Raad van State
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten.Bij Kabinetsmissive van 11 februari 2003, no.03.000654, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten. Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van vijf Europese richtlijnen op het gebied van elektronische communicatie, die samen een geheel nieuw Open Network Provisions (ONP)-kader vormen. De richtlijnen beogen een antwoord te zijn op de toegenomen concurrentie en convergentie in de (tele)communicatiesector. De toegenomen concurrentie in deze sector vraagt om een andersoortig ingrijpen in de marktverhoudingen en dus om andere (toezichts)bevoegdheden. Het proces van convergentie van netwerken (het naar elkaar toegroeien van netwerktechnologieën), dat nog in volle gang is, vraagt om regelgeving die geen, of zo min mogelijk, onderscheid maakt tussen de verschillende diensten en verschillende netwerken (technologie-onafhankelijke regelgeving). De economische en technologische ontwikkelingen hebben bovendien geleid tot het inzicht dat er in mindere mate behoefte is aan sectorspecifieke regelgeving en meer aan toepassing van het (algemene) mededingingsrecht.(zie noot 1) De belangrijkste kenmerken van het door de richtlijnen gevormde nieuwe ONP-kader zijn: techniek-onafhankelijke regelgeving: niet langer zijn de aard van het netwerk (bijvoorbeeld telefoonnetwerk of omroep(zender)netwerk) of het soort dienst dat verricht wordt maatgevend voor de regelgeving: het regelgevingskader geldt voor alle (soorten) elektronische communicatienetwerken en -diensten; de invulling van het begrip aanmerkelijke marktmacht verandert: in plaats van de thans gehanteerde maatstaf van een marktaandeel van 25 procent, definieert artikel 14, tweede lid, van de Kaderrichtlijn het begrip als: het alleen of samen met anderen over de economische kracht beschikken om zich in belangrijke mate onafhankelijk van concurrenten, klanten en consumenten te gedragen; ook de nieuwe richtlijnen gaan uit van ex ante regulering, maar in tegenstelling tot het bestaande kader, is in het nieuwe kader niet langer sprake van bepaalde verplichtingen die automatisch van toepassing zijn op een partij die door de toezichthouder is aangewezen als een partij met aanmerkelijke marktmacht; binnen het nieuwe kader moet de toezichthouder die verplichtingen per stuk opleggen en motiveren; uitgebreide consultatie- en coördinatieprocedures. Het wetsvoorstel behelst een omvangrijke aanpassing van enkele hoofdstukken van de Telecommunicatiewet (Tw), en aanpassing van enkele andere wetten. Tegelijk met de onderhavige zaak is bij de Raad van State aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de implementatie van richtlijn nr.97/66/EG en richtlijn 2002/58/EG. In dat wetsvoorstel wordt voor een beperkt onderdeel vooruitgelopen op de integrale implementatie van de (Communicatie)Privacyrichtlijn in het onderhavige wetsvoorstel. De Raad brengt in de aanverwante zaak een apart advies uit. De implementatietermijn van de Toegangs-, Machtigings-, Kader- en Universele Dienstenrichtlijnen verstrijkt op 24 juli 2003, die van de (Communicatie) Privacyrichtlijn op 31 oktober 2003. In verband daarmee is de Raad om een spoedbehandeling van beide wetsvoorstellen verzocht. De Raad onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot de wijze van implementatie, enkele definities, het begrip "nationale regelgevende instantie" (hierna: nri), en de reikwijdte van de voorgestelde bevoegdheden. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Wijze van implementatie De regering heeft bij de implementatie van de richtlijnen als uitgangspunt gehanteerd dat slechts nieuwe regels worden gesteld voorzover dit voor de implementatie van de voorliggende richtlijnen nodig is. (zie noot 2) Daarbij is ervoor gekozen aan te sluiten bij de reeds bestaande kaders inzake bevoegdheidsstructuren, waaronder de taken van de nationale regelgevende instanties en het bestaande rechtsbeschermingsstelsel.