Raad van State
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 in verband met de implementatie van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG en tot uitvoering van de verordening tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft, met nota van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 in verband met de implementatie van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG en tot uitvoering van de verordening tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft, met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 18 mei 2005, no.05.001844, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 in verband met de implementatie van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG en tot uitvoering van de verordening tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft, met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit strekt tot implementatie van richtlijn nr. 2003/71/EG (hierna: prospectusrichtlijn). Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: wetsvoorstel Wte 1995)(zie noot 1) vormt de grondslag voor deze implementatie. Volgens de toelichting zal de implementatie van de prospectusrichtlijn uiteindelijk echter plaatsvinden in hoofdstuk 3.5 in deel 3 van de Wet op het financieel toezicht(zie noot 2) (hierna: Wft), waarin onder meer de Wte 1995 zal opgaan. Met het wetsvoorstel Wte 1995 en onderhavig ontwerpbesluit is aldus beoogd een tijdelijk wettelijk kader te creëren, tot de inwerkingtreding van de Wft. Gelet op deze tijdelijkheid is ervoor gekozen om slechts die onderdelen van de Wte 1995 aan te passen die noodzakelijk zijn voor de implementatie van de richtlijn, aldus de toelichting. Dit houdt in dat het een technische omzetting betreft binnen de bestaande systematiek en terminologie van de Wte 1995. De noodzakelijke implementatie vindt voor een belangrijk deel plaats in het onderhavige ontwerpbesluit, dat onder meer het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Bte 1995) wijzigt. De Raad van State maakt een aantal kanttekeningen en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is. Gezien de zeer directe inhoudelijke samenhang tussen het ontwerpbesluit en het voorstel voor hoofdstuk 3.5 van de Wft, en temeer omdat het ontwerpbesluit voorziet in slechts een tijdelijk wettelijk kader, en de toelichting zelf verwijst naar hoofdstuk 3.5 van de Wft, acht de Raad het dienstig om, evenals in zijn advies over het wetsvoorstel Wte 1995, in dit advies mede het voorgestelde hoofdstuk 3.5 van de Wft te betrekken. De op 31 mei 2005 bekend geworden nota naar aanleiding van het nader verslag(zie noot 3) inzake het wetsvoorstel Wte 1995 vermeldt naar aanleiding van vragen van de leden van de CDA-fractie dat het conceptbesluit momenteel ter advisering bij de Raad ligt. Het trok de aandacht van de Raad dat de minister in dat verband heeft aangegeven bereid te zijn het aan de kamer toegezonden concept van het ontwerpbesluit(zie noot 4) met de kamer te bespreken, zodat eventuele opmerkingen tegelijk met het advies van de Raad kunnen worden verwerkt. Dit roept de vraag op of daarmee het besluit alsnog aan een voorhangprocedure wordt onderworpen. In dit geval zou dat ertoe kunnen leiden dat er wijzigingen worden aangebracht in de tekst van het ontwerpbesluit nadat het aan de Raad ter advisering is voorgelegd. De Raad acht zo'n procedure in strijd met de positie van de Raad als laatste adviseur. Hij gaat ervan uit dat eventuele (ingrijpende) wijzigingen alsnog aan hem ter advisering worden voorgelegd. 1. Delegatiegrondslag Het ontwerpbesluit strekt mede ter uitwerking van de voorgestelde nieuwe artikelen 3b, tweede lid, en 5, eerste lid, van de Wte 1995 (zie de artikelen 1s respectievelijk 6a). Deze grondslag dient te worden opgenomen. De Raad adviseert de aanhef van het ontwerpbesluit aan te passen. 