Raad van State
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij, met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 3 oktober 2005, no.05.003659, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij, met memorie van toelichting. Met het wetsvoorstel wordt de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) op een aantal punten versoepeld. De aanwijzing van te beschermen gebieden wordt beperkt tot door provinciale staten aan te wijzen "zeer kwetsbare gebieden". Deze gebieden moeten alle binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)(zie noot 1) liggen. In het voorstel wordt vastgelegd welke gebieden in ieder geval zullen moeten worden aangewezen; dat betreft beschermde natuurmonumenten en gebieden die in het kader van de uitvoering van de Habitatrichtlijn(zie noot 2) door de Europese Commissie op de communautaire lijst zijn geplaatst (hierna: Habitatrichtlijngebieden). Die laatste gebieden moeten nog door de Minister van LNV op grond van artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 98) worden aangewezen, waarna zij vervolgens onder die noemer onder de verplicht aan te wijzen gebieden vallen. Daarnaast kunnen andere gebieden aan de hand van in het wetsvoorstel neergelegde criteria als zeer kwetsbaar worden aangewezen. Daarbij zal ook met het criterium "de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande veehouderijen" rekening kunnen worden gehouden, zij het slechts "voorzover de ecologische samenhang tussen de zeer kwetsbare gebieden daardoor niet wordt aangetast en geen verlies van bijzondere natuurwaarden optreedt". Voor de aanwijzing van gebieden kleiner dan 50 ha gelden nog zwaardere criteria, namelijk "zeer belangrijke ecologische samenhang met ander zeer kwetsbaar gebied" of "zeer grote natuurwaarden". Het laatstgenoemde criterium kan nader invulling krijgen in overleg tussen gedeputeerde staten met representatieve lokale en regionale organisaties op het gebied van natuur en landbouw alsmede met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waartoe de betreffende gebieden behoren. De zoneringsbescherming wordt beperkt tot 250 meter. Binnen die zone kunnen bestaande melkrundveehouderijen nog uitbreiden tot 200 melkkoeien met bijbehorend jongvee. Buiten én binnen de zones zal zonodig aanvullende bescherming moeten worden gegeven op grond van de Nbw 98. In samenhang met een nog niet in werking getreden wijziging van de Wet milieubeheer (Wm)(zie noot 3) zijn in het wetsvoorstel bepalingen opgenomen betreffende de toetsing van de zogenaamde gvpb-installaties(zie noot 4) aan de criteria ontleend aan de IPPC-richtlijn. De Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel diverse opmerkingen, onder meer over de verhouding van het voorgestelde tot de realisering van de emissiereductiedoelen van de NEC-richtlijn(zie noot 5) en het reconstructiebeleid, de gevolgen van het voorstel voor de natuurbescherming, in het bijzonder voor Habitatrichtlijngebieden, en de regeling van de aanwijzing van gebieden die kleiner zijn dan 50 ha. Hij is van oordeel dat het voorstel in verband met deze opmerkingen, in hun samenhang bezien, deels nader dient te worden overwogen. 1. Verhouding tot emissiereductie-doelen en reconstructiebeleid In de inleiding van de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat het wetsvoorstel voortvloeit uit het Hoofdlijnenakkoord. Volgens dit akkoord is het kabinetsbeleid erop gericht de ambities en wensen ten aanzien van de reconstructieplannen in evenwicht te brengen met de financiële middelen; daartoe zal de Wav zodanig moeten worden vormgegeven dat deze gericht is op de zeer kwetsbare natuur. De Raad maakt onder meer uit paragraaf 5.2 van de memorie van toelichting, Gevolgen voor de doelstellingen van de NEC-richtlijn, op dat die nadere afweging uiteindelijk heeft geleid tot een wetsvoorstel waarmee ten opzichte van de huidige Wav 12 procent minder natuurgebied wordt aangewezen. Daardoor zal blijkens de toelichting de oorspronkelijk beoogde emissiereductie met minder dan 0,8 kiloton ammoniak worden verlaagd. De