(zie noot 3) De Raad onderschrijft deze uitgangspunten. Die uitgangspunten hoeven op zichzelf niet in de weg te staan aan een correcte en volledige implementatie van de richtlijnen, mits zo nauw mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de definities, begrippen en systematiek van de richtlijnen. Daarbij kan naar het oordeel van de Raad niet voorbij worden gegaan aan de doelstellingen van de richtlijnen en de ruimte die de richtlijnen laten aan de nationale wetgever. De Raad plaatst bij de wijze van implementatie de volgende kanttekeningen: a) De richtlijnen zijn gebaseerd op artikel 95 van het EG-Verdrag. In dit geval is de gekozen harmonisatiemethode die van volledige harmonisatie. Dit betekent dat er in beginsel geen ruimte is om van de bepalingen van de richtlijnen af te wijken. De lidstaten mogen slechts aanvullende regels stellen indien en voorzover de richtlijn daarin voorziet. De harmonisatiedoelstelling is ook duidelijk verwoord in de artikelen 1 van de richtlijnen: de Kaderrichtlijn stelt een geharmoniseerd kader voor de regulering van elektronische communicatiediensten en -netwerken vast; binnen dat geharmoniseerde kader strekken de overige richtlijnen tot harmonisatie van een aantal bijzondere onderwerpen, geregeld in die richtlijnen. Ook op het niveau van de uitvoering komt de harmonisatiedoelstelling tot uitdrukking, doordat de richtlijnen voorzien in vergaande verplichtingen tot samenwerking en consultatie door de nationale regelgevende instanties van de lidstaten, zowel met elkaar, als met de Europese Commissie. Anders dan in de memorie van toelichting wordt gesteld, laten de richtlijnen de lidstaten geen beleidsruimte laten ten aanzien van de in de toelichting genoemde onderwerpen.(zie noot 4) Wel bieden de richtlijnen ten aanzien van sommige onderwerpen een keuze: de lidstaten mogen ten aanzien van die onderwerpen regels stellen; zij zijn daartoe niet verplicht. De regering maakt in een aantal gevallen, bijvoorbeeld ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Universeledienstrichtlijn, gebruik van deze keuzemogelijkheid.(zie noot 5) Maar ook in dat geval is de ruimte zeer beperkt. De (nader te stellen) regels mogen geen afbreuk doen aan het doel en de strekking van de richtlijnen. Naar het oordeel van de Raad is het daarom raadzaam de bewuste passage in de memorie van toelichting in voornoemde zin te nuanceren. b) De Raad heeft er in eerdere adviezen op gewezen dat gelijkheid van terminologie bij implementatie van groot belang is.(zie noot 6) Gelet op de rol van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) bij de uitleg van de in de richtlijn voorkomende definities en begrippen, is afwijking daarvan risicovol. Zeker in geval van volledige harmonisatie is het van belang dat de (terminologie van de) richtlijnen in alle lidstaten zoveel mogelijk op gelijke wijze in de nationale wetgeving worden verwerkt. Bovendien kan het afwijken van begrippen en definities in het onderhavige geval problemen opleveren in verband met de verplichte samenwerking met en consultatie van nri's van andere lidstaten en de Europese Commissie. Naar de Raad moet vaststellen, wijkt het wetsvoorstel op sommige punten af van de begrippen en definities in de richtlijnen: (i) sommige richtlijndefinities worden in het wetsvoorstel niet overgenomen; andere op een wijze die niet aansluit bij de definitie in de richtlijn (zie de punten 3, 4 en 5 van dit advies; (ii) de reikwijdte van sommige begrippen in het wetsvoorstel is beperkter dan de reikwijdte van het corresponderende begrip in de richtlijnen (zie de punten 6 en 7 van dit advies). c) De Raad merkt op dat een substantieel deel van de te implementeren materie niet in het wetsvoorstel is opgenomen. Uit diverse artikelen van het voorstel blijkt dat een deel van de materie door middel van lagere regelgeving wordt geïmplementeerd. Uit de toelichting blijkt dat de implementatie van artikel 5 van de (Communicatie)Privacyrichtlijn verdere studie vergt en dat een implementatievoorstel op een later moment zal worden gedaan.