Raad van State
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende de aanwijzing van de vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat, regeling van de gevallen waarin een indicatiebesluit niet kan worden afgewacht, en nadere regels omtrent de inhoud van het indicatiebesluit en de wijze van totstandkoming ervan (Besluit indicatie jeugdzorg).
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende de aanwijzing van de vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat, regeling van de gevallen waarin een indicatiebesluit niet kan worden afgewacht, en nadere regels omtrent de inhoud van het indicatiebesluit en de wijze van totstandkoming ervan (Besluit indicatie jeugdzorg).Bij Kabinetsmissive van 1 oktober 2003, no.03.003993, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende de aanwijzing van de vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat, regeling van de gevallen waarin een indicatiebesluit niet kan worden afgewacht, en nadere regels omtrent de inhoud van het indicatiebesluit en de wijze van totstandkoming ervan (Besluit indicatie jeugdzorg). Het ontwerpbesluit strekt ter uitvoering van een aantal bepalingen van de Wet op de jeugdzorg (WJZ) die alle betrekking hebben op de indicatietaak van de stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt en in het bijzonder op het nemen van een indicatiebesluit. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot de samenvoeging met andere algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de WJZ, de noodzaak van de mate van gedetailleerdheid van enige bepalingen en de regeling van bijzondere gevallen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. Samenvoeging tot één algemene maatregel van bestuur Het ontwerpbesluit bevat niet alleen de inhoudelijke vereisten waaraan een indicatiebesluit moet voldoen, maar wijst ook de vormen van AWBZ-zorg aan, waarvoor het bureau jeugdzorg op grond van artikel 5, tweede lid, onder b, WJZ de indicatietaak heeft en geeft tevens regels voor aanspraak op jeugdzorg in spoedeisende situaties. De aard en de omvang van de jeugdzorg waarop ingevolge de WJZ aanspraak bestaat, zullen worden geregeld in het Besluit jeugdzorgaanspraken.(zie noot 1) De regeling met betrekking tot de aanwijzing van de gevallen waarin geen indicatiebesluit nodig is, worden opgenomen in het Besluit rechtstreekse verwijzing jeugd-ggz(zie noot 2), terwijl het Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg(zie noot 3) zich richt op kwaliteitseisen ten aanzien van het functioneren van de bureaus jeugdzorg. Al deze ontwerpbesluiten hangen nauw met elkaar samen. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de WJZ(zie noot 4) is met recht opgemerkt dat het feit dat in een groot aantal bepalingen in regeling bij algemene maatregel van bestuur wordt voorzien niet betekent dat even zovele algemene maatregelen van bestuur opgesteld zullen worden. Aangezien de verschillende algemene maatregelen van bestuur inhoudelijk aan elkaar raken ligt het in de bedoeling samenhangende onderwerpen in één en dezelfde regeling onder te brengen, aldus de bewindslieden. Tegen deze achtergrond vraagt de Raad zich af of bundeling van de verschillende onderwerpen in één regeling niet de voorkeur verdient. Op die wijze wordt de onderlinge samenhang veel duidelijker, kan volstaan worden met het eenmalig vermelden van definities en behoeft niet steeds naar andere besluiten te worden verwezen. Ook voor de praktijk lijkt één enkele regeling veel handzamer. De Raad geeft in overweging de aan hem voorgelegde regelingen te integreren en samen te voegen tot één algemene maatregel van bestuur. Indien aan handhaving van de nu voorgestelde opzet de voorkeur wordt gegeven, dan dient deze van een overtuigende motivering te worden voorzien. 