Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting van de leden Bussemaker en Van Dijke tot wijziging van de Arbeidstijdenwet en het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van zeggenschap van werknemers over arbeidstijden.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting van de leden Bussemaker en Van Dijke tot wijziging van de Arbeidstijdenwet en het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van zeggenschap van werknemers over arbeidstijden.Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 11 juli 2000, heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting van de leden Bussemaker en Van Dijke tot wijziging van de Arbeidstijdenwet en het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van zeggenschap van werknemers over arbeidstijden. Volgens de toelichting is de vormgeving van arbeid en arbeidstijden de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. Tegelijkertijd hebben werknemers meer maatschappelijke verantwoordelijkheden buiten de betaalde arbeid gekregen. Ingevolge het voorstel worden werkgevers verplicht voorzover redelijkerwijze mogelijk bij de vaststelling van het arbeidspatroon meer dan thans rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer buiten de arbeid. 1. Samenhang met het initiatiefwetsvoorstel-Bakker Het voorstel regelt gedeeltelijk dezelfde motie die het initiatiefwetsvoorstel van het lid Bakker beoogt te regelen.(zie noot 1) De Raad van State heeft over dat voorstel op 23 mei 2000 advies uitgebracht. In de toelichting wordt niet op het voorstel-Bakker ingegaan. De Raad adviseert in de toelichting aan te geven wat de verhouding is tussen het nu voorliggende voorstel en het voorstel-Bakker. 2. Bescherming tegen zondagsarbeid: noodzaak van een wettelijke regeling In de Arbeidstijdenwet (ATW) is nu geregeld dat de werknemer alleen verplicht kan worden om op zondag te werken, indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken en de werkgever overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan, of, bij ontbreken van dat orgaan, met de belanghebbende werknemers.(zie noot 2) De indieners stellen voor, in aanvulling daarop te bepalen dat de werknemer uitsluitend arbeid op zondag verricht indien hij daar voor dat geval mee instemt.(zie noot 3) De werknemer hoeft dus - anders dan in het voorstel-Bakker - geen motief te noemen. Verder voorziet het voorstel in een verbod om een werknemer te ontslaan die geen instemming verleent aan het werken op zondag.(zie noot 4) Anders dan het voorstel-Bakker voorziet dit voorstel niet in een wettelijk verbod om bij sollicitaties onderscheid te maken wegens het hebben van (gewetens)bezwaren tegen het werken op zondag. Wel merken de indieners op, ervan uit te gaan dat de werkgever bij een sollicitatieprocedure niet op voorhand van de werknemer mag vragen naar de bereidheid op zondag te werken.(zie noot 5) Zoals hierna (punt 3) wordt aangegeven deelt de Raad dit standpunt niet. De Raad signaleert dat er een discrepantie bestaat tussen de verruiming van de mogelijkheden om op zondag te werken zoals deze bijvoorbeeld voortvloeit uit de recente wijziging van de Winkeltijdenwet en het onderhavige voorstel. De ATW-1995 kent als uitgangspunt dat op zondag niet of zo weinig mogelijk wordt gewerkt. Verder is in het Burgerlijk Wetboek een verbod opgenomen om een werknemer te ontslaan die met een beroep op een ernstig gewetensbezwaar weigert het opgedragen werk te verrichten. De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) kent een verbod om onderscheid te maken op grond van godsdienst of levensovertuiging bij het aanbieden van een betrekking en het in dienst nemen als werknemer of ambtenaar. De recente wijziging van de Winkeltijdenwet kan er echter toe leiden dat niet alleen werkgevers uit concurrentie-overwegingen gedwongen zijn hun winkel op zondag te openen, maar dat ook (andere) dienstverlening (bijvoorbeeld vervoer) moet worden geïntensiveerd. Het onderhavige voorstel dat het uitgangspunt van de ATW (op zondag wordt niet gewerkt) wil handhaven kan daarom werkgevers voor een welhaast onmogelijke opgave plaatsen. Om de instemming van zijn werknemers te verwerven zal hij met hoge overwerkvergoedingen moeten werken. Met de huidige krapte op de arbeidsmarkt is het de vraag of ook dat wel voldoende is. Het gevaar bestaat dat werkzaamheden in bepaalde branches zoals vervoer en zorginstellingen, die wel moeten worden verricht, niet meer zullen worden verricht. Dat kan verstrekkende consequenties hebben. De Raad vraagt zich daarbij af of de bestaande wetgeving niet reeds een goede basis biedt om oplossingen te vinden voor de uiteenlopende soorten van problemen - religieus geïnspireerd of anderszins - die zich in de praktijk rond de zondagsarbeid kunnen voordoen. Op bedrijfstak of bedrijfsniveau kunnen eventuele problemen verder worden opgelost. De Raad adviseert het vorenstaande bij de beoordeling van het voorstel te betrekken. 