(zie noot 7) De Raad wijst erop dat zolang de aanvullende implementatiewet, de algemene maatregelen van bestuur en de ministeriële regelingen niet zijn vastgesteld, de desbetreffende richtlijnartikelen niet (volledig) zijn geïmplementeerd. De Raad vraagt zich in dat opzicht af of de implementatietermijn wel gehaald zal worden. Indien voorzien wordt dat dat niet het geval zal zijn, is het raadzaam in de memorie van toelichting in te gaan op de oorzaken van de termijnoverschrijding en de mogelijke gevolgen daarvan. De Raad adviseert de voorgestelde wettekst zodanig te redigeren dat deze uit een oogpunt van terminologie zo nauw mogelijk aansluit bij de richtlijn en daarnaast de memorie van toelichting in het licht van het voorgaande aan te passen. 2. Definities Volgens de aan de toelichting gehechte transponeringstabel zijn de artikelen 2 van de richtlijnen (uitgezonderd artikel 2 van de Machtigingsrichtlijn) geïmplementeerd in het voorgestelde artikel 1.1 Tw. Veel richtlijndefinities zijn evenwel niet in dat artikel terug te vinden, terwijl uit de memorie van toelichting evenmin blijkt dat de definities op andere wijze zijn geïmplementeerd, of dat implementatie van deze definities overbodig is. Buiten de meer algemene bezwaren tegen het niet of onvolledig implementeren van definities, waarop hiervoor reeds is ingegaan, vraagt de Raad zich van sommige definities af of deze wel gemist kunnen worden. Zo ontbreekt in het wetsvoorstel een definitie van het begrip "interconnectie". In de memorie van toelichting wordt gesteld dat "hoewel interoperabiliteit en interconnectie onder het algemene begrip toegang vallen, het voor de reikwijdte van de verplichtingen van belang is de begrippen interoperabiliteit en interconnectie enerzijds en toegang in algemene zin anderzijds goed te onderscheiden".(zie noot 8) Daarnaast blijkt uit de toelichting dat er verschillende betekenissen aan het begrip toegang worden toegekend: toegang in de ruime zin van de betekenis van het begrip en toegang in enge zin.(zie noot 9) Naar het oordeel van de Raad dient het verband en het onderscheid tussen voornoemde begrippen niet alleen uit de toelichting, maar (ook) uit de wettekst te volgen. Dat resultaat kan bereikt worden door de begrippen elk afzonderlijk te definiëren. De Raad beveelt aan zulks te doen. Ook een beschrijving van het begrip universele dienst ontbreekt in het wetsvoorstel. Uit de memorie van toelichting is af te leiden dat ervoor is gekozen om de bestaande, bij de totstandkoming van de Telecommunicatiewet gekozen, systematiek - het nader invullen van de universele dienst bij of krachtens algemene maatregel van bestuur - te handhaven, omwille van de flexibiliteit en vanwege het feit dat er nog diverse keuzes "met een politieke lading" gemaakt zouden moeten worden.(zie noot 10) De Raad kan deze argumentatie niet volgen. De inhoud en omvang van het begrip universele dienst staan vast: deze worden gegeven in artikel 2, onder j, van de Kaderrichtlijn en de artikelen 4, 5, en 6, van de Universeledienstrichtlijn. Het enkele feit dat lidstaten er niet toe verplicht zijn, maar ervoor kunnen kiezen de voorzieningen die onder de universele dienst vallen uit te breiden tot benutting door een andere groep van eindgebruikers, namelijk eindgebruikers met een handicap, betekent naar het oordeel van de Raad niet dat de omvang van het begrip afhankelijk is van nog te maken keuzes. De keuze voor nadere invulling van het begrip universele dienstverlening bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zou nog te billijken zijn, indien te verwachten is dat (de inhoud en omvang van) het begrip universele dienst