Raad van State
Voorstel van wet van het lid M.B. Vos tot wijziging van de Electriciteitswet 1998 ter invoering van etikettering van elektriciteit, met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid M.B. Vos tot wijziging van de Electriciteitswet 1998 ter invoering van etikettering van elektriciteit, met memorie van toelichting.Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 10 januari 2002, heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid M.B. Vos tot wijziging van de Electriciteitswet 1998 ter invoering van etikettering van elektriciteit, met memorie van toelichting. Het voorstel strekt ertoe leveranciers van elektriciteit te verplichten door middel van etikettering aan afnemers inzicht te verschaffen in de milieukwaliteit van de geleverde elektriciteit. Daardoor wordt het in een geliberaliseerde elektriciteitsmarkt niet alleen mogelijk om de prijzen van de verschillende aanbieders te vergelijken, maar ook de milieukwaliteit. In een aantal landen is een dergelijke etiketteringsplicht reeds ingevoerd; op Europees niveau heeft de Commissie een voorstel ingediend dat mede op informatieverstrekking betrekking heeft.(zie noot 1) Het voorstel bouwt mede voort op de reeds ingevoerde regeling voor groencertificaten voor groene stroom. Blijkens de toelichting wordt met het voorstel een aantal doelen gediend: - informatie over de milieukwaliteit kan bijdragen aan het verminderen van het gebruik van elektriciteit die is opgewekt met "vuile bronnen", omdat naast de prijs ook de milieukwaliteit kan worden vergeleken; - markten kunnen alleen goed werken als afnemers beschikken over complete informatie over de aangeboden producten; - ook voor het deel van de markt (kleinverbruikers) dat nog niet (geheel) wordt vrijgegeven heeft deze informatie een positief milieu-effect, omdat leveranciers daarmee worden gestimuleerd hun "groene" imago te verbeteren; - de plicht komt tegemoet aan de steeds sterkere vraag vanuit de samenleving aan leveranciers om verantwoording af te leggen over de milieukwaliteit van het door hen geleverde product. De Raad van State maakt naar aanleiding van het voorstel een aantal opmerkingen, in het bijzonder met betrekking tot de Europese aspecten. 1. Doelstellingen Het voorstel hangt samen met de liberalisering van de elektriciteitsmarkt. De liberalisering vindt stapsgewijs plaats. Voor de grootverbruikers is de markt reeds vrijgegeven, voor kleinverbruikers op termijn. Nu juist op de kleinverbruikersmarkt de meeste effecten van deze maatregelen zijn te verwachten, roept het voorstel de vraag op of het thans zinvol en effectief is om een etiketteringsverplichting vooruitlopend op de liberalisering van de kleinverbruikersmarkt in te voeren. Met betrekking tot het beoogde inzicht in, de mogelijkheid tot vergelijking van en de beoogde verantwoording voor de milieukwaliteit van de geleverde producten is het volgens de Raad de vraag of de voorgestelde regeling waarbij het accent ligt op de vermelding van de gegevens bij de jaarafrekening, voor de kenbaarheid van die gegevens de meest geschikte methode is. Op die wijze worden immers slechts de afnemers van de eigen leverancier bereikt. De Raad adviseert het voorstel nader op deze aspecten te bezien. Europese aspecten 2a. Doordat de voorgestelde etiketteringsverplichting vooruitloopt op de liberalisering van de kleinverbruikersmarkt en vooruitloopt op Europese regelgeving terzake, is de regeling kwetsbaar uit een oogpunt van het vrije verkeer. Er wordt een (administratieve) verplichting opgelegd die buitenlandse leveranciers ervan kan weerhouden op de Nederlandse markt actief te zijn omdat zij een apart systeem op moeten zetten voor de Nederlandse markt (gedacht wordt aan verhandelbare certificaten). Niet uitgesloten is dat voor deze maatregel op zichzelf een rechtvaardiging te geven zal zijn. De rechtvaardiging voor de maatregel en de proportionaliteit ervan dienen in het licht van hetgeen hiervoor bij punt 1 is opgemerkt, te worden bezien. De Raad meent dat risico's het beste kunnen worden vermeden door de invoering van de maatregel te koppelen aan de liberalisering van de kleinverbruikersmarkt. De meeste effecten zijn wellicht te verwachten op de kleinverbruikersmarkt, en dit geeft dan ook de sterkste argumenten voor de rechtvaardiging van