Raad van State
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Warenwet met het oog op de incorporatie van productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Warenwet met het oog op de incorporatie van productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet.Bij Kabinetsmissive van 18 september 2000, no.00.005197, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Warenwet met het oog op de incorporatie van productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet. Het wetsvoorstel is onderdeel van een gefaseerde aanpak en beoogt de productwetgeving te vereenvoudigen en efficiënter te maken. De eerste fase bestaat uit de uitbreiding van de Warenwet met de productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen en uit de Stoomwet. Het geheel biedt een effectief kader voor de implementatie van EG-richtlijnen. De voorgestelde integratie van regelgeving strekt er tevens toe de bestaande afbakeningsproblemen tussen de Wet op de gevaarlijke werktuigen en de Warenwet op te lossen. Het voorstel brengt geen wijziging aan in de beleidsverantwoordelijkheden van de betrokken bewindspersonen. Op langere termijn is het perspectief gericht op de totstandbrenging van een brede algemene productwet. Met het oog daarop zal te zijner tijd op basis van een evaluatie van de beperkte productwet bezien worden of integratie van andere wetten mogelijk is. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen. 1. Het wetsvoorstel is, voorzover het gaat om de productwetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitsluitend gericht op de Wet op de gevaarlijke werktuigen en de Stoomwet. Desondanks merkt de memorie van toelichting op dat met het voorstel ook een betere afstemming met "productregels" uit de arbeidsomstandighedenwetgeving wordt gerealiseerd.(zie noot 1) Daar het wetsvoorstel dienaangaande geen uitdrukkelijk nieuwe bepalingen bevat en er bovendien geen "oude" bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 vervallen behoeft deze mededeling verduidelijking. Het feit dat de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zelf nogal abstract is geformuleerd, niet rechtstreeks spreekt over producten en de bepalingen van de onderliggende regelgeving refereren aan apparatuur of werktuigen vormt in dit verband een extra complicatie. De Raad adviseert in de memorie van toelichting te verduidelijken of de afstemming met de Arbowetgeving zal plaatsvinden in een komend ontwerpbesluit door middel van het laten vervallen of wijzigen van de desbetreffende bepalingen dan wel op andere wijze. 2a. De Raad merkt ten aanzien van artikel 1a, tweede en derde lid, op dat het bij lagere regeling afwijken van een hogere regeling in beginsel moet worden afgewezen. De bevoegdheid tot afwijken mag naar de mening van het college slechts bij uitzondering worden gegeven en de delegatie mag niet verdergaan dan noodzakelijk is en moet bovendien inhoudelijk zijn bepaald. In dit geval maakt de toelichting niet duidelijk waarom zich ten aanzien van de genoemde technische voortbrengselen een uitzonderlijke situatie voordoet die rechtvaardigt dat de wet daarop geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is, ja die er zelfs toe zou nopen om voor die voortbrengselen bij algemene maatregel van bestuur regels op te stellen die strekken tot aanvulling of afwijking van de wet. Onder verwijzing naar aanwijzing 25 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) adviseert het college daarom de mogelijkheid tot afwijken en aanvullen zo concreet en nauwkeurig mogelijk te begrenzen en in de toelichting in te gaan op de noodzaak van die mogelijkheid. b. In dit verband doet zich nog een aspect voor van het bij lagere regeling afwijken van een hogere regeling. Mede in verband met de introductie van artikel 1a is namelijk in artikel 15, eerste lid, van de Warenwet de mogelijkheid geopend dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zelfstandig tijdelijk geldende regels kan stellen indien de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur niet kan worden afgewacht. De Raad adviseert ten aanzien van een dergelijke constructie, in aanvulling op de aanwijzingen 26 en 27 Ar, de publicatie van de ministeriële regeling onmiddellijk te laten volgen door een (materieel gelijkluidend) ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur. 3. De voorgestelde algemene formulering in artikel 7d, waarin aan de minister de bevoegdheid wordt toegekend tot het geven van algemene aanwijzingen, dient vervangen te worden door een meer concrete beschrijving van onderwerpen. In dit verband wordt gewezen op aanwijzing 124l, vijfde lid, Ar, waarin is bepaald dat afhankelijk van de aard van de taak van het zelfstandig bestuursorgaan aan de minister de bevoegdheid kan worden toegekend tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften inzake in de wet limitatief opgesomde onderwerpen. De Raad adviseert de bepaling aldus aan te passen. 4. Uit paragraaf 1.8 van de memorie van toelichting blijkt dat het ontwerpbesluit ingevolge richtlijn nr.98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij nr.98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217), is genotificeerd aan de Europese Commissie. Nu de reacties van de Europese Commissie en de lidstaten nog niet beschikbaar waren op het moment van het uitbrengen van dit advies, gaat de Raad ervan uit dat het ontwerpbesluit nogmaals aan hem voor advies zal worden voorgelegd, indien het oordeel van de Europese Commissie of van de lidstaten aanleiding geeft tot verandering van meer dan bijkomstige aard, en dat de reacties van de Europese Commissie en de lidstaten aan hem zullen worden toegezonden. 5. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl6 pagina's, pdf Tekst