Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels in verband met Verordening (EG) Nr.2076/2002 (Besluit regels verlenging communautaire overgangstermijn gewasbeschermingsmiddelen).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels in verband met Verordening (EG) Nr.2076/2002 (Besluit regels verlenging communautaire overgangstermijn gewasbeschermingsmiddelen).Bij Kabinetsmissive van 26 maart 2003, no.03.001379, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels in verband met Verordening (EG) Nr. 2076/2002 (Besluit regels verlenging communautaire overgangstermijn gewasbeschermingsmiddelen).1. In het ontwerpbesluit worden op grond van artikel 23 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) regels gesteld die afwijken van enkele bepalingen van de Bmw, dit ter uitvoering van Verordening (EG) Nr.2076/2002 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2002 houdende verlenging van de in artikel 8, tweede lid, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad bedoelde termijn en betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij die richtlijn en de intrekking van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (PbEG 2002, L 319) (hierna: verordening 2076/2002).Het besluit bevat onder meer een bijzonder regime voor gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt voor doeleinden ten aanzien waarvan voor Nederland een essentiële noodzaak bestaat voor het verdere gebruik van die middelen en waarvoor doelmatige alternatieven ontbreken. De betrokken werkzame stoffen zijn met de toegestane gebruiksdoeleinden in bijlage II van verordening 2076/2002 aangewezen. De toelating van middelen met deze stoffen mag ingevolge artikel 2, derde lid, van verordening 2076/2002 onder bepaalde voorwaarden tot 30 juni 2007 gehandhaafd blijven, dat wil zeggen dat de toelating uiterlijk op die datum moet worden ingetrokken. Als uiterste gebruiksdatum geldt daarbij 31 december 2007.De daartoe strekkende instructie aan het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen is vastgelegd in artikel 3, eerste lid, van het ontwerpbesluit. Aan het slot van paragraaf 4 van de nota van toelichting wordt erop gewezen dat een aantal werkzame stoffen die in bijlage II van verordening 2076/2002 als voor Nederland essentieel noodzakelijk zijn aangewezen, van de toepassing van de Bmw is uitgezonderd in de (ministeriële) Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen (hierna: Rub). Teneinde de juridische status van deze stoffen op grond van de Rub in overeenstemming te brengen met verordening 2076/2002 zullen zij, zo wordt vervolgd in de nota van toelichting, per 1 januari 2004 niet meer in de Rub zijn vermeld. Vanaf die datum zullen deze stoffen niet meer zonder toelating als gewasbeschermingsmiddel mogen worden gebruikt. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor zilvernitraat. Ingevolge bijlage II van verordening 2076/2002 is deze stof voor Nederland aangewezen essentieel noodzakelijk in de teelt van komkommers en augurken die voor hun zaad worden gekweekt.Die beperkte gebruiksaanwending is geregeld in de Rub. In de toelichting wordt ervan uitgegaan dat voor wat betreft deze uitzondering aan verordening 2076/2002 kan worden voldaan door zilvernitraat niet meer in de Rub te vermelden vanaf 1 januari 2008, zijnde de uiterste datum waarop werkzame stoffen volgens artikel 3, aanhef en onderdeel a, van verordening 2076/2002 na beëindiging van de toelating nog voor het in bijlage II genoemde gebruiksdoeleinde (essentieel noodzakelijk) mogen worden gebruikt. De Raad van State wijst erop dat in die periode tevens moet zijn voldaan aan de voorwaarden die in artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c en d van verordening 2076/2002 aan de (tijdelijke) handhaving van de toelating van middelen met deze werkzame stoffen worden gesteld, zoals dat voor de andere middelen die essentieel noodzakelijk zijn, is bepaald in artikel 3, eerste lid, van het ontwerpbesluit. Het college adviseert hieraan in de nota van toelichting aandacht te besteden.2. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)