de maatregel. b. De kwetsbaarheid van de regeling in het licht van het vrije verkeer wordt vergroot door de toelichting (paragraaf 2), waarin wordt vermeld dat de brandstofmix in de landen van de belangrijkste buitenlandse leveranciers, België, Frankrijk en Duitsland, in vergelijking met Nederland een (aanzienlijk) groter aandeel kolen en nucleair bevat, zodat een toename van de import voor een afname van de milieukwaliteit van de in Nederland geleverde stroom zorgt. Daarmee kan de maatregel het effect hebben dat de nationale leveranciers in een betere positie komen ten opzichte van die welke zijn gevestigd in andere lidstaten. Aldus kan bovendien de indruk ontstaan dat de maatregel in zoverre niet (alleen) een milieudoel dient, als wel het beschermen van de nationale elektriciteitsproducenten. De Raad adviseert dit aspect opnieuw te bezien en de beschreven indruk te vermijden. 3. Het voorstel loopt vooruit op Europese regelgeving. In de toelichting wordt gesteld dat het voorstel aansluit bij het commissievoorstel terzake. Het commissievoorstel heeft echter een veel beperktere strekking.(zie noot 2) Dat voorstel blijft immers beperkt tot de verplichting om de brandstofmix (en het relatieve gewicht daarvan) op de rekeningen die naar eindgebruikers worden gezonden, te vermelden. De relatie met de hoeveelheid kooldioxine en de hoeveelheid radioactief afval wordt in dat voorstel niet gelegd en maakt ook geen deel uit van de informatieplicht. Bovendien gaat het voorstel van de Commissie, in tegenstelling tot het onderhavige voorstel, niet uit van een stelsel van certificering. De mededeling in de toelichting (paragraaf 3) dat het voorliggende voorstel geheel in lijn is met het voorstel van de Commissie is naar het oordeel van de Raad dan ook wel erg optimistisch. De Raad adviseert de toelichting aan te passen en de gevolgen van een en ander onder ogen te zien. 4. In paragraaf 4 van de toelichting wordt ervan uitgegaan dat de verplichting alleen geldt voor in Nederland geproduceerde stroom. Geïmporteerde stroom zal dan in beginsel het etiket "milieukwaliteit onbekend" krijgen, zo blijkt uit paragraaf 6 van de toelichting. Bezien zou nog moeten worden hoe voor buitenlandse stroom de milieukwaliteit kan worden aangetoond. Nu buitenlandse producenten niet aan Nederlands toezicht zijn onderworpen, zal een betrouwbaar systeem daarvoor niet eenvoudig kunnen worden opgezet, vooral vanwege het ontbreken van internationale samenwerking op dit punt. Op één na kennen de andere lidstaten een dergelijk systeem immers niet. Dat bevestigt enerzijds dat dit tot belemmeringen zal leiden. Anderzijds heeft dit ook gevolgen voor de beoogde effecten van de maatregel. Zoals hiervoor aan de orde is geweest kunnen de certificaten tot gevolg hebben dat daarmee duidelijk wordt dat in het bijzonder buitenlandse stroom een (aanzienlijk) groter aandeel kolen en nucleair bevat dan Nederlandse. Door de kwalificatie "milieukwaliteit onbekend" wordt dat inzicht niet bewerkstelligd. De Raad adviseert dit aspect opnieuw te bezien. Overige opmerkingen 5. In artikel I, onderdeel A, wordt aan artikel 1 van de Elektriciteitswet 1998 een definitie van "milieukwaliteit van elektriciteit" toegevoegd. Vervolgens volgt niet een definitie, maar wat daaronder in ieder geval moet worden verstaan. Nu deze bepaling de reikwijdte van de informatieplicht, bedoeld in artikel 81a van de Elektriciteitswet 1998 bepaalt, is het van belang dat deze precies wordt gedefinieerd. Zo dit niet geheel mogelijk is, kan worden gedacht aan verdere uitwerking bij algemene maatregel van bestuur, maar ook dan dienen naar het oordeel van de Raad de essentialia in deze definitiebepaling te worden opgenomen. Het voorschrift dat thans is opgenomen in artikel 81a, achtste lid, zou ook daarin een plaats dienen te krijgen. De Raad adviseert het voorstel overeenkomstig het voorgaande aan te vullen. 6. Artikel 81a, zevende lid, geeft een ongelimiteerde mogelijkheid om de informatieplicht bij algemene maatregel van bestuur uit te breiden. Volgens de Raad zou op zijn minst moeten worden bepaald met welk oogmerk van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt. De Raad adviseert het voorstel op dit punt aan te passen. 7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl7 pagina's, pdf Tekst