Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (aanpassing aan Europese jurisprudentie), met memorie van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (aanpassing aan Europese jurisprudentie), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 23 mei 2006, no.06.001839, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (aanpassing aan Europese jurisprudentie), met memorie van toelichting. De aanleiding voor het voorstel is de uitkomst van een procedure ter zake van privégebruik van bedrijfsmiddelen; het arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 2005 in zaak C-434/03 (arrest Charles en Charles-Tijmens). Het wetsvoorstel voorziet in een aanpassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), waardoor deze beter aansluit op de systematiek van de Zesde Richtlijn(zie noot 1): de regeling inzake het recht op aftrek van in rekening gebrachte BTW wordt in die zin aangepast dat een ondernemer die in die hoedanigheid een goed aanschaft en die dit goed volledig tot zijn bedrijfsvermogen rekent, een volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft. Hierdoor is het noodzakelijk de bepalingen inzake het belastbaar feit en de maatstaf van heffing uit te breiden met betrekking tot het niet-zakelijk gebruik van goederen, waardoor dit gebruik belast wordt. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot de na invoering van het wetsvoorstel resterende verschillen tussen de Zesde Richtlijn en de Wet OB, de wettekst aangaande de integratieheffing bij bedrijfsbeëindiging, de regeling van de zogenoemde herziening van aftrek van voorbelasting en de overgangsregeling. Hij is van oordeel dat in verband daarmee (enige) aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Het wetsvoorstel is een gevolg van het arrest Charles en Charles-Tijmens van het Hof van Justitie. De oorzaak van het probleem, dat met het voorstel wordt opgelost, is gelegen in het feit dat de Nederlandse systematiek van aftrek van voorbelasting afwijkt van het in de Zesde Richtlijn gehanteerde systeem. In de rechtspraktijk is deze discrepantie reeds verschillende malen gebleken, en ook in de literatuur is er reeds veelvuldig op gewezen. Het wetsvoorstel geeft een adequate reactie op genoemd arrest van het Hof van Justitie, maar bevat geen systematische aanpassing van de Wet OB aan de in de Zesde Richtlijn gehanteerde begrippen en systematiek. Een en ander leidt er bijvoorbeeld toe dat, ook na het wetsvoorstel, het in de Zesde Richtlijn gehanteerde begrip "belastingplichtige" nog steeds niet aansluit bij het in de Wet OB gehanteerde begrip "ondernemer". De Raad constateert dat, wellicht veroorzaakt door het spoedeisend karakter van de door het voornoemde arrest noodzakelijke reparatiewetgeving, de gelegenheid ongebruikt is gelaten om met het wetsvoorstel de tekst van de Wet OB meer één op één te laten aansluiten bij de Zesde Richtlijn. Gelet op het voorgaande adviseert de Raad om een wetsvoorstel te entameren teneinde de Wet OB meer systematisch in bovenvermelde zin te herzien. 2. In het in artikel I, onderdeel B, vierde lid, voorgestelde artikel 3, derde lid, onderdeel c, Wet OB is de integratieheffing geregeld voor de situatie van bedrijfsbeëindiging. De (facultatieve) parallelbepaling in de Zesde Richtlijn is artikel 5, zevende lid, onderdeel c. De Raad mist in de toelichting een motivering voor opname van dit artikel in de Wet OB. Voorts valt het de Raad op dat, anders dan in genoemd artikel van de Zesde Richtlijn, in het voorgestelde artikel van de Wet OB wordt gesproken over "voor andere dan bedrijfsdoeleinden". Naar de mening van de Raad is het, indien de bewuste bepaling dient te worden opgenomen in de Wet OB, beter de tekst van de Zesde Richtlijn tot uitgangspunt te nemen. Overigens betwijfelt de Raad de correctheid van de