Raad van State
Ontwerpbesluit houdende regels omtrent de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Besluit beginselen geïntegreerde gewasbescherming), met nota van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende regels omtrent de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Besluit beginselen geïntegreerde gewasbescherming), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 23 december 2003, no. 03.005323, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gedaan in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels omtrent de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Besluit beginselen geïntegreerde gewasbescherming), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit bevat een opsomming van beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding, en van op die beginselen gebaseerde voorschriften. Telers worden verplicht een gewasbeschermingsplan op te stellen, waarin zij aangeven hoe zij die beginselen en voorschriften zullen uitvoeren. Van de beginselen kan gemotiveerd worden afgeweken; afwijkingen moeten worden opgetekend in een gewasbeschermingslogboek.De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt enkele opmerkingen over de gevolgen van de te late implementatie, de wenselijkheid van een uniforme opzet van het gewasbeschermingsplan, de mogelijkheid om van het plan af te wijken, de verhouding tot de omschrijving van “geïntegreerde bestrijding” in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Bmw 1962) en de bezwaren die zijn geuit door organisaties die betrokken waren bij de totstandkoming van het Afsprakenkader Gewasbescherming. Het college meent dat in verband hiermee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.1. ImplementatietermijnHet ontwerpbesluit dient mede ter implementatie van de tweede volzin van artikel 3, derde lid, van richtlijn 91/414/EEG.(zie noot 1) De implementatietermijn van deze richtlijn eindigde op 18 augustus 1993; voor wat het bedoelde gedeelte van artikel 3 betreft is deze datum ruimschoots overschreden. De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de eventuele gevolgen hiervan.2. Uniforme opzet van het gewasbeschermingsplanArtikel 2, eerste lid, van het ontwerpbesluit schrijft voor dat de teler die gewasbeschermingsmiddelen voorhanden of in voorraad heeft, gebruikt of laat gebruiken beschikt over een gewasbeschermingsplan en een gewasbeschermingslogboek. Het besluit geeft geen expliciete vormvoorschriften; artikel 3 bepaalt slechts dat het plan en het logboek op toegankelijke wijze moeten zijn opgesteld.Het tweede en derde lid van artikel 2, in combinatie met de bijlagen bij het ontwerpbesluit, schrijven vrij gedetailleerd voor welke informatie in het plan en het logboek moet worden opgenomen. Hoewel het hier in beginsel om inhoudelijke eisen gaat, brengt de formulering van deze bepaling mee dat in het plan een bepaalde indeling zal moeten worden gevolgd. Zo blijkt uit het tweede lid van artikel 2 dat gegevens moeten worden verstrekt per teelt, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen behandeling van uitgangsmateriaal, het telen zelf en behandeling van geoogst plantgoed, en dat voor elk van de in bijlage I genoemde beginselen en de in bijlage II opgesomde voorschriften moet worden vermeld hoe er in de verschillende stadia invulling aan zal worden gegeven. Feitelijk is daarmee de structuur van het gewasbeschermingsplan al dwingend voorgeschreven.Overtreding van de bepalingen van het ontwerpbesluit levert een economisch delict op, en handhaving zal (mede) langs strafrechtelijke weg plaatsvinden. Gelet hierop en met het oog op de rechtszekerheid is de Raad van mening dat de normstelling geen onnodige onduidelijkheden zou moeten bevatten.Nu in feite voor het plan een bepaalde uniforme opzet wordt voorgeschreven is het volgens de Raad wenselijk dat deze ook expliciet in, of op basis van, het besluit wordt vastgelegd. Een uniforme opzet (bijvoorbeeld in de vorm van een standaardformulier) komt, naar het college meent, ook de toegankelijkheid van de stukken ten goede, zowel voor gebruikers als voor met handhaving belaste ambtenaren. Dit hoeft naar de mening van de Raad niet te leiden tot hogere administratieve lasten, maar kan, integendeel, juist een verlaging van de administratieve en handhavingslasten tot gevolg hebben.De Raad adviseert het besluit in bovenvermelde