Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende bepalingen aangaande onder meer de bereiding en het in het verkeer brengen van diervoeders (Kaderwet diervoeders).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende bepalingen aangaande onder meer de bereiding en het in het verkeer brengen van diervoeders (Kaderwet diervoeders).Bij Kabinetsmissive van 20 juli 2001, no.01.003560, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting houdende bepalingen aangaande onder meer de bereiding en het in het verkeer brengen van diervoeders (Kaderwet diervoeders).Het voorstel van wet voorziet in een kader voor regelgeving op rijksniveau op het gebied van diervoeders. Het wetsvoorstel heeft de vorm van een kaderwet. Daarmee wordt de basis gecreëerd voor de implementatie van de Europese regelgeving die regelmatig aan wijzigingen onderhevig is. Mede gelet op het sterk technische karakter van de materie, bijvoorbeeld samenstellings- en etiketteringseisen, en de te stellen voorschriften van administratieve aard is voor deze opzet gekozen. Recente incidenten met diervoeders en dierlijke producten en de gevolgen van deze incidenten voor de gezondheid van mens en dier, de toegenomen kritische attitude van een steeds mondiger consument hebben de aandacht voor voedselveiligheid niet alleen vergroot, doch ook de aan voedsel-veiligheid toegekende belangen en de rol die diervoeders daarin spelen aanzienlijk verzwaard. Met het voorstel voor een Kaderwet diervoeders kan de rijksoverheid haar verantwoordelijkheden voor de met diervoeder gemoeide belangen voor de gezondheid van mens en dier waarmaken. Deze kaderwet betekent tevens een herijking van de verantwoordelijkheidsverdeling op het gebied van diervoeders tussen het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het Productschap Diervoeder.Met betrekking tot het voorstel van wet heeft de Raad van State de volgende opmerkingen.1. Paragraaf 5 van de memorie van toelichting behandelt uitgebreid het zogenaamde voorzorgbeginsel. Binnen het voedselveiligheidsbeleid - waar het diervoederbeleid deel van uitmaakt - vormt dit beginsel uitgangspunt. Bij de toepassing van het beginsel vormen concrete aanwijzingen voor het bestaan van mogelijke - ernstige - risico's het vertrekpunt. Als er sprake is van een aannemelijk, maar nog niet wetenschappelijk volledig bewezen risico met mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens, dier of plant, het milieu of de natuur, dan geldt de regel bij "twijfel niet inhalen".(zie noot 1) In dat geval kunnen passende maatregelen, die aan nader genoemde voorwaarden moeten voldoen, worden getroffen. De in het voorstel van wet opgenomen artikelen bieden (tevens) het kader waarbinnen - bij gebleken noodzaak - ook maatregelen getroffen kunnen worden die door het voorzorgbeginsel worden ingegeven. Blijkens de toelichting gaat het daarbij niet om specifieke, op de toepassing van het voorzorgbeginsel geënte, bepalingen. Bij de toepassing van het voorzorgbeginsel gaat het, zo vervolgt de toelichting, immers om de wijze waarop van bevoegdheden gebruik wordt gemaakt en niet om een afzonderlijk instrument. Zolang (nog) niet duidelijk is op welke wijze het voorzorgbeginsel op Europees niveau zal worden uitgewerkt, rijst bij de Raad de vraag of het voorstel een adequaat kader kan bieden waarop maatregelen kunnen worden gebaseerd die door dit beginsel worden ingegeven. In ieder geval behoeft de toelichting op dit punt verduidelijking, waarbij aandacht wordt besteed aan de vraag of het uit een oogpunt van rechtszekerheid niet veeleer aanbeveling verdient het voorzorgbeginsel in de wet zelf te regelen.2. De Raad stelt vast dat in het wetsvoorstel een veelheid aan begrippen wordt gehanteerd, die naar hun strekking niet wezenlijk lijken te verschillen. Zo is bijvoorbeeld in de artikelen 1, eerste lid, onderdeel e, punt 1, 2, vijfde lid, en 26, zevende lid, sprake van onderscheidenlijk elementen en materialen. Artikel 4, tweede lid, spreekt van categorie van diervoeders, terwijl in artikel 11, derde lid, sprake is van het type voedingsmiddelen. Uit een oogpunt van eenvoud en helderheid van regelgeving welke zeker bij een kaderwet geboden is, als ook met het oog op de consistentie van de in het voorstel gebezigde terminologie adviseert de Raad na te gaan in hoeverre het begrippenassortiment in het wetsvoorstel kan worden beperkt, door slechts begrippen te hanteren die in artikel 1 worden gedefinieerd.3. Aangezien het een voorstel voor een kaderwet betreft, meent de Raad meer in het algemeen dat het aanbeveling verdient om de verbodsbepalingen, die thans door het voorstel verspreid staan, waar mogelijk te concentreren in een afzonderlijk hoofdstuk. De Raad acht de verhouding tussen de verbodsbepalingen van de artikelen 2 en 3 niet duidelijk. In het bijzonder vraagt de Raad zich af of het in artikel 3 opgenomen verbod niet reeds valt onder dat van artikel 2.4. De Raad meent dat het gewenst is met het oog op de overzichtelijkheid dat ook de artikelen 2, eerste lid, onderdeel c, en 32, die betrekking hebben op het in het verkeer brengen van diervoerders op een manier die misleidend is, worden samengebracht.5. Artikel 4, tweede lid, bepaalt dat de in het eerste lid, bedoelde nadere regels kunnen verschillen naar gelang de categorie van diervoeders. Dat de wetgever daartoe de vrijheid heeft, acht de Raad evident. Hetzelfde geldt voor de bepalingen elders in het wetsvoorstel met dezelfde strekking, zoals bijvoorbeeld de artikelen 6, derde lid, en 11, derde lid. De Raad adviseert de bedoelde overbodige bepalingen in het wetsvoorstel weg te laten.6. Artikel 14, onderdeel b, geeft aan de houder van een erkenning of registratie, indien niet meer aan de eisen van artikel 11 wordt voldaan, een redelijke termijn tot aanpassing indien de belangen van de gezondheid van mens of dier zich niet tegen die termijn verzetten. In dit verband mist de Raad het belang van het milieu, dat wel wordt genoemd in vergelijkbare bepalingen van het wetsvoorstel (zie bijvoorbeeld artikel 26, eerste en tweede lid). Niet valt in te zien waarom niet ook voor aanpassing aan milieu-eisen een begunstigingstermijn in beginsel zou moeten worden toegekend.De Raad adviseert dit artikelonderdeel daartoe uit te breiden.7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)