale budget van het publiek gefinancierd ICT-onderzoek (telecommunicatie,
micro-elektronica, embedded systemen en informatica) wordt geraamd op ca 100
mln euro (bron: http://taskforce-ict-en-kennis.nl/Eindrapport-task-force.pdf)
Competenties in de kennismaatschappij
Het betreft hier vooral verbetering van het wetenschapspersoneelsbeleid. Huidige uitgaven aan
wetenschappelijk personeel bij universiteiten bedragen ongeveer 700 mln euro (I4000 fte ii 50
dzd euro per fte).
Ruimtegebruik
Dit thema omvat verschillende sub-thema's rond ruimtegebruik, duurzaamheid en fysieke
infrastructuur. Het huidige onderzoek op deze terreinen vindt deels plaats bij universiteiten,
maar ook bij andere (vaak aan universiteiten gelieerde) publieke kennisinstellingen. Een zeer
ruwe schatting, opnieuw gebaseerd op gegevens over onderzoekers van de VSNU, levert een
bedrag voor personeelskosten op van 75 mln euro (ruim 1500 fte in civiele techniek,
bouwkunde, aardwetenschappen, geografie, landbouwwetenschappen, 50 dzd euro per fte).
Overigens is landbouwwetenschappen ook al meegeteld bij de schatting van life sciences.
Ken nisoverdracht en het MKB
Het 100 heeft een inventarisatie gemaakt van technologievolgende' maatregelen, grotendeels
gericht op het MKB. In 2000 ging het n totaal om een bedrag van zo'n 200 mln euro (100
2001, blz. 39).
Duurzaam heid
Dit thema heeft inhoudelijk nogal wat overlap met het thema ruimtegebruik; de schattingen
voor de huidige inspanningen zijn daarom inbegrepen bij het thema ruimtegebruik.
Life sciences
De levenswetenschappen bestaan uit verschillende disciplines; niet iedereen verstaat hier
hetzelfde onder. Een brede definitie omvat geneeskunde, biologie, en landbouwwetenschappen.
Binnen deze disciplines heeft een toenemend deel van het onderzoek betrekking om genetische
aspecten.
     Volgens deze brede definitie waren in de life sciences in 1998 ongeveer 5000 onderzoekers
(voltijdsequivalent) werkzaam bij de universiteiten in de disciplines biologie, geneeskunde en
landbouwwetenschappen (VSNU, 2001). De VSNU presenteert geen cijfers over de uitgaven per
</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>                                                       BIJLAG E F:INvEST EREN IN KEN NO EEN QUICI< SCAN VAN ACHT KEN N ISTE] EMA'S
             discipline. Een ruwe schatting voor de totale personeelskosten komt op 250 mln euro per jaar
             (uitgaande van 5 000 fte en van loonkosten van 50 000 euro per fte).
                  Overigens is in deze cijfers nog geen rekening gehouden met het recente kabinetsbesluit tot
             een forse verhoging van de uitgaven voor genomics, van 38 mln euro per jaar gedurende de
              periode 2001-2006.
             Microsysteem- en nanotechnologie
              De belangrijkste spelers binnen het nanotechnologisch onderzoek in Nederland zijn Mesa+, een
             onderzoeksinstituut van de universiteit Twente en DIMES (Delft). In totaal werken bij deze
             organisaties ongeveer 600 medewerkers; de totale onderzoeksuitgaven bedragen ongeveer 40
             mln euro.
             Conclusies
             Tabel F.4 vat de (zeer) ruwe schattingen omtrent de huidige inspanningen op de verschillende
             thema's samen. Het geheel overziend kan worden geconcludeerd dat de gevraagde ICES-
              bijdrage in de meeste gevallen fors is ten opzichte van de bestaande activiteiten. Bovendien hjkt
             het laatste thema - microsysteem- en nanotechnologie - te starten vanaf een relatief smalle basis.
