Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Huursubsidiewet (vervallen van het vervolgaanvraagformulier voor bepaalde huurders).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Huursubsidiewet (vervallen van het vervolgaanvraagformulier voor bepaalde huurders).Bij Kabinetsmissive van 5 april 2000, no.00.002035, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting, houdende wijziging van de Huursubsidiewet (vervallen van het vervolgaanvraagformulier voor bepaalde huurders). Het wetsvoorstel strekt er in de eerste plaats toe de mogelijkheid te openen dat in de toekomst huurders om in aanmerking te komen voor huursubsidie alleen voor het eerste jaar een aanvraag voor huursubsidie moeten indienen en dat voor de volgende jaren hun huursubsidie automatisch wordt gecontinueerd. Zij ontvangen dan van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een huursubsidiebericht, waarop gegevens omtrent hun bewonerssituatie, de huurprijs, alsmede het inkomen en vermogen staan vermeld en de op basis van die gegevens berekende huursubsidie is aangegeven. De huurder heeft vervolgens de mogelijkheid de eventuele onjuistheid van deze gegevens kenbaar te maken, waarna de minister definitief beslist. Het is de bedoeling dat dit systeem voor alle huurders zal gaan gelden in zoverre zij geen nieuwe huurder zijn. Het nieuwe systeem zal in fasen worden ingevoerd. Daartoe dient de Huursubsidiewet (HSW) het mogelijk te maken de opzet van de gegevensuitwisseling in het kader van de uitvoering van deze wet te wijzigen. De belangrijkste wijziging houdt in dat het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de voor het toekennen van huursubsidie noodzakelijke gegevens niet langer van de huurders betrekt, maar van de zogenaamde "primaire bronnen" (Belastingdienst, verhuurders en gemeenten). De Raad van State kan zich met de hoofdlijnen van dit onderdeel van het wetsvoorstel verenigen en heeft alleen ten aanzien van bepaalde voorgestelde bepalingen enkele opmerkingen. Voorts voorziet het wetsvoorstel in een zogenoemd aanvullend prestatienormeringsinstrument. Dit instrument is gericht op een beheerste gemiddelde stijging van de rekenhuur van de huursubsidieontvangers door de verhuurder bij woningen met een rekenhuur boven f.1.107,--. Stijgt de rekenhuur van huursubsidieontvangers in dit segment gemiddeld met meer dan de inflatie dan is de verhuurder een bijdrage verschuldigd gelijk aan het bedrag dat de rekenhuur meer is gestegen dan de gemiddelde stijging met de inflatie vermenigvuldigd met het aantal betrokken woningen. De Raad heeft tegen dit onderdeel van het wetsvoorstel bezwaren die hierna verder zullen worden uitgewerkt. Het vervallen van het vervolgaanvraagformulier 1. Aan artikel 1 wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarin een definitie is gegeven van het huursubsidiebericht. In de memorie van toelichting(zie noot 1) wordt opgemerkt dat het huursubsidiebericht niet de status van een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht heeft, niet op enig rechtsgevolg is gericht en dus niet vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het dient, aldus de toelichting, slechts ter nadere kennisgeving aan de desbetreffende huurder, zodat deze op de hoogte is van een aantal voor de berekening van de huursubsidie relevante gegevens. Voorts wordt in het bericht op basis van deze gegevens het berekende (voorlopige) bedrag aan huursubsidie vermeld. Verder is voorzien in een mogelijkheid dat de huurder aan de minister kenbaar maakt dat naar zijn mening de in het huursubsidiebericht vermelde gegevens niet juist zijn en andere gegevens kan overleggen waarop de minister na een daartoe ingesteld onderzoek de huursubsidie definitief vaststelt. Naar de mening van de Raad kan niet met stelligheid worden gesteld dat het huursubsidiebeleid niet als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. De Raad adviseert daarom expliciet in de wet op te nemen dat bezwaar en beroep tegen het subsidiebericht is uitgesloten, teneinde mogelijke onduidelijkheid op dit punt te voorkomen. 