Raad van State
Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de realisatie van twee gedeelten van het Provinciaal fietspad 231 in de gemeente Korendijk, het gedeelte vanaf 100 meter ten zuiden van de aansluiting van de Hogendijk tot aan de Sluisjesweg (deel 1) en het gedeelte vanaf het Zwartsluisje tot aan de Dromweg (deel 2), alsmede de aanleg van een fietsbrug in deel 1 van het fietspad over het Piershilsche Gat, met bijkomende werken in de gemeente Korendijk.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de realisatie van twee gedeelten van het Provinciaal fietspad 231 in de gemeente Korendijk, het gedeelte vanaf 100 meter ten zuiden van de aansluiting van de Hogendijk tot aan de Sluisjesweg (deel 1) en het gedeelte vanaf het Zwartsluisje tot aan de Dromweg (deel 2), alsmede de aanleg van een fietsbrug in deel 1 van het fietspad over het Piershilsche Gat, met bijkomende werken in de gemeente Korendijk.Krachtens machtiging van Uwe Majesteit heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, met een schrijven van 6 september 2006, no.RWSCD BJV 2006/9790, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de realisatie van twee gedeelten van het Provinciaal fietspad 231 in de gemeente Korendijk, het gedeelte vanaf 100 meter ten zuiden van de aansluiting van de Hogendijk tot aan de Sluisjesweg (deel 1) en het gedeelte vanaf het Zwartsluisje tot aan de Dromweg (deel 2), alsmede de aanleg van een fietsbrug in deel 1 van het fietspad over het Piershilsche Gat, met bijkomende werken in de gemeente Korendijk. 1. Voor de aanleg van het onderhavige fietspad zijn tevens gronden nodig die gebruikt kunnen worden als werkruimte. In de zakelijke beschrijving van het werk wordt - in overeenstemming met de gevestigde Kroonjurisprudentie - hierover opgemerkt dat slechts indien met de eigenaren en/of gebruikers in de minnelijke sfeer geen overeenstemming kan worden bereikt over huur, eigendomsoverdracht of beëindiging van gebruiksrechten, tot onteigening zal worden overgegaan. a. Uit de reactie van de zijde van de Provincie Zuid-Holland(zie noot 1) op de zienswijze van reclamant sub 2 blijkt dat vanaf 12 oktober 2005 met deze reclamant wordt overlegd over de verwerving van de van hem benodigde gronden, dat ter zake op 14 februari 2006 door de provincie een aanbieding is gedaan en dat pas in een vervolgoverleg op 21 maart 2006 de mogelijkheid van tijdelijke huur van grond voor gebruik als werkterrein aan de orde is geweest. Naar de Raad uit de zienswijze van reclamant sub 2 opmaakt, is in dat vervolgoverleg een voorstel daartoe door deze reclamant zelf gedaan. Gelet op het hierboven vermelde algemene uitgangspunt in de zakelijke beschrijving adviseert de Raad de redenen te vermelden waarom niet eerder met reclamant sub 2 is overlegd over tijdelijke huur van de gronden die slechts als werkstrook moeten worden gebruikt. b. In het geval van reclamant sub 2 kan worden vastgesteld dat, weliswaar laat in het onderhandelingstraject, maar toch een redelijke tijd voor de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure, namelijk ruim zes weken, over de mogelijkheid van huur in plaats van eigendomsverwerving is overlegd. Naar aanleiding van het hierboven geschetste verloop van het overleg met reclamant sub 2 vraagt de Raad welke pogingen door de provincie zijn ondernomen om de andere in het ontwerpbesluit ter onteigening aangewezen gronden die uitsluitend als werkterrein nodig zijn in de vorm van tijdelijke huur of tijdelijk gebruik ter beschikking te krijgen.(zie noot 2) Voor zover mocht blijken dat niet op een redelijk tijdstip voor de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure daarover met betrokken eigenaren minnelijk is overlegd, is naar het oordeel van de Raad ten aanzien van die eigenaren niet voldoende getracht om de betrokken gronden langs minnelijke weg ter beschikking te krijgen en voorbarig toepassing gegeven aan de administratieve onteigeningsprocedure. In dat geval adviseert hij de betreffende onroerende zaken niet ter onteigening aan te wijzen. 2. Reclamant sub 4 (Staatsbosbeheer) brengt in zijn zienswijze naar voren dat enkele jaren geleden met hem is gesproken over de mogelijkheid om de gronden die nodig zijn voor de realisatie van het fietspad in gebruik te geven aan de toekomstige beheerder, het Waterschap Hollandse Delta. Deze reclamant verzoekt daarom aan de verzoeker om onteigening af te zien van onteigening en met hem in contact te treden over de nadere details met betrekking tot de ingebruikgeving van de benodigde gronden. In de overwegingen naar aanleiding van deze zienswijze wordt het volgende opgemerkt: "Uit de door verzoeker om onteigening beschikbaar gestelde informatie blijkt dat in 2005 overeenstemming is bereikt over het gebruik van de onderhavige gronden van reclamant. Hiertoe is door reclamant een overeenkomst opgesteld, waarop verzoeker om onteigening heeft gereageerd. Een en ander moet nog nader worden uitgewerkt en daarnaast wil verzoeker om onteigening nog andere afspraken maken met reclamant. Er is dus nog geen volledige overeenstemming. Derhalve verzoekt verzoeker om onteigening de gronden ter onteigening aan te wijzen." Omdat het bereiken van volledige overeenstemming nog niet zeker is en de urgentie van de onteigening geen vertraging toelaat, wordt voorgenomen de aanwijzing ter onteigening van de betreffende onroerende zaken te handhaven. De Raad kan uit deze overwegingen en de beschikbare stukken niet opmaken of de "andere afspraken" die de verzoeker om onteigening wil maken met reclamant verband houden met de beschikbaarstelling van zijn grond ten behoeve van het onderhavige fietspad. Indien dat niet het geval is, wijst de Raad erop dat het verloop van de onderhandelingen met reclamant door de verzoeker om onteigening is gecompliceerd. Alsdan zou niet kunnen worden gesproken van een serieuze poging van de provincie om de van reclamant benodigde gronden tijdig ter beschikking te krijgen en zou op grond daarvan kunnen worden geconcludeerd dat zij jegens reclamant onzorgvuldig toepassing heeft gegeven aan de administratieve onteigeningsprocedure. Bovendien zou aldus de onteigeningsprocedure mede als drukmiddel werken voor het bereiken van overeenstemming over onderwerpen die niets met de grondverwerving voor het fietspad uitstaande hebben en de bevoegdheid tot toepassing van de onteigeningswet voor een ander doel worden gebruikt dan waarvoor die is gegeven. De Raad adviseert de overwegingen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant sub 4 in het licht van het vorenstaande te verduidelijken en zo dit niet wel mogelijk is de betrokken onroerende zaken niet ter onteigening aan te wijzen. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl6 pagina's, pdf Tekst