Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot aanpassing van bijzondere wetten aan de Wet dualisering gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot aanpassing van bijzondere wetten aan de Wet dualisering gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden).Bij Kabinetsmissive van 3 oktober 2002, no.02.004536, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot aanpassing van bijzondere wetten aan de Wet dualisering gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden). De wettelijke regeling van de dualisering van het gemeentebestuur geschiedt in drie etappes. Eerst is de Gemeentewet (Gemw) gewijzigd bij de Wet dualisering gemeentebestuur, in werking getreden op 7 maart 2002. Tweede stap is de wijziging van de medebewindswetten, het voorliggende wetsvoorstel. Derde stap zal moeten zijn de wijziging van Grondwet (GW), waarbij overheveling van autonome bestuurstaken van de gemeenteraad naar het college van burgemeester en wethouders mogelijk wordt gemaakt. Een belangrijk element van de dualisering is dat de taken van de raad en het college beter van elkaar worden onderscheiden. De functies van de raad als volksvertegenwoordiger, kadersteller en controleur worden versterkt; de bestuurlijke taken worden geconcentreerd bij het college. Met het voorliggende wetsvoorstel, waarin 80 medebewindswetten worden aangepast aan het dualistische stelsel, krijgt de dualisering in dit opzicht echt inhoud. Het wetsvoorstel strekt ertoe de toedeling van medewindsbevoegdheden aan het - naar dualistische maatstaven gerekend - juiste orgaan toe te kennen. Een aanzienlijk deel van de voorgestelde wijzigingen behelst het opdragen van bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders. De Raad van State bespreekt eerst het toetsingskader dat in het wetsvoorstel wordt gehanteerd, en voegt daar enkele aanvullende gezichtspunten aan toe. Ook bepaalt hij zijn standpunt inzake de termen "gemeentebestuur" en "gemeente". Toetsing aan dat (aangevulde) toetsingskader leidt tot enkele opmerkingen over specifieke (groepen van) bepalingen. Ten slotte volgen nog enkele opmerkingen die niet rechtstreeks betrekking hebben op het toedelen van bevoegdheden, maar die wel samenhangen met de Wet dualisering gemeentebestuur. De Raad is van oordeel dat in verband met deze opmerkingen enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is. I. Algemeen 1. Uitgangspunten bij de toetsing van het wetsvoorstel a. Toetsingskader van de regering De principiële keuze voor dualisering van het gemeentebestuur is gemaakt met de Wet dualisering gemeentebestuur. Sindsdien is in artikel 147 Gemw de hoofdregel neergelegd dat bestuursbevoegdheden op grond van medebewindswetgeving bij het college van burgemeester en wethouders berusten. Van deze hoofdregel kan afgeweken worden: bij of krachtens de wet kunnen bestuursbevoegdheden aan de raad of de burgemeester worden toegekend. Om te kunnen bepalen of bevoegdheden aan de gemeenteraad dan wel aan het college van burgemeester en wethouders dienen te worden toegekend zijn volgens de memorie van toelichting de volgende uitgangspunten gehanteerd. - Betreft het een algemeen verbindend voorschrift? Dan is de raad bevoegd. - Betreft het een bevoegdheid om regels vast te stellen die geen algemeen verbindend voorschrift inhouden? Dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd. - Betreft het maatregelen met een kaderstellend karakter of een bestuursbevoegdheid in hoofdlijnen? Deze bevoegdheid blijft bij de raad. - Betreft het uitwerkingen van beleid of uitvoering? Dan is het college bevoegd.(zie noot 1) De Raad acht dit in beginsel een aanvaardbaar richtsnoer. Hij tekent daarbij wel aan dat enkele van de geformuleerde uitgangspunten niet rechtstreeks operationeel zijn, doordat ze nogal onbepaald zijn ("kaderstellend"; "in hoofdlijnen") dan wel, bij het ontbreken van nadere definiëring, een zeer breed bereik hebben ("uitvoering"). Daar waar ze welbepaald lijken (al of niet algemeen verbindend voorschrift) kan de zekerheid schijn zijn, zeker wanneer het gaat om voorschriften die in dogmatische zin als algemeen verbindend voorschrift kunnen worden aangemerkt maar waarvan het maatschappelijk belang heel beperkt is. Een dergelijke, relatieve onbepaaldheid is overigens vrijwel onvermijdelijk