Raad van State
Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de invoering van de maatregel terbeschikkingstelling aan Onderwijs (tbo-maatregel), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de invoering van de maatregel terbeschikkingstelling aan Onderwijs (tbo-maatregel), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 19 maart 2014, no.2014000551, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de invoering van de maatregel terbeschikkingstelling aan Onderwijs (tbo-maatregel), met memorie van toelichting.Na ontvangst van het voorstel heeft de Afdeling advisering van de Raad van State, gelet op artikel 2, eerste lid, onder a van de Wet op de Onderwijsraad, verzocht het wetsvoorstel eerst ter advisering voor te leggen aan de Onderwijsraad. De Onderwijsraad heeft op 16 juni 2014 advies uitgebracht. Op 21 oktober 2014 heeft de Afdeling een reactie ontvangen van de bewindspersonen op het advies van de Onderwijsraad in de vorm van een gewijzigde memorie van toelichting.Het voorstel introduceert voor jeugdigen en jongvolwassenen (in de leeftijd tot 23 jaar) de maatregel terbeschikkingstelling aan het onderwijs (tbo). Het betreft een verplichting tot het volgen van onderwijs onder bedreiging van vervangende jeugddetentie. Een veroordeelde kan deze maatregel opgelegd krijgen indien de ernst van het misdrijf, de veelvuldigheid van begane misdrijven of voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf hiertoe aanleiding geven en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde. De rechter legt de maatregel op voor een jaar en beveelt dat voor elke maand waarvoor de maatregel is opgelegd een vervangende jeugddetentie van maximaal een maand wordt toegepast indien de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel meewerkt. Daarnaast wordt de onderwijswetgeving zodanig aangepast dat wordt verzekerd dat de jeugdige of jongvolwassene aan wie door de strafrechter een onderwijsverplichting wordt opgelegd, wordt toegelaten tot een school of onderwijsinstelling.De Afdeling merkt op dat uit de toelichting niet duidelijk wordt wat de toegevoegde waarde is van de voorgestelde strafrechtelijke maatregel. Op basis van de Leerplichtwet 1969 bestaat voor jongeren tot 18 jaar reeds een algemene verplichting tot het volgen van onderwijs. Ingevolge het strafrecht voor jeugdigen en jongvolwassenen (tot 23 jaar) kan een veroordeelde door middel van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling of door een gedragsbeïnvloedende maatregel worden gedwongen onderwijs te volgen. Niet duidelijk is of, en zo ja waarom deze bestaande mogelijkheden tekortschieten om jongeren tot 23 jaar de verplichting op te leggen onderwijs te volgen.Daarnaast acht de Afdeling het onwenselijk dat als gevolg van de inrichting van de tbo-maatregel het onderwijs een instrument wordt in de strafrechtsketen. Voorts is niet duidelijk of scholen en instellingen, ook in financieel opzicht, voldoende zijn toegerust de groep jongeren die verplicht wordt onderwijs te volgen, te ondersteunen.De Afdeling maakt tevens opmerkingen over de duur van de vervangende jeugddetentie, het moment waarop scholen bij de uitvoering van de tbo-maatregel worden betrokken, de gevolgen van de maatregel voor het uitgangspunt van vrije schoolkeuze, de vraag of de maatregel ook kan gelden voor hen die reeds een startkwalificatie hebben en de duur van de onderwijsverplichting. Zij is van oordeel dat in verband daarmee het voorstel nader dient te worden overwogen.1.Toegevoegde waarde van de tbo-maatregelHet voorstel introduceert een nieuwe strafrechtelijke maatregel die erop is gericht veroordeelde jeugdigen en jongvolwassenen te dwingen onderwijs te volgen. De Afdeling zet hierna deze tbo-maatregel af tegen de reeds bestaande mogelijkheden om het volgen van onderwijs af te dwingen.a.Verhouding tot verplichtingen Leerplichtwet 1969Op grond van de Leerplichtwet is elke jongere gehouden onderwijs te volgen tot hij zestien jaar oud is. (zie noot 1) Indien de jongere op dat moment geen