Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit tot instelling van de Commissie integriteit overheid, met nota van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit tot instelling van de Commissie integriteit overheid, met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 26 september 2005, no. 05.003538, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot instelling van de Commissie integriteit overheid, met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit strekt tot het instellen van de Commissie integriteit overheid (de commissie). De commissie adviseert over een gemeld vermoeden van een misstand. Het gaat hier om een externe procedure; de ambtenaar meldt de vermoede misstand eerst binnen de organisatie waar hij werkzaam is (interne procedure). De externe procedure kan pas gevolgd worden indien hij het niet eens is met de uiteindelijke conclusie, indien hij niet of niet tijdig het ingenomen standpunt van de organisatie verneemt of indien er zwaarwegende redenen in de weg staan aan een interne melding. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. Definitie "vermoeden van een misstand" In artikel 1, aanhef en onder c, van het ontwerpbesluit wordt een definitie gegeven van het vermoeden van een misstand. De Raad merkt in dit verband het volgende op. a. Onder het vermoeden van misstand wordt, onder andere, verstaan een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van het zich voordoen in de organisatie waar de betrokkene werkzaam is van een groot gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu. De toelichting geeft aan dat voor deze definitie de in het Verenigd Koninkrijk tot stand gekomen Public Interest Disclosure Act 1998 model heeft gestaan. De Raad wijst erop dat de volksgezondheid en de veiligheid niet overeenkomen met de Engelse termen "the health or safety of any individual". In de Public Interest Disclosure Act-1998 gaat het om het gevaar voor een individu, terwijl de in het ontwerpbesluit gebruikte begrippen volksgezondheid en veiligheid veeleer verwijzen naar gevaren in het algemeen. De Raad is van oordeel dat de overige onderdelen van de definitie voldoende ruimte bieden om de relevante schendingen daaronder te brengen. Hij adviseert de passage "een groot gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu" te schrappen. b. Op verscheidene plaatsen wordt in de toelichting verwezen naar de Public Interest Disclosure Act 1998. Het valt naar aanleiding daarvan op dat sommige elementen van deze Act wel en andere elementen niet hun weerslag vinden in het voorliggend besluit. Zo vinden de bepalingen dat de melding te goeder trouw plaatsvindt (artikel 43H, eerste lid, onderdeel a, van de Act) en dat deze niet geschiedt met het oog op persoonlijke belangen (idem onder c) geen weerslag in de voorgestelde definitie, zonder dat zulks wordt toegelicht. Anderzijds wordt in de toelichting bij artikel 1 bijvoorbeeld weer wel gerefereerd aan speciale activiteiten die kunnen worden samengevat onder wat in de Act is aangeduid als "misleiden van justitie". Wellicht doelt de nota van toelichting op het begrip "miscarriage of justice" (artikel 43 B, eerste lid, onderdeel c, van de Act). Het is de vraag of dit complexe Engelsrechtelijke leerstuk uit het Engelse recht wel behulpzaam is bij de uitleg van het hier weergegeven begrip "misleiden van justitie". De Raad adviseert de toelichting terzake te preciseren. 2. Melding zonder voorafgaande interne procedure Artikel 6, tweede lid, van het ontwerpbesluit bepaalt dat de ambtenaar het vermoeden van een misstand schriftelijk bij de commissie meldt, indien zwaarwegende redenen in de weg staan aan een melding binnen de organisatie waar hij werkzaam is. De Raad merkt op dat het onder omstandigheden wenselijk kan zijn dat de anonimiteit van de ambtenaar gewaarborgd blijft ten opzichte van het bevoegd gezag, bijvoorbeeld indien de ambtenaar zich bedreigd voelt of indien de vermoedelijke misstand door het bevoegd gezag zelf is begaan. De Raad mist zo'n bepaling. Hij adviseert artikel 6 van het ontwerpbesluit in deze zin aan te vullen. 3. Ontvankelijkheid van de melding In de toelichting bij artikel 8 wordt gezegd dat "impliciet" uit artikel 6 juncto de definities in artikel 1 voortvloeit dat een melding van een vermoede misstand niet ontvankelijk kan worden verklaard, indien deze "van onvoldoende gewicht is, niet in voldoende mate gefundeerd is of betrekking heeft op een beleidskeuze". De Raad merkt op dat het hier gaat om inhoudelijke overwegingen. De toelichting vermeldt daarover dat het niet is uit te sluiten dat de commissie eerst na een onderzoek tot een van deze conclusies komt. De Raad is van mening dat de toets of de melding ontvankelijk is zich dient te beperken tot formele vereisten. Dat ligt temeer voor de hand, nu het voorgestelde artikel 8 niet-ontvankelijkverklaring in de genoemde gevallen ook niet voorschrijft. De Raad adviseert de toelichting in deze zin aan te passen. 4. Adviestermijn Artikel 10 van het ontwerpbesluit bepaalt dat de commissie het bevoegd gezag "zo spoedig mogelijk" adviseert. De toelichting geeft aan dat ervoor gekozen is om geen vaste termijn op te nemen waarbinnen de commissie dient te adviseren, maar noemt geen reden voor de gemaakte keuze. De Raad merkt op dat het opnemen van een vaste termijn met een eventuele verlenging daarvan wenselijk is gelet op het belang van het goed functioneren van de openbare dienst, dat gemoeid is met de onderhavige klokkenluidersregeling. De Raad adviseert artikel 10 van het ontwerpbesluit aan te passen door alsnog een vaste termijn op te nemen. 5. Melding van de klacht bij de commissie De artikelen 9:8, eerste lid, onderdeel b (behandeling van een klacht door een bestuursorgaan), en 9:24 (behandeling van een klacht door een ombudsman), van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat het bestuursorgaan dan wel de ombudsman een klacht niet in behandeling hoeft te nemen indien de gedraging langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden of - ingeval van de ombudsman - het verzoek later dan een jaar wordt ingediend nadat bijvoorbeeld de klachtbehandeling op een andere manier is/had moeten zijn geëindigd. De Raad geeft in overweging in het ontwerpbesluit een bepaling op te nemen met een soortgelijke strekking, waarbij de commissie een melding niet in behandeling hoeft te nemen indien de ambtenaar de melding niet heeft ingediend binnen een jaar vanaf het moment dat hij de externe procedure bij de commissie kon instellen. De Raad adviseert het ontwerpbesluit op dit punt aan te vullen. 6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)