Tabel F4     Ruwe schatting huidige inspanningen per kennisthema, mln euro
Kennisthema                                                                     Huidige activiteiten                Gevraagde
                                                                                            (per jaar)     ICES/KIS-bijdrage
                                                                                                                  (2003-2006)
    Systeeminnovatie                                                                                                          260
    ICT                                                                                             100                       851
    Competenties in de kennismaatschappij                                                           700                       138
    Ruimtegebruik                                                                                    75                       593
    Kennisoverdrachten Ml<B                                                                         400                       111
    Duurzaamheid                                                                   (zie ruimtegebruik)                        498
    Life sciences                                                                                   250                       336
    Life sciences zonder Genomics-projecten                                                           ?                       158
    Microsysteem- en nanotechnologie                                                                 40                       122
Totaal                                                                                            1565                      2908
                                                                                                                               203
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>SELECTIEF LNVESTEREN BIJLAGEN
204
</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>                                                        BIJLAGE G:EXTRA VOORSTLLLEN FYSIEI<E BEREI KBAARHEID
Bijlage G Extra voorstellen fysieke bereikbaarheid
Inleiding
In een laat stadium van het project heeft de ICES een aanvullende claim van in totaal 5,7 mid
euro rond fysieke bereikbaarheid ingediend, grotendeels voor financiering van projecten na
2010.  Voor deze projecten is een versnelde beoordelingsprocedure gevolgd. In deze bijlage
wordt kort ingegaan op deze procedure en de resultaten van de analyse.
Versnelde beoordelingsprocedure
Na afronding van de beoordelingstrajecten van de departementale en landsdelige projecten zijn
in de tweede helft van januari 2002 acht additionele claims aan de Planbureaus ter beoordeling
voorgelegd.
    Omdat de tijd ontbrak voor informatieverzameling langs de lijnen, zoals geschetst in
hoofdstuk 2, is gekozen voor een versneld traject. Met de indieners is een workshop
georganiseerd, waarin ontbrekende informatie is opgevraagd en onduidelijkheden over de
projecten zijn opgehelderd. In een enkel geval heeft daarnaast telefonisch overleg
plaatsgevonden en is additionele informatie toegestuurd.
    Op basis van de formats en de resultaten van de workshop zijn conceptbeoordelingen
opgesteld en voorgelegd aan de indieners, waarna de beoordelingen eind februari definitief
gemaakt zijn.
Beoordelingen
Het project VW30, VERA (spoorVErbinding Rotterdam-Antwerpen) 2 fase (454 mln euro) is als
zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld. Het project omvat nieuwbouw en aanpassingen voor de
verbetering van de spoorverbinding tussen Rotterdam en Antwerpen in de periode 2011-2017.
Het project sluit aan op de eerste fase van VERA. De 2 fase heeft als doel om knelpunten in de
spoorcapaciteit op te lossen en de leefbaarheid te verbeteren. Hoewel de projectdefinitie nog
onderwerp van onderzoek is, is een voorstel ingediend voor omleidingen om de kernen
Roosendaal en Bergen op Zoom, waar zich naar verwachting de grootste knelpunten zullen
voordoen.
    Rond het voorstel bestaan belangrijke onzekerheden over het besluitvormingsproces en de
                                                                                  1st
gehanteerde toekomstbeelden. De algemene conclusie uit de MKBA van de fase van VERA is
niet positief; het is evenmin aannemelijk dat de investering in deze 2 fase wel rendabel is.
De projectvoorsteilen VW3i en VW32 die verbeteringen voor de binnenvaart beogen, zijn als
opwaardeerbaar beoordeeld.
Het projectvoorstel VW31 Verruiming Margrietkanaal Delfzijl-Lemmer (370 mln euro) behelst
het geschikt maken van deze vaarroute voor grote (zogenaamde klasse V) schepen, voor
                                                                                                         205
</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre> SELECTIEF INVESTEREN BIJLACEN
 twecbakscluwvaart in gestrekte formatie en voor containerschepen met vier lagen containers.
 Hiervoor zijn aanpassingen aan sluizen en bruggen en verbreding van het kanaal noodzakehjlK.
 Voor zover nu kan worden beoordeeld geldt voor de meeste projectonderdelen dat de kosten de
 maatschappelijke baten overtreffen, mogelijk met uitzondering van uitbreiding van de sluizen.