2. Definities en begrippen a. Aanbieden van effecten aan het publiek i. Het begrip "aanbieden van effecten aan het publiek" (artikel 2, eerste lid, onder d, van de prospectusrichtlijn) vormt een sleutelbegrip in de prospectusrichtlijn. Het begrip "aanbieden van effecten aan het publiek" is niet in het wetsvoorstel Wte 1995 overgenomen. Uit de structuur van de prospectusrichtlijn blijkt dat er twee vormen van "aanbieden van effecten aan het publiek" bestaan: het aanbieden van effecten aan het publiek buiten een gereglementeerde markt om en het aanbieden van effecten via een gereglementeerde markt. Een dergelijk onderscheid wordt ook gemaakt in het voorstel voor deel 3 van de Wft (voorgesteld artikel 3:5.1, tweede lid). In het nader rapport bij het wetsvoorstel Wte 1995 wordt aangekondigd dat in het aan te passen Besluit toezicht effectenverkeer 1995 dit onderscheid tussen de twee vormen van aanbieden van effecten zal worden gemaakt.(zie noot 5) Het onderscheid is van belang, omdat er op grond van de prospectusrichtlijn voor de twee vormen van aanbieden van effecten verschillende regels gelden. In het ontwerpbesluit is in artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, een definitie opgenomen van "aanbieden van effecten aan het publiek". Deze definitie lijkt alleen te zien op het aanbieden van effecten buiten de gereglementeerde markt om en niet ook op het aanbieden van effecten die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. In een aantal andere artikelen wordt daarentegen wel het onderscheid gemaakt; zie bijvoorbeeld artikel 1f, eerste lid, 1i, eerste lid, en 1n, eerste lid. De Raad acht het wenselijk dat, evenals dat gebeurt in de Wft, de beide vormen van aanbieden van effecten aan het publiek expliciet in het ontwerpbesluit worden opgenomen en behandeld, zodat duidelijk is dat voor beide vormen van aanbieden een prospectus moet worden opgesteld. Hij adviseert daartoe artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerpbesluit aan te passen en waar nodig ook overigens het ontwerpbesluit aan te passen met het oog op het bedoelde onderscheid. ii. De prospectusrichtlijn gaat ervan uit dat bij de aanbieding van effecten aan het publiek de potentiële koper toereikend geïnformeerd wordt om te kunnen beslissen of hij wil ingaan op het aanbod van de aanbieder. De definitie van "aanbieden van effecten aan het publiek" wijkt af van die in het voorgestelde artikel 3:5.1, tweede lid, van de Wft. Zo ontbreekt in de definitie in artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerpbesluit dat het gaat om het "rechtstreeks of middellijk" doen van een bepaald aanbod. De Raad adviseert, zeker ook gelet op het tijdelijke karakter van het ontwerpbesluit, in de definitie zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bewoordingen van de Wft. iii. Artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, definieert "aanbieden van effecten aan het publiek". Het ontwerpbesluit gebruikt echter op andere plaatsen soms de term "aanbieden van effecten" zonder de specificatie "aan het publiek" (zie bijvoorbeeld de artikelen 1b, 1f en 1r). Dit geldt eveneens voor de toelichting. In artikel 3, eerste lid, van het wetsvoorstel Wte 1995 komt de bewoording aanbieden "aan het publiek" ook niet voor. Verder valt op dat in de artikelen 1b, 1h en 1s wordt gesproken van "voorgenomen" aanbiedingen van effecten. Dit is een - ontoelaatbare - verruiming van de prospectusrichtlijn, en wijkt ook af van de definitie in artikel 1a, eerste lid, onderdeel a. De Raad adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en, mede gelet onder hetgeen hiervoor onder i is opgemerkt, in het ontwerpbesluit en de toelichting voor eenmaal gedefinieerde begrippen vervolgens steeds consequent dezelfde bewoordingen te hanteren. b. Gereglementeerde markt In artikel I, onderdeel A, vierde lid, is het begrip "gereglementeerde markt" gedefinieerd. In een reactie op een consultatieversie van het ontwerpbesluit heeft Euronext Amsterdam zich op het standpunt gesteld dat het segment ‘traded but not listed’ geen gereglementeerde markt is en derhalve niet onder de reikwijdte van de definitie valt.