startkwalificatie heeft, geldt een kwalificatieplicht die duurt totdat een startkwalificatie is behaald dan wel totdat de jongere de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. (zie noot 2) De jongere, ouder dan 12 jaar, die de leer- en kwalificatieplicht niet naleeft, kan worden gestraft met een taakstraf of een geldboete van de tweede categorie. (zie noot 3)In de motie van Tweede Kamerlid Marcouch c.s., waaraan de regering met het voorstel uitvoering geeft, wordt verzocht een ‘terbeschikkingstelling aan het onderwijs’ maatregel te ontwikkelen die jongeren met een vrijheidsstraf kan dwingen een opleiding te volgen. (zie noot 4) De toelichting geeft echter niet aan op grond waarvan wordt geconstateerd dat de Leerplichtwet 1969 onvoldoende verplichtend is om veroordeelden tot 18 jaar te dwingen onderwijs te volgen. Bovendien is het de vraag waarom, als de huidige sanctiemogelijkheden van de Leerplichtwet 1969 tekortschieten, de oplossingen niet worden gezocht in aanpassing van die wetgeving. (zie noot 5)b.Onderwijsverplichting voor jongvolwassenen in verhouding tot de kwalificatieplichtDe doelgroep van de tbo-maatregel is personen tot 23 jaar. Voor de groep ouder dan 18 jaar maar jonger dan 23 jaar vormt de voorgestelde strafrechtelijke maatregel een aanvulling op de verplichtingen van de Leerplichtwet 1969. De vraag is echter of deze aanvulling zinvol is. Recent nog heeft het kabinet besloten om de kwalificatieplicht van de Leerplichtwet niet uit te breiden tot jongeren tot 23 jaar. Reden hiervoor was onder meer dat het effect van de maatregel beperkt zou zijn. Onderzoek laat zien dat er bij schooluitval vaak veel meer problemen spelen dan alleen op school, zoals een problematische thuissituatie, gezondheidsproblemen of schulden. Een onderwijsverplichting lost deze problemen niet op, aldus het kabinet. (zie noot 6)De Afdeling merkt op dat in de toelichting de argumentatie ontbreekt voor de keuze om deze nieuwe strafrechtelijke maatregel (ook) voor de categorie jongeren van 18 tot 23 jaar te introduceren, terwijl er recent voor is gekozen voor deze groep geen kwalificatieplicht in te voeren. (zie noot 7)c.Verhouding tot de bijzondere voorwaardeOp basis van het jeugdstrafrecht zijn er al mogelijkheden om een veroordeelde jeugdige of jongvolwassene tot het volgen van onderwijs te verplichten. Bij een voorwaardelijke veroordeling tot jeugddetentie, taakstraf of geldboete kan de bijzondere voorwaarde worden opgelegd tot het volgen van onderwijs, gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd. (zie noot 8)In de toelichting wordt gesteld dat de toegevoegde waarde van de tbo-maatregel ten opzichte van de bijzondere voorwaarde tot het volgen van onderwijs ligt in het feit dat een maatregel, anders dan een bijzondere voorwaarde, niet gerelateerd is aan de ernst van het strafbare feit. De bijzondere voorwaarde tot het volgen van onderwijs zal, aldus de toelichting, in de regel worden opgelegd bij een voorwaardelijke veroordeling tot jeugddetentie. Bij de afdoening van minder ernstige feiten, zal de rechter een jeugddetentie van beperktere duur opleggen. Dit betekent, dat indien bij een voorwaardelijke veroordeling een bijzondere voorwaarde tot het volgen van onderwijs wordt opgelegd, niet in alle gevallen sprake zal zijn van een geloofwaardige stok achter de deur. De jeugdige heeft dan immers bij niet naleving van de onderwijsverplichting slechts een beperkte vrijheidsstraf te ondergaan, aldus de toelichting. (zie noot 9)Het College van Procureurs-Generaal geeft aan dat onduidelijk is waarop deze veronderstelling van de regering is gebaseerd. Het ontbreken van een stok achter de deur is in deze gevallen niet het probleem. De voorwaardelijke vrijheidsstraf fungeert als instrument om de jongere in beweging te krijgen. Het succes van de voorwaarde hangt, zo meent het College, vervolgens af van de begeleiding door de Jeugdreclassering en de vraag of het gelukt is de jongere te plaatsen op een instelling waar voor hem passend onderwijs