zeer frequent zou wijzigen, maar de Raad meent dat dat niet het geval is: artikel 15 van de Universeledienstrichtlijn voorziet in een evaluatie voor 24 juli 2005 en daarna een driejaarlijkse evaluatie. Het college acht het derhalve raadzaam de inhoud en omvang van de universeledienst op hoofdpunten vast te leggen in de wet; daarnaast zou een wettelijke grondslag voor nadere regeling op ondergeschikte punten kunnen worden gecreëerd. De Raad adviseert de voorgestelde wettekst aan te vullen met definities van voornoemde begrippen en voor het overige te verduidelijken welke richtlijndefinities in welke voorgestelde artikelen zijn geïmplementeerd, dan wel aan te geven waarom implementatie van sommige definities niet nodig is. Nationale regelgevende instantie(s) 3. Artikel 2, aanhef en onderdeel g, van de Kaderrichtlijn definieert het begrip "nationale regelgevende instantie" als één of meer lichamen die door een lidstaat zijn belast met een van de regelgevende taken die in de richtlijnen worden opgelegd.(zie noot 11) De definitie van "nationale regelgevende instantie" in het voorgestelde artikel 1.1, onderdeel c ziet alleen op instanties in andere lidstaten die met uit de richtlijnen voortvloeiende taken zijn belast. Daardoor blijkt uit de voorgestelde wettekst niet welke instantie(s) in Nederland als nationale regelgevende instantie moet(en) worden aangemerkt. Uit de memorie van toelichting is weliswaar (impliciet) af te leiden dat de regering het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken en de Onafhankelijke Post- en Telecommunicatieautoriteit (OPTA) als nri aanmerkt,(zie noot 12) doch naar het oordeel van de Raad behoort in de wet zelf te worden vastgelegd welke Nederlandse instantie(s) nri in de zin van de richtlijnen zijn. De Raad wijst daarbij op het volgende. Allereerst is in artikel 3, tweede lid, van de Kaderrichtlijn bepaald dat de nri’s een onafhankelijke positie moeten innemen. De nri’s moeten voorts de in artikel 8, tweede tot en met vierde lid, van de Kaderrichtlijn genoemde doelstellingen in acht nemen. Zij nemen in de derde plaats deel aan verschillende door de Kaderrichtlijn voorziene procedures (consultatie, artikel 6; coördinatie, artikel 7, en geschillenbeslechting, artikelen 20 en 21). Zij moeten volgens artikel 3, zesde lid, van de Kaderrichtlijn aan de Commissie worden gemeld met opgave van hun onderscheidende taken. Hierbij komt dat het Agentschap en de OPTA niet de enige Nederlandse instanties zijn die voor kwalificatie als nri in aanmerking komen. Verder rijst ook de vraag of het inderdaad het Agentschap is dat als nri wordt aangemerkt of dat het de Minister van Economische Zaken zelf is die als zodanig moet worden beschouwd. Om al deze redenen adviseert de Raad de definitie in het voorgestelde artikel 1.1, onderdeel c, aan te vullen met de Nederlandse instantie(s) die als nri moet(en) worden aangemerkt. Indien het inderdaad het Agentschap is dat, naast de OPTA, als nri moet worden aangemerkt, verzoekt het college bovendien om in de toelichting aan te geven hoe de hiervoor reeds genoemde onafhankelijkheid van deze dienst zal worden verzekerd. De Raad adviseert de definitie in het voorgestelde artikel 1.1, onderdeel c, aan te vullen met de Nederlandse instantie(s) die als nri moet(en) worden aangemerkt. 4. Indien meer dan één instantie in Nederland als nri wordt aangemerkt, is het naar het oordeel van de Raad eveneens raadzaam een duidelijke taakverdeling en taakafbakening tussen de nri's in de wettekst in plaats van in de memorie van toelichting op te nemen. Daarbij dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de vereisten van artikel 3 van de Kaderrichtlijn, alsmede aan de beleidsdoelstellingen en regelgevingsbeginselen van artikel 8 van de Kaderrichtlijn, die de nri's bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden in acht moeten nemen. De Raad denkt onder meer aan het vereiste van onafhankelijkheid in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Kaderrichtlijn. In het geval van OPTA is daaraan thans voldaan; maar zal dat vereiste ook zijn gewaarborgd als de OPTA, zoals in het voornemen ligt, medio 2005 als kamer bij de Nationale mededingingsautoriteit (Nma) zal worden ondergebracht?