(zie noot 6) Dit segment is door het ministerie wel bij onder meer de Europese Commissie aangemeld(zie noot 7) als "gereglementeerde markt" in de zin van de richtlijn beleggingsdiensten(zie noot 8). Gelet hierop, moet voor uitgevende instellingen duidelijkheid geschapen worden over de vraag of het segment nu wel of niet onder "gereglementeerde markt" valt. De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen. c. Effect In de toelichting op de definitie in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van "effect" wordt opgemerkt dat het begrip "verhandelbaar" een belangrijk bestanddeel is van de definitie van "effect". Ook in de toelichting op deel 3 van de Wft komt het belang van dit begrip naar voren. Van "verhandelbaar" is sprake indien, vanuit economisch perspectief bezien, een markt aanwezig is, aldus de toelichting. De toelichting is echter op dit punt niet geheel duidelijk, doordat ze zowel spreekt in termen van de verhandelmogelijkheden door de aanwezigheid van een markt (een kenmerk dat in feite buiten het effect zelf ligt en dat verwijst naar het bijeenbrengen van vraag en aanbod door marktpartijen), als van de verhandelbaarheid van het effect zelf (hetgeen veeleer wijst op een eigenschap van dat effect). Hierdoor is niet op voorhand geheel duidelijk wanneer bij het aanbieden van effecten (zoals dat begrip is gedefinieerd in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d) een prospectus moet worden opgesteld op basis van het eerste lid dan wel van het vierde lid van artikel 3 van het wetsvoorstel Wte 1995. De Raad verwijst in dit verband ook naar zijn opmerkingen in punt 6.f van zijn advies over deel 3 van de Wft over de verhandelbaarheid van effecten. Hij adviseert op het voorgaande in de toelichting in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen. d. Groep Het begrip "groep" is niet in de prospectusrichtlijn gedefinieerd. In artikel 1, onderdeel g, van de Wte 1995 is een groepsbegrip opgenomen ter implementatie van het begrip "nauwe banden" uit richtlijn 95/26/EG(zie noot 9). In de Wft zal, blijkens de toelichting, voortaan de definitie van "groep" uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 2:24b) worden gebruikt, en is het begrip "nauwe banden" uit richtlijn 95/26/EG geïmplementeerd door de zinsnede 'formele en feitelijke groepsstructuur met natuurlijke personen of rechtspersonen'. Het is niet duidelijk of het begrip "groep" in de prospectusrichtlijn en in artikel 1a, onderdelen e en f, van het ontwerpbesluit moet aansluiten bij artikel 2:24b BW, in plaats van dat het dezelfde inhoud dient te hebben als die in artikel 1, onderdeel g, van de Wte 1995. De Raad adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan, en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen. e. Belegger Het ontwerpbesluit gaat uit van "een redelijk geïnformeerde en zorgvuldig handelende belegger" (zie bijvoorbeeld artikel 1j). Deze uitleg van het begrip "belegger" komt niet uit de prospectusrichtlijn, maar lijkt te zijn gebaseerd op nationale jurisprudentie. De toelichting gaat niet in op de vraag of deze uitleg overeenkomt met hetgeen in Europese wetgeving en in de wetgeving van de andere lidstaten onder "belegger" wordt verstaan. De Raad adviseert de toelichting aan te vullen, en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen. 3. Uitbreidingen ten opzichte van de prospectusrichtlijn Indien afwijking van een richtlijn wordt overwogen, dient allereerst te worden geanalyseerd of de desbetreffende richtlijn daarvoor de ruimte biedt. Indien de richtlijn zich niet uitspreekt over verruiming of de richtlijn het aan de lidstaat overlaat om al dan niet verruiming aan te brengen, dient voorts te worden nagegaan of het EG-Verdrag zich tegen een dergelijke verruiming verzet. Hetzelfde geldt als het onderwerp van de verruiming niet door de richtlijn wordt bestreken. Het resultaat van de hiervoor bedoelde analyse