2. Noodzaak van detailvoorschriften a. Ingevolge artikel 4, eerste lid, moeten de in het indicatiebesluit opgenomen doelen zo nodig worden uitgesplitst in doelen op korte en op lange termijn. De toelichting merkt hierover op dat bij zorg voor langere termijn niet alleen het einddoel maar ook de in tijd uitgezette stappen worden aangegeven, mede gelet op het opstellen van een goed hulpverleningsplan. Ten opzichte van het in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, WJZ geformuleerde vereiste waaraan een indicatiebesluit moet voldoen, voegt artikel 4, eerste lid, van het ontwerpbesluit hieraan alleen het onderscheid tussen de korte en lange termijn toe. In de toelichting op artikel 6, eerste lid, WJZ(zie noot 5) wordt gesteld dat het van belang is dat het bureau jeugdzorg aangeeft wat men met de geïndiceerde jeugdzorg wil bereiken. "Op deze wijze biedt het indicatiebesluit aan de zorgaanbieder een helder uitgangspunt voor het opstellen van het hulpverleningsplan", zo wordt na vermelding van de overige vereisten (onderdelen a, c en d) gesteld. Verder is in artikel 24 WJZ in het kader van het verlenen van verantwoorde zorg door de zorgaanbieder een duidelijke relatie gelegd tussen het indicatiebesluit en het daarop gebaseerde hulpverleningsplan (tweede lid) en vindt overleg plaats tussen de zorgaanbieder en de stichting (bureau jeugdzorg; derde lid) over de inhoud van het hulpverleningsplan.(zie noot 6) Uitgaande van deze artikelen van de wet, die een goede afstemming voldoende lijken te borgen, acht de Raad de noodzaak van dit detailvoorschrift niet aangetoond. In ieder geval zou de toelichting van een dragende motivering moeten worden voorzien. b. In artikel 4, tweede lid, is de eis opgenomen dat de doelen in het indicatiebesluit moeten aansluiten op het voogdij-, gezinsvoogdij- en reclasseringsplan, bedoeld in artikel 13 WJZ. Deze plannen vormen de basis voor een verantwoorde uitvoering van de taken door het bureau jeugdzorg. Gelet op de reeds uit de WJZ blijkende onderlinge samenhang tussen de artikelen 6, eerste lid (vereisten indicatiebesluit), 13 (voogdij-, gezinsvoogdij- en reclasseringsplan) en 24, tweede en vierde lid (hulpverleningsplan) rijst de vraag of hieruit niet reeds de vereiste aansluiting tussen de doelen in het indicatiebesluit en het voogdij, gezinsvoogdij en reclasseringsplan voortvloeit. Zo zullen het voogdij-, gezinsvoogdij- en reclasseringsplan enerzijds en het hulpverleningsplan anderzijds nauwkeurig op elkaar moeten aansluiten.(zie noot 7) Om die reden bevat artikel 24, vierde lid, WJZ het vereiste van overleg tussen de stichting en de zorgaanbieder met het oog op verkrijgen van een goede aansluiting. Op die wijze wordt reeds de in de toelichting aangegeven afstemming bereikt. De Raad beveelt daarom aan ook van het tweede lid van artikel 4 de noodzaak gemotiveerd aan te tonen. 3. Bijzondere gevallen Artikel 5 bevat een regeling voor de gevallen dat de zorg waarop een cliënt is aangewezen niet op korte termijn kan worden geleverd. Het bureau jeugdzorg kan dan vervangende zorg aanwijzen, die tijdelijk van aard is en minder adequaat. Door het in de WJZ creëren van een wettelijke aanspraak is de zorg individueel opeisbaar geworden. Dit leidt ertoe dat cliënten met een geobjectiveerde en onafhankelijke indicatiestelling de geïndiceerde zorg bij de provincie kunnen eisen ook al is er onvoldoende capaciteit voorhanden. In het uiterste geval kan de cliënt een gerechtelijk procedure starten. Het aanwijzen van vervangende zorg om aan het niet tijdig beschikbaar zijn van zorg tegemoet te komen lijkt het in de WJZ op elkaar afgestemde systeem van het recht op jeugdzorg, de plicht tot leveren van zorg, het samenhangend hulpverleningsplan en het aanbod waar aanspraak op bestaat te nuanceren en opnieuw de weg naar een aanbodgestuurd jeugdzorgstelsel te openen. Bovendien kunnen problemen ontstaan indien anderen juist aangewezen zijn op deze vormen van zorg en om die reden tekorten ontstaan. Verder zou deze keuze ook gevolgen kunnen hebben voor de financiering, zeker wanneer vervangende zorg ertoe leidt dat langduriger zorg moet worden geboden. Daarmee zou een belangrijke doelstelling, de kostenbeheersing(zie noot 8), niet kunnen worden gehaald. Hoewel het artikel mogelijk bedoeld is om alleen de in de praktijk zich voordoende knelpunten op te vangen, zodat voorkomen wordt dat jeugdigen in het geheel geen zorg ontvangen, kan het openen van een mogelijkheid als hier bedoeld, afbreuk doen aan de in de WJZ neergelegde aanspraak op jeugdzorg en het op vraagsturing gerichte systeem van jeugdzorgvoorziening. De Raad adviseert in ieder geval in de toelichting uiteen te zetten hoe de hier voorgestelde "oplossing" past binnen het stelsel van de wet, en zo nodig artikel 5 te heroverwegen. 4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl11 pagina's, pdf Tekst