Raad van State
Ontwerpbesluit houdende regels over de Auditdienst Rijk (Besluit Auditdienst Rijk), met nota van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende regels over de Auditdienst Rijk (Besluit Auditdienst Rijk), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 23 oktober 2017, no.2017001795, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over de Auditdienst Rijk (Besluit Auditdienst Rijk), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit strekt ertoe, ter uitvoering van artikel 4.20, vierde lid, aanhef en onder b, van de Comptabiliteitswet 2016 (Cw 2016), (zie noot 1) regels te stellen inzake de Auditdienst Rijk.De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit aan te passen op grond van een aantal opmerkingen in verband met de omstandigheid dat het hier hoofdzakelijk interne regels, vastgesteld vanwege het Rijk zelf betreft. De Auditdienst Rijk (ADR) is immers een dienstonderdeel van het ministerie van Financiën. Voorts acht zij op verschillende punten aanpassing van het ontwerpbesluit nodig, gelet op de wetgevingskwaliteit ervan.1.Positie Auditdienst Rijk: dienstonderdeel ministerie van FinanciënArtikel 4.20 vierde lid, aanhef en onder b, Cw 2016 bevat een delegatiegrondslag om bij algemene maatregel van bestuur regels inzake de ADR te stellen. De Afdeling constateert dat veel van de in het voorliggende ontwerpbesluit opgenomen regels uitsluitend een interne functie binnen het Rijk hebben. De ADR is immers het dienstonderdeel van het ministerie van Financiën dat belast is met de uitoefening van de auditfunctie bij het Rijk. (zie noot 2) De omstandigheid dat bij de taakuitoefening van de auditdienst de onafhankelijke oordeelsvorming voorop dient te staan, doet niet af aan de ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën; evenmin plaatst dit de ADR buiten de organisatie van het ministerie. (zie noot 3) Tegen deze achtergrond dient artikel 2, tweede lid, dan ook te worden geschrapt. Deze bepaling draagt de suggestie in zich nodig te zijn om de inhoudelijk onafhankelijke oordeelsvorming van ambtenaren, respectievelijk van een ambtelijke dienst te verzekeren, hetgeen niet het geval is.Gelet op het hoofdzakelijk interne karakter van de voorschriften inzake de ADR is volgens de Afdeling onvoldoende soberheid bij het stellen van regels in het ontwerpbesluit betracht en is onvoldoende rekening gehouden met de positie van de ADR als dienstonderdeel van het ministerie van Financiën. De Afdeling wijst in dit verband op de volgende onderdelen, alsmede op de bij dit advies gevoegde bijlage met het oog op de noodzakelijke wetgevingskwaliteit.a. Artikel 7 regelt dat de algemeen directeur van de ADR een klachtenregeling opstelt. De Algemene wet bestuursrecht voorziet in een regeling. (zie noot 4) Het is niet duidelijk waarom het voorschrijven van een klachtenregeling nodig wordt geacht, en zo dat het geval zou zijn, welke belangen met dit voorschrift worden gediend. b. Artikel 8 bepaalt dat de algemeen directeur van de ADR jaarlijks een jaarplan en een jaarverslag opstelt en jaarlijks een transparantieverslag kan opstellen. De Afdeling merkt op dat niet duidelijk is wat de noodzaak is dit in een voorschrift vast te leggen.c. In artikel 13, eerste lid, en 14, zijn bevoegdheden van de ADR opgenomen in verband met het verrichten van controles en uitvoeren van onderzoek naar verantwoording door het Rijk. De ADR wordt als bevoegd aangewezen om controle en onderzoek te verrichten bij alle onderdelen van het Rijk en bij derden. Artikel 4.15, eerste en tweede lid, Cw 2016 bepaalt reeds dat de Minister van Financiën moet kunnen beschikken over en toegang heeft tot de informatie bij onderdelen van het Rijk, die nodig is om de controle en onderzoek naar de verantwoording van het Rijk te kunnen verrichten. De controle en het onderzoek van de ADR vinden in dat kader plaats.De Afdeling acht het niet nodig voor de ADR afzonderlijk te voorzien in bevoegdheden waarover de Minister van Financiën reeds beschikt. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Afdeling voor de bevoegdheid in artikel 17, eerste lid. Dit gelet op hoofdstuk 6, paragraaf 1, Cw 2016.d. In artikel 15 wordt mogelijk gemaakt dat de algemeen directeur van de ADR de AR rechtstreeks over aangelegenheden informeert indien daarvoor naar zijn oordeel aanleiding bestaat.Gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt over de positie van de ADR (en de algemeen directeur) is de Afdeling van oordeel dat dit door of vanwege van de Minister van Financiën dient te geschieden. e. Artikel 16, eerste lid, aanhef, bepaalt dat de ADR onderzoek kan verrichten op verzoek van Onze betrokken Minister of het betrokken college. Met de formulering lijkt te worden verondersteld dat de (algemeen directeur van de) ADR zelfstandig een afweging kan maken om al dan niet aan het verzoek gehoor te geven.Gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt over de positie van de ADR en de hiërarchische verhouding binnen het ministerie van Financiën dient volgens de Afdeling het verzoek te worden gericht aan de Minister van Financiën, die vervolgens de ADR opdraagt om het desbetreffende onderzoek te verrichten.f. Artikel 16, derde lid, bepaalt dat de ADR op verzoek van de Tweede Kamer der Staten-Generaal een onderzoek kan verrichten. Dit veronderstelt dat de Tweede Kamer der Staten-Generaal een dergelijk verzoek rechtstreeks kan richten tot de ADR en dat de ADR zelfstandig een afweging kan maken om al dan niet aan het verzoek gehoor te geven. In lijn met hetgeen hiervoor is opgemerkt over de positie van de ADR is de Afdeling van oordeel dat een verzoek tot het verrichten van een dergelijk onderzoek wordt gericht tot de Minister van Financiën.De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit aan te passen met inachtneming van het vorenstaande.2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende bijlage met opmerkingen inzake wetgevingskwaliteit en redactionele kanttekeningen.De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De vice-president van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl7 pagina's, pdf Tekst