Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regeling van aard, inhoud en omvang van aanspraken van cliënten op grond van de Wet op de jeugdzorg (Besluit jeugdzorgaanspraken).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regeling van aard, inhoud en omvang van aanspraken van cliënten op grond van de Wet op de jeugdzorg (Besluit jeugdzorgaanspraken).Bij Kabinetsmissive van 1 oktober 2003, no.03.003992, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regeling van aard, inhoud en omvang van aanspraken van cliënten op grond van de Wet op de jeugdzorg (Besluit jeugdzorgaanspraken). Het ontwerpbesluit strekt ertoe de aard, inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop ingevolge de Wet op de jeugdzorg (WJZ) aanspraak bestaat te regelen. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de samenvoeging met andere algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de WJZ en de afbakening met andere relevante regelingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. Samenvoeging tot één algemene maatregel van bestuur Het ontwerpbesluit geeft uitvoering aan artikel 3, eerste lid, WJZ, en regelt op welke jeugdzorg een cliënt op grond van die wet aanspraak heeft. De aanwijzing van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat brengt niet een voor een cliënt direct opeisbaar recht mee. Voorwaarde voor een individuele aanspraak is een indicatiebesluit van het bureau jeugdzorg. De inhoudelijke vereisten waaraan een indicatiebesluit moet voldoen, worden geregeld in het Besluit indicatie jeugdzorg.(zie noot 1) Daarin worden eveneens opgenomen de vormen van AWBZ-zorg, waarvoor het bureau jeugdzorg op grond van artikel 5, tweede lid, onder b, WJZ de indicatietaak heeft en de regels voor aanspraak op jeugdzorg in spoedeisende situaties. De regeling met betrekking tot de aanwijzing van de gevallen waarin geen indicatiebesluit nodig is, wordt opgenomen in het Besluit rechtstreekse verwijzing jeugd-ggz(zie noot 2), terwijl het Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg(zie noot 3) zich richt op kwaliteitseisen ten aanzien van het functioneren van de bureaus jeugdzorg. Al deze ontwerpbesluiten hangen nauw met elkaar samen. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de WJZ(zie noot 4) is met recht opgemerkt dat het feit dat in een groot aantal bepalingen in regeling bij algemene maatregel van bestuur wordt voorzien niet betekent dat even zovele algemene maatregelen van bestuur opgesteld zullen worden. Aangezien de verschillende algemene maatregelen van bestuur inhoudelijk aan elkaar raken ligt het in de bedoeling samenhangende onderwerpen in één en dezelfde regeling onder te brengen, aldus de bewindslieden. Tegen deze achtergrond vraagt de Raad zich af of bundeling van de verschillende onderwerpen in één regeling niet de voorkeur verdient. Op die wijze wordt de onderlinge samenhang veel duidelijker, kan volstaan worden met het eenmalig vermelden van definities en behoeft niet steeds naar andere besluiten te worden verwezen. Ook voor de praktijk lijkt één enkele regeling veel handzamer. De Raad geeft in overweging de aan hem voorgelegde regelingen te integreren en samen te voegen tot één algemene maatregel van bestuur. Indien aan handhaving van de nu voorgestelde opzet de voorkeur wordt gegeven, dan dient deze van een overtuigende motivering te worden voorzien. 2. Afbakening In het ontwerpbesluit is gekozen voor een globale omschrijving van aanspraken. Deze keuze is in het bijzonder ingegeven door de wens om de cliënt jeugdzorg op maat te kunnen leveren en door het feit dat het niet goed mogelijk is een gedetailleerde omschrijving te geven van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat. Hoewel voor het ontbreken van een gedetailleerde aanduiding van de vormen van jeugdzorg begrip kan worden opgebracht, en mogelijk ook in de praktijk, mede door het instrument van protocollen(zie noot 5), aanscherping van de indicatiestelling zal kunnen plaatsvinden, is de gekozen opzet niet zonder gevolgen. Ook hoofdstuk 4 van de toelichting maakt melding van knelpunten in de afgrenzing, enerzijds naar de jeugdzorg waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aanspraak