 Wanneer de scheepvaart zich gunstig blijft ontwikkelen, kunnen bij de sluizen op termijn forse
 vertragingen ontstaan. Omdat realisatie van het project pas na 2010 is gepland, zijn deze baten
 echter met belangrijke onzekerheden omgeven. Een alternatief lijkt verdere fasering van het
 project, waarbij alleen de meest rendabele delen worden uitgevoerd in de periode 2011-2020.
 Het project VW32 Twentekanalen (124 mln euro) beoogt eveneens een capaciteitsverbetering
 voor de binnenvaart ten behoeve van de regio Twente. Ook hier zijn vaarweg-, sluis- en
 brugaanpassingen gepland. Opnieuw zijn, met uitzondering van de verbetering van de sluizen,
 de meeste projectonderdelen naar verwachting niet maatschappelijk rendabel. Bij dit project
gelden soortgelijke onzekerheden als bij het Margrietkanaal.
 Het project V\'V33 Duurzaam Veilig (2,7 mid euro) is eveneens opwaardeerbaar. Het project is
het vervolg van het project VW8 dat als robuust is beoordeeld (zie par. 3.2.4). Doel van het
project is een verdere reductie van het aantal verkeersdoden. De maatregelen worden in het
kader van Duurzaam Veilig 2 genomen; het betreft aanpassingen van infrastructuur op
gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau, handhaving en voorlichting, gedragsmaatregelen en
voertuigmaatregelen. Van de totale projectkosten van bijna 5 mld euro wordt 2,7 mld euro bij
ICES geclaimd voor de periode 2011-2020.
     Hoewel de effecten en kosten vergelijkbaar zijn met [let project VWo8, zijn er, omdat het
project in de verdere toekomst (na 2011) wordt uitgevoerd, forse onzekerheden over de kosten;
ook de effecten kunnen onvoldoende in beeld worden gebracht.
Het project VW34 (A27 Corridor Breda-Utrecht, 365 mln euro) heeft als doel om de congestie-
problematiek op de A27 tussen Breda en Utrecht te verlichten. Een acuut knelpunt is de
Merwedebrug te Gorinchem, dat een prominente plaats in de 'file top 50' inneemt. Daarnaast
doen zich regelmatig knelpunten voor op andere trajectdelen.
     Het voorstel omvat 'pakket 5' uit de Verkennende studie corridor Breda-Utrecht, onder meer
bestaande uit aanpassingen van de brug bij Gorinchem (en aansluitende wegdelen) en
toepassing van benuttingsmaatregelen op de rest van het traject, zoals de aanleg van dynamische
rijstrookindeling en/of wisselstroken op diverse gedeelten en de reconstructie van de brug bij
Gorinchem.
     De maatregelen zijn vooral effectief voor het op korte termijn oplossen van het
congestieknelpunt op de Merwedebrug. Dit projectonderdeel is robuust. De kosten van
reconstructie van de brug zijn geraamd op 82 mln euro. Van de overige maatregelen is
206
</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>                                                        BIJLAGE C:EXTRA VOORSTELLEN EYSIEI<E BEREIKBAARHEID
onduidelijk hoe sterk de samenhang is niet de problematiek rond de Mcrwedebrug. De overige
aanpassingen van het wegvak zijn als opwaardeerbaar beoordeeld.
    Het voorstel VW35, Bereikbaarheidsoffensief Randstad na 2010 (1361 mln euro) bevat twee
deelprojecten, waarvoor nagenoeg dezelfde hoeveelheid geld is geclaimd. Eén project richt zich
op wegen rond Rotterdam; het andere project op Amsterdam en Almere.
    In de Noordvleugel van Rotterdam is in de huidige situatie al sprake van knelpunten in de
verkeersafwikkeling op de A13 tussen Den Haag en Rotterdam en op de noordelijke tak van de
ruit tussen de A13 en de A16. Bij de passage van de A13 door Overschie doet zich bovendien een
ernstig leefbaarheidsknelpunt voor, omdat de luchtkwaliteit niet voldoet aan de Europese norm
en er sprake is van geluidsoverlast. Het voorstel wil deze problemen verminderen door aanleg
van de A4 tussen Delft-zuid en de A2o als betaalweg en aanleg van een extra verbinding tussen
de A13 en de A16.