(zie noot 13) De Raad is zich ervan bewust dat de Nma tegen die tijd in een zelfstandig bestuursorgaan kan zijn omgezet, maar wijst erop dat ook in dat geval de minister altijd nog de bevoegdheid zal hebben om algemene instructies aan de Nma te geven, althans volgens het aanhangige wetsvoorstel.(zie noot 14) In het kader van de taakafbakening tussen de nri('s) vraagt de Raad zich af hoe, in het geval van meer dan één nri, de samenwerkingsverplichtingen met de nri's in andere lidstaten en met de Europese Commissie, worden vormgegeven. De Raad adviseert het wetsvoorstel en de memorie van toelichting op deze punten aan te vullen. Bevoegdheden 5. Artikel 5, vierde lid, van de Toegangsrichtlijn is volgens de toelichting geïmplementeerd in de voorgestelde artikelen 6.2, 6.3, en 12.7.(zie noot 15) Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Toegangsrichtlijn moeten de lidstaten twee verschillende bevoegdheden aan de nri('s) toekennen om in te grijpen ter waarborging van de beleidsdoelstellingen van artikel 8 van de Kaderrichtlijn: (i) de bevoegdheid om op eigen initiatief, indien gerechtvaardigd, in te grijpen; (ii) de bevoegdheid om, bij gebreke van overeenstemming tussen ondernemingen, wanneer één van de betrokken partijen daarom verzoekt, in te grijpen. Wát "ingrijpen" behelst is niet gespecificeerd in artikel 5 van de Toegangsrichtlijn, maar volgt uit artikel 8, eerste lid van de Kaderrichtlijn: de nri's moeten alle redelijke maatregelen kunnen treffen die gericht zijn op de doelstellingen genoemd in het tweede, derde en vierde lid van artikel 8 van de Kaderrichtlijn. Wel geeft artikel 5, vierde lid, van de Toegangsrichtlijn aan, wánneer de nri('s) mag of mogen ingrijpen: (i) op eigen initiatief telkens wanneer dat maar gerechtvaardigd is, en (ii) telkens wanneer een partij daarom verzoekt. De voorgestelde artikelen 6.2, eerste lid en 12.7 betreffen bevoegdheden van OPTA om op te treden op aanvraag van één van de partijen die geen overeenstemming kan bereiken respectievelijk een geschil heeft met een andere partij (dus voornoemde bevoegdheid sub (ii)). Artikel 6.2, tweede lid, betreft de bevoegdheid van OPTA om ambtshalve verplichtingen op te leggen, wanneer het algemeen maatschappelijk belang dit in het voorliggende geval vordert. Artikel 6.3, eerste lid, betreft de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur, in het geval het algemeen maatschappelijk belang dit vordert, bepaalde categorieën diensten aan te wijzen waarvan de aanbieders eind- tot eindverbindingen tot stand moeten brengen. Laatstgenoemde bevoegdheden wijken qua bewoordingen af van de bewoordingen van artikel 5, vierde lid, van de Toegangsrichtlijn: "indien gerechtvaardigd" is gewijzigd in "indien het algemeen belang dit vordert". Bovendien is de reikwijdte van de bevoegdheid van de Kroon beperkt tot het bij algemene maatregel van bestuur opleggen van de verplichting eind- tot eindverbindingen tot stand te brengen, aan aanbieders van bepaalde categorieën diensten. Uit de (artikelsgewijze) memorie van toelichting blijkt niet waarom van de bewoordingen van de richtlijn is afgeweken. Om redenen uiteengezet onder punt 1 van dit advies, acht de Raad het hanteren van begrippen die afwijken van de richtlijn ongewenst. De Raad adviseert bij de implementatie van de bevoegdheid ex artikel 5, vierde lid, van de Toegangsrichtlijn aan te sluiten bij de in dat artikel gehanteerde begrippen, of anders aan te geven waarom dat niet is gebeurd. 