3. Vragen bij de sollicitatie Zoals al aangegeven voorziet het voorstel niet in een wettelijk verbod om bij sollicitaties onderscheid te maken wegens het hebben van bezwaren tegen het werken op zondag. Wel merken de indieners op, ervan uit te gaan dat de werkgever bij een sollicitatieprocedure niet op voorhand van de werknemer mag vragen naar de bereidheid op zondag te werken.(zie noot 6) Een verbod om hierover vragen te stellen vloeit, zo meent de Raad, niet zonder meer voort uit de bestaande wetgeving. Denkbaar is dat het verbod nog wel kan worden afgeleid uit artikel 5 AWGB voorzover het gaat om religieuze of levensbeschouwelijke bezwaren tegen zondagsarbeid. Voor anderssoortige bezwaren is dat niet aannemelijk. Het zou ook niet wenselijk zijn om een zo ruim verbod wettelijk te regelen. Een werkgever moet bijvoorbeeld in staat zijn personeel te werven speciaal voor het verrichten van zondagsdiensten. En een werkgever die al veel personeel in dienst heeft dat religieuze of andere bezwaren heeft tegen zondagsarbeid moet in staat zijn personeel te selecteren dat wel tot zondagsarbeid bereid is. Het verdient aanbeveling de toelichting op dit punt aan te passen. 4. Reikwijdte van het instemmingsrecht Het nu geldende artikel 4:1 ATW maakt onderscheid tussen arbeid op zondag die voortvloeit uit de aard van de arbeid en arbeid op zondag waar de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken. Het gaat de indieners alleen om het laatste, zo geven zij in de toelichting aan.(zie noot 7) De voorgestelde tekstwijziging is op dit punt onvoldoende duidelijk. Het recht om op zondag niet te behoeven werken lijkt ook te gelden voor zondagsarbeid die voortvloeit uit de aard van de arbeid. Het verdient aanbeveling de tekst te verduidelijken. 5. Vaststelling van het arbeidspatroon De ATW bepaalt nu in artikel 4:1, eerste lid, dat de werkgever, voorzover dat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden, rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de werknemers. Het voorgestelde artikel 4:1a, eerste lid, geeft in feite een herhaling van deze bepaling met een verdere uitwerking van het laatste deel: het voorstel spreekt over de "persoonlijke omstandigheden van de werknemer buiten de arbeid, waaronder begrepen de zorg(taken) voor kinderen, (afhankelijke) familieleden, verwanten en naasten alsmede maatschappelijke verantwoordelijkheden die door de werknemer worden gedragen". a. In de toelichting wordt wel in algemene zin gesproken over de problemen bij het combineren van werk en zorg, maar niet wordt aangegeven of het voorgestelde artikel een wezenlijk grotere bijdrage zal leveren aan het oplossen van deze problemen dan nu al gebeurt met het bestaande artikel 4:1 ATW. Daar komt bij dat in het voorgestelde artikel van het begrip "persoonlijke omstandigheden van de werknemer" enkele voorbeelden zijn opgenomen die onvoldoende houvast geven of het gevaar in zich dragen dat aan een begrip een te ruime betekenis toegekend moet worden. Zo is de term "maatschappelijke verantwoordelijkheden" naar inhoud te vaag en het ermee gemoeide tijdsbeslag te onbepaald. De Raad is van mening dat de voorgestelde nadere uitwerking van het begrip niet wenselijk is. Hij acht het beter om het uiteindelijk aan de rechter over te laten nader te bepalen welke persoonlijke omstandigheden een rol kunnen spelen en welk gewicht aan de verschillende omstandigheden moet worden toegekend. Hij adviseert de bepaling te heroverwegen. b. Indien de indieners de bepaling handhaven, verdient het aanbeveling het voorgestelde artikel 4:1a, eerste lid, op te nemen in artikel 4:1, eerste lid. Dat heeft tevens als voordeel dat de procedurele waarborgen die in het vervolg van artikel 4:1 zijn neergelegd, ook zullen gelden voor de door de indieners voorgestelde verplichting. Het voorgestelde artikel 4:1a, tweede lid, kan dan eveneens in artikel 4:1 worden ondergebracht. 6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)