Raad van State
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement, het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en enige andere besluiten in verband met de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement, het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en enige andere besluiten in verband met de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit.Bij Kabinetsmissive van 22 februari 2001, no.01.000954, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement, het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en enige andere besluiten in verband met de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit. Het ontwerpbesluit strekt ertoe de toepassing van de Arbeidstijdenwet (ATW) en het Arbeidstijdenbesluit (ATB) binnen het Ministerie van Defensie te regelen. In situaties waarin de werking van de ATW niet is te verenigen met de aan de defensieorganisatie opgedragen taken is de ATW voor defensiepersoneel geheel of gedeeltelijk niet van toepassing (artikel 2:4, tweede en derde lid, ATW). Daarnaast bestaat op grond van artikel 5:12, eerste lid, ATW, de mogelijkheid om af te wijken van de ATW dan wel regels te stellen die beogen die wet aan te vullen. Ten aanzien van arbeid verricht door defensiepersoneel dat als zodanig werkzaam is, is van die mogelijkheid gebruikgemaakt in paragraaf 5.6 ATB. De systematiek van de ATW en het ATB gaat met betrekking tot arbeids- en rusttijden uit van een standaard- en een overlegregeling. In het ontwerpbesluit wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid die de ATW biedt om overeenkomstig artikel 1:3 of 1:4 van die wet een collectieve regeling te treffen over de toepassing van de overlegregeling. Die overlegregeling - inclusief de toepassing van afwijkende en aanvullende regels van het ATB - wordt tot stand gebracht in het overleg tussen werkgever en werknemer en maakt het mogelijk om met meer flexibiliteit in te spelen op de specifieke situatie bij de werkorganisatie door binnen de ruimere normen van de overlegregeling af te wijken van de standaardregeling. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. Het ontwerpbesluit bevat collectieve afspraken inzake werk- en rusttijden voor het militair en burgerpersoneel behorend tot het Ministerie van Defensie die overeenkomstig artikel 1:3 ATW zijn vastgelegd en uitgewerkt in hoofdstuk 7 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en in hoofdstuk 4 van het Besluit ambtenarenreglement defensie (BARD). In verband met de vaststelling en uitvoering van de ongeveer 280 werk- en rusttijdenregelingen op onderdeelsniveau is een groot aantal algemeen geldende bepalingen uit de ATW en het ATB - soms nagenoeg letterlijk - overgenomen. Met de keuze voor het in de nota van toelichting genoemde begrip "zelfdragendheid" introduceert het Ministerie van Defensie een concept dat is ingegeven door praktische overwegingen, maar dat naar de mening van de Raad de gestelde oogmerken niet, althans onvoldoende, kan bereiken en dat juridisch gezien minder geslaagd is. De Raad noemt de volgende bezwaren. Het begrip zelfdragendheid wekt de indruk van een autonoom en volledig besluit, terwijl dat niet zo is. De nota van toelichting merkt hierover op dat de niet in het AMAR en het BARD overgenomen (algemene) bepalingen van de ATW en het ATB onverkort van toepassing zijn op de arbeid van het defensiepersoneel.(zie noot 1) De consequentie van het oogmerk van zelfdragendheid is dat bij toekomstige wijzigingen van de ATW en het ATB mogelijk ook het AMAR en het BARD gewijzigd moeten worden.(zie noot 2) De voorkeur voor een praktisch hanteerbaar document nu, leidt op die manier op termijn tot onnodige wetgevingsactiviteit. Zoals blijkt moet ook in een zelfdragende werk- en rusttijdenregeling gewerkt worden met een weinig transparant stelsel van verwijzingen naar andere bepalingen.(zie noot 3) Een dergelijke onoverzichtelijk systeem staat op gespannen voet met het streven naar een document dat op onderdeelsniveau praktisch hanteerbaar is. De Raad adviseert daarom de verwarrende term "zelfdragendheid" achterwege te laten. Daar waar toepassing van de overlegregeling tot dezelfde resultaten leidt als het rechtstreeks toepassen van de ATW of het ATB op het defensiepersoneel, is het beter de in het besluit opgenomen collectieve regeling zo te beperken, dat alle onderdelen die alleen om praktische redenen zijn overgenomen uit de ATW of het ATB, maar die geen zelfstandige functie hebben, te schrappen. De collectieve regeling wordt hierdoor beperkt tot slechts die onderdelen die strekken tot aanvulling of afwijking van de ATW en het ATB. Desgewenst kan voor de praktische hanteerbaarheid van de regelingen een brochure worden samengesteld waarin de regeling van de werk - en rusttijden geheel uiteengezet wordt, met verwijzing naar de verschillende wettelijke bepalingen. 2. Volgens paragraaf 3 van de nota van toelichting wordt er in situaties dat een algemene uitzonderingsbepaling wordt toegepast naar gestreefd het personeel in de geest van de werk- en rusttijdenregeling in te zetten. De Raad adviseert dit voornemen in de nota van toelichting te verduidelijken. 3. Het begrip "oefening" uit artikel 2:4 ATW is blijkens de toelichting niet meer actueel; in verband daarmee is in artikel 54a AMAR en in artikel 30a BARD een nieuwe definitie opgenomen die meer in overeenstemming is met de verruimde taakstelling van Defensie. Zo is geschrapt dat oefeningen "onder oorlogsnabootsende omstandigheden" plaatsvinden en zijn "oorlogstaken" vervangen door: "de aan de krijgsmacht opgedragen operationele taken". Deze aanpak heeft echter tot gevolg dat het begrip "oefening" in de ATW enerzijds en in het AMAR en het BARD anderzijds verschillend gedefinieerd wordt. Dit terwijl de definitie in de ATW bij haar totstandkoming is omschreven als een begrip dat volledig is gerelateerd aan het defensiepersoneel. Met de opneming van een definitie van oefening in de ATW is beoogd dat het niet meer mogelijk is om bijvoorbeeld in het Arbeidstijdenbesluit het begrip oefening in andere dan specifieke defensiesituaties te hanteren.(zie noot 4) Door de voorgestelde wijziging ontstaan echter twee verschillende definities voor de defensiesituatie; een oude en een nieuwe definitie. De Raad hecht er aan dat slechts één begrip wordt gehanteerd. Daarom beveelt hij aan de definitie in het AMAR en het BARD niet te wijzigen alvorens de definitie in de ATW is gewijzigd. De Raad adviseert dit laatste zo spoedig mogelijk te doen. 4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl5 pagina's, pdf Tekst