2a. De mogelijkheid tot het automatisch continueren van huursubsidie voor alle huurders zal in fasen worden ingevoerd. In artikel 30a, eerste lid, zijn daarom alleen genoemd de huurders die over het subsidietijdvak dat loopt tot en met 30 juni 2000 een aanvraag om toekenning van huursubsidie hebben ingediend, waarop uiterlijk 24 maart 2000 is beschikt. Artikel 30a, eerste lid, is toegesneden op deze categorie van huurders en de HSW zal een volgend jaar daarom opnieuw moeten worden aangepast voor andere groepen van huurders. De Raad geeft in overweging de bepalingen voor deze andere groepen van huurders reeds nu in de wet op te nemen en deze dan fasegewijs in werking te laten treden. Voorts ware in de toelichting de keuze voor de datum van 24 maart 2000 nader toe te lichten. b. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel met ingang van 1 juli 2000 in werking treedt. Om die reden is in artikel 30a uitgegaan van de hiervoor onder a genoemde categorie van huurders. In artikel II van het wetsvoorstel is voorts bepaald dat indien de zending van de huursubsidieberichten of de verstrekking van de gegevens plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van deze wet, die zending of gegevensverstrekking aangemerkt wordt als te hebben plaatsgevonden ingevolge artikel 30a, eerste lid. In de toelichting wordt daaromtrent opgemerkt dat dit aldus is geregeld om te voorkomen dat bij een inwerkingtreding van het wetsvoorstel na de verzending van de huursubsidieberichten, welke krachtens artikel 30a, eerste lid, uiterlijk op 1 juli van elk jaar moet geschieden en na de desbetreffende gegevensuitwisseling, welke in ieder geval op 15 juni van elk jaar moet zijn afgerond, deze niet rechtsgeldig zouden hebben plaatsgevonden. Naar de mening van de Raad dient, mede gelet op de benodigde duur van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel, betwijfeld te worden of de genoemde data van 1 juli en 15 juni haalbaar zijn. Dit betekent dat het wetsvoorstel waarschijnlijk terugwerkende kracht zal moeten hebben. In de toelichting ware op de mogelijke consequenties van artikel II in te gaan. De Raad geeft bovendien in overweging de invoering enige tijd uit te stellen. 3. In artikel 30b worden de organen genoemd waarmee gegevensuitwisseling plaats zal vinden. In de toelichting ware aan te geven of deze gegevensuitwisseling kostenloos zal geschieden. Voorts is niet duidelijk op welke wijze de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de beschikking krijgt over de gegevens omtrent de onderverhuur. Ingevolge artikel 5, vierde lid, HSW wordt bij de berekening van de rekenhuur rekening gehouden met onderverhuur van de woning. De Raad adviseert de toelichting op deze punten aan te vullen. 4. In artikel 30c is bepaald dat indien voor 15 juni van enig jaar blijkt dat de in artikel 30b, eerste lid, bedoelde gegevens niet door de desbetreffende organen kunnen worden verstrekt, de minister aan de huurder een vervolgaanvraagformulier toezendt. De artikelen 22a en 28 tot en met 30 zijn in dat geval van toepassing. Nu het vervolgaanvraagformulier door de minister en niet, zoals in artikel 28, eerste lid, tweede volzin, is bepaald, door het college van burgemeester en wethouders wordt toegezonden, rijst de vraag of de minister dan wel het college van burgemeester en wethouders de vervolgaanvraag verder afhandelt. In de wet dient daaromtrent duidelijkheid te worden verschaft. De Raad adviseert artikel 30c aan te passen. 5. In de memorie van toelichting(zie noot 2) wordt opgemerkt dat de voorgestelde wijziging van de HSW per 1 juli 2000 mede is ingegeven door een taakstelling uit het regeerakkoord, die uitgaat van een ombuiging oplopend tot 50 miljoen gulden op jaarbasis. Berekend zou zijn dat er als gevolg van een verdere stroomlijning en modernisering van de uitvoering van de HSW besparingen bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de verhuurders en de gemeenten mogelijk zijn. Volgens de Raad worden de te verwachten besparingen aldus wel erg globaal weergegeven en dient in de memorie van toelichting een nadere specificatie van de te verwachten besparingen te worden opgenomen. 6. De prestatienormering Het wetsvoorstel voorziet in een instrument gericht op een beheerste gemiddelde stijging van de rekenhuur van huursubsidieontvangers bij woningen met een rekenhuur boven f.1.107,--. Stijgt de rekenhuur in dit segment gemiddeld met meer dan de inflatie dan is de verhuurder een bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage is gelijk aan het bedrag dat de rekenhuur meer is gestegen dan de gemiddelde stijging met de inflatie vermenigvuldigd met het aantal betrokken woningen. De bijdrage wordt, als de landelijke norm wordt overschreden, slechts geïnd, indien de verhuurder op de eerste dag van het betrokken subsidiejaar minimaal 10 woningen in dit segment beheerde ten aanzien waarvan huursubsidie werd toegekend. In de memorie van toelichting(zie noot 3) wordt opgemerkt dat bij de vormgeving van dit aanvullende prestatienormeringsinstrument rekening is gehouden met de kritiek die de Raad heeft geleverd op de vormgeving van dit instrument in zijn advies op het bij Kabinetsmissive van 29 december 1998, no.98.006302, bij de Raad ter overweging aanhangig gemaakte voorstel van wet tot wijziging van de Huursubsidiewet.