en toetsing dient bij een positieve uitkomst voor de voorgenomen afwijking te worden neergelegd in de toelichting, om aldus die afwijking te rechtvaardigen. Alles bijeen moet immers buiten twijfel zijn dat een verruiming met een extra eis wordt toegelaten door de desbetreffende richtlijn en waar van toepassing door het EG-Verdrag. Op de volgende punten wijst de Raad op het ontbreken van deze rechtvaardiging. a. Overdracht van goedkeuringsbevoegdheid Indien ingevolge artikel 1d op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat besluit omtrent goedkeuring van het prospectus, stelt de AFM de aanvrager en de Minister van Financiën hiervan op de hoogte (tweede lid). Op grond van de prospectusrichtlijn is het echter niet noodzakelijk om ook de minister hiervan op de hoogte te stellen. Dit is ook niet opgenomen in de Wft. Verder verdient het de aandacht dat het besluit tot overdracht, volgens de toelichting, vatbaar is voor beroep. Er dient duidelijkheid te zijn over de vraag wat er gebeurt als er een reeds een prospectus is dat is goedgekeurd door de verzochte toezichthoudende instantie en het overdrachtsbesluit naderhand in beroep wordt vernietigd. De Raad adviseert de uitbreiding ten opzichte van de richtlijn van de hiervoor bedoelde rechtvaardiging te voorzien of haar te laten vervallen, en voorts in de toelichting in te gaan op het hiervoor aangeduide gevolg van een mogelijke beroepsprocedure. b. Aansprakelijkheid Artikel 5, tweede lid, onderdeel d, van de prospectusrichtlijn stelt dat personen die een samenvatting, met inbegrip van de vertaling daarvan, hebben ingediend, alleen aansprakelijk kunnen worden gesteld als de samenvatting wanneer deze samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen, misleidend, onjuist of inconsistent is. Artikel 1i, tweede lid, van het ontwerpbesluit vormt volgens de transponeringstabel de implementatie van deze bepaling. In de transponeringstabel ontbreekt ten onrechte ook een verwijzing naar artikel 1j, tweede lid, onderdeel d. Artikel 1i, tweede lid, bepaalt dat de gegevens in het prospectus niet in strijd zijn met elkaar of in tegenspraak met andere bij de AFM aanwezige informatie en dat de gegevens worden gepresenteerd in een vorm die voor een belegger begrijpelijk is. Daarmee is de aansprakelijkheid in het ontwerpbesluit ruimer gesteld dan die in artikel 5, tweede lid, onderdeel d, van de prospectusrichtlijn. De Raad adviseert artikel 5, tweede lid, onderdeel d, van de prospectusrichtlijn nauwkeurig te implementeren en eventuele uitbreidingen van de vereiste rechtvaardiging te voorzien. c. Kosteloos verstrekken Artikel 14, zevende lid, van de prospectusrichtlijn bepaalt dat in bepaalde gevallen kosteloos een afschrift van het prospectus op papier wordt verstrekt. Dit is geïmplementeerd in artikel 1q, zevende lid, van het ontwerpbesluit. Daarentegen dient ingevolge artikel 1p, eerste lid, onderdeel a, in een reclame-uiting te worden vermeld dat er altijd kosteloos een prospectus algemeen verkrijgbaar is of wordt gesteld. Deze laatste eis gaat verder dan de prospectusrichtlijn verlangt. De Raad adviseert artikel 1p, eerste lid, onderdeel a, aan te passen dan wel in de bedoelde rechtvaardiging voor de uitbreiding ten opzichte van de richtlijn te voorzien. 4. Het prospectus a. De bestanddelen Het prospectus kan bestaan uit een registratiedocument, een verrichtingsnota en een samenvatting. Artikel 12, tweede lid, tweede volzin, van de prospectusrichtlijn bepaalt dat de verrichtingsnota die ingevolge de eerste zin ook gegevens kan bevatten die normaal in een registratiedocument worden vermeld, en de samenvatting afzonderlijk worden goedgekeurd. Artikel 1k, derde lid, tweede volzin, stelt dat een dergelijke verrichtingsnota en de samenvatting tezamen met het registratiedocument een nieuw prospectus vormen. Aangezien de goedkeuring op grond van artikel 1e, eerste lid, van het ontwerpbesluit het prospectus als geheel betreft, is het onduidelijk of deze