Raad van State
Voorstel van wet houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (Wet overige BZK-subsidies), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (Wet overige BZK-subsidies), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 23 maart 2005, no.05.001034, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (Wet overige BZK-subsidies), met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel vervangt de Wet overige BiZa-subsidies. Het biedt een wettelijke grondslag voor meer subsidies dan de huidige wet, enerzijds in verband met de gewijzigde begrotingssystematiek, anderzijds in verband met de gewijzigde vorm waarin financiële middelen aan de Nederlandse Antillen, Aruba en eilandgebieden worden verstrekt. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt enige opmerkingen van juridisch-technische aard. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is. 1. Artikel 2 van het wetsvoorstel houdt rekening met de mogelijkheid dat een subsidieregeling berust op hoofdstuk 2 van de wet of dat ze daar buitenom kan worden verstrekt volgens artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De in het tweede lid van dat artikel voorziene mogelijkheid van subsidiëring krachtens zelfstandige algemene maatregel van bestuur wordt echter niet genoemd. Het ligt naar het oordeel van de Raad in de rede hoofdstuk 1 van het wetsvoorstel ook van toepassing te laten zijn op deze categorie subsidies - als ze voorkomen. De Raad geeft in overweging artikel 2 van het wetsvoorstel op dit punt aan te passen. 2. In de artikelen 4, 13 en 14 wordt bepaald dat "bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling" een en ander kan worden vastgesteld. Zo kunnen ingevolge artikel 13 de activiteiten bedoeld in hoofdstuk 2, nader worden bepaald en de criteria voor verstrekking worden vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. De Raad adviseert voor te schrijven dat de nadere bepaling bij algemene maatregel van bestuur hoofdregel is en dat nadere bepaling bij ministeriële regeling slechts kan in daarvoor in aanmerking komende gevallen. Daarnaast adviseert de Raad in de memorie van toelichting (slot Algemeen deel) met een aantal voorbeelden te verduidelijken wat bij algemene maatregel dient te geschieden en wat bij ministeriële regeling kan worden bepaald. 3. In artikel 7, eerste lid, wordt afdeling 4.2.8 Awb van toepassing verklaard op per boekjaar verstrekte subsidies; ingevolge het tweede lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat van één of meer artikelen van die afdeling kan worden afgeweken. De Raad acht dat een weinig praktisch systeem, waarbij bovendien het stelsel wordt gehanteerd dat bij lagere regeling van een hogere kan worden afgeweken. Hij adviseert dit te voorkomen door een meer gerichte vantoepassingsverklaring, en wel door artikel 7, tweede lid, te laten vervallen en in het - dan enige - lid te bepalen dat afdeling 4.2.8 Awb van toepassing is voorzover niet bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling krachtens "deze" wet anders is bepaald. 4. In artikel 8, tweede lid, slotzin, wordt bepaald dat de aan de medewerking van de accountant aan het onderzoek verbonden kosten "worden geacht te zijn begrepen in de subsidie". Formulering in de vorm van een fictie dient zoveel mogelijk te worden vermeden.(zie noot 1) De Raad adviseert in de slotzin te bepalen dat de subsidie ook kan worden aangewend voor de dekking van de bedoelde kosten. 5. In artikel 10 wordt de wettelijke grondslag gegeven voor het subsidiëren van diverse projecten of programma's in het verband van het Koninkrijk. De projecten of programma's kunnen steeds betrekking hebben op de Nederlandse Antillen, op Aruba, of op één of meer eilandgebieden. Het valt echter op dat in onderdeel c, het bevorderen van een behoorlijk bestuursniveau, alleen de eilandgebieden Bonaire, Saba en Sint Eustatius worden genoemd, de andere eilandgebieden niet en Aruba evenmin. In de toelichting wordt niet verklaard waarom projecten of programma's daar bij voorbaat van subsidiëring worden uitgesloten. De Raad adviseert tot aanvulling van de toelichting of tot aanpassing van onderdeel c. 6. Op grond van artikel 11, aanhef en onder e, kan de minister subsidies verstrekken ten behoeve van activiteiten inzake "het bevorderen van de democratische rechtsstaat en activiteiten op het gebied van het decentraal bestuur die gericht zijn op (…) het bevorderen en instandhouden van de kennis over gebeurtenissen die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van Nederland". Deze bepaling geeft geen begrenzing aan de te subsidiëren activiteiten. Ook is niet duidelijk waarom activiteiten ter bevordering van kennis over gebeurtenissen die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het Koninkrijk, niet voor subsidiëring in aanmerking komen; eventueel kunnen ze in artikel 10 worden ondergebracht. De Raad adviseert de bepaling duidelijker te formuleren en te motiveren waarom de kennis van gebeurtenissen van belang voor de ontwikkeling van het Koninkrijk hier niet is vermeld. 7. Artikel 14, aanhef en onderdeel a, bepaalt dat bij lagere regeling regels kunnen worden gesteld met betrekking tot "de aanvraag van de subsidie en de besluitvorming daarover". Artikel 14 wordt niet toegelicht. De Raad adviseert hierin alsnog te voorzien en daarbij te verduidelijken wat onder die besluitvorming wordt verstaan. Tevens adviseert hij om bij onderdeel f (intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling) uiteen te zetten welke regels nodig en mogelijk zijn naast de bepalingen van afdeling 4.2.6 Awb. 8. Het wetsvoorstel stelt geen maxima voor de te verstrekken subsidie. Ook de memorie van toelichting biedt geen enkel inzicht in de bedragen waar het om kan gaan. De Raad wijst erop dat subsidiëring op grond van het wetsvoorstel onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een steunmaatregel in de zin van artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag. Naar de Raad aanneemt zal voor de meeste subsidieverstrekkingen een vrijstelling van melding gelden op grond van Verordening (EG) nr.69/2001 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimis-steun (PbEG 2001, L 10/30). Voor "vrijgestelde" subsidiëring gelden specifieke informatie- en verslagleggingsverplichtingen. Als geen vrijstelling van toepassing is, dient aan de Commissie de vraag te worden voorgelegd of hier sprake is van een steunmaatregel en of de Commissie deze toestaat op basis van uitzonderingsgronden. De Raad adviseert aan dit onderwerp aandacht te besteden in de memorie van toelichting. 9. De memorie van toelichting verdient op een aantal punten aanpassing. a. In de paragraaf Algemeen, zesde tekstblok, wordt gesteld dat dit wetsvoorstel, in combinatie met de Awb, zal leiden tot een grotere aandacht voor de doelmatigheid, effectiviteit en actualiteit van de subsidie. Deze passage behoeft nadere toelichting. b. De paragraaf Algemeen bevat enkele onnodige passages (tweede en vijfde tekstblok). Voorts wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling die nadere regels geven enerzijds, en de afzonderlijke toekenningsbeschikkingen anderzijds (voorlaatste tekstblok). De Raad adviseert tot aanpassing. 10. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl5 pagina's, pdf Tekst