Raad van State
Voorstel van wet houdende wijziging van de Meststoffenwet en intrekking van de Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij (vereenvoudiging productierechten), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende wijziging van de Meststoffenwet en intrekking van de Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij (vereenvoudiging productierechten), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 9 november 2004, no.04.004244, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Meststoffenwet en intrekking van de Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij (vereenvoudiging productierechten), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel strekt tot doorvoering van een aanzienlijke vereenvoudiging van het wettelijke instrumentarium van de productierechten gericht op de beheersing van de in Nederland geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen. Daartoe wordt het stelsel van productierechten voor de melkveesector en de kleinere sectoren geschrapt. Voor de intensieve sectoren - de varkens- en pluimveehouderij - blijven het stelsel van varkensrechten en dat van pluimveerechten gehandhaafd, maar dan in vereenvoudigde vorm. De regeling daarvan wordt samengebracht in de Meststoffenwet.De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt daarbij een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.1. Ingevolge het voorgestelde artikel 58e, tweede lid, Meststoffenwet (artikel I, onderdeel D) kan een productierecht of gedeelte daarvan dat afkomstig is van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten een concentratiegebied niet overgaan naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in een concentratiegebied. Het derde lid bepaalt dat een bedrijf gedeeltelijk is gelegen in een concentratiegebied, als een of meer stallen waarin varkens, kippen of kalkoenen worden gehouden in dat gebied zijn gelegen. In paragraaf 4, onder f, van de memorie van toelichting wordt erop gewezen dat deze wijziging voor een zeer beperkt aantal varkensbedrijven kan betekenen dat zij volgens het nieuwe criterium binnen het concentratiegebied komen te liggen en derhalve eventuele uitbreidingsplannen uitsluitend kunnen realiseren door verwerving van varkensrechten binnen het concentratiegebied. De Raad adviseert nader in te gaan op de mogelijke financiële gevolgen voor de hier bedoelde bedrijven. In dit verband is tevens van belang of onder het bestaande regime voor de overdracht van varkensrechten investeringsbeslissingen zijn genomen die na inwerkingtreding van het wetsvoorstel hun bedoelde effect zullen missen.2. In de gevallen waarin een productierecht geheel of gedeeltelijk naar een ander bedrijf overgaat, kan de verkrijger de daarmee samenhangende productieruimte slechts gebruiken vanaf het tijdstip waarop de kennisgeving die van de overdracht aan de minister moet worden gedaan, door deze is geregistreerd (artikel 58f, tweede lid). Een eenmaal gedane registratie kan ingevolge artikel 58h, tweede lid, ongedaan worden gemaakt (doorgehaald) indien achteraf blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor registratie waaronder het in acht nemen van de gebiedsbepaalde beperkingen van artikel 58e en de wettelijk begrensde omvang van het over te dragen productierecht. De tweede volzin van dit artikellid bepaalt dat in dat geval de rechtsgevolgen van de registratie vervallen met terugwerkende kracht tot het tijdstip van de registratie. Voor de verwerver betekent dit dat het productierecht met terugwerkende kracht tot het tijdstip van de registratie wordt verkleind met de hoeveelheid fosfaat die ten onrechte op zijn naam was geschreven (toelichting op artikel I, onderdeel D). De terugwerkende kracht van de doorhaling van een registratie brengt derhalve mee dat het gebruik dat de verkrijger vanaf het tijdstip van de registratie van het overgedragen productierecht heeft gemaakt strafbaar is geweest. De Raad wijst erop dat gevallen denkbaar zijn, waarin de verwerver geen schuld heeft aan het niet in acht genomen zijn van de wettelijke voorwaarden voor de overgang van een productierecht. Deze zal dan een beroep kunnen doen op strafuitsluitingsgronden (bijvoorbeeld afwezigheid van alle schuld). De Raad adviseert daarom in de toelichting nader op de strafrechtelijke aspecten van de doorhaling van de registratie met terugwerkende kracht in te gaan.3. Het pluimveerecht zal niet meer in hoeveelheid fosfaat worden uitgedrukt maar in aantal pluimvee-eenheden (artikel 55, aanhef en onder b, in samenhang met Bijlage II). In paragraaf 4, onder d, van de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat de omzetting van kilogrammen fosfaat in pluimvee-eenheden op een voor de omvang van het productierecht en de veestapel van het individuele bedrijf volledig neutrale wijze geschiedt: de kilogrammen fosfaat van het huidige pluimveerecht en de huidige forfaitaire fosfaatexcretiewaarden van bijlage A bij de Meststoffenwet worden omgezet volgens de formule: 0,5 fosfaat = 1 pluimvee-eenheid. Gelet daarop behoeft volgens paragraaf 5, onder f, van de toelichting een eventuele inwerkingtreding van het wetsvoorstel in de loop van 2006 geen specifieke overgangsvoorzieningen, ook niet waar het gaat om het jaarplafond. De Raad wijst erop dat bij een inwerkingtreding in de loop van het jaar 2006, in ieder geval een overgangsvoorziening moet worden getroffen voor de berekening van het jaarplafond. De voor het tijdstip van inwerkingtreden berekende kilogrammen fosfaat zullen immers in de administratie moeten worden omgezet in pluimvee-eenheden. Hij adviseert het wetsvoorstel op dit punt aan te vullen.4. Het vervallen van het stelsel van de mestproductierechten in titel 1 van hoofdstuk V van de Meststoffenwet (artikel I, onderdeel C) is niet meegenomen in de wijziging van hoofdstuk V in artikel I, onderdeel D. In de memorie van toelichting op artikel I, onderdeel C, wordt uiteengezet dat hiertoe is besloten om het mogelijk te maken dat met toepassing van artikel X dit stelsel op een eerder tijdstip kan komen te vervallen dan op het tijdstip waarop wijzigingen ten aanzien van de varkens- en pluimveerechten worden doorgevoerd. De Raad wijst erop dat op bepaalde plaatsen in de geldende regeling van pluimveerechten wordt verwezen naar artikelen van titel 1 van hoofdstuk V. Zo verwijst artikel 58b, eerste lid, onderdeel c, naar artikel 55, achtste lid. Bij een eerdere inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C zouden die verwijzingen geen betekenis meer hebben. De Raad adviseert het wetsvoorstel op dit punt nader te bezien.5. Artikel VII bepaalt dat de wijzigingen die in deze wet zijn voorzien niet van toepassing zijn op gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de dag waarop de desbetreffende artikelonderdelen in werking treden. Daarbij wordt afgeweken van het stelsel dat is neergelegd in artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht: bij verandering van wetgeving na het tijdstip van de overtreding gelden de voor de overtreder gunstigste bepalingen. De toelichting op artikel VII geeft slechts aan aan welke gevallen moet worden gedacht. De Raad is van oordeel dat niet moet worden afgeweken van de regel van artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, tenzij daarvoor een dringende reden bestaat, die dan uit de memorie van toelichting moet blijken.6. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl5 pagina's, pdf Tekst