kan bestaan, anderzijds naar de lokale jeugdzorg. a. Bij de afbakening naar de AWBZ geldt als uitgangspunt dat op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ de verzekerde slechts aanspraak heeft op de in dat lid opgesomde vormen van zorg, voorzover die zorg niet kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling. Jeugdzorg op grond van de AWBZ moet derhalve worden gezien als een "sluitstuk". Dit betekent dat in het ontwerpbesluit scherp omlijnde begrippen in beginsel niet gemist kunnen worden. Het ontbreken daarvan kan op een aantal onderdelen mogelijk tot problemen leiden. Zo is de behandeling of begeleiding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het ontwerpbesluit gericht op het voorkomen van verergering van psychosociale of sociale problemen, maar kan op grond van artikel 7 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ eveneens activerende begeleiding worden verleend gericht op het voorkomen van verergering van gedragsproblematiek of psychische problematiek.(zie noot 6) In de gevallen dat een psychiatrische aanpak nodig wordt geoordeeld, is op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ van toepassing. In alle overige situaties is de scheidslijn niet zonder meer duidelijk en hangt het van het oordeel van het bureau jeugdzorg, uitmondend in een indicatiebesluit, af onder welk wettelijk regime de zorg zal worden verleend. De keuze kan echter gevolgen hebben voor de financieringswijze.(zie noot 7) De jeugdzorg op grond van de AWBZ is premiegefinancierd, terwijl de overige jeugdzorg begrotingsgefinancierd is. Indien in een groot aantal gevallen de benodigde zorg zal worden aangemerkt als jeugdzorg op grond van de WJZ, zou een verschuiving van premiefinanciering naar begrotingsfinanciering hiervan het gevolg kunnen zijn.(zie noot 8) De Raad geeft in overweging aan dit aspect in de toelichting aandacht te besteden en het ontwerpbesluit zo mogelijk aan te passen. b. In artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het ontwerpbesluit is de afgrenzing met de lokale jeugdzorg tot uitdrukking gebracht: er is pas sprake van jeugdzorg op basis van de WJZ, indien de psychosociale of gedragsproblemen van de jeugdige (mede) met behulp van andere voorzieningen dan van zorgaanbieders niet kunnen worden opgelost. Hiermee worden de lokale voorzieningen bedoeld, zoals het algemeen maatschappelijk werk, de jeugdgezondheidszorg, peuterspeelzalen, kinderopvang, jeugd- en jongerenorganisaties, onderwijsinstellingen, opvoedbureaus, internaten, kostscholen.(zie noot 9) Met het oog op het bereiken van een sluitende keten van de jeugdzorg, is overleg gevoerd en overeenstemming bereikt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de MOgroep over een vijftal functies die behoren tot het gemeentelijke domein in aansluiting op de jeugdzorg.(zie noot 10) De mate waarin deze functies op lokaal niveau daadwerkelijk beschikbaar zijn, zal derhalve bepalend zijn voor de mate van druk die op de door de provincie in het kader van de WJZ aangeboden jeugdzorg zal worden gelegd.(zie noot 11) Uitgangspunt is immers dat de cliënt geholpen moet worden. In dat licht is dan ook de wijze waarop tot een toereikende uitvoering van lokale voorzieningen wordt gekomen, zoals reeds uiteengezet in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal(zie noot 12), van groot belang. Ook op het vorenstaande dient, naar het oordeel van de Raad, in de toelichting ingegaan te worden. 3. Adviezen In het slot van hoofdstuk 1 van de toelichting wordt melding gemaakt van voorpublicatie van het ontwerp in de Staatscourant. Nagelaten is mee te delen of deze voorpublicatie aanleiding heeft gegeven tot reacties en op welke wijze relevante opmerkingen zijn verwerkt. De Raad beveelt aan de toelichting op dit punt aan te vullen. 4. Inwerkingtreding In artikel 7 is bepaald dat het besluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. De Raad adviseert, mede gelet op aanwijzing 180 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, de noodzaak van deze bijzondere inwerkingtredingsbepaling toe te lichten. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)