verlaging ten opzichte van deze reductiedoelen wordt evenwel niet vermeld. De Raad adviseert dat alsnog te doen. Verder is bij hem de vraag gerezen hoe de voorgestelde verruiming van ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen zich verhoudt tot de maatregelen die op grond van de Reconstructiewet concentratiegebieden zijn en worden genomen om te komen tot onder meer een verbetering van de kwaliteit van milieu en water (artikel 5 van die wet). Hij adviseert daarom de memorie van toelichting aan te vullen met een paragraaf waarin op de samenhang met de Reconstructiewet concentratiegebieden en de op grond van die wet vastgestelde plannen wordt ingegaan. 2. Gevolgen van het voorstel in kaart brengen Op diverse punten biedt de memorie van toelichting naar het oordeel van de Raad nog onvoldoende inzicht in de gevolgen die de voorgestelde wetswijzigingen kunnen hebben. De Raad wijst op het volgende. a. Reikwijdte gebiedsbescherming Met het wetsvoorstel wordt beoogd het areaal natuurgebied dat op grond van de Wav aanvullende bescherming krijgt, te verkleinen, maar daartegenover de beschermde gebieden duidelijker te omgrenzen dan thans het geval is. In paragraaf 6.1 van de memorie van toelichting, Gevolgen voor de bedrijfsontwikkeling in de veehouderij, wordt betoogd dat de gevolgen voor de veehouderij tamelijk nauwkeurig kunnen worden geschat aan de hand van de voorstellen die de provinciebesturen in maart 2004 hebben gedaan voor de selectie van de zeer kwetsbare gebieden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen berekeningen op basis van de situatie waarin de EHS nog niet geheel was vastgesteld, en die waarin dat wel het geval zou zijn. In verband met de noodzaak dat de gebiedbescherming die wordt vereist door de Habitatrichtlijn, deugdelijk is verzekerd, adviseert de Raad van State de memorie van toelichting aan te vullen met kaarten waarin enerzijds de gebieden die onder de huidige Wav (moeten) worden beschermd en anderzijds die welke naar redelijke verwachting bescherming zullen genieten onder de gewijzigde Wav, worden weergegeven, en waarbij wordt uiteengezet langs welke weg in de nieuwe situatie de door de Habitatrichtlijn vereiste gebiedbescherming zal zijn verzekerd. b. Aanvullende natuurbescherming Op diverse plaatsen wordt in de memorie van toelichting gewezen op de noodzaak van aanvullende bescherming op grond van de Nbw 98 of de Wm, maar dan met rechtstreekse toetsing aan de Habitatrichtlijn.(zie noot 6) Het laatste is geboden in gevallen waarin de Habitatrichtijngebieden nog niet op grond van artikel 10a van de Nbw 98 door de minister zijn aangewezen. Voorzover die gebieden al wel zijn aangewezen zal naast de milieuvergunning een vergunning van gedeputeerde staten op grond van artikel 19d Nbw 98 nodig zijn. Verder zal in samenhang met de genoemde, in behandeling zijnde wijziging van de Wet milieubeheer voor de IPPC-inrichtingen (gvpb-installaties) een verzwaard regime gelden.(zie noot 7) Gezien de nauwe samenhang tussen de Nbw 98, de Wm en de Wav op het punt van het voorkómen en bestrijden van nadelige gevolgen voor de natuur van ammoniak die afkomstig is van veehouderijen, adviseert de Raad in de toelichting een zo volledig mogelijk beeld te geven van het aantal veehouders dat met die (specifieke) toepassing van deze wetten te maken zal krijgen en welke lasten die toepassing voor hen zal meebrengen. Het onder a bedoelde kaartmateriaal zal daarbij behulpzaam kunnen zijn, vooral indien daarop ook alle Habitatrichtlijngebieden worden weergegeven. c. Natuurbeschermingsrisico’s Meer in het bijzonder verdienen de risico’s voor de bescherming van de natuur nog afzonderlijk aandacht. 