wordt gegeven. (zie noot 10) De toelichting bevat voorts geen gegevens waaruit kan worden opgemaakt dat het opleggen van een bijzondere voorwaarde tot het volgen van onderwijs bij minder ernstige feiten ineffectief is. Op dit punt lijkt het voorstel dan ook geen toevoegde waarde te hebben.Daarnaast merkt de Afdeling op dat ingevolge het wetsvoorstel de tbo-maatregel kan worden opgelegd als de ernst van het misdrijf, de veelvuldigheid van begane misdrijven of voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf hiertoe aanleiding geven. Hoewel een maatregel in beginsel niet direct gerelateerd hoeft te zijn aan de ernst van het strafbare feit, lijkt het voorstel zich primair te richten op de meer- en veelplegers en de hardekernjongeren die op jeugdige leeftijd al relatief zware delicten op hun naam hebben staan. (zie noot 11) Voor deze groep bestaat reeds de mogelijkheid om de bijzondere voorwaarde tot het volgen van onderwijs op te leggen. Ook op dit punt is de toegevoegde waarde van het voorstel niet duidelijk.Gelet hierop rijst de vraag in welke gevallen de voorgestelde maatregel wel toegevoegde waarde kan hebben.d.Verhouding tot de gedragsbeïnvloedende maatregelVoorts biedt het jeugdstrafrecht de mogelijkheid een onderwijsverplichting op te leggen als (onderdeel van een) gedragsbeïnvloedende maatregel (gbm). Een gbm kan evenals de thans voorgestelde tbo-maatregel worden opgelegd, indien de ernst van het misdrijf, de veelvuldigheid van begane misdrijven of voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf hiertoe aanleiding geven en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. (zie noot 12) Ook wat betreft de uitvoeringsaspecten komt de gbm overeen met de voorgestelde tbo-maatregel. De rechter stelt in het kader van de gbm een vervangende jeugddetentie vast van maximaal een maand, voor elke maand waarvoor de maatregel is opgelegd. (zie noot 13) Ook kan de rechter op vordering van de officier van justitie tot tweemaal toe de tijdelijke opneming (maximaal vier weken) in een justitiële jeugdinrichting bevelen (‘time-out’), kan hij bevelen dat de veroordeelde gedurende de nacht in een jeugdinrichting verblijft en kan elektronisch toezicht worden toegepast. (zie noot 14)Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling niet wat de toegevoegde waarde is van de tbo-maatregel ten opzichte van de gbm. Beide maatregelen kunnen in gelijke gevallen worden toegepast en beide maatregelen worden op gelijke wijze vormgegeven. Voordeel van de gbm boven de tbo-maatregel is bovendien dat de onderwijsverplichting kan worden ingebed in een samenstel van verschillende (deel)maatregelen gericht op beëindiging van het ongewenste gedrag van de veroordeelde.e. ConclusieHet is de Afdeling niet duidelijk wat de toegevoegde waarde is van het wetsvoorstel. Op basis van de Leerplichtwet 1969 bestaat reeds een verplichting tot het volgen van onderwijs voor jongeren tot 18 jaar zonder startkwalificatie. Voorts heeft de regering recent besloten geen algemene kwalificatieplicht voor de categorie jongeren van 18 tot 23 jaar in te voeren. Ingevolge het strafrecht voor jeugdigen en jongvolwassenen kan bovendien een veroordeelde ook als deze ouder is dan 18 jaar en jonger dan 23, reeds door middel van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling of een gbm tot het volgen van onderwijs worden gedwongen. Het voorstel maakt niet duidelijk of, en zo ja waarom deze bestaande mogelijkheden tekortschieten om de doelgroep van dit voorstel onderwijs te laten volgen.Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling het voorstel te heroverwegen.2.De school als onderdeel van de strafrechtketenHet voorstel introduceert een nieuwe strafrechtelijke maatregel die erop is gericht veroordeelde jeugdigen en jongvolwassenen te dwingen onderwijs te volgen. De maatregel is met de term ‘ter beschikking stelling aan het onderwijs’ gegoten in een vorm die doet denken aan de tbs, zij het dat de jongere niet wordt ingesloten, maar verplicht wordt in een door het samenwerkingsverband aangewezen onderwijsinstelling onderwijs te volgen. Daarbij wordt tevens aan de betreffende onderwijsinstellingen een verplichting opgelegd de jongere op te nemen én eventueel verzuim door te geven aan de strafrechtelijke instanties. Hiermee richt de maatregel zich niet alleen, zoals thans bij de bijzondere voorwaarde het geval is, op de jongere, maar ook op het onderwijs.In zijn advies heeft de Onderwijsraad erop gewezen dat aldus de tbo-maatregel te eenzijdig vanuit een strafrechtelijk perspectief wordt benaderd. (zie noot 15) Het onderwijs wordt nog meer dan bij de al bestaande mogelijkheden van het opleggen van een onderwijsverplichting een strafrechtelijk instrument en de school het verlengde van de strafrechtsketen. De school wordt mede-uitvoerder van een strafrechtelijke sanctie. Daarentegen wordt aan het door de Onderwijsraad geschetste onderwijsperspectief in het voorstel - ook als het gaat om de reactie op het advies van de Onderwijsraad (zie noot 16) - te gemakkelijk en ten onrechte voorbijgegaan. Met de Onderwijsraad acht de Afdeling een strafrechtelijke instrumentalisering van het onderwijs zoals door het voorstel beoogd, onwenselijk. De Afdeling adviseert, gezien het bovenstaande, het voorstel te heroverwegen.3.Effectiviteit en uitvoerbaarheid van de maatregela.Plaatsing van de jongereIngevolge het voorstel wordt de onderwijswetgeving zo aangepast dat wanneer de strafrechter een onderwijsverplichting oplegt, ook altijd een plaatsing wordt gerealiseerd op een school of instelling waar geschikt onderwijs wordt aangeboden. (zie noot 17) De toelichting gaat echter onvoldoende in op de gevolgen die plaatsing kan hebben voor de betreffende scholen en instellingen en op de mogelijkheden om aan de veroordeelde en andere jeugdigen en jongvolwassen goed onderwijs te bieden.Ook de Onderwijsraad en Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) vragen in hun adviezen aandacht voor de gevolgen voor de betrokken scholen en onderwijsinstellingen. De Onderwijsraad merkt op dat het niet vanzelfsprekend is dat scholen (inclusief het speciaal onderwijs) qua opzet en expertise zijn toegerust om de specifieke groep tbo-jongeren te onderwijzen en te ondersteunen. (zie noot 18) Hij vraagt daarom de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met het onderwijsveld te bezien of de doelgroep van de tbo-maatregel qua ondersteuningsbehoefte past binnen de systematiek van het passend onderwijs en op grond daarvan de doelgroep (zo nodig) te begrenzen. De RSJ wijst er in zijn advies bovendien op dat gezien het recent ingevoerde passende onderwijs reguliere scholen in de praktijk al meer kinderen met gedragsproblemen of een handicap zullen opnemen, met extra begeleiding. (zie noot 19)De Afdeling onderschrijft deze reacties en vraagt daarbij in het bijzonder aandacht voor de plaatsing van de groep jongvolwassenen (18-23 jaar). De jongvolwassenen zullen gezien hun leeftijd mogelijk minder goed aansluiting vinden bij de al bestaande schoolpopulatie. Bovendien spelen, zoals onder 1b is aangegeven, bij deze groep vaak verschillende problemen, waardoor een onderwijsverplichting er wellicht niet in dezelfde mate toe zal leiden dat zij actief aan het onderwijs deelnemen. De Afdeling wijst tot slot op de mogelijk negatieve invloed van het gedrag van jongeren met een tbo-maatregel op andere leerlingen in de klas. (zie noot 20) Gelet op het voorgaande zet de Afdeling vraagtekens bij de effectiviteit en de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijzigingen in de onderwijswetgeving.b.Financiële consequentiesDe memorie van toelichting vermeldt dat aan de uitvoering van de maatregel geen extra kosten zijn verbonden. De uitvoering van de tbo-maatregel zal plaatsvinden binnen de reguliere bekostiging aan scholen en onderwijsinstellingen. (zie noot 21) Vervolgens wordt in de toelichting aangegeven dat voor scholen de administratieve lasten en de uitvoeringslasten naar schatting € 112.500 per jaar bedragen. Dit betreft onder meer