zin aan te passen.3. Mogelijkheid tot afwijking van het planArtikel 2, eerste lid, bepaalt kort gezegd dat de teler in het gewasbeschermingsplan aangeeft hoe hij aan de beginselen en voorschriften uit respectievelijk de Bijlagen I en II uitvoering zal geven. Voor de voorschriften (Bijlage II) bepaalt artikel 4 met zoveel woorden dat de teler daaraan moet voldoen. Met betrekking tot de beginselen (Bijlage I) wordt slechts bepaald dat, indien wordt afgeweken van hetgeen over de invulling daarvan in het beschermingsplan is vermeld, dat gemotiveerd moet worden aangetekend in het logboek. De nota van toelichting vermeldt echter dat het mogelijk moet zijn dat een teler afwijkt van het beschermingsplan indien handelen overeenkomstig het plan “redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd”.(zie noot 2) Dit suggereert een sterkere binding aan het plan dan voortvloeit uit artikel 2 van het ontwerpbesluit.Mede gelet op het feit dat in de toelichting bij een regeling geen nadere voorschriften kunnen worden opgenomen (aanwijzing 214 Aanwijzingen voor de regelgeving) adviseert de Raad het besluit en de toelichting op dit punt op elkaar af te stemmen.4. Omschrijving “geïntegreerde bestrijding” in de Bmw 1962Volgens de omschrijving die de Bmw 1962 van geïntegreerde bestrijding geeft, dient daarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen te worden beperkt tot het strikte minimum dat noodzakelijk is om populaties van organismen onder de niveaus te houden waarbij in economisch opzicht onaanvaardbare schade of verliezen optreden.(zie noot 3) In afwijking hiervan merkt de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit op dat bij de beoordeling van de vraag of het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is toegestaan (of er sprake is van een “keus”) een rol speelt of het gebruik van niet-chemische middelen “bedrijfseconomisch verantwoord is”.(zie noot 4) Deze formulering lijkt meer ruimte te geven voor de inzet van chemische middelen dan mogelijk is op grond van de omschrijving in de Bmw 1962. Zij valt daarnaast moeilijk te rijmen met de opmerking in de nota van toelichting dat het er bij geïntegreerde gewasbescherming om gaat dat alle overige niet-chemische maatregelen zijn benut alvorens wordt besloten tot het inzetten van chemische middelen.(zie noot 5)De Raad meent dat in het ontwerpbesluit dient te worden aangesloten bij de omschrijving van “geïntegreerde bestrijding” zoals opgenomen in de Bmw 1962. In verband daarmee adviseert hij in voorschrift 3a van Bijlage II te bepalen dat bij bestrijding van ziekten of plagen gebruik wordt gemaakt van niet-chemische bestrijding, tenzij bestrijding met chemische middelen noodzakelijk is om populaties van organismen onder de niveaus te houden waarbij in economisch opzicht onaanvaardbare schade of verliezen optreden. De Raad adviseert voorts een parallele wijziging aan te brengen in voorschrift 3b.5. Bezwaren betrokkenen bij AfsprakenkaderIn paragraaf 9.1 van de nota van toelichting wordt, naar aanleiding van door het Adviescollege toetsing administratieve lasten opgeworpen bezwaren, opgemerkt dat het gewasbeschermingsplan en het logboek voortvloeien uit het Afsprakenkader Gewasbescherming. Daaruit blijkt, aldus de toelichting, dat het bedrijfsleven de noodzaak van beide documenten onderkent. Elders in de toelichting (paragraaf 11) blijkt echter dat de Stichting Natuur en Milieu en LTO Nederland, beide betrokken bij het Afsprakenkader, bedenkingen hebben tegen het ontwerpbesluit in deze vorm. De aangehaalde bezwaren van LTO Nederland, onder meer met betrekking tot de administratieve lasten, lijken de conclusie dat het bedrijfsleven de noodzaak van een gewasbeschermingsplan en -logboek erkent niet te onderbouwen. Op de bezwaren van Stichting Natuur en Milieu en LTO Nederland wordt verder niet ingegaan.De Raad adviseert de beide genoemde passages in de nota van toelichting op elkaar af te stemmen, en alsnog aandacht te besteden aan de door LTO Nederland en de Stichting Natuur en Milieu ingebrachte bezwaren.6. Bestuurlijke HandhavingDe Raad adviseert te verduidelijken wat wordt bedoeld met de opmerking in paragraaf 10 van de nota van toelichting dat “nadere invulling zal worden gegeven aan bestuurlijke handhaving van het onderhavige besluit”.7. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl5 pagina's, pdf Tekst