bij het formuleren van uitgangspunten als hier aan de orde zijn. Daarom gaat de Raad ervan uit dat de uitgangspunten moeten worden gehanteerd om tot een eerste gedachtebepaling te komen; bij het maken van de definitieve keus kunnen, waar van toepassing, ook argumenten een rol spelen als "hoe past een bepaalde bevoegdheid in het totaalbeeld" of "hoe groot is het belang van een sterke democratische legitimatie van de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid". Tegen deze achtergrond heeft de Raad de afzonderlijke voorgelegde bepalingen beoordeeld. Tevens heeft hij gelet op de consistentie van de voorgelegde bevoegdheidsverdeling binnen één wettelijke regeling of samenhangend geheel van regelingen. b. De termen "gemeentebestuur" en "gemeente" De term "gemeentebestuur" wordt in het wetsvoorstel nog gebruikt als verzamelterm. Met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is de Raad van oordeel dat de term niet mag worden gebruikt waar bevoegdheden worden toegedeeld. Eén van de doelen van dit wetsvoorstel is duidelijk te maken welk bestuursorgaan binnen de gemeentelijke organisatie waarvoor bevoegd is. Als de term "gemeentebestuur" wordt gesignaleerd in een aan de orde zijnde wet en daardoor onduidelijk blijft welk van de gemeentelijke bestuursorganen wordt bedoeld, maakt de Raad daarover een opmerking. Voor de term "gemeente" geldt hetzelfde. II. Artikelsgewijze opmerkingen 2. Wet gemeenschappelijke regelingen (artikel VIII) Door de voorgestelde wijziging van artikel 13, zesde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) wordt het mogelijk dat raadsleden deel uitmaken van het bestuur van een rechtspersoon die is ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling tussen uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders. Deze constructie is gekozen bij wijze van overgangsmaatregel, in afwachting van een definitieve wijziging van de WGR in verband met de dualisering. De raadsleden worden wel door de colleges aangewezen. Naar het oordeel van de Raad is dit een merkwaardige constructie. Als de gemeenschappelijke regeling collegebevoegdheden of -taken betreft, is het in strijd met de dualistische bestuursstructuur raadsleden daarover te laten (mee)beslissen; de gemeenteraad moet dan het handelen van zijn eigen leden gaan controleren. De Raad adviseert deze wijziging te laten vervallen. 3. Wet op de lijkbezorging (artikel X) De voorgestelde verdeling van bevoegdheden tussen het college en de raad in de Wet op de lijkbezorging is naar het oordeel van de Raad niet consequent. Als het gemeentebestuur van een gemeente een begraafplaats wil aanleggen op het grondgebied van een andere gemeente, heeft het daarvoor toestemming nodig van het college van burgemeester en wethouders van die gemeente (artikel 36, eerste lid). Het is het college dat besluit tot het sluiten en het opheffen van een begraafplaats (artikelen 43 en 44), maar de raad wijst de grond aan die gebruikt wordt voor het aanleggen of uitbreiden van de bijzondere begraafplaats (artikel 40, eerste lid). Het is niet duidelijk waarom deze laatste bevoegdheid niet ook aan het college zou kunnen worden overgelaten; de aanwijzing zal moeten passen binnen het bestemmingsplan, dat al door de raad is vastgesteld. De Raad adviseert ook de bevoegdheid van artikel 40, eerste lid, te wijzigen in een collegebevoegdheid. 4. Mediawet (artikel XIII) Het adviseren over de representativiteit van de omroep (artikel 43 van de Mediawet), de instelling en het bepalen van de omvang van de programmaraad en het benoemen van de leden van die raad (artikel 82k) wordt door het wetsvoorstel opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Het Commissariaat voor de Media en de VNG hechten eraan dat het oordeel over de representativiteit bij de gemeenteraad blijft. Ook de Raad is van mening dat de raad, als het representatieve orgaan van de gemeente, het aangewezen orgaan is om te adviseren over de representativiteit van de omroep.(zie noot 2) Hij adviseert de wijziging van artikel 43 te laten vervallen. 