Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Technische verbeteringen en aanpassingen).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Technische verbeteringen en aanpassingen).Bij Kabinetsmissive van 16 februari 2000, no.00.000746, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Technische verbeteringen en aanpassingen). Het wetsvoorstel brengt wijzigingen aan in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 voor een juiste toepassing van Europese regelgeving op het gebied van veiligheid en gezondheid van werknemers, voor een toereikende handhaving van het boeteregime en voor het aanbrengen van redactionele verbeteringen. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar plaatst daarbij de volgende kanttekening. In de memorie van toelichting wordt meegedeeld(zie noot 1) dat de aanpassing van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 mede plaatsvindt om tegemoet te komen aan de wensen van de Europese Commissie. Op dit punt wordt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid J.F. Hoogervorst aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.(zie noot 2) In die brief is aangegeven dat het belangrijkste punt van kritiek van de Commissie is dat in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 geen voorrang voor een interne arbodienst, boven inschakeling van een externe arbodienst is opgenomen. De regering is, aldus deze brief, van oordeel dat de Kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid(zie noot 3) (hierna: de Kaderrichtlijn) zich er niet tegen verzet dat de werkgever de keuze wordt gelaten voor een interne dan wel een externe arbodienst en is dan ook niet voornemens de wet op dit punt aan te passen.(zie noot 4) In de memorie van toelichting wordt op het standpunt van de regering niet ingegaan. De Raad van State adviseert dit standpunt nader uiteen te zetten en vraagt daarbij in het bijzonder aandacht te geven aan de volgende vragen. In artikel 1, derde lid, van de Kaderrichtlijn wordt bepaald dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bestaande of toekomstige nationale en communautaire bepalingen die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. Artikel 7 van de Kaderrichtlijn bevat de verplichting een interne dienst in het leven te roepen, tenzij de mogelijkheden in het bedrijf en/of de inrichting onvoldoende zijn om de beschermings- en preventie-activiteiten te organiseren. De vermelde bepalingen roepen de vraag op of de Kaderrichtlijn ertoe verplicht om voor ieder bedrijf afzonderlijk na te gaan of de oprichting van een interne dienst onvoldoende mogelijk is voordat aan het beoordeelde bedrijf wordt toegestaan, gebruik te maken van een externe arbodienst. Als van een bedrijf wordt vastgesteld dat het oprichten van een interne arbodienst mogelijk is, roept dit weer de vraag op of alleen van de verplichting tot oprichting van een interne arbodienst kan worden afgeweken indien de keuze voor een externe dienst gunstiger is voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)