    Aanleg van de A4 en Ai3/i6 leidt tot verbeterde bereikbaarheid en leefbaarheid. Er is echter
nog onvoldoende zicht op de investeringskosten en de baten die met uitvoering van het project
samenhangen. Ook is nog onduidelijk of aanleg in de vorm van een 'betaalweg' gebeurt of niet,
en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit deelproject is opwaardeerbaar.
     Het tweede deelproject betreft de bereikbaarheid in de noordelijke Randstad. Hier vertonen
de Ai, A6 en de Ap momenteel al congestievorming. Weliswaar kunnen op korte termijn
benuttingsmaatregelen tot enige verbetering van de situatie leiden, maar mogelijk zal de in de
Vijfde Nota geplande uitbreiding van Almere leiden tot een toename van de problematiek. Het
projectvoorstel bevat echter geen concrete maatregel. Hierdoor is er geen zicht op de effectiviteit
van de maatregelen; ook kunnen kosten en baten niet in beeld worden gebracht. De baten van
het project zijn afhankelijk van de verdere ontwikkeling van Almere. Ook de Financiering van
het project vanaf 2015 is nog onzeker. Het deelproject is als zwak/onbeoordeelbaar beoordeeld.
Het voorstel VW36 Regionet (159 mln euro geclaimd) beoogt verbeteringen te realiseren op alle
spoorcorridors in de Amsterdamse regio, in aanvulling op projecten die al tot 2010 Zijfl
voorzien. Het gaat om relatief kleinschalige maatregelen in de sfeer van benutting, zoals
passeergelegenheden op de Zaanlijn, de Hoornlijn en de Haarlemlijn, capaciteitsmaatregelen
rond de knoop Hilversum, de aansluiting Westtak/Riekerpolder en aanpassingen van
Amsterdam CS.
     Naar verwachting zijn de relatief ldeinschalige benuttingsmaatregelen effectief. De
onzekerheden over baten en kosten zijn nog relatief groot, waardoor de efficiency van het project
nog niet goed te bepalen is. Het project is opwaardeerbaar.
Het project VW37 Sleutelprojecten (claim 182 mln euro) vormt een reservering voor de aanleg
van de basisvoorzieningen op de stations bij sleutelprojecten in Rotterdam, Breda, Den Haag,
Arnhem en Amsterdam Zuid-as. De extra middelen zijn volgens de indieners nodig, omdat de
                                                                                                        207
</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>          SELECTIEF INVESTEREN: BIJLAGEN
          investeringsramingen van vijf nieuwe Sleutelprojecten uit        2000  rnet ruim  50%  blijken te zijn
          onderschat.
               De investeringen zijn een randvoorwaarde voor de realisatie van de sleutelprojecten. Er mag
          een positief effect verwacht worden op leefbaarheid, veiligheid en bereikbaarheid. Het is echter
          onzeker in welke mate de beoogde effecten ook worden gerealiseerd. Of de baten tegen de
          kosten opwegen, is echter niet na te gaan. Het project is als opwaardeerbaar beoordeeld.
          Totaal beeld
          Tabel i geeft de resultaten van de beoordelingen van de extra ~-projecten. Van de in totaal
          5, 7 mld euro aan claims, is slechts 82 mln euro      (1,4%) robuust (VW34A, verbetering Merwede
          brug). Ruim driekwart van de claims is opwaardeerbaar.