5. Monumentenwet 1988 Artikel XIV bevat enkele wijzigingen in de Monumentenwet 1988. Over de voorgenomen wijziging van artikel 3 van die wet stelt de toelichting dat het "logisch" is dat een advies ter voorbereiding van een besluit van een ander bestuursorgaan door het college wordt gegeven. Hiermee wordt naar het oordeel van de Raad een criterium gehanteerd dat niet voor alle situaties passend is te achten. Doorslaggevend zou hier veeleer moeten zijn of de samenhang met een raadsbevoegdheid zo groot is dat die raadsbevoegdheid zou worden gefrustreerd door de adviezen welke het college in het kader van de Monumentenwet 1988 geeft. Van een dergelijke samenhang is geen sprake bij een advies aan de minister inzake de aanwijzing van een beschermd monument. De aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht daarentegen hangt wel sterk samen met de bestemmingsplanbevoegdheid; de daarop betrekking hebbende adviesbevoegdheid dient daarom volgens de Raad een bevoegdheid van de raad te blijven. De Raad adviseert de toelichting op artikel 3 aan te passen en artikel XIV, onderdeel E, te laten vervallen. 6. Voorhangprocedure in onderwijswetten In de onderwijswetten wordt bij een aantal bevoegdheden die van de gemeenteraad naar het college worden overgeheveld, een voorhangprocedure voorgeschreven. Het wetsvoorstel stelt geen voorhangprocedure voor in andere dan onderwijswetten. De Raad wijst op het volgende. a. De invoeging van een voorhangprocedure heeft het nadeel van halfslachtigheid in de keuze tussen het college van burgemeester en wethouders en de raad. De Raad is van mening dat in de wet geen formele betrokkenheid van de raad bij de besluitvorming van het college moet worden geregeld tenzij daarvoor een bijzonder klemmende reden bestaat; die heeft de Raad in geen van de gevallen aangetroffen. Een dergelijke betrokkenheid verdraagt zich slecht met een essentiële karaktertrek van een dualistisch stelsel, namelijk dat taken en bevoegdheden van de raad en van het college duidelijk van elkaar onderscheiden moeten zijn. De Raad adviseert alle voorgestelde voorhangprocedures te schrappen en over te gaan tot exclusieve toekenning van de bevoegdheden hetzij aan de raad, hetzij aan het college. b. De voorhangprocedure wordt bijvoorbeeld voorgesteld bij de instelling van een rechtspersoon die tot doel heeft één of meer openbare scholen in de gemeente in stand te houden (artikel 51 van de Wet op de expertisecentra (Wec), artikel 17 van de Wet op het primair onderwijs (WPO)). De VNG wil deze bevoegdheid bij de raad laten. Volgens haar is het instellen van een rechtspersoon juist mogelijk gemaakt vanuit de behoefte aan een duidelijk onderscheid tussen de twee taken van het gemeentebestuur: het voeren van lokaal onderwijsbeleid en het functioneren als bevoegd gezag van scholen voor het openbaar onderwijs. De VNG acht de principiële keuze voor het op afstand van de gemeente plaatsen een kaderstellende keuze; bovendien zou in de praktijk meestal hetzelfde college van burgemeester en wethouders ook het schoolbestuur zijn. Het besluit te verzelfstandigen zou niet in de handen van dit schoolbestuur gelegd moeten worden. Als tussenoplossing stelt de regering nu een zware voorhangprocedure voor. Deze procedure lijkt het meest op de voorwaardelijke delegatie van de aanwijzingen 42 en 43 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Naar het oordeel van de Raad is het maken van de keuze voor of tegen het op afstand van het gemeentebestuur plaatsen van een school geen typisch uitvoerende bestuurshandeling, maar een principiële en kaderstellende keuze. In elke gemeente moet van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs worden gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. De organisatievorm voor dit onderwijs wordt volgens de wet op gemeentelijk niveau nader bepaald. De keuze voor het uitoefenen van het bestuur door het college van burgemeester en wethouders, door een openbare rechtspersoon of door een stichting, behoort als onderdeel van die kaderstellende bevoegdheid bij de raad te liggen. Naast de keuze voor het al dan niet op afstand stellen en de keuze voor de organisatievorm is er de mogelijkheid om te kiezen voor het geven van openbaar onderwijs in een samenwerkingsschool.