Raad van State
Voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs, met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 28 oktober 2005, no.05.004048, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de invoering van een bromfietsrijbewijs, met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel introduceert het bromfietsrijbewijs. Eén van de gevolgen hiervan is dat bepaalde justitiële bevoegdheden die zijn gekoppeld aan een rijbewijs, zoals de mogelijkheid van invordering, ook ten aanzien van bromfietsers mogelijk worden. Het tot wet verheffen van dit wetsvoorstel heeft tot gevolg dat het rijbewijs voor bromfietsers: - kan worden ingevorderd en ingehouden (wegens een te hoog alcoholgehalte in het bloed en wegens snelheidsovertreding) op grond van het voorgestelde artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) en - ongeldig kan worden verklaard in het kader van de vorderingsprocedure op grond van artikel 130 en volgende van die wet.(zie noot 1) De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de voorgestelde fasering bij de invoering van het bromfietsrijbewijs, waarbij in de tweede fase een praktijkexamen zal worden ingevoerd. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Uit onderzoek blijkt dat jonge bromfietsers het hoogste ongevalrisico lopen van alle verkeersdeelnemers in Nederland. Het Actieplan jonge bromfietsers formuleert de concrete doelstelling dat het aantal slachtoffers onder jonge bromfietsers met 50% moet worden teruggedrongen. Kenmerkend is dat voor het hoge ongevalrisico onder jongeren niet één specifieke oorzaak is aan te wijzen, doch dat diverse oorzaken bestaan. Uit de memorie van toelichting wordt duidelijk dat - naast invoering van het bromfietsrijbewijs - ook andere maatregelen worden genomen.(zie noot 2) In het licht van de aard en diversiteit van de oorzaken voor verkeersongevallen bij jonge bromfietsers is het niet zonder meer aannemelijk dat de mogelijkheid tot invordering van het rijbewijs op grond van artikel 164 WVW 1994 (eventueel gevolgd door ongeldig verklaring) substantieel zal bijdragen aan de oplossing van het probleem, mede omdat bij de belangrijke oorzaken niet het alcoholmisbruik of de snelheidsovertredingen worden genoemd. De Raad adviseert in de memorie van toelichting nader in te gaan op de te verwachten effecten zowel in de preventieve als repressieve zin van de mogelijkheid van invoering van het bromfietsrijbewijs. 2. Een belangrijk kenmerk van elk rijbewijs is dat dit slechts kan worden verkregen nadat zowel een theorie- als een praktijkexamen zijn afgelegd. Dat het wetsvoorstel beoogt de bromfietsers ook in dit opzicht onder het rijbewijs- regime te brengen, volgt uit de voorgestelde aanvulling van artikel 111, eerste lid, WVW 1994(zie noot 3). Dit artikel bepaalt - voorzover hier van belang- dat een rijbewijs slechts wordt afgegeven aan degene die (…) "beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid". Voor rijbewijzen geldt dat deze rijvaardigheid wordt getoetst door middel van een praktijkexamen. Het wetsvoorstel voorziet een invoering van de rijbewijsverplichting voor bromfietsers in twee fasen, waarbij voor het verkrijgen van het rijbewijs in de eerste fase geen andere exameneisen gelden dan voor het thans reeds verplichte certificaat. Dit betekent dat in deze fase een bromfietsrijbewijs kan worden verkregen na het afleggen van een theorie-examen. Invoering van een rijbewijs waarvoor de rijvaardigheid niet wordt getoetst, betekent invoering van een rijbewijs dat op een essentieel onderdeel niet voldoet aan de eisen die - in overeenstemming met het systeem van de WVW 1994 - aan een rijbewijs moeten worden gesteld. De Raad constateert dat ook het openbaar ministerie in zijn advies over het wetsvoorstel onder een ‘volwaardig rijbewijs’ dat kan bijdragen aan het terugdringen van het aantal slachtoffers verstaat ‘een rijbewijs dat alleen kan worden verkregen wanneer betrokkene heeft aangetoond over voldoende theoretische en praktische vaardigheden te beschikken’. De Raad is van oordeel dat de in de toelichting(zie noot 4) geschetste voordelen van een gefaseerde aanpak niet overtuigen. De Raad merkt hierbij op dat de voortgang van het project NRD het weliswaar wenselijk maakt om de categorie AM reeds op dit document te vermelden, doch dat daarbij - blijkens de toelichting- vooralsnog volstaan kan worden met vermelding van een "loze" categorie op het nieuwe document, zolang nog niet is voorzien in een rijbewijsplicht met bijbehorend examen.(zie noot 5) In aanmerkingnemend dat de tijdspanne tussen de uitvoering van het tot wet verheven wetsvoorstel en de invoering van het praktijkexamen blijkens de memorie van toelichting acht à negen maanden zal belopen, adviseert de Raad dat met invoering van een bromfietsrijbewijs te wachten tot, door invoering van een praktijkexamen, dit rijbewijs een volwaardig rijbewijs is. 3. In de tweede fase zullen extra vaardigheidseisen worden gesteld voor het behalen van het bromfietsrijbewijs, door de invoering van een praktijkexamen.(zie noot 6) Het is aannemelijk dat een dergelijk examen zal bijdragen aan het terugdringen van het aantal slachtoffers van ongevallen met bromfietsen, omdat het ’gebrek aan ervaring’ hierdoor enigszins wordt gecompenseerd. Een kwantificering van dit positieve effect, bijvoorbeeld aan de hand van vergelijkbare (buitenlandse) ervaringen, ontbreekt. De Raad adviseert om in de toelichting een inschatting van dit effect te geven. 4. De administratieve lasten voor de burger als gevolg van de invoering van het bromfietsrijbewijs zijn niet onaanzienlijk. De toelichting gaat hierop uitgebreid in.(zie noot 7) Ook is er een toename van de lasten te verwachten voor de bij de uitvoering betrokken instanties, zoals het openbaar ministerie in verband met de uitvoering van de vordering- en inhoudingbevoegdheid.(zie noot 8) Deze administratieve lasten van het openbaar ministerie worden in de toelichting echter niet gekwantificeerd. De Raad adviseert dit alsnog te doen. 5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl7 pagina's, pdf Tekst