- Identifier
- nl.oorg10008.2e.2019.2076
- Aanbieder (Naam)
- Raad van State
- Titel
- Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit betreffende een uitbreiding van de verplichting tot registratie van voor de voortplanting giftige stoffen, een verlaging van de grenswaarde voor het verplicht gebruik van gehoorbeschermingsmiddelen en enige andere wijzigingen.
- Beschrijving
- Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit betreffende een uitbreiding van de verplichting tot registratie van voor de voortplanting giftige stoffen, een verlaging van de grenswaarde voor het verplicht gebruik van gehoorbeschermingsmiddelen en enige andere wijzigingen.Bij Kabinetsmissive van 6 maart 2000, no.00.001228, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit betreffende een uitbreiding van de verplichting tot registratie van voor de voortplanting giftige stoffen, een verlaging van de grenswaarde voor het verplicht gebruik van gehoorbeschermingsmiddelen en enige andere wijzigingen. Met dit ontwerpbesluit wordt de verplichte registratie van voor de voortplanting schadelijke stoffen uitgebreid. Werkgevers moeten ook stoffen gaan registreren waarvan alleen het vermoeden bestaat dat zij schadelijk zijn voor de voortplanting. Verder worden de regels voor geluidhinder op het werk op één punt aangescherpt. 1. Als op de arbeidsplaats stoffen aanwezig zijn die zijn gekwalificeerd als "voor de voortplanting vergiftig", dient de werkgever deze stoffen te registreren. Voor het begrip "voor de voortplanting vergiftig" wordt in het Arbeidsomstandighedenbesluit verwezen naar punt 4.2.3 van bijlage VI bij Richtlijn nr.67/548/EEG;(zie noot 1) de daar genoemde stoffen van categorie 3 ("stoffen die in verband met hun mogelijke voor de vruchtbaarheid van de mens schadelijke effecten reden geven voor bezorgdheid") zijn van de registratieplicht uitgezonderd. Voorgesteld wordt om deze uitzondering op te heffen. Om dit vorm te geven wordt de verwijzing naar categorie 3 in het Arbeidsomstandighedenbesluit geschrapt.(zie noot 2) In de voorgestelde tekst wordt indirect en globaal naar de richtlijn verwezen.(zie noot 3) Daardoor kan twijfel ontstaan over de vraag of stoffen van categorie 3 onder de registratieplicht vallen. De Raad van State neemt daarbij in aanmerking dat in punt 4.2.3 van bijlage VI bij de richtlijn uitdrukkelijk gesproken wordt over twee categorieën van "voor de voortplanting vergiftigestoffen", alsmede dat in punt 4.2.3 vervolgens als derde categorie wordt genoemd, die voor de voortplanting schadelijk zou kunnen zijn. Verwijzingen naar bepalingen die zelf een verwijzing inhouden moeten bij voorkeur worden vermeden (aanwijzing 78 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar)). Verwijzingen dienen voorts zo specifiek mogelijk te zijn (aanwijzing 79 Ar). Gelet op de grote potentiële gezondheidsrisico’s van stoffen van categorie 3 acht de Raad het van belang dat er geen enkele twijfel over kan bestaan dat ook voor deze stoffen de registratieplicht geldt. De Raad adviseert een uitdrukkelijke verwijzing naar categorie 3 van punt 4.2.3 van bijlage VI bij de richtlijn op te nemen in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. 2. Artikel 6.8 stelt regels voor het beheersen van geluidhinder op het werk. Onder meer wordt geregeld dat persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig moeten zijn als werknemers kunnen worden blootgesteld aan een equivalent geluidsniveau van 80 dB(A) of hoger (zevende lid). De werknemer is verplicht de persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken als het geluidsniveau 90 dB(A) of hoger is (negende lid). Voorgesteld wordt de grens van 90 dB(A) te verlagen tot 85 dB(A). Artikel 6.8 bepaalt voorts dat de persoonlijke beschermingsmiddelen het geluid dienen te dempen tot beneden het equivalent geluidsniveau van 90 dB(A). Voorgesteld wordt deze grens te verlagen tot 85 dB(A). Artikel 6.23 bevat, voor geluidhinder aan boord van zeeschepen en luchtvaartuigen, vrijwel dezelfde regeling als het algemene artikel 6.8. Het hanteert dezelfde grens voor het verplicht dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen - 90 dB(A). Voorgesteld wordt deze grens eveneens te verlagen tot 85 dB(A). Artikel 6.23 wijkt echter op één punt van artikel 6.8 af, aangezien het niet de eis stelt dat de persoonlijke beschermingsmiddelen het geluid dienen te dempen tot beneden 90 dB(A). Gelet op de samenhang tussen de beide genoemde bepalingen adviseert de Raad deze te harmoniseren. 3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
- Publicatiedatum
- 2019-01-28
- Jaar
- 2019
- Type
- 2e - Advies
- Aanbieder (Code)
- oorg10008
- Totaal aantal documenten
- 1
- Verkregen op
- 2024-03-30
- Aantal pagina's in dossier
- 5