Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (uitvoering richtlijnen nrs. 2001/42/EG en 2003/35/EG), met nota van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (uitvoering richtlijnen nrs. 2001/42/EG en 2003/35/EG), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 5 januari 2006, no.06.000014, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (uitvoering richtlijnen nrs. 2001/42/EG en 2003/35/EG), met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van het aangepaste hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (verder: Wm).(zie noot 1) Het ziet op de verdere implementatie van richtlijnen nrs. 2001/42/EG en 2003/35/EG, door aanwijzing van de plannen waarvoor een ‘milieu-effectrapportage (verder: m.e.r.) voor plannen’ respectievelijk de besluiten waarvoor een ‘m.e.r. voor besluiten’ moet plaatsvinden. Uit het ontwerpbesluit vloeit voort dat de meeste, vooral ruimtelijke plannen die nu als m.e.r.-plichtig of -beoordelingsplichtig besluit zijn aangewezen, voortaan ook als m.e.r.-plichtig of -beoordelingsplichtig plan zullen worden aangewezen. De Raad van State plaatst enkele kanttekeningen bij het ontwerpbesluit. De Raad is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. Beperking tot kaderstellende plannen Artikel 7.2, tweede lid, Wm (nieuw) bepaalt onder meer dat terzake van de activiteiten [..] ‘bij de algemene maatregel van bestuur de categorieën plannen worden aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Een plan wordt slechts aangewezen indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid.’ In het ontwerpbesluit worden de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. 1994 opnieuw vastgesteld, waarbij plannen worden aangewezen in kolom 3. Aldus geldt na de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit voor deze plannen een m.e.r.-plicht of beoordelingsplicht. In kolom 3 wordt echter in het algemeen verwezen naar bijvoorbeeld de plannen op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening. In het ontwerpbesluit zelf is evenmin de beperking aangebracht dat een plan kaderstellend moet zijn voor een bepaald besluit. Slechts in de nota van toelichting wordt op deze beperking ingegaan. Het ontbreken van een dergelijke beperking heeft tot gevolg dat de aangewezen plannen altijd m.e.r.-plichtig of -beoordelingsplichtig zijn, hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 7.2, tweede lid, Wm (nieuw). De Raad adviseert in het ontwerpbesluit dan wel in de onderdelen C en D van de bijlage een beperking aan te brengen, zodanig dat alleen voor de plannen die kaderstellend zijn voor de desbetreffende besluiten een m.e.r.-plicht of -beoordelingsplicht geldt. 2. Aanwijzing plan als besluit Het ontwerpbesluit voorziet, zoals hiervoor gezegd, in het aanwijzen van de plannen, waarvoor een ‘m.e.r. voor plannen’ moet worden gemaakt (kolom 3, bijlagen C en D) en de besluiten, waarvoor een ‘m.e.r. voor besluiten’ moet worden gemaakt (kolom 4, bijlagen C en D). Het komt veelvuldig voor dat in kolom 3 plannen worden aangewezen, terwijl de vaststelling daarvan is aangewezen als besluit in kolom 4. Een voorbeeld betreft C1.2. Deze systematiek is echter niet in overeenstemming met artikel 7.2, vijfde lid, Wm (nieuw). Hierin is bepaald dat bij amvb een plan kan worden aangemerkt als een besluit waarvoor een m.e.r.(beoordeling) is vereist, maar dan moet dat plan niet zijn aangewezen als een plan, waarvoor een m.e.r. (beoordeling) nodig is. De Raad adviseert kolom 3 van de onderdelen C en D van de bijlage op deze punten in overeenstemming te brengen met artikel 7.2, vijfde lid, Wm (nieuw), waarbij vanzelfsprekend sprake moet zijn van een correcte implementatie van de richtlijnen nrs. 2001/42/EG en 85/337/EEG.(zie noot 2) 3. Waterhuishouding De onderdelen C en D van de bijlage wijzen een aantal plannen op grond van de Wet op de waterhuishouding aan als m.e.r.-plichtig of -beoordelingsplichtig (bijv. C 12.1 tot en met 3, C 16.2, D 12.1 tot en met 3, D 15. 1 tot en met 3, D 19.1 en 2). In onderdeel C is het beheersplan op grond van artikel 5 van de Wet op de waterhuishouding soms wel en soms niet aangewezen als plan waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. Zo ontbreekt in onderdeel C12 dit beheersplan in de aanwijzing van de m.e.r.-plichtige plannen, terwijl in onderdeel C 27 het beheersplan wel als zodanig wordt aangewezen. In onderdeel D wordt in geen enkele categorie het beheersplan op grond van artikel 5 van de Wet op de waterhuishouding aangewezen als m.e.r.beoordelingsplichtig plan of besluit. Uit de nota van toelichting blijkt niet welke overwegingen aan deze keuzes ten grondslag liggen. De Raad adviseert de nota van toelichting aan te vullen en zonodig het ontwerpbesluit aan te passen. 4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)