Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met regels over verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met regels over verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer).Bij Kabinetsmissive van 8 januari 2002, no.02.000044, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting, houdende aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met regels over verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer). Het wetsvoorstel strekt ertoe in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) regels op te nemen voor het verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen en tussen bestuursorganen onderling. Het biedt een algemeen kader waarin wordt geregeld wanneer verkeer langs elektronische weg is toegestaan, aan welke voorwaarden dat verkeer moet voldoen wil het even betrouwbaar zijn als conventioneel-schriftelijk verkeer, en in welke gevallen verkeer langs elektronische weg gelijkgesteld kan worden aan andere vormen van berichtenverkeer. Volgens de toelichting biedt het wetsvoorstel reeds aanstonds aanknopingspunten voor de jurisprudentie.(zie noot 1) Het algemeen kader biedt ook aansluitingsmogelijkheden voor de bijzondere wetgever. De Raad van State onderkent ten volle het belang van een wettelijke regeling van het elektronisch bestuurlijk verkeer. Hij meent echter dat de verhouding tussen "klassiek" schriftelijk verkeer en elektronisch berichtenverkeer anders dient te worden benaderd dan in het voorstel is geschied, dit onder meer in verband met de bestaande praktijk van het faxverkeer. Hij adviseert ook de administratieve rechters onder de regeling van het elektronisch berichtenverkeer te brengen, althans ten aanzien van het faxverkeer. Verder roept het wetsvoorstel bij de Raad een aantal vragen op waarvan een deel slechts definitief kan worden beantwoord nadat voldoende praktijkervaring is opgedaan. Dit alles brengt de Raad tot het oordeel dat de tijd nog niet rijp is voor regeling van deze materie in de Awb, dit mede gezien de aard van deze wet als een wet die beproefde algemene regels van bestuursrecht codificeert. Het college meent dat het beter is een regeling voor het elektronisch bestuurlijk berichtenverkeer eerst in de praktijk te beproeven op experimentele basis, alvorens een definitieve regeling op te nemen in de Awb. De Raad is van oordeel dat het wetsvoorstel in verband hiermee nader dient te worden overwogen. 1. De verhouding tussen "schriftelijk" en "elektronisch vastgelegd" In zijn advies over de ontwerpbrief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over artikel 5 van de Grondwet (GW) (petitierecht)(zie noot 2) heeft de Raad in punt 3, onder b, een korte beschouwing gegeven over de betekenis van de term "schriftelijk" en de verhouding daarvan tot "elektronisch". Nu wordt voorgesteld een regeling ten principale te bieden, is er reden opnieuw en nader op de kwestie in te gaan. Daarbij zal de Raad veelal spreken over de wijze van vastlegging van berichten, waarbij de term "bericht" bedoeld is als algemene aanduiding voor allerhande besluiten en andere beslissingen, aanvragen en andere verzoeken, maar ook mededelingen en dergelijke. Soms zal ook de term geschrift worden gebruikt. Daarmee wordt aangesloten bij de terminologie van artikel 2:3 Awb in de voorgestelde vorm. Het wetsvoorstel spreekt van schriftelijke en van elektronisch vastgelegde berichten. Daarin ligt opgesloten de veronderstelling dat het om twee verschillende categorieën van communicatie gaat: een conventionele vorm, de schriftelijke, die voldoende bekend is, en de nieuwe vorm, de elektronische, waarvan we thans enkele modaliteiten kennen maar waar de zaken nog volop in ontwikkeling zijn. "Elektronisch" wil dan ook een aanduiding zijn die onafhankelijk is van enkele specifieke technieken; in de woorden van de memorie van toelichting (paragraaf 2.3): aldus "zijn de voorschriften in dit wetsvoorstel techniek-onafhankelijk geformuleerd". Het is echter de vraag of de termen "schriftelijk" en "elektronisch" zonder bezwaar nevengeschikt en daarmee elkaar uitsluitend kunnen worden geformuleerd. In de hiervoor genoemde ontwerpbrief over artikel 5 GW koos het kabinet impliciet voor een andere benadering dan in het onderhavige wetsvoorstel: in die brief werd namelijk verondersteld dat de term "schriftelijk" allengs "elektronisch vastgelegd of verzonden" mede zou gaan omvatten. Voor het in