Tabel Cl       Resultaten beoordeling extra V&W projecten
                                                                                        mln euro          Oordeel
VW30                  VERA tweede fase                                                       454                 C
VW31                  Verruiming Margrietkanaal Lemmer-Deifziji                              370                 B
VW32                  Twentekanalen                                                          124                 B
VW33                  Duurzaam veilig (vervolg)                                             2692                 B
VW34A                 A27 (BRUT) Brug                                                         82                 A
VW34B                 A27 (BRUI) Overige maatregelen                                         283                 B
VW35A                 BOR Noordvleugel Rotterdam                                             681                 8
VW35B                 BOR Z.O. vleugel Noordelijke Randstad                                  680                 C
VW36                  Regionet                                                               159                 B
VW37                  Sleutelprojecten                                                       182                 B
         Deze beoordehngen vallen minder gunstig uit dan bij de eerder ingediende projecten rond
         fysieke bereikbaarheid. De belangrijkste reden is dat het merendeel van de voorstellen
         investeringsprojecten betreffen voor de periode na 2010. Hierdoor is in de meeste gevallen (nog)
         niet duidelijk hoe groot de omvang van mogelijke knelpunten zal zijn, en welke bijdrage de
         projecten aan de oplossing van de knelpunten kunnen leveren. Bij de zwakke/onbeoordeelbare
         projecten (ruim eenvijfde van de claim) is het onduidelijk of de genoemde knelpunten zullen
         optreden (VW30, VERA) en zijn er daarnaast grote onzekerheden (VW35B, BOR - Z.O. Vleugel
         Noordelijke Randstad) over de gekozen oplossingsrichtingen en overige financiering in de vorm
         van een PPS.
         208
</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>                                                                                   BIJLAGE H:VERGELIJKI NO MET 'KIEZEN OF DELEN' (1998)
               Bijlage H Vergelijking met 'Kiezen of delen' (1998)
               In deze bijlage worden de ingediende claims en de uitkomsten van de beoordelingen vergeleken
               met de soortgelijke studie 'Kiezen of delen' uit 8998. Daarbij wordt de indeling in
               beleidsterreinen van 'Kiezen of delen' gehanteerd.
                   Tabel Hi geeft de claims van beide studies weer. De nu voorliggende claims zijn met ruim
               99, 7 mld euro ruim vier maal zo groot als in 1998. In vergelijking met 'Kiezen of delen' ligt de
               nadruk minder sterk op bereikbaarheid ofschoon dit nog steeds veruit de grootste claim is. In
               de voorliggende studie is er relatief meer aandacht voor natuur en landschap en voor kennis en
               onderwijs.
Tabel Hi           Claims Nieuwe Investeringsimpuls versus Kiezen of delen
                                               Nieuwe investeringsimpuls2                                           Kiezen of delen
                                                 mld euro                    %                         mld euro                    %
Grote Steden                                      9,9                        10                        2,8                          12
Kennis en onderwijs                             15,1                         15                        1,5                           6
Fysieke bereikbaarheid                          37,9                         38                      14,3                           60
Ruimte en natuur                                32,3                         32                        3,2                          13
Milieu                                            4,6                         5                        2,2                           9
                                                                                                    240b
Totaal                                          99,7                        100                                                   100
  De dossier-indeling uit 'Kiezen of delen' wijkt afvan de huidige indeling. De gepresenteerde cijfers zijn daarom slechts indicatief.
Er is in dit overzicht niet gecorrigeerd voor overlap tussen departementale en landsdelige voorstellen,
b De totale omvang van de ICES-maatregelen bedroeg 29,4 mld euro, waarvan echter 5,4 mld uit de begrotingen werd gedekt en
daarom niet als claim is meegeteld.
              Tabel   H2    vergelijkt de uitkomsten van beide studies. In vergelijking met Kiezen of delen is het
               aandeel robuuste en opwaardeerbare projecten nu lager, hoewel in absolute termen de omvang
               van de als robuust beoordeelde claims aanzienlijk hoger ligt dan in 1998.
Tabel H2           Beoordelingen Nieuwe Investeringsimpuls versus Kiezen of delen
                                                                A                      B                      C               Claim
                                                              %                                                             mld euro
Kiezen of delen                                                21                    60                     19
                                                                                                                                875b
Nieuwe investeringsimpuls                                      10                    44                      45
  Van de 23,1 mld euro aan beoordeelde voorstellen kreeg bijna 1 mld euro een uitgesteld oordeel,
b Alleen de beoordeelde voorstellen. Daarnaast is voor 4,5 mld euro aan landsdelige voorstellen indirect beoordeeld. Verder is niet
gecorrigeerd voor overlap tussen departementale en landsdelige voorstellen.
                                                                                                                                   209
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>SE LECT IE F IN VESIEREN. BIJ LAGE H
210
</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>