(zie noot 3) De beslissing over een bestuurlijke fusie tussen openbaar en bijzonder onderwijs is van zo principiële aard dat zij op één lijn moet worden gesteld met kaderstellende beslissingen. Daarom dient ook de bevoegdheid voor deze beslissing bij de raad te liggen. De Raad adviseert de bepalingen in het wetsvoorstel waarbij bevoegdheden als hier bedoeld worden opgedragen aan het college, te laten vervallen en waar nodig een bepaling op te nemen om te verzekeren dat het de raad is die beslist of openbaar onderwijs zal worden gegeven in een samenwerkingsschool. 7. Experimentenwet Stad en Milieu (artikel XXIV) Het besluit om voor een experimenteergebied af te wijken van milieukwaliteitseisen (bodem, geluid, lucht, externe veiligheid), procedurele bepalingen en bepalingen inzake bevoegdheden in diverse wetten moet volgens het voorstel door burgemeester en wethouders worden genomen. De afwijking op grond van deze bevoegdheid kan nogal ingrijpend zijn. Naar het oordeel van de Raad wordt in zo'n geval met deze bevoegdheid het niveau van uitvoering overstegen. Daarom ligt het zijns inziens meer in de rede deze bevoegdheid in handen van de raad te laten. Hij adviseert artikel XXIV te laten vervallen. 8. Wet geluidhinder (artikel XXX) Slechts het tweede en het derde lid van artikel 162 van de Wet geluidhinder worden gewijzigd. Volgens het vierde lid stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast betreffende de organisatie en de uitvoering van geluidmetingen. Naar het oordeel van de Raad is het vaststellen van deze regels een uitvoeringstaak met een technisch karakter; het gebruik van de term "verordening" is hier trouwens niet geheel zonder bezwaar. Hij adviseert deze bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders op te dragen. Ook het vierde lid dient dus te worden aangepast. 9. Wet milieubeheer (artikel XXXI) In artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt bepaald dat elke gemeente zorg draagt voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater. De Raad adviseert aan artikel XXXI een onderdeel E toe te voegen, dat het woord "gemeente" in artikel 10.33, eerste lid, vervangt door: college van burgemeester en wethouders. 10. Woningwet (artikel XXXIII) In artikel 98, eerste lid, van de Woningwet wordt "raadsbesluit" vervangen door: besluit. Hiermee zal de bepaling zien op elk besluit (van de raad of van het college van burgemeester en wethouders), de volkshuisvesting betreffende. Dat is veel te ruim; elke beslissing op een aanvraag om bouwvergunning valt daaronder. Daarom adviseert de Raad de voorgestelde wijziging niet door te voeren. Hij adviseert bovendien de zinsnede "elk door de raad vastgesteld verslag" te vervangen door "aan de raad overgelegd verslag"; de raad stelt geen verslagen vast als hier bedoeld, het college wel (zie de nieuwe artikelen 12a en 12b) en moet die overleggen aan de raad. 11. Luchtvaartwet (artikel XXXVI) De tekst van de voorgestelde wijziging van artikel 19 van de Luchtvaartwet (onderdeel A) sluit niet aan op de toelichting.(zie noot 4) Volgens de toelichting moet daar "gemeenteraden" blijven staan. De Raad deelt dat oordeel. Onderdeel A van artikel XXXVI dient te vervallen. 12. Landinrichtingswet (artikel L) Het verzoek om landinrichting in voorbereiding te nemen (artikel 23 van de Landinrichtingswet kan bezwaarlijk los worden gezien van de bevoegdheid van de gemeenteraad een bestemmingsplan vast te stellen. Het indienen van een dergelijk verzoek dient naar het oordeel van de Raad vanwege het gewicht van de zaak en de samenhang met de bestemmingsplanbevoegdheid door de gemeenteraad te worden gedaan. De Raad adviseert in artikel L, onderdeel A, niet de colleges van burgemeester en wethouders maar de gemeenteraden te noemen. 13. Natuurbeschermingswet 1998 (artikel LI) In artikel LI wordt bepaald dat burgemeester en wethouders advies uitbrengen over de aanwijzing als beschermd landschapsgezicht door gedeputeerde staten (Natuurbeschermingswet 1998, artikel 25 nieuw). Onder 5 adviseert de Raad de adviesbevoegdheid over de aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht niet van de raad naar het college te laten overgaan in verband met de sterke samenhang met de bestemmingsplanbevoegdheid van de raad. Om dezelfde reden adviseert de Raad de adviesbevoegdheid van artikel 25 van de Natuurbeschermingswet 1998 in handen van de raad te laten en artikel LI te laten vervallen. 14. Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (artikel LXIV) In artikel 3, derde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten wordt "gemeentebestuur" wel vervangen, maar het woord gemeenten ten onrechte niet. Ook in de artikelen 12, eerste lid, en 14, eerste lid, wordt het woord "gemeenten" ten onrechte niet vervangen door "college van burgemeester en wethouders". In het kopje boven artikel 12 dient aansluiting te worden gezocht bij de tekst van dit artikel. De Raad adviseert deze veranderingen in het wetsvoorstel op te nemen. 15. Wet sociale werkvoorziening (artikel LXVI) De Raad adviseert in artikel 2, derde lid, "de gemeente" de eerste keer te vervangen door: "het college van burgemeester en wethouders" en vervolgens door: het college.(zie noot 5) 16. Wet collectieve preventie volksgezondheid (artikel LXXVII) Het wetsvoorstel wijzigt de artikelen 2, 3, 3a en 5 van de Wet collectieve preventie volksgezondheid. De uitvoering van een aantal taken gaat daardoor over van de gemeenteraad naar het college van burgemeester en wethouders. In artikel 3b van dezelfde wet wordt echter nog bepaald dat de raad een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid vaststelt waarin hij aangeeft hoe hij uitvoering geeft aan een aantal daar genoemde taken.(zie noot 6) De Raad adviseert artikel 3b ook te wijzigen, zodat het college deze nota betreffende de uitvoering van zijn eigen taken vaststelt. 17. Overgangsrecht Het eerste lid van artikel LXXXI bepaalt dat de wet geen gevolgen heeft voor de rechtskracht van beslissingen die vóór het in werking treden van de wet zijn genomen maar ten aanzien waarvan voortaan een ander bestuursorgaan bevoegd is. Het vierde lid voegt daaraan toe dat dit niet geldt voor algemeen verbindende voorschriften. Daarover merkt de Raad het volgende op. a. De toelichting op het eerste lid vermeldt dat de bepaling slechts duidelijkheidshalve is opgenomen. Die mededeling wekt verbazing: voor diverse "duurbesluiten", zoals veel besluiten tot vergunningverlening en besluiten waarbij plannen of algemeen verbindende voorschriften zijn vastgesteld, geldt dat ze normaliter komen te vervallen als de bevoegdheidsgrondslag komt te ontbreken, bijvoorbeeld doordat voortaan een ander orgaan bevoegd is. Daarom is het eerste lid noodzakelijk voor dergelijke besluiten en niet slechts van belang voor de duidelijkheid. Het zou overigens juister zijn, niet te bepalen dat beslissingen "hun rechtskracht behouden" maar dat ze voortaan gelden als door het nieuw bevoegde orgaan genomen. De Raad adviseert de formulering van het eerste lid aan te passen en de genoemde zinsnede van de toelichting te schrappen. b. Volgens de memorie van toelichting is het gewenst dat de door "oud" bevoegd gezag vastgestelde algemeen verbindende voorschriften zo spoedig mogelijk nieuw worden vastgesteld door de nieuw bevoegde bestuursorganen.(zie noot 7) Daarom worden dergelijke besluiten uitgezonderd van de werking van het eerste lid. De gemeentebesturen zullen met behulp van modelverordeningen van de VNG alles op alles moeten zetten om tijdig de nieuwe verordeningen te hebben vastgesteld; bij het bepalen van de datum van inwerkingtreding van de wet zal daarmee rekening worden gehouden, aldus de toelichting. De Raad acht dit een te riskante methode. Vaststelling van nieuwe verordeningen door de nieuw bevoegde organen is slechts zinvol wanneer deze organen zich daarbij rekenschap geven van de vraag of de bepalingen wel ongewijzigd moeten worden vastgesteld. Daarvoor moeten ze dan wel de tijd hebben. Gezien de beschikbare mankracht kan van de VNG niet worden verwacht dat die binnen een bestek van enkele maanden na het aanvaarden van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer der Staten-Generaal - pas dan staat de tekst immers vast - voor alle in het geding zijnde verordeningen nieuwe modellen gereed zal kunnen hebben. Van de gemeentebesturen kan niet worden verwacht dat zij op een dergelijke termijn de noodzakelijke heroverweging zullen kunnen volvoeren, zelfs niet als er nieuwe modellen beschikbaar (zouden) zijn; ook bij aanwezigheid van een modelverordening geldt, nog afgezien van de omstandigheid dat deze modellen soms uitdrukkelijke keuzemogelijkheden bevatten, dat de betrokken gemeentelijke organen zich zullen moeten buigen over de vraag of zij die willen volgen en op welke punten dan eventueel afwijking van het model gewenst wordt geacht. Wordt