de toelichting genoemde MDW-rapport "Elektronisch verzenden van rechtshandelingen" geldt hetzelfde. Deze benadering gaat ervan uit dat althans sommige wijzen van elektronische vastlegging of verzending(zie noot 3) van berichten een modaliteit van schriftelijke berichten (of van geschriften) opleveren. In die benadering is er geen tegenstelling tussen schriftelijk en elektronisch vastgelegd, maar is veeleer sprake van verschillende modaliteiten op één schaal. De aanduiding "schriftelijk" stond aanvankelijk voor "geschreven". Na de uitvinding van de boekdrukkunst ging ze gedrukte berichten mede omvatten, na de uitvinding van de typemachine machinegeschreven berichten eveneens. Met de ontwikkeling van de techniek werden de resultaten van allerhande technieken mede onder het bereik van de term gebracht. Zo is intussen sprake van een grote variëteit. Met betrekking tot de technische ontwikkelingen vraagt de verzendingstechniek de aandacht. Hier is in het bijzonder het faxverkeer van belang. Tot voor kort werden faxberichten betrekkelijk moeiteloos en vanzelfsprekend opgevat als geschriften; alleen de wijze van verzending van faxberichten leverde wel problemen op, in het bijzonder ten aanzien van het ontvangen ervan. Zo rees soms de vraag of een instantie die faxberichten kon ontvangen, ook verplicht was dergelijke berichten in ontvangst te nemen, op dezelfde wijze als altijd is aangenomen bij per post verzonden en bij persoonlijk afgeleverde documenten. Een ander probleem hangt samen met de omstandigheid dat de fax niet zelden wordt gebruikt om termijnen te halen; dan kan soms onduidelijk zijn op welk moment een faxbericht als ontvangen moet worden beschouwd. Dat faxberichten in beginsel betrekkelijk moeiteloos zijn aanvaard als schriftelijke berichten zal zeker daarmee samenhangen dat faxverkeer gedurende de eerste jaren duidelijk documentverkeer was: de verzender stopte een bestaand, schriftelijk stuk in zijn faxapparaat en bij de ontvanger rolde - via telefonische, dus elektronische verzending(zie noot 4) - een facsimile daarvan uit de fax. Als in later tijd een ontvanger een per computer gegenereerd stuk rechtstreeks, dat wil zeggen zonder eerst een papieren document te vervaardigen, doorfaxte naar een ander maar de geadresseerde daarmee wel een papier uit zijn faxapparaat zag komen, was er geen reden bijzondere problemen te maken. Wanneer de ontvanger echter dergelijke berichten niet in een afzonderlijk faxapparaat ontvangt maar in zijn computer, ze op zijn beeldscherm kan lezen en ze kan "uitprinten" op een door hem gekozen ogenblik, gaat het verschil tussen faxverkeer en e-mailverkeer vervagen. Het wetsvoorstel gaat uit van een beperkte opvatting van de term "schriftelijk", namelijk in de zin van conventioneel-schriftelijk, dat wil zeggen met schrifttekens(zie noot 5) op papier. Het wetsvoorstel zegt het nergens met zoveel woorden, maar deze in de memorie van toelichting in paragraaf 2.1 van het onderdeel Algemeen uiteengezette lezing is geheel consistent met de her en der in het wetsvoorstel voorkomende nevenschikking(zie noot 6) van "schriftelijk en/of elektronisch vastgelegde (of verzonden) berichten". Naar het oordeel van de Raad is de aldus gekozen terminologie gekunsteld en daarom onjuist; het voorbeeld van het faxverkeer maakt dat aanstonds duidelijk. Het college meent dat deze materie nog nadere doordenking verdient, mede in het belang van een consistente benadering door de wetgever. Daarbij zou naar zijn oordeel niet moeten worden uitgegaan van een tegenstelling tussen "schriftelijk" en "elektronisch", maar zouden de onderscheiden vormen van het opstellen en communiceren van berichten moeten worden gezien als modaliteiten op één schaal. De Raad adviseert tot deze nadere doordenking. 2. Faxverkeer; de administratieve rechter a. In het verlengde van het voorgaande betwijfelt de Raad of het "nee, tenzij"-karakter van de mogelijkheid tot elektronische verzending - in het bijzonder die van de voorgestelde afdeling 2.3 Awb - voldoende recht doet aan de bestaande praktijk, in het bijzonder waar het om "conventioneel" faxverkeer gaat, dat wil zeggen faxverkeer waarbij de berichten direct bij ontvangst worden afgedrukt, zodat die zelfs in de door de toelichting verdedigde definitie van "schriftelijk" in feite schriftelijke stukken vormen. Zo ziet het er bijvoorbeeld naar uit dat de regeling van de voorgestelde artikelen