1o. Met het wetsvoorstel worden de ontwikkelingsmogelijkheden van alle veehouderijen buiten de 250-meterzones verruimd. Binnen die zones geldt die verruiming ook voor melkrundveehouderijen waar nog geen 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee worden gehouden (artikel 5, eerste lid, onder c en artikel 7, eerste lid, onder b). Nu is die grens nog gesteld op 110 stuks melkvee en 77 stuks vrouwelijk jongvee. In hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting, Effecten voor het milieu, wordt de achteruitgang van natuurwaarden als uit het wetsvoorstel voortvloeiend risico onderkend. Anderzijds wordt betoogd dat er mogelijkheden zijn om langs de weg van de ruimtelijke ordening en reconstructieplannen die achteruitgang te voorkomen; ook wordt gewezen op de stabiliserende werking van het stelsel van dierrechten in de meststoffenwetgeving en van de melkquotering. In punt 1 heeft de Raad al de vraag aan de orde gesteld hoe het wetsvoorstel moet worden gezien in samenhang met het in gang gezette reconstructiebeleid. Naar aanleiding van de in de memorie van toelichting uiteengezette benadering van natuurbeschermingsrisico's wijst hij erop dat de "ammoniakwetgever" met voorgestelde benadering de bescherming van voor ammoniak gevoelige gebieden mede afhankelijk maakt van maatregelen ingevolge andere wetgeving en van op andere grond gevoerd beleid. Die wetgeving en beleidsgebieden kennen echter hun eigen dynamiek, mogelijkheden, beperkingen en belangenafwegingen. Voor een deel heeft de Nederlandse wetgever de ontwikkelingen op die terreinen ook niet zelf in de hand, zoals bij de melkquotering. In ieder geval wordt met deze afhankelijkheid een belangrijk risico genomen. De ammoniakwetgever verplicht zich daarmee als het ware, die wisselwerking in de gaten te houden en zonodig nadere regels vast te stellen. Daarbij loopt hij de kans te worden geconfronteerd met voldongen feiten. Een bijzondere complicatie hierbij is dat cumulatie-effecten - ook afkomstig van emissiearme stallen en 8.40 Wm-inrichtingen - slechts kunnen worden meegenomen bij vergunningaanvragen voor IPPC-inrichtingen (gvpb-installaties), namelijk bij de beoordeling van de plaatselijke milieuomstandigheden.(zie noot 8) Nu met dit wetsvoorstel risico's worden opgeroepen die vooral met behulp van andere instrumenten zullen moeten worden ondervangen, zal de toelichting een uitgewerkte uiteenzetting moeten geven van de reële mogelijkheden om op basis van andere wetgeving een onbedoelde achteruitgang van natuurwaarden als gevolg van dit wetsvoorstel te voorkomen. Daarbij zal ook inzicht moeten worden verschaft in de lasten die dat zal inhouden voor onder andere de planologische besluitvorming, met inbegrip van de vereiste milieu-effectrapportages. 2o. Maatwerk ten behoeve van bestaande veehouderijen Bij de aanwijzing van andere gebieden dan de in het tweede lid van artikel 2 bedoelde Habitatrichtlijngebieden en Natuurbeschermingswetgebieden, zullen provinciale staten onder meer de gevolgen voor de bestaande veehouderijen in aanmerking moeten nemen (artikel 2, vijfde lid). Daarbij wordt bepaald dat met die gevolgen slechts rekening wordt gehouden voorzover de ecologische samenhang tussen de zeer kwetsbare gebieden daardoor niet wordt aangetast en geen verlies van bijzondere natuurwaarden optreedt. In de toelichting (par. 2.2) wordt hierover opgemerkt dat eventuele knelpunten met een "maatwerkaanpak" moeten worden opgelost. Maatwerk wordt vooral noodzakelijk geacht om een onevenredige beperking van individuele veehouderijen in hun uitbreidingsmogelijkheden te voorkomen. Deze situaties doen, zo vervolgt de toelichting, zich in de praktijk veelal voor bij natuurgebieden die op basis van de wettelijke bepalingen als één voor verzuring gevoelig gebied moeten worden aangemerkt, maar waarvan een topografisch duidelijk begrensd gedeelte een afwijkende en beduidend mindere ecologische kwaliteit heeft dan de rest van dat gebied. Naar het de Raad voorkomt, houdt deze aanpak het risico in dat delen van een natuurgebied betrekkelijk gemakkelijk van minder ecologisch belang zullen worden geacht, zonder dat rekening wordt gehouden met de bestaande effecten van de betrokken veehouderij op de wel aanwezige ecologische kwaliteiten van het betrokken gebied. De voorgestelde criteria kunnen daarmee licht aanleiding geven tot geschillen en procedures. In de toelichting zal nader op de consequenties