- Identifier
- nl.oorg10008.2e.2019.1704
- Aanbieder (Naam)
- Raad van State
- Titel
- Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de weg Eindhoven-Oss-Ravenstein-Arnhem-Apeldoorn-Kampen (Rijkswegenplan 1984, nr. 50), gedeelte ombouw Uden-Noord - Oss (ombouw Nistelrode), tussen (werk)km 26,000 en (werk)km 34,500, met bijkomende werken, in de gemeenten Uden, Bernheze, Landerd en Oss.
- Beschrijving
- Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de weg Eindhoven-Oss-Ravenstein-Arnhem-Apeldoorn-Kampen (Rijkswegenplan 1984, nr. 50), gedeelte ombouw Uden-Noord - Oss (ombouw Nistelrode), tussen (werk)km 26,000 en (werk)km 34,500, met bijkomende werken, in de gemeenten Uden, Bernheze, Landerd en Oss.Krachtens machtiging van Uwe Majesteit heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat met een schrijven van 6 mei 2003, no. HKW/R 2003/4475, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de weg Eindhoven-Oss-Ravenstein-Arnhem-Apeldoorn-Kampen (Rijkswegenplan 1984, nr. 50), gedeelte ombouw Uden-Noord - Oss (ombouw Nistelrode), tussen (werk)km 26,000 en (werk)km 34,500, met bijkomende werken, in de gemeenten Uden, Bernheze, Landerd en Oss. 1. De onderhavige administratieve onteigeningsprocedure is met het ter inzage leggen van de stukken aangevangen op 18 november 2002. Uit de overwegingen naar aanleiding van de gelijkluidende zienswijzen van de reclamanten sub 1, 2, 3 en 4 blijkt met betrekking tot het tussen de verzoeker om onteigening en de reclamanten gevoerde minnelijk overleg het volgende. Aan reclamant sub 1 is op 3 september 2003 (bedoeld zal zijn 2002) een mondelinge aanbieding gedaan. De verdere onderhandelingen hebben ertoe geleid dat de verzoeker een alternatief voorstel van reclamant sub 1 heeft geaccepteerd en dat een koopovereenkomst is toegezonden waarover tussen partijen overleg plaatsvindt. Nu er kennelijk bijna overeenstemming tussen partijen is bereikt, rijst de vraag of er nog een noodzaak bestaat om ten aanzien van deze reclamant een onteigeningsprocedure te starten. Met betrekking tot het tussen de verzoeker om onteigening en reclamant sub 2 gevoerde minnelijke overleg wordt opgemerkt dat beide partijen overeenstemming hebben bereikt over de verwerving van zijn gronden en dat partijen de koopovereenkomst inmiddels hebben ondertekend. De overeenkomst moet nog voor de notaris worden verleden. Ook ten aanzien van deze reclamant kan de vraag naar de noodzaak van onteigening worden gesteld. De onroerende zaak van reclamant sub 3 is op 9 oktober 2002 getaxeerd waarop op 5 november 2002 een schriftelijke aanbieding is gedaan. Deze reclamant heeft te kennen gegeven een deskundige te willen inschakelen, hetgeen inmiddels is gebeurd, maar reclamant heeft nog niet gereageerd. Ten aanzien van reclamant sub 3 kan de vraag worden gesteld of, gelet op de stand van zaken met betrekking tot het minnelijk overleg, niet eerst getracht kan worden alsnog een reactie van reclamant te verkrijgen alvorens de administratieve onteigeningsprocedure te starten. Aan reclamant sub 4 is op 2 oktober 2002 een schriftelijke aanbieding gedaan. De daaropvolgende onderhandelingen hebben ertoe geleid dat op 22 januari 2003 reclamant een aangepaste schadeloosstelling op basis van vervangende gronden is aangeboden. Uit het ontwerpbesluit blijkt niet of reclamant dit aanbod heeft afgewezen. Uit het vorenstaande blijkt niet dat in redelijkheid kon worden aangenomen dat er voldoende doch vruchteloze pogingen zijn ondernomen om met reclamanten tot overeenstemming te komen. De Raad meent dat de noodzaak tot onteigening van de gronden van de reclamanten sub 1, 2, 3 en 4 niet is aangetoond en adviseert deze gronden buiten de onteigening te houden en het ontwerpbesluit dienovereenkomstig aan te passen. 2. Uit de overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen van reclamanten sub 6 en 7 blijkt dat na een stagnatie van ruim een jaar aan deze reclamanten op 3 oktober 2002 een schriftelijke aanbieding is gedaan. Over de oorzaken van deze vertraging wordt niets vermeld. Die zouden alsnog moeten worden vermeld. Wel blijkt uit deze overwegingen dat op 23 oktober 2002 nog minnelijk overleg met deze reclamanten is gevoerd waarin deze om duidelijkheid hebben gevraagd met betrekking tot de belangstelling die de gemeente Bernheze in een eerder stadium voor aankoop van hun gronden heeft getoond. Hierover heeft de verzoeker om onteigening pas op 16 januari 2003 uitsluitsel gegeven, dus ruim twee maanden na de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure. Aangezien het hier ging om wezenlijke informatie voor reclamanten in een voor hen complexe overlegsituatie, had de verzoeker om onteigening nu hij betere mogelijkheden had om aan die informatie te komen, die informatie eerder moeten verstrekken. Pas na het verstrekken van die informatie had hij kunnen onderzoeken of hij met deze reclamanten binnen redelijke termijn tot overeenstemming zou kunnen komen en de vraag kunnen beantwoorden of jegens hen toepassing zou moeten worden gegeven aan de onteigeningswet. Nu hij dat heeft nagelaten, is de noodzaak van de onteigening van de gronden van reclamanten sub 6 en 7 naar de mening van de Raad niet aangetoond en zullen (ook) die gronden buiten de onteigening moeten worden gehouden. Het college adviseert het ontwerpbesluit in vorenvermelde zin aan te passen. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken. De Vice-President van de Raad van State
- Publicatiedatum
- 2019-01-28
- Jaar
- 2019
- Type
- 2e - Advies
- Aanbieder (Code)
- oorg10008
- Totaal aantal documenten
- 1
- Verkregen op
- 2024-03-30
- Aantal pagina's in dossier
- 7