het toelaten en inschrijven van de jongere op school, het opstellen van een onderwijsperspectief voor de jongere en het voeren van overleg met de reclassering. Voor mbo-instellingen gaat om een bedrag van € 45.000 per jaar, aldus de toelichting. (zie noot 22)De Afdeling acht deze toelichting ontoereikend. De onderwijsinstellingen worden voor de in de toelichting genoemde extra kosten niet gecompenseerd. In de toelichting wordt voorts op geen enkele wijze rekening gehouden met de extra personeelslasten waarvoor een onderwijsinstelling die een jongere moet opnemen, komt te staan. Het zal in veel gevallen, en zeker indien betrokkene ouder is dan 18 jaar, gaan om jongeren die niet gemotiveerd zijn om onderwijs te volgen en gedragsproblemen vertonen. Dergelijke jongeren kunnen niet zonder meer in een bestaande groep van leerlingen worden opgenomen. Aan de substantiële extra personele middelen die in het licht daarvan voor een passende opvang van deze leerlingen nodig zullen zijn, gaat de toelichting ten onrechte voorbij. Zonder de benodigde extra middelen is de tbo-maatregel - nog los van hetgeen hiervoor onder a is opgemerkt - voor onderwijsinstellingen moeilijk uitvoerbaar.Tegen achtergrond van het onder a. en b. gestelde adviseert de Afdeling de tbo-maatregel te heroverwegen.Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op.4.Duur van de vervangende jeugddetentieDe oplegging van de maatregel en de duur daarvan staan los van de ernst van de gepleegde strafbare feiten. (zie noot 23) Hoewel het voorstel zich in eerste instantie lijkt te richten op meer- en veelplegers en hardekernjongeren die op jeugdige leeftijd al relatief zware delicten op hun naam hebben staan (zie hiervoor punt 1c) zijn volgens de toelichting (zie noot 24) de primaire doelgroep van de maatregel jongeren aan wie geen onvoorwaardelijke detentie wordt opgelegd. Het gaat hier dus meestal jongeren die slechts lichte delicten hebben gepleegd.De sanctie op het niet naleven van de onderwijsverplichting is een onvoorwaardelijke jeugddetentie, waarvan de duur wordt bepaald door de rechter. Deze kan echter oplopen tot maximaal een jaar en bij verlenging zelfs naar twee jaar. Dit hoge maximum staat niet in verhouding tot begane strafbare feiten die immers blijkens de toelichting een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf doorgaans niet zullen rechtvaardigen. Dat het voorstel - zoals de toelichting stelt (zie noot 25) - uitdrukkelijk geen relatie beoogt te leggen tussen de ernst van het feit dat tot het opleggen van de maatregel de aanleiding vormt enerzijds en de duur van de jeugddetentie anderzijds, doet daaraan niet af.De Afdeling adviseert de maximale duur van de vervangende jeugddetentie drastisch te verlagen.5.Moment van betrokkenheid scholenHet voorstel bepaalt dat een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het opleggen van de bijzondere voorwaarde tot het volgen van onderwijs of de tbo-maatregel samenwerkt met de raad voor de kinderbescherming, de jeugdzorg of de reclasseringsinstelling. (zie noot 26) Dit verzekert dat voorafgaand aan de oplegging van de maatregel ten behoeve van de uitvoering daarvan een plan van aanpak kan worden opgesteld dat mede wordt ondertekend door het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling waar de veroordeelde de tbo-maatregel zal ondergaan. Dit plan van aanpak is een voorwaarde voor het opleggen van een tbo-maatregel die moet worden uitgevoerd binnen een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. (zie noot 27) Aan scholen in het voortgezet onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs wordt niet een zodanige verplichting tot samenwerking met de kinderbescherming, de jeugdzorg of de reclasseringsinstelling opgelegd. De reden hiervoor is, zo blijkt uit de toelichting, dat voor de uitvoering van de tbo-maatregel bij scholen in het voorgezet onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aansluiting is gezocht bij het passend onderwijs. (zie noot 28) De betreffende scholen worden