6. Artikel 20, eerste lid, van de Kaderrichtlijn verschaft aan de nri('s) de bevoegdheid tot het beslechten van een geschil op een gebied dat valt onder de richtlijnen. Het betreft een algemene bevoegdheid die niet is beperkt naar het soort geschil. Artikel 20 van de Kaderrichtlijn is geïmplementeerd in het voorgestelde hoofdstuk 12. Uit het voorgestelde artikel 12.3 blijkt dat OPTA slechts een geschilbeslechtende bevoegdheid heeft ten aanzien van de in dat artikel limitatief opgesomde geschillen. De Minister van Economische Zaken heeft slechts een geschilbeslechtende bevoegdheid ten aanzien van een geschil dat betrekking heeft op het in gebruik nemen van frequentieruimte (het voorgestelde artikel 12.20). Naar het oordeel van de Raad zijn de geschilbeslechtende bevoegdheden van de nri('s) in het wetsvoorstel beperkter van omvang dan de geschilbeslechtende bevoegdheden in de richtlijn, doordat deze bevoegdheden zijn beperkt tot een aantal limitatief opgesomde geschillen. De Raad adviseert de geschilbeslechtende bevoegdheden in het wetsvoorstel uit te breiden tot alle geschillen op de gebieden die door de richtlijnen bestreken worden. 7. Met het oog op de nakoming van de in artikel 6.1 opgenomen onderhandelingsplicht schetst de toelichting de keuze voor de aanbieder die van mening is dat aan de plicht niet voldoende gevolg wordt gegeven; enerzijds heeft hij de mogelijkheid handhaving door de burgerlijke rechter te vragen, daarbij doelend op een civielrechtelijk bevel tot dooronderhandelen, en anderzijds staat de administratieve weg voor hem open die het nieuwe artikel 12.7 biedt. Het gaat daarbij om een voorziening die niet zozeer kan worden aangemerkt als de beslechting van een geschil ook al maakt artikel 12.7 deel uit van paragraaf 12.2 ("geschillenbeslechting") als wel om een mogelijkheid om door tussenkomst van de OPTA de onderhandelingen in het gareel te krijgen en te houden. De Raad beveelt aan met het oog op het met de toegangsrichtlijn beoogde resultaat de gang naar de burgerlijke rechter afhankelijk te maken van het beroep dat op artikel 12.7 is gedaan; eerst dient OPTA te worden verzocht voorschriften te geven met betrekking tot de wijze waarop de onderhandelingen verder moeten worden gevoerd. De Raad adviseert in ieder geval de samenhang tussen de artikelen 6.1 en 12.7 nader te bezien. 8. Artikel 10, zesde lid, van de Machtigingsrichtlijn voorziet in de bevoegdheid voor de nationale regelgevende instantie(s) om tussentijdse spoedmaatregelen te nemen wanneer een inbreuk "een directe en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, of ernstige economische of bedrijfstechnische problemen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronische- communicatienetwerken of -diensten tot gevolg zal hebben". De bewoordingen van het voorgestelde artikel 15.2, derde en vierde lid, wijken af van de bewoordingen van de richtlijn. In het derde lid van artikel 15.2 is van spoed in de zin van artikel 5:24, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht - bij welke spoed een termijn waarbinnen de belanghebbende zelf nog maatregelen kan nemen om een eind te maken aan de onrechtmatige situatie, achterwege kan blijven, en er derhalve direct kan worden opgetreden - sprake in het geval van "een ernstige en directe bedreiging voor de veiligheid van de staat of de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde". In het vierde lid van artikel 15.2 is van een dergelijke spoed sprake in het geval van "ernstige financiële gevolgen voor andere aanbieders (…) of voor gebruikers (…)". Het toepassingsbereik van de bevoegdheden wijkt hierdoor af van het toepassingsbereik van de bevoegdheid van artikel 10, zesde lid, van de Machtigingsrichtlijn. De Raad adviseert de terminologie van het voorgestelde artikel 15.2, derde en vierde lid, aan te passen aan de terminologie van artikel 10, zesde lid van de machtigingsrichtlijn. 9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl15 pagina's, pdf Tekst