Raad van State
Ontwerpbesluit tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van de gemeente Heerlen van 7 december 2004, no. RAAD/2004/17308, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van de gemeente Heerlen van 7 december 2004, no. RAAD/2004/17308, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet.Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met een schrijven van 9 augustus 2005, no. MJZ2005127078, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van de gemeente Heerlen van 7 december 2004, no. RAAD/2004/17308, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar plaatst daarbij de navolgende kanttekeningen. 1. Anders dan gebruikelijk(zie noot 1) wordt in de overwegingen naar aanleiding van de bedenkingen van reclamanten sub 1 en 5 aangaande het gevoerde minnelijk overleg niet duidelijk vooropgesteld dat, gelet op het karakter van onteigening als ultimum remedium, ten opzichte van de burger eerst van dit middel - door het opstarten van de administratieve fase - mag worden gebruikgemaakt, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. In plaats daarvan wordt overwogen dat in het algemeen niet eerder tot onteigening behoort te worden overgegaan dan nadat een redelijke doch vruchteloos gebleken poging is ondernomen om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. De Raad adviseert de gebruikelijke formulering van de inleidende passage aangaande de met de betrokken partijen gevoerde onderhandelingen over minnelijke verkrijging van hun eigendommen te handhaven, teneinde de indruk te vermijden dat in het vervolg uit zal worden gegaan van een ander, minder streng criterium. In het licht van het vorenstaande maakt de Raad nog de volgende opmerkingen over de passages in het ontwerpbesluit die betrekking hebben op reclamanten sub 1 en sub 5. a. Reclamanten sub 1: Medegedeeld wordt dat geruime tijd voor de tervisielegging van het onteigeningsplan in het kader van de toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) aan reclamanten sub 1 een aanbieding is gedaan. Hoewel wordt onderkend dat die aanbieding als summier is aan te merken, wordt die desalniettemin voldoende geacht om op te kunnen merken dat niet kan worden gesteld dat de gemeente in het geheel geen poging heeft ondernomen om de benodigde grond minnelijk te verwerven. Vervolgens wordt melding gemaakt van gesprekken die nadien nog hebben plaatsgevonden, waarbij telkens de hoogte van het aanbod van de gemeente het breekpunt vormde. Onduidelijk is of de bedoelde serieuzere pogingen van de gemeente om tot overeenstemming te komen voor de tervisielegging van het onteigeningsplan zijn gedaan. De overwegingen naar aanleiding van de bedenkingen van reclamanten sub 1 waren op dit punt aan te vullen. Indien mocht blijken dat de gemeente pas na de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure met de onderhandelingen is begonnen die haar inzicht hebben kunnen geven omtrent het verdere verloop daarvan, ware om die reden ten aanzien van de gronden van reclamanten sub 1 goedkeuring aan het onteigeningsbesluit te onthouden. b. Reclamant sub 5: Ook naar aanleiding van de bedenkingen van reclamant sub 5 aangaande het gevoerde minnelijk overleg wordt gewezen op het overleg dat ruim voor de tervisielegging van het onteigeningsplan tussen deze reclamant en de gemeente heeft plaatsgevonden in het kader van de toepassing van de Wvg. In zijn bedenkingen voert reclamant sub 5 aan dat hij sinds 2002 zowel door de gemeente als door de projectontwikkelaar "aan het lijntje is gehouden" inzake de verkoop van zijn perceel. Naar aanleiding hiervan wordt in de overwegingen het verloop van het overleg in het kader van de Wvg uiteengezet, en erop gewezen dat nadat reclamant de grond in juli 2003 te koop heeft aangeboden nog over en weer tussen gemeente en reclamant is gecorrespondeerd zonder enig resultaat. Vervolgens wordt medegedeeld dat reclamant over de gang van zaken rond de minnelijke verwerving door de gemeente zijn beklag heeft gedaan bij de raadscommissie voor Stadsontwikkeling van 18 november 2004, dus in de fase van de vaststelling van het onteigeningsbesluit. Daarop heeft deze raadscommissie burgemeester en wethouders opgedragen onmiddellijk de minnelijke onderhandelingen op te starten. Gelet daarop is er naar de mening van de Raad twijfel mogelijk over de vraag of tussen juli 2003 en de tervisielegging van het onteigeningsplan van de kant van de gemeente serieuze pogingen zijn ondernomen om de gronden in der minne te verwerven. In dit verband is relevant of de in die periode gedane biedingen van de gemeente in vergelijking met de gebruikelijke prijzen voor gronden als die van reclamant en de na 18 november 2004 gedane biedingen als reële pogingen konden worden aangemerkt. De Raad adviseert de overwegingen aangaande het met reclamant sub 5 gevoerde minnelijke overleg aan te vullen. Indien mocht blijken dat de gemeente voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan geen serieuze pogingen heeft ondernomen om de gronden van reclamant sub 5 minnelijk te verwerven, ware om die reden ook ten aanzien van die gronden goedkeuring aan het onteigeningsbesluit te onthouden. 2. In de publicatie van het raadsbesluit tot onteigening is abusievelijk niet mede het bestemmingsplan "Hoogveld reparatie 2004" als grondslag vermeld van de onteigening. In verband daarmee wordt in de "Overige overwegingen" (eerst tekstblok) overwogen dat de aard en de strekking van het onteigeningsbesluit voorzover dit op dit bestemmingsplan is gebaseerd niet juist in de publicatie zijn aangegeven. In verband daarmee wordt goedkeuring onthouden aan het raadsbesluit ten aanzien van de percelen met grondplannummers 21, 22 en 23, zoals gearceerd aangegeven op de tekening I die bij het besluit zal worden gevoegd. De Raad wijst erop dat om dezelfde reden tevens ten aanzien van een gedeelte van het perceel met grondplannummer 19 (F, nr.5746) op de grens met grondplannummer 24 (F, nr.1198) goedkeuring aan het raadsbesluit zou moeten worden onthouden.(zie noot 2) Overigens valt de desbetreffende grond reeds binnen het deel van perceel met grondplannummer 24 ten aanzien waarvan wegens de mogelijkheid van zelfrealisatie goedkeuring aan het raadsbesluit wordt onthouden (tweede tekstblok van de "Overige overwegingen"). De Raad adviseert de "Overige overwegingen" van het ontwerpbesluit met inachtneming van het vorenstaande aan te vullen. 3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl4 pagina's, pdf Tekst