rekening gehouden met de termijn die de verschillende instanties nodig zullen hebben, dan wordt de inwerkingtreding-overigens van de wet onnodig lang uitgesteld. Daarom beveelt de Raad aan het eerste lid ook voor algemeen verbindende voorschriften te laten gelden, zij het voor een beperkte periode van bijvoorbeeld twee jaar. III. Overige opmerkingen 18. Bestuursorgaan of rechtspersoon In artikel XV, onderdeel C, en in de hoofdstukken 10 en 11 van het wetsvoorstel wordt niet altijd onderscheiden tussen hetgeen het college van burgemeester en wethouders als bestuursorgaan kan doen en wat de gemeente als rechtspersoon doet. De Raad wijst erop dat een boete wordt opgelegd door het college als bestuursorgaan, maar de betaling daarvan geschiedt aan de rechtspersoon gemeente. De beslissing (beter: het besluit) tot terugvorderen van kosten of tot het verhalen van kosten wordt door het bestuursorgaan (het college van burgemeester en wethouders) genomen; het invorderen zelf geschiedt door de gemeente. Zo wordt ook de beslissing tot bekostigen door het publiekrechtelijke rechtssubject, het college, genomen, maar is het de rechtspersoon die betaalt. Dit betekent dat een aantal bepalingen redactionele aanpassing behoeft. De Raad noemt enkele voorbeelden. - In artikel 14f, vierde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) (artikel LIV) wordt nog gesproken van een betaling "op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd". De Raad adviseert dit te vervangen door: aan de gemeente op verzoek van het college van burgemeester en wethouders dat de boete heeft opgelegd. Voor artikel 20f van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel LXI, onderdeel B) geldt iets overeenkomstigs. - Artikel 96a, tweede lid, Abw moet redactioneel worden aangepast, omdat bijstand niet wordt verleend door een gemeente, maar door het college van burgemeester en wethouders. - In het voorgestelde artikel 12, eerste en tweede lid, van de Welzijnswet 1994 (artikel LXXV) ontvangt een gemeente een uitkering (dit is correct), een gemeente (moet zijn: het college van burgemeester en wethouders van een gemeente) overlegt met (het college van burgemeester en wethouders van) omringende gemeenten, voorzieningen worden bekostigd van gemeentewege. - In de Wec, titel IV (artikel XVI, onderdelen H-K, wordt voorziening van de huisvesting door de gemeente (was: gemeenteraad) in stand gehouden. Ook is sprake van door de gemeente in stand gehouden scholen. Maar het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de instandhouding van een schoolbegeleidingsdienst (artikel 165 Wec, artikel XVI, onderdeel KK). De Raad adviseert de instandhouding van voorzieningen of scholen aan een bestuursorgaan en niet aan de rechtspersoon gemeente op te dragen en dit ook elders in de wet tot uitdrukking te brengen. 19. Aanduiding van het college van burgemeester en wethouders In de nieuw voorgestelde teksten wordt het college van burgemeester en wethouders soms aangeduid als "het college" (van burgemeester en wethouders), soms als "burgemeester en wethouders". In paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting wordt opgemerkt dat steeds is aangesloten bij de bestaande terminologie van de betrokken medebewindswet. De Raad herinnert eraan dat in de Wet dualisering gemeentebestuur een bewuste keus is gemaakt voor de aanduiding "het college". Voortaan heeft deze aanduiding te gelden als de enig correcte. Daarom beveelt de Raad aan de onderhavige operatie te gebruiken om deze terminologie ook door te voeren in de medebewindswetgeving. Omdat het daarbij in zekere zin om een puur technische operatie gaat, hoeft de procedure van wetgeving in formele zin daarmee niet te worden belast. De Raad geeft in overweging een slotbepaling op te nemen met de opdracht om bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties na overleg met de ministers wie het aangaat, de terminologie van de medebewindswetgeving in die zin aan te passen dat overal "burgemeester en wethouders" wordt vervangen door "het college" of "het college van burgemeester en wethouders", met de redactionele aanpassingen die daaruit voortvloeien, en in het voorliggende wetsvoorstel derhalve ook overal deze aanduiding te gebruiken. 20. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)