- Identifier
- nl.oorg10008.2e.2019.1500
- Aanbieder (Naam)
- Raad van State
- Titel
- Voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Algemene Zaken, het Kabinet der Koningin en de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (III) voor het jaar 2007, met memorie van toelichting.
- Beschrijving
- Voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Algemene Zaken, het Kabinet der Koningin en de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (III) voor het jaar 2007, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 5 september 2006, no.06.003069, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Algemene Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Algemene Zaken, het Kabinet der Koningin en de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (III) voor het jaar 2007, met memorie van toelichting. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt daarbij de volgende kanttekeningen. 1. Het ambt van minister-president Hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting bevat een voorlopige beschouwing over de mogelijke versterking van het ambt van minister-president. Voorlopig, omdat, zoals in de inleidende paragraaf wordt opgemerkt, de voorstellen van de Nationale Conventie naar verwachting aanleiding zullen geven voor een bredere, samenhangende constitutionele analyse. Dit zo zijnde, ziet de Raad thans af van een reactie op de beschouwingen in hoofdstuk 5. Als de voorstellen van de Nationale Conventie leiden tot wetsvoorstellen, zal hij inhoudelijk op de positie van de minister-president ingaan. Wel signaleert de Raad dat enkele onderwerpen thans ontbreken of nagenoeg ontbreken, zoals de rol van de minister-president als voorzitter van de Rijksministerraad, en - afgezien van de slotalinea van paragraaf 5.3.3 - de vraag of de minister-president niet een meer uitgesproken, eigen rol zou moeten spelen bij het bepalen van het Nederlandse Europabeleid. Hij gaat ervan uit dat deze onderwerpen bij de te verwachten bredere behandeling van de positie van de minister-president de aandacht zullen krijgen die ze verdienen. 2. Voordrachten benoeming en ontslag van ministers en staatssecretarissen In het op vier na laatste tekstblok van de slotparagraaf wordt gesteld dat de "praktijk, (…) dat de minister-president de voordrachten doet voor benoeming en ontslag van ministers en staatssecretarissen (…) bij eerstvolgende gelegenheid [kan] worden vastgelegd in de Grondwet". De Raad wijst erop dat artikel 48 van de Grondwet sinds 1983 bepaalt dat de koninklijke besluiten waarbij de minister-president, de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd, door de minister-president worden medeondertekend, en dat medeondertekening impliceert dat de betrokkene ook de voordracht doet. De Raad adviseert, daarmee rekening te houden en de tekst van de toelichting op dat punt aan te passen. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken. De Vice-President van de Raad van State
- Publicatiedatum
- 2019-01-28
- Jaar
- 2019
- Type
- 2e - Advies
- Aanbieder (Code)
- oorg10008
- Totaal aantal documenten
- 1
- Verkregen op
- 2024-03-30
- Aantal pagina's in dossier
- 3