verrichtingsnota en de samenvatting ook afzonderlijk kunnen worden goedgekeurd, zoals bedoeld in de prospectusrichtlijn. De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen. b. De gegevens i. Artikel 1i, eerste lid, van het ontwerpbesluit wijkt op verschillende punten af van de bewoording van artikel 3:5.13, tweede lid, van de Wft. Dit acht de Raad niet wenselijk, daar het ontwerpbesluit slechts voorziet in een tijdelijk wettelijk kader. Hij adviseert derhalve zo veel mogelijk aan te sluiten bij de bewoordingen van de Wft. ii. De laatste alinea van artikel 5, tweede lid, van de prospectusrichtlijn stelt dat geen samenvatting behoeft te worden opgesteld wanneer het prospectus betrekking heeft op de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van effecten zonder aandelenkarakter die een nominale waarde per eenheid van ten minste 50.000 euro hebben, tenzij een lidstaat daar conform artikel 19, vierde lid, van de prospectusrichtlijn om verzoekt. Indien van deze keuzemogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, moet in het ontwerpbesluit worden opgenomen dat de samenvatting niet behoeft te worden opgesteld bij toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van de hier bedoelde effecten. De Raad adviseert artikel 5, tweede lid, laatste alinea, alsnog in het ontwerpbesluit te implementeren. 5. Het basisprospectus Het basisprospectus bevat in beginsel de definitieve voorwaarden van de aanbieding, aldus artikel 2, eerste lid, onderdeel r, van de prospectusrichtlijn. Onder bepaalde voorwaarden behoeven deze gegevens niet te worden vermeld (zie artikel 5, vierde lid, laatste alinea, van de richtlijn en artikel 1l, tweede lid, van het ontwerpbesluit). De toelichting geeft niet aan wat onder 'definitieve voorwaarden' moet worden volstaan. De Raad adviseert de toelichting aan te vullen. 6. Niet-vermelden van gegevens a. Artikel 8, eerste lid, van de prospectusrichtlijn lijkt in te houden dat de lidstaten ervoor zorg dragen dat de uitgevende instelling mag kiezen uit de daar genoemde varianten a of b. In artikel 1n, eerste lid, van het ontwerpbesluit is echter alleen de mogelijkheid a opgenomen, omdat artikel 8, eerste lid, kennelijk wordt gezien als een keuzemogelijkheid voor de lidstaten. Aangezien interpretatie van dat artikel aldus tot onduidelijkheid kan leiden, is het van belang na te gaan hoe andere lidstaten artikel 8, eerste lid, van de prospectusrichtlijn implementeren. De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan, en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen. b. Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef, van de prospectusrichtlijn kan de AFM toestaan dat bepaalde informatie niet in het prospectus wordt opgenomen. Artikel 1n, derde lid, aanhef, van het ontwerpbesluit bepaalt dat bepaalde informatie niet in het prospectus hoeft te worden vermeld. Daarmee blijkt dat deze beperking zich niet richt tot de AFM, maar tot de opstellers van het prospectus, hetgeen niet overeenkomt met de richtlijn. De Raad adviseert artikel 8, tweede lid, aanhef, nauwkeurig te implementeren. 7. Taalregeling Artikel 1o regelt in welke taal het prospectus moet zijn opgesteld. Hierbij valt op dat de in het eerste lid en het vierde lid vermelde talen niet geheel overeenkomen met die welke zijn vermeld in artikel 19, derde respectievelijk vierde lid, van de prospectusrichtlijn. Niet is namelijk opgenomen dat een prospectus ook in de taal van een andere lidstaat mag zijn opgesteld indien de aanbieding behalve in Nederland ook in die lidstaat plaatsvindt (artikel 19, derde lid, van de prospectusrichtlijn). Evenmin is opgenomen dat in geval van het aanbieden als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de prospectusrichtlijn, een prospectus moet zijn opgesteld in de taal die in de lidstaat van ontvangst én van herkomst wordt aanvaard, dan wel in een taal die in internationale financiële kringen pleegt te worden gebruikt. De Raad adviseert artikel 19, derde lid en vierde lid, van de prospectusrichtlijn nauwkeurig te implementeren. 