van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, en het vijfde lid, moeten worden ingegaan. d. Kaderrichtlijn water In paragraaf 5.3 van de toelichting, Overige milieueffecten, wordt opgemerkt dat de depositie van ammoniak "substantiële effecten" kan hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater als het gaat om ondiep, stilstaand oppervlaktewater, zoals vennen en duinrellen op kalkarme of kalkloze zandgronden, waar ammoniakdepositie de belangrijkste bron van verontreiniging is. Vervolgens wordt erop gewezen dat ingevolge de Kaderrichtlijn water(zie noot 9) in dit soort situaties dient te worden afgewogen of een toename van de ammoniakdepositie niet resulteert in een achteruitgang van de waterkwaliteit. Daaraan wordt toegevoegd dat vennen en duinrellen op grond van de voormalige Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig gebieden zijn aangemerkt en dat in gevallen waarin sprake is van grote natuurwaarden dergelijke gebieden door de provinciebesturen veelal als zeer kwetsbaar gebied zullen worden aangewezen; de zoneringsbescherming van de Wav zal dan blijven bestaan. Mede in verband met de thans voorgestelde criteria om gebieden kleiner dan 50 ha als zeer kwetsbaar gebied aan te wijzen, adviseert de Raad nader op de verhouding tussen het wetsvoorstel en de uitvoering van de Kaderrichtlijn water met het daarin vervatte stand-still beginsel in te gaan. Ook hier zou nader inzicht kunnen worden geboden aan de hand van een kaart waarop de bedoelde kwetsbare wateren zijn aangegeven. 3. Doelmatigheidsproblemen a. Habitatrichtlijngebieden buiten de EHS Ingevolge het voorgestelde artikel 2, tweede lid, kunnen provinciale staten alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, aanwijzen die zijn gelegen in de EHS. In het daaropvolgende lid wordt bepaald dat provinciale staten "onverminderd het tweede lid" alle voor verzuring gevoelige gebieden binnen een beschermd gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, of artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 98 dan wel binnen een gebied dat op grond van artikel 4 van de Habitatrichtlijn van communautair belang is verklaard, als zeer kwetsbaar gebied dienen aan te wijzen. Hieruit volgt dat de zoneringsbescherming van de Wav niet van toepassing zal zijn op Habitatrichtlijngebieden die buiten de EHS zijn gelegen. Deze uitzondering komt de Raad niet doelmatig voor, nu het bevoegd gezag bij de voorgestelde opzet gedwongen zal zijn vergunningaanvragen rechtstreeks aan de Habitatrichtlijn te toetsen in de gevallen waarin een Habitatrichtlijngebied buiten de EHS nog niet door de minister op grond van de Nbw 98 is aangewezen en de vergunningplicht van artikel 19d van die wet nog niet geldt. Bovendien leidt de gecombineerde werking van artikel 2, tweede en derde lid, ertoe dat afhankelijk van de vraag of een Habitatrichtlijngebied door de Minister van LNV is aangewezen, het gedeputeerde staten zijn die bij het beslissen op een aanvraag om vergunning op grond van de Nbw 98 aan de (in die wet opgenomen) criteria van de Habitatrichtlijn toetsen, terwijl in andere gevallen burgemeester en wethouders die toets moeten verrichten op grond van de Wm. De Raad wijst er nog op dat het communautaire recht daadwerkelijke omzetting van richtlijnen vergt; terugvallen op rechtstreekse werking van een richtlijn is onvoldoende, zo blijkt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.(zie noot 10) Op grond van het vorenstaande adviseert de Raad ten aanzien van Habitatrichtlijngebieden de beperking van de reikwijdte van het wetsvoorstel tot gebieden binnen de EHS te schrappen.