overeenkomstig het voorstel pas bij de oplegging en uitvoering betrokken nadat de maatregel is opgelegd. Het is de vraag of dit niet ten koste gaat van een goede uitvoering van de voorstelde maatregel en of het voorstel niet zou moeten voorzien in betrokkenheid van de onderwijsinstelling voordat de rechter de maatregel oplegt. (zie noot 29) Dan wordt ook duidelijk wat de (on)mogelijkheden zijn voor plaatsing van de betreffende jeugdige of jongvolwassene.De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan, en zo nodig het voorstel aan te passen.6.Aanmelding en vrije schoolkeuzeTer uitvoering van de bijzondere voorwaarde tot het volgen van onderwijs of een tbo-maatregel meldt het openbaar ministerie de leerling wie een onderwijsverplichting is opgelegd aan bij het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woonachtig is. Het samenwerkingsverband wijst binnen vier weken na de ontvangst van de melding een school aan die bereid is de leerling toe te laten en meldt de leerling bij deze school aan voor toelating. Hierbij wordt rekening gehouden met de denominatieve achtergrond van de ouders of van de leerling indien deze meerderjarig en handelingsbekwaam is. (zie noot 30) Uit de toelichting blijkt niet of bij aanmelding van de leerling bij het samenwerkingsverband respectievelijk de door het samenwerkingsverband gekozen school de oorspronkelijke schoolkeuze van de ouders of de betreffende leerling in ogenschouw wordt genomen. Voorts is onduidelijk waarom in het voorstel de schoolkeuze primair een verantwoordelijkheid is van het samenwerkingsverband. In het licht van de doelstelling van het voorstel is er geen grond om niet de ouders of de leerling de school te laten kiezen. Een keuze van ouders en leerlingen voor een bepaalde school staat immers niet in de weg aan toepassing van de voorschriften betreffende passend onderwijs. Slechts indien de ouders of de leerling geen keuze voor een school zouden willen maken, zou er reden zijn om een ander met deze keuze te belasten.De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en het voorstel zo nodig aan te passen.7.StartkwalificatieDe toelichting stelt dat jongeren van 12 tot 23 jaar die (herhaaldelijk) een strafbaar feit hebben gepleegd en die geen startkwalificatie hebben de doelgroep vormen voor de tbo-maatregel. (zie noot 31) In antwoord op de vraag van de Nederlandse Orde van Advocaten waarom het niet hebben van een startkwalificatie niet is opgenomen als voorwaarde voor oplegging van de tbo-maatregel, geeft de toelichting aan dat ook jongeren die wel al een startkwalificatie hebben, maar die in plaats van het succesvol vervolgen van hun schoolloopbaan strafbare feiten zijn gaan plegen, voor de maatregel in aanmerking komen. (zie noot 32) Het is echter niet duidelijk waarom een onderwijsmaatregel zou worden opgelegd aan een jongere die al over een startkwalificatie beschikt.De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan, en zo nodig het voorstel aan te passen.8.Duur van de onderwijsverplichtingDe RSJ heeft aandacht gevraagd voor de duur van de tbo-maatregel. Hij stelt voor om de duur van de maatregel af te stemmen op de tijd die nodig is om aan de onderwijsverplichting te voldoen. Zo meent hij dat het niet zinvol is om de jongere een tbo-maatregel voor de duur van een jaar op te leggen als de jongere nog zeven maanden nodig heeft om een startkwalificatie te halen. (zie noot 33) De toelichting geeft aan dat de rechter bepalingen kan opnemen over de duur van de maatregel in verhouding tot de duur van het onderwijs. (zie noot 34) De Afdeling wijst er echter op dat artikel 77wg, tweede lid, tweede volzin, Sr bepaalt dat de maatregel wordt opgelegd voor een jaar en met een jaar kan worden verlengd. Deze bepaling laat geen ruimte voor een andere duur.De Afdeling adviseert het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.9.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De vice-president van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl10 pagina's, pdf Tekst