(zie noot 4) Naar aanleiding van deze kritiek is terzake geen wijziging van de HSW in dat wetsvoorstel opgenomen. In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat een belangrijk verschil tussen het nu voorgestelde instrument en het indertijd aan de Raad voorgelegde instrument is, dat niet meer per woning wordt beoordeeld of een heffing kan worden opgelegd, maar per verhuurder. Daarmee staat het de verhuurder vrij om binnen de grenzen van de Huurprijzenwet woonruimte voor iedere individuele woning een huurverhoging te bepalen. Naar aanleiding van de opmerkingen die de Raad in zijn advies maakte over de bijzondere eisen die het voorgestelde instrument stelde aan de handhaving is, in het bijzonder met betrekking tot de eisen die zouden moeten worden gesteld aan de niet-bedrijfsmatige verhuurder, volgens de memorie van toelichting op dit punt in het voorliggende wetsvoorstel aan die opmerkingen tegemoetgekomen door uit te gaan van een gemiddelde stijging van de rekenhuur en een ondergrens te hanteren van minimaal 10 woningen met een rekenhuur boven de f.1.107,--. Evenals bij de uitgavennorm kan de ontwikkeling van de gemiddelde stijging van de rekenhuur worden afgeleid uit de administratie van de huursubsidiegegevens, aldus de toelichting. Naar de mening van de Raad is het principiële bezwaar dat hij in zijn advies tegen het aanvankelijk voorgestelde systeem heeft aangevoerd door het nieuwe systeem niet weggenomen. Dit onderdeel van het wetsvoorstel geeft de Raad aanleiding tot de volgende opmerkingen. a. Naar het oordeel van de Raad kan de door de verhuurder aan het Rijk te betalen bijdrage, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, niet anders gezien worden dan als een heffing. Het feit dat in het voorgestelde systeem niet meer per woning maar per verhuurder wordt beoordeeld of een heffing is verschuldigd verandert daar niets aan. De heffing treft alle verhuurders die 10 of meer woningen met een rekenhuur boven de f.1.107,-- verhuren en niet alleen verhuurders die betrokken zijn bij het in de toelichting genoemde convenant van 7 oktober 1998. Voorts heeft de heffing betrekking op huurverhogingen die als zodanig volledig in overeenstemming met de geldende regeling zijn en wordt zij alleen geheven omdat de huren in rekening worden gebracht aan huurders die een huursubsidie ontvangen. Ook onder het thans voorgestelde (gewijzigde) systeem is de heffing willekeurig. Naar de mening van de Raad gelden daartegen dezelfde bezwaren als verwoord in zijn advies van 23 februari 1999. b. Nu blijkens de toelichting binnen de grenzen van de Huurprijzenwet woonruimte de verhuurder voor iedere individuele woning zelf de huurverhoging kan bepalen mits de rekenhuur in het segment rond de maximale huurgrens gemiddeld met niet meer dan de inflatie stijgt, kan er sprake zijn van een verschillende huur voor dezelfde soort woningen van dezelfde verhuurder en ten aanzien waarvan alle betrokken huurders recht op huursubsidie hebben. Daarnaast blijft de mogelijkheid bestaan dat voor dezelfde soort woningen een verschillende huur zal gaan gelden al naar gelang de huurder huursubsidie ontvangt of niet. c. Nu de heffing niet van toepassing is op verhuurders die minder dan 10 woningen als bedoeld in artikel 42, derde lid, beheren, blijft een deel van de verhuurders buiten schot zonder dat daar een objectief te rechtvaardigen reden voor is. De huurders van deze woningen kunnen door een sterke huurverhoging hun recht op huursubsidie verliezen. Een overeenkomstig bezwaar geldt ten aanzien van artikel 44a, derde lid, aanhef en onder a. Daarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur andere gevallen dan die, bedoeld in het tweede lid, worden aangewezen waarin, in afwijking van het eerste lid, geen of een lagere financiële bijdrage verschuldigd is. Niet duidelijk is op welke gevallen deze bepaling doelt. De Raad adviseert dit onderdeel van het wetsvoorstel te heroverwegen. 7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)