(zie noot 11) b. Begrenzing EHS Voorzover de EHS nog niet door de provinciebesturen is vastgesteld, staat niet vast binnen binnen welke begrenzing provinciale staten zeer kwetsbare gebieden kunnen aanwijzen; die bevoegdheid (en plicht) is in het tweede lid van artikel 2 immers beperkt tot gebieden die binnen de EHS zijn gelegen. In paragraaf 2.3 van de toelichting valt hierover het volgende te lezen: "Hoewel het wetsvoorstel provinciale staten niet verplicht om ook de begrenzing van de EHS weer te geven, is dat voor veel situaties wel aan te bevelen, zeker waar de begrenzing van de EHS samenvalt met die van een zeer kwetsbaar gebied of waar twijfel over de ligging van de EHS zou kunnen bestaan. Voor de provincies die op grond van de vigerende Wav de EHS al hebben vastgesteld, zal dat geen probleem zijn." De Raad beveelt aan, te bepalen dat voor de gebieden die als zeer kwetsbaar moeten worden aangewezen, de vaststelling van de begrenzing van de EHS plaatsheeft uiterlijk tegelijk met het aanwijzen van de zeer kwetsbare gebieden. 4. Bestaande melkveehouderijen rond zeer kwetsbare gebieden Meer in het bijzonder ten aanzien van de in de artikelen 5 en 7 voorziene verruiming van uitbreidingsmogelijkheden van melkrundveehouderijen in de zones om zeer kwetsbare gebieden wijst de Raad op het risico van intensivering van die bedrijven en toename van het aantal stuks vee in die zones. Als belangrijkste argument voor deze uitzonderingspositie van melkrundveehouderijen wordt in paragraaf 2.4 van de toelichting genoemd dat grondgebonden melkveehouderijen in de genoemde zones een belangrijke functie hebben voor de instandhouding van het landschap en dat deze daarvoor voldoende bestaansmogelijkheden moeten hebben. Gelet daarop ligt het naar de mening van de Raad in de rede de uitbreidingsmogelijkheden-van-rechtswege te beperken tot grondgebonden veehouderijen. Hoewel in voormelde paragraaf van de toelichting de mogelijkheid van intensivering wordt onderkend en ingezien dat met een koppeling van de uitbreidingsmogelijkheden aan de eis van grondgebondenheid het risico op toename van de ammoniakemissie in de zones om zeer kwetsbare gebieden zou kunnen worden beperkt, wordt daarin vervolgens opgemerkt dat, evenals eerder bij de regeling van de huidige uitbreidingsmogelijkheden, van die koppeling is afgezien met het oog op de daaruit voortvloeiende lasten voor overheid en bedrijfsleven. Naar het oordeel van de Raad behoeft dit standpunt nadere overweging. 5. Aanwijzing gebieden kleiner dan 50 ha Aanwijzing van niet-Habitatrichtlijngebieden en van Natuurbeschermingswetgebieden die kleiner zijn dan 50 ha, kan volgens artikel 2, zesde lid, slechts plaatsvinden indien het een gebied betreft met zeer grote natuurwaarden of indien er een zeer belangrijke ecologische samenhang van dat gebied bestaat met een of meer andere gebieden die als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen. Het criterium "zeer grote natuurwaarden" wordt uitgewerkt in het zevende lid van artikel 2. Daarover maakt de Raad de volgende opmerkingen. a. Een gebied kleiner dan 50 ha kan onder meer als gebied met "zeer grote natuurwaarden" worden aangewezen, indien in dat gebied meer dan één soort aanwezig is die is opgenomen in bijlage II van richtlijn (EEG) nr.92/43 of in de bijlage bij het Besluit Rode Lijsten flora en fauna en deze soorten of hun leefomgeving zeer gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak (artikel 2, zevende lid, aanhef en onder a). Blijkens paragraaf 2.2 van memorie van toelichting is er bewust van afgezien dat ook kleine gebieden die zeer belangrijk zijn voor één van de genoemde soorten zouden kunnen worden aangewezen. De Raad adviseert dit nader te verantwoorden in de memorie van toelichting. Het moet niet uitgesloten worden geacht dat juist kleinere gebieden bescherming verdienen vanwege de aanwezigheid van één specifieke soort. b. De aanwijzing van gebieden kleiner dan 50 ha kan ingevolge artikel 2, zevende lid, aanhef en onder c, tevens plaatsvinden indien het gebied door gedeputeerde staten in overeenstemming met de representatieve lokale en regionale organisaties op het gebied van natuur en landbouw almede met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waartoe de betreffende gebieden behoren, is voorgesteld als zodanig te worden aangemerkt. In paragraaf 2.3 van de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat het hierbij gaat om een regeling van overleg in aanvulling op de regeling van de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien aanwijzing na voorafgaand overleg met de bedoelde organisaties en bestuursorganen in verband met de eigen verantwoordelijkheid van provinciale staten de Raad juister voorkomt dan het afhankelijk stellen daarvan van het bereiken van overeenstemming, adviseert hij de tekst op dit punt in overeenstemming te brengen met de toelichting. Voorts adviseert hij in artikel 2, zevende lid, onder c, uitdrukkelijk te bepalen dat het overleg plaatsvindt met organisaties die naar het oordeel van gedeputeerde staten representatief zijn. 6. Afstemmingsregeling In de memorie van toelichting wordt erop gewezen dat de voorgestelde, inhoudelijke afstemmingsregeling van de toepassing van de Nbw 98 en de Wet milieubeheer tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel Nbw 98 is geschrapt. Ziet de Raad het goed, dan wordt hier gedoeld op de aanvaarding van het amendement van het lid van de Tweede Kamer mevrouw Snijders-Hazelhoff(zie noot 12). Als gevolg daarvan is de nadruk van de natuurbescherming komen te liggen op de vergunningplichtigheid van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, van de wet aangewezen gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; dáárvoor voorzag het wetsvoorstel tevens in een aanvullende natuurbeschermingstoets voor het bevoegd gezag bij besluiten op grond van andere sectorale wetten. Voor sectorale besluiten was een algemene afstemmingsregeling opgenomen, in de vorm van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten of de minister van LNV (artikel 19i, vijfde lid). Met de aanvaarding van genoemd amendement is die afstemmingsregeling uit het wetsvoorstel gehaald. In de memorie van toelichting bij het onderhavige voorstel wordt medegedeeld dat is overwogen of in dit wetsvoorstel zou moeten worden voorzien in een afstemmingsregeling tussen de Wav en de Nbw 98, om te voorkomen dat een milieuvergunning wat het aspect ammoniak betreft vanwege het specifieke beoordelingskader in de Wav niet zou kunnen worden geweigerd, terwijl tegelijkertijd de vergunning die op grond van de Nbw 98 is vereist juist vanwege ammoniak zou moeten worden geweigerd. Daarvan is afgezien. De toelichting merkt op dat de Wav niet als het meest geschikte kader voor een eventuele afstemmingsregeling wordt gezien, omdat dan voor het aspect ammoniak zou zijn voorzien in een afstemming en voor andere milieuaspecten de onderlinge verhouding dan onduidelijk zou zijn. Verder wordt gewezen op de plannen om op termijn in het kader van de regeling van een omgevingsvergunning in een onderlinge afstemming van omgevingsrelevante wetten te voorzien. De Raad is door deze argumenten niet overtuigd. Op de totstandkoming van de regeling van de bedoelde omgevingsvergunning met afstemmingsregeling kan niet worden gewacht. In verband met de complexiteit van de habitattoets op grond van de Nbw 98 zal die toets tenminste gelijktijdig met de beoordeling van milieuvergunningaanvraag dienen plaats te vinden door het Nbw-bevoegde gezag. Weliswaar voorziet artikel 19ka Nbw 98 nog in een procedurele coördinatie, maar daarin wordt de beoordeling van de noodzaak van inhoudelijke coördinatie overgelaten aan het Wm-bevoegde gezag. Nu de afstemmingsproblematiek zich niet beperkt tot de Nbw 98 en de Wav alleen, maar de ammoniakproblematiek in de praktijk wel vaak de belangrijkste zal zijn, adviseert de Raad het voorstel aan te vullen met een in de Wet milieubeheer op te nemen, inhoudelijke afstemmingsregeling tussen de Nbw 98 en de Wm. 7. Kostenvergoeding volgens artikel 105 Provinciewet Uit de toelichting blijkt dat de gemeenten per saldo geen extra kosten hoeven te maken als gevolg van het wetsvoorstel. Voor de provincies is dat echter anders: zij zullen de op het slot van paragraaf 7.1 van de toelichting genoemde kosten moeten maken. Nu artikel 105, derde lid, van de Provinciewet voorschrijft dat het rijk deze kosten voor zijn rekening moet nemen, adviseert de Raad in de toelichting te melden hoe dat zal gebeuren. 8. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl18 pagina's, pdf Tekst