Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpuitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, met nota van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpuitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 23 november 2000, no.00.006293, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpuitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, met nota van toelichting. Het ontwerpbesluit geeft uitvoeringsregels bij de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), die per 1 januari 2001 in werking zal treden. Het ontwerpbesluit vervangt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964. De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. De Raad merkt op, dat het ter advisering aangeboden ontwerpbesluit gebaseerd is op de Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Stb.215). Vóór de invoering zal deze wet gewijzigd worden door de Wet ondernemerspakket 2001 (Kamerstukken II 1999/2000, 27 209), de Tariefwet 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 27 415), het Belastingplan 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 27 431) en de Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 27 466). In het voorstel voor het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 is deels wel en deels niet vooruitgelopen op voorgestelde wijzigingen. Hierdoor is een onduidelijke situatie ontstaan. Op grond van de in het Belastingplan 2001 opgenomen wijzigingen inzake groene beleggingen, sociaal-ethische beleggingen en culturele beleggingen zal het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 in ieder geval nog moeten worden aangepast. De Raad gaat ervan uit dat deze aanpassing tijdig ter advisering zal worden voorgelegd. 2. In het advies inzake de Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001 heeft de Raad erop gewezen dat de "reparatie" van artikel 2.5 Wet IB 2001 weer een potentieel conflict doet ontstaan met het Schumacker-arrest ingeval door de reparatie niet volledig rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de niet-inwoner die zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat verwerft (Kamerstukken II 2000/01, 27 466, A, punt 4). In het nader rapport is de vrees voor een potentieel conflict niet volledig weggenomen. In de toelichting op het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 is niet ingegaan op de vraag of in de voorgestelde regeling in alle gevallen volledig rekening gehouden wordt met de persoonlijke en gezinssituatie van vorenbedoelde niet-inwoner. De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen. 3. In het nader rapport inzake de Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001 is uiteengezet dat om praktische redenen er voor is gekozen om de voorkoming van dubbele belasting te laten voorgaan op de vermindering van de inkomstenbelasting met de heffingskorting (Kamerstukken II 2000/01, 27 466, A, punt 4). Bij de keuze regeling voor buitenlandse belastingplichtigen is de pro rata-toedeling van de heffingskorting wel in het regime opgenomen. De Raad adviseert in de toelichting uiteen te zetten welke praktische redenen bij de voorkoming van dubbele belasting wel en bij de keuzeregeling niet bestaan ten aanzien van de toedeling van de heffingskorting, die dit verschil in regeling rechtvaardigen. Tevens adviseert de Raad de complexe toepassing van de regelingen toe te lichten aan de hand van een uitgebreid cijfermatig voorbeeld in het geval van samenloop in hetzelfde jaar van de voorkoming van dubbele belasting in de periode van binnenlandse belastingplicht en van toepassing van het keuzerecht als binnenlandsbelastingplichtige met niet-binnenlands inkomen in de periode van buitenlandse belastingplicht. 4. In artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 zijn regels gegeven voor de uitoefening van het keuzerecht voor de inkomstenbelastingheffing voor in het buitenland geworven deskundigen. Een keuzerecht ten aanzien van de inhouding van loonbelasting is opgenomen in het voorstel voor het Besluit tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten. In beide gevallen worden de keuze en de herziening van de keuze gemaakt bij verzoek aan de desbetreffende inspecteurs. Deze beslissen aan de hand van dezelfde criteria of de onderscheiden regelingen van toepassing zijn. De Raad adviseert de procedures op elkaar af te stemmen in deze zin dat in beginsel slechts één inspecteur over de keuze beslist indien zowel ten aanzien van de inkomstenbelastingheffing als de loonbelastinginhouding voor toepassing als partieel buitenlands belastingplichtige respectievelijk ingekomen werknemer wordt gekozen. 5. In artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 worden nadere regels gegeven voor de vrijstelling voor bosbedrijf. In artikel 12, derde en vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 wordt gesproken van "onteigening of verkoop ter voorkoming van onteigening" en van "een persoon als bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, van de wet". Onduidelijk is of het artikel nog moet worden aangepast aan de wijzigingen die in de Wet ondernemerspakket 2001 worden voorgesteld ten aanzien van de artikelen 3.63 en 3.64 Wet IB 2001 alsmede aan de overgangsregeling voor doorschuiving in de familiesfeer. De Raad adviseert deze onduidelijkheid weg te nemen. 