8. Vrijstelling en ontheffing Artikel 1p, derde lid, van het ontwerpbesluit bepaalt dat de regels voor reclame-uitingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet van toepassing zijn op aanbiedingen van effecten aan het publiek waarvoor een ontheffing is verleend of een vrijstelling van toepassing is van de verplichting tot het algemeen verkrijgbaar stellen van een prospectus. Artikel 1h bepaalt dat artikel 1p alleen van toepassing is op voorgenomen aanbiedingen van effecten waarvoor de AFM goedkeuring verleent. Dat laatste is echter niet aan de orde bij aanbiedingen van effecten die van de prospectusplicht zijn vrijgesteld of waarvoor een ontheffing is verleend. Zo bezien, is het derde lid van artikel 1p overbodig. Daarnaast wijst de Raad op het vijfde lid van artikel 1p, waarin de verplichting tot informatieverstrekking is opgenomen voor aanbiedingen van effecten die van de prospectusplicht zijn vrijgesteld of waarvoor een ontheffing is verleend. Een desbetreffende verplichting dient echter, gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wte 1995, geregeld te worden in de vrijstellingsregeling of in het ontheffingsbesluit. Zo bezien, is ook het vijfde lid van artikel 1p overbodig. De Raad adviseert artikel 1p, derde en vijfde lid, te laten vervallen. 9. Algemeen verkrijgbaar stellen In artikel 1q, derde lid, onderdeel a, wordt bepaald dat het algemeen verkrijgbaar stellen door middel van publicatie in een landelijk verspreid dagblad kan plaatsvinden. Niet duidelijk is om welk land het dan gaat, terwijl in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van de prospectusrichtlijn staat dat dit de lidstaten zijn waar de aanbieding wordt gedaan of waar de toelating tot de handel wordt aangevraagd. De Raad adviseert artikel 1q, derde lid, onderdeel a, dienovereenkomstig te preciseren. 10. Register In de toelichting op artikel 1q staat dat de AFM in het register aangeeft wanneer het prospectus algemeen verkrijgbaar is gesteld of hoeveel maanden verstreken zijn sinds de algemene verkrijgbaarstelling. Dit volgt niet uit artikel 1q, vierde lid. Bovendien bevat het ontwerpbesluit niet de in artikel 20a, derde lid, van het wetsvoorstel Wte 1995 bedoelde regels ten aanzien van de inrichting en de werking van het register en de wijze waarop in het register wijzigingen worden aangebracht. De Raad adviseert hierop in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen. 11. Wijzigingen overige besluiten De in artikel II en III voorgestelde wijzigingen van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen (hierna: Btb) respectievelijk het Besluit financiële bijsluiter zijn erop gericht dat geen prospectus respectievelijk financiële bijsluiter hoeft te worden opgesteld als er al een prospectus is opgesteld op grond van artikel 3, eerste of vierde lid, van het wetsvoorstel Wte 1995. Gelet op de toelichting en op het feit dat het Btb-prospectus en de financiële bijsluiter uitgebreider zijn dan het prospectus op grond van artikel 3, vierde lid, van het wetsvoorstel Wte 1995, acht de Raad het wenselijk dat het nieuwe derde lid van artikel 6 Btb alleen bepaalt dat een Btb-prospectus niet behoeft te worden opgesteld, indien er een prospectus op grond van artikel 3, eerste lid, Wte 1995 is opgesteld. Dit geldt evenzo voor de wijziging van het Besluit financiële bijsluiter. De Raad adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen. 12. Transponeringstabel Bij de aanbieding van het ontwerpbesluit aan de Raad ontbrak een transponeringstabel. De Raad heeft deze tabel desgevraagd alsnog ontvangen. Hij heeft vervolgens vastgesteld dat deze tabel en de transponeringstabel bij het wetsvoorstel Wte 1995 niet volledig met elkaar overeenstemmen. De Raad adviseert zorg te dragen voor overeenstemming tussen deze twee tabellen. 13. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl18 pagina's, pdf Tekst