genoemde passage in het voorstel, aangezien het de heffing betreft in geval van bedrijfsbeëindiging en er dus per definitie "voor andere dan bedrijfsdoeleinden" wordt gehouden (een en ander los van de eventuele toepasselijkheid van artikel 31 Wet OB). Ten slotte wijst de Raad er op dat in het voorgestelde artikel 3, derde lid, onderdeel c, Wet OB gesproken wordt over "beschikken over", waar de tekst van de parallelbepaling in de Zesde Richtlijn spreekt over "onder zich hebben van". In de toelichting ontbreekt een motivering voor dit tekstuele verschil. De Raad adviseert de bewuste bepaling nader te motiveren in de toelichting. 3. In artikel I, onderdeel H, vijfde lid, wordt aan artikel 15 van de Wet OB een zevende lid toegevoegd. In dat lid wordt geregeld in welke gevallen 'herziening' van aftrek van voorbelasting niet plaatsvindt. Alhoewel het gebruik op deze plaats van de term 'herziening' in overeenstemming is met de tekst van de Zesde Richtlijn, merkt de Raad daarover het volgende op. De regeling van de herziening is in de Nederlandse wetgeving voor het overige - via de delegatiegrondslag van artikel 15, zesde lid, Wet OB - in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 opgenomen. In de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 is de term 'herziening' daarbij echter voorbehouden aan het volgen van investeringsgoederen bij voortgezet gebruik. Het gebruik van de term 'herziening' in het voorgestelde artikel 15, zevende lid, Wet OB, is mitsdien verwarrend, tenzij de regeling van de herziening van de aftrek geheel conform artikel 20 van de Zesde Richtlijn in de Wet OB zou worden uitgewerkt. De Raad adviseert het wetsvoorstel met inachtneming van het voorgaande in overeenstemming met de Zesde Richtlijn aan te passen. 4. In artikel I, onderdeel M, is voorzien in een overgangsregeling (het voorgestelde artikel 47 Wet OB), teneinde cumulatie van belasting te voorkomen. De Raad onderschrijft dat cumulatie dient te worden voorkomen, maar plaatst enkele kanttekeningen bij de voorgestelde regeling. Uit de toelichting leidt de Raad af dat de bepaling, neergelegd in artikel 47, eerste lid, Wet OB, met name betrekking heeft op investeringsgoederen met een herzieningstermijn. De bepaling van artikel 47, tweede lid, Wet OB ziet op goederen waarvoor de aftrek van voorbelasting was uitgesloten ingevolge artikel 16 Wet OB en het daarop gebaseerde Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968, aldus de toelichting. Naar het oordeel van de Raad valt, gezien de letterlijke tekst van artikel 47, eerste lid, de situatie waarop het tweede lid ziet, ook onder de werking van het eerste lid. Door voor de gevallen, genoemd in het tweede lid een aparte regeling te treffen, wordt voor die gevallen in een overgangsbepaling voorzien die afwijkt van het eerste lid. Dit leidt ertoe dat voor die gevallen een beperkter overgangsregime geldt dan voor de overige gevallen. Immers, de overgangsregeling van het tweede lid, is qua werkingsduur beperkt tot één jaar. De Raad vraagt zich af waarom juist voor die gevallen voorzien is in een beperktere overgangsregeling. Los daarvan is het de Raad niet duidelijk waarom - zoals in de toelichting wordt gesteld - de situatie van mogelijk cumulatie van belasting zich in het bijzonder zou kunnen voordoen in het eerste jaar na het ingaan van de nieuwe regeling. De Raad adviseert in de tekst van de wet duidelijker tot uitdrukking te brengen dat in het voorgestelde artikel 47, tweede lid, Wet OB wordt afgeweken van het eerste lid van dat artikel. Voorts adviseert hij in de toelichting uiteen te zetten waarom voor de gevallen, genoemd in het tweede lid, voorzien is in een beperkter overgangsregime en tevens waarom deze beperking is vastgesteld op één jaar. 5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)