6. Op grond van artikel 3.126 Wet IB 2001 kan de minister pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen onder door hem te stellen voorwaarden aanwijzen als zogenoemde toegelaten aanbieders van lijfrenten. Deze aanwijzing kan worden ingetrokken wanneer de toegelaten aanbieder niet meer voldoet aan de gestelde voorwaarden. De (weigering van de) aanwijzing en de intrekking van de aanwijzing door de minister zijn niet ingepast in het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming. De Raad adviseert, in het bijzonder omdat zwaarwegende belangen van de verzekeringsnemers bij de intrekking van de aanwijzing zijn betrokken, tegen de aanwijzing en de intrekking van de aanwijzing rechtsmiddelen open te stellen binnen het stelsel van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 7. Uitgangspunt bij de vaststelling van de verkrijgingsprijs van aanmerkelijk belangaandelen bij immigratie is, aldus de toelichting, dat een waardeontwikkeling die is ontstaan in een binnenlandse periode uiteindelijk eenmalig dient te worden betrokken in de aanmerkelijk belangheffing. "De immigratie moet echter niet ten gevolge hebben dat er een claim wordt gevestigd op een in de buitenlandse periode ontstane waardestijging, dat er een verlies dat is ontstaan in een buitenlandse periode wordt geïmporteerd of dat een waardedaling of waardestijging uiteindelijk tweemaal in aanmerking wordt genomen." De Raad acht dit uitgangspunt passend in het aanmerkelijk belangregime. Artikel 16, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 heeft betrekking op de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingeval bij immigratie het land van emigratie afrekent over een waardeaangroei. Daarbij wordt de waardeaangroei boven de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen. Er ontstaat een dubbele heffing indien het emigratieland afrekent over een hogere waardeaangroei dan het verschil tussen de (historische) verkrijgingsprijs en de waarde van de aandelen bij emigratie. Voorzover de afrekening meer beloopt dan het bedrag van de feitelijke waardeaangroei in de periode van het verblijf in dat land, is er geen reden voor Nederland daarin tegemoet te komen. Dit is anders indien de dubbele heffing het gevolg is van het niet in aanmerking nemen van een waardevermindering die aan een "Nederlandse periode" is toe te rekenen. In dat geval wordt afbreuk gedaan aan het aangegeven uitgangspunt. De Raad adviseert voor deze gevallen, waarvan er één in het tweede voorbeeld op artikel 16, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 in de toelichting is opgenomen, een objectieve en redelijke grond aan te geven. 8. Eenzelfde dubbele heffing als bedoeld in punt 7 van dit advies speelt bij artikel 16, achtste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. De Raad ziet niet in dat in deze gevallen sprake is van het tweemaal in aanmerking nemen van eenzelfde verlies. Indien in het in de toelichting opgenomen voorbeeld terstond na de immigratie de aandelen worden verkocht voor f.130,-- heft Nederland over f.20,--. Deze heffing compenseert het aanmerkelijk belangverlies bij de eerdere emigratie, maar leidt ertoe dat per saldo het in de Nederlandse periode geleden verlies niet in aanmerking genomen wordt. De Raad adviseert artikel 16, achtste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 te schrappen. 9. In het advies inzake de Belastingherziening 2001 heeft de Raad met betrekking tot artikel 4.7.2.7 Wet IB 2001 (thans artikel 4.25 Wet IB 2001) opgemerkt, dat de redactie van dat artikel ook in ander opzicht te ruim is. "Indien de belastingplichtige ooit voordien in Nederland heeft gewoond, ook los van elke relatie tot enig aanmerkelijk belang, zou de "step up" zijn uitgesloten. Naar het oordeel van de Raad is hiervoor geen redelijke grond aanwezig." (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, A, punt 105). In het nader rapport is gesteld dat dit effect ook besloten ligt in de toen vigerende regeling ten aanzien van remigraties binnen tien jaar, maar dat op grond van het Besluit van 16 juni 1999, DB99/1272M, punt C.3, met toepassing van de hardheidsclausule wordt toegestaan dat onder bepaalde voorwaarden in afwijking van de wettelijke regeling een "step up" wordt gegeven. De Raad blijft van oordeel, dat er geen reden is om een belastingplichtige die in de periode dat hij voor zijn emigratie in Nederland woonde geen (aanmerkelijk belang-) aandelen bezat, bij immigratie een step up te onthouden op in de periode, waarin hij niet in Nederland woonde, verworven aandelen in een buitenlandse vennootschap. Zo zou een belastingplichtige die in zijn kindsjaren met zijn ouders emigreerde tot zijn overlijden "besmet" blijven ten aanzien van in het buitenland verworven aandelen in een buitenlandse vennootschap. Naar het oordeel van de Raad is daarvoor geen objectieve en redelijke grond aanwezig. Het hardheidsclausulebeleid biedt een mogelijkheid om de ook door de staatssecretaris gesignaleerde "onbevredigende" aanmerkelijk belangheffing terug te dringen. De Raad adviseert in ieder geval het beleid, dat in het Besluit van 16 juni 1999 is neergelegd te codificeren en daartoe artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 aan te vullen. 10. In artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 worden waarderingsregels gegeven voor periodieke uitkeringen. Bij de waardering wordt rekening gehouden met de sexe van "het lijf" van welks leven de periode uitkering afhankelijk is. Deze benadering past niet in de lijn van het streven naar unisexe sterftetabellen die bij de recente wijzigingen van de Pensioen- en spaarfondsenwet is uitgezet. De Raad adviseert in de toelichting aan dit aspect aandacht te geven. 11. Artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 treft een overgangsregeling voor bepaalde spaareffecten. Deze bepaling is niet in het voorstel overgenomen in verband met het geringe resterende belang van de bepaling. De Raad adviseert de bepaling eerst te laten vervallen indien de regeling geheel is uitgewerkt. De Raad adviseert het voorstel op dit punt aan te vullen. 12. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)