Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit houdende regels ter beperking van de ammoniakemissie uit huisvestingssystemen van veehouderijen (Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij), met nota van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende regels ter beperking van de ammoniakemissie uit huisvestingssystemen van veehouderijen (Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 3 mei 2004, no. 04.001724, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter beperking van de ammoniakemissie uit huisvestingssystemen van veehouderijen (Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij), met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit bevat voorschriften met betrekking tot de ammoniakemissie uit dierenverblijven die behoren tot een veehouderij. Samen met de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) die op 8 mei 2002 in werking is getreden, vormt het ontwerpbesluit het nieuwe wettelijke instrumentarium ter beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu die de emissie van ammoniak uit veehouderijen veroorzaakt. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de verhouding tot de IPPC-richtlijn(zie noot 1) en heeft voorts opmerkingen van wetstechnische aard. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. Verhouding tot IPPC-richtlijn Onder de IPPC-richtijn vallen de veehouderijen die zijn aangewezen in punt 6.6 van bijlage I van die richtlijn. Dat zijn bedrijven met installaties voor intensieve pluimvee- en varkenshouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, 2.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg) of 750 plaatsen voor zeugen (hierna: IPPC-inrichtingen). Aan deze en andere onder de IPPC-richtlijn vallende installaties dienen emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen te worden gesteld die zijn gebaseerd op de "best beschikbare technieken" (BBT)(zie noot 2). Voor bestaande installaties geldt een overgangstermijn tot 30 oktober 2007. Artikel 16 van de IPPC-richtijn voorziet in een procedure voor het vaststellen van BBT’s voor bedrijfstakken in Europees verband. Over de verhouding tot de IPPC-richtlijn heeft de Raad de volgende opmerkingen. a. In paragraaf 1.5.2, Normstelling, van de nota van toelichting wordt uiteengezet hoe de maximale emissiewaarden voor ammoniak uit veehouderijen zijn vastgesteld. Daarbij wordt onder meer opgemerkt dat, uitgaande van het vereiste van brede toepasbaarheid op langere termijn, geen huisvestingssystemen zijn meegenomen in de verdere beschouwing die weliswaar een lage emissiefactor hebben, maar op termijn op grond van dierenwelzijnswetgeving niet meer mogen worden toegepast. Verder wordt in dezelfde paragraaf opgemerkt dat vervolgens is bezien, welke van de beschikbare emissiearme huisvestingssystemen binnen de sector economisch en technisch haalbaar zijn. Als economisch criterium is daarbij gehanteerd, dat toepassing van een dergelijk huisvestingssysteem geen onredelijke kostenverhoging met zich mee mag brengen. Als additionele voorwaarde is gesteld dat een veehouder in beginsel moet kunnen kiezen uit meerdere emissiearme technieken. De Raad adviseert deze uitgangspunten nader te rechtvaardigen in het licht van het criterium van de IPPC-richtlijn dat bij vergunningen en het vaststellen van bijzondere verplichtingen in dwingende algemene voorschriften, als bedoeld in artikel 9, achtste lid, van die richtlijn, moet worden getoetst aan de best beschikbare technieken. De Raad vindt die verantwoording onvoldoende terug in de beschouwing die in de paragrafen 1.5.2 en 1.5.3 wordt gegeven over de wijze waarop aan de uitgangspunten van de IPPC-richtlijn is getoetst. Meer in het bijzonder met betrekking tot de toets aan het economische criterium wordt in paragraaf 1.5.3 van de nota van toelichting bij de verantwoording van de bijzondere overgangstermijnen in bijlage 2 voor huisvestingssystemen van bepaalde categorieën dieren het volgende standpunt ingenomen: "Op grond van de IPPC-richtlijn dient immers bij de vaststelling van wat in een concrete situatie als "beste beschikbare technieken" moet worden beschouwd, ook rekening te worden gehouden met kosten en baten van de maatregelen". De Raad wijst erop dat, indien met "concrete situatie" een per inrichting gesubjectiveerde beoordeling van kosten en baten wordt bedoeld, die beoordeling zich niet verdraagt met de objectivering die ten grondslag ligt aan het IPPC-criterium voor "beste beschikbare technieken". Die objectivering zal ook in acht moeten worden genomen bij de toepassing van het kosten en baten-criterium van artikel 9, vijfde lid, van de richtlijn. In zoverre dient de toelichting, zo nodig ook bijlage 2 van het ontwerpbesluit te worden gewijzigd. b. De IPPC-richtlijn geldt vanaf 30 oktober 1999 voor onder die richtlijn vallende nieuwe installaties en voor op die datum reeds bestaande installaties die onder de richtlijn vallen en waarin een belangrijke wijziging wordt aangebracht. Het laatste volgt uit de definitie van "wijziging van de exploitatie" in artikel 2, aanhef en onder (10), en de artikelen 12, tweede lid, 21 en 22 van de richtlijn.(zie noot 3) De regeling van de overgangstermijn voor de aanpassing van bestaande huisvestingssystemen in bijlage 2 van het ontwerpbesluit zal dientengevolge alleen betrekking kunnen hebben op inrichtingen die beneden de drempels van de richtlijn blijven en op reeds op 30 oktober 1999 bestaande inrichtingen waarvan de exploitatie als gevolg van een na die datum gerealiseerd huisvestingssysteem naar het oordeel van de bevoegde autoriteit (het bevoegd gezag) geen negatieve en significante effecten voor het milieu heeft (het criterium voor "belangrijke wijziging" in artikel 2, aanhef en onder (10)). Artikel 1, tweede lid, dat een opsomming geeft van wat voor de toepassing van het ontwerpbesluit onder bestaand huisvestingssysteem moet worden verstaan, bevat deze beperking niet. De Raad adviseert hierin te voorzien. c. In artikel 4, eerste lid, wordt verwezen naar bijlage 2, waarin ten aanzien van een aantal diercategorieën de aanpassing van het stalsysteem wordt uitgesteld tot 1 januari 2010, terwijl volgens de IPPC-richtijn bestaande IPPC-inrichtingen uiterlijk op 30 oktober 2007 aan de eisen van de richtlijn moeten voldoen (artikel 5, eerste lid, junctis 21 en 22). In paragraaf 1.5.3, onder "Bijzondere overgangstermijnen", van de nota van toelichting wordt de ruimere overgangstermijn voor die stalsystemen in overeenstemming met de richtlijn geacht, zolang voor de huisvesting van betrokken diercategorieën in het kader van de richtlijn nog geen document met best beschikbare technieken is vastgesteld en met het voorschrijven van de best beschikbare technieken rekening moet worden gehouden met de kosten en baten van de te treffen maatregelen. De Raad wijst erop dat zodra voor de bedoelde intensieve veehouderijen voor 1 januari 2010 best beschikbare technieken beschikbaar zijn geen toepassing zal kunnen worden gegeven aan de genoemde overgangstermijn. Met het oog daarop geeft het college in overweging de desbetreffende passage in de nota van toelichting aan te vullen. 2. Duiding van de huisvestingssystemen In artikel 2, eerste lid, juncto bijlage 1 van het ontwerpbesluit worden maximale emissiewaarden gesteld aan huisvestingssystemen die in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) zijn aangewezen. Dat volgt uit het gecombineerde gebruik van de begrippen "huisvestingssysteem" en "emissiefactor", alsmede de verwijzing in de definitie van het laatstgenoemde begrip naar artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Bij de Raad rijst de vraag hoe moet worden gehandeld in gevallen waarin een stal niet geheel overeenkomt met een in de Rav genoemd huisvestingssysteem. Moet het bevoegd gezag in die gevallen gelet op artikel 3, eerste en derde lid, Wav zo nodig zelf een maximale emissiewaarde voorschrijven of geldt voor de betrokken stal de emissiewaarde die is gekoppeld aan het huisvestingssysteem waarmee het het meest overeenkomt? De Raad adviseert hierover duidelijkheid te verschaffen in de nota van toelichting. 3. Begrippen diercategorie en hoofdcategorie In verschillende artikelen van het ontwerpbesluit worden de termen "diercategorie" en "hoofdcategorie" gebruikt (artikel 1, tweede lid, aanhef en onder e, en in de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en tweede lid, en 4). Naar de Raad aanneemt, worden hiermee de categorieën en hoofdcategorieën van de bijlagen 1 en 2 bedoeld. Om misverstand met betrekking tot de reikwijdte van deze artikelen te voorkomen, adviseert de Raad de begrippen "diercategorie" en "hoofdcategorie" te definiëren. 4. Artikel 3 Ingevolge artikel 3, eerste lid, is de regeling van de maximale emissiewaarde in artikel 2 voor de diercategorieën melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar niet van toepassing ten aanzien van een bestaand huisvestingssysteem en evenmin ten aanzien van de uitbreiding daarvan, zolang het aantal dierplaatsen als gevolg van de uitbreiding niet meer dan 20 stuks toeneemt. In de toelichting op dit artikellid wordt uiteengezet dat wanneer de uitbreiding in stappen plaatsvindt, de uitbreiding van een bestaand huisvestingssysteem moet voldoen aan de maximale emissiewaarde zodra het aantal dierplaatsen met meer dan 20 is toegenomen ten opzichte van het aantal dat aanwezig was op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit. De Raad adviseert een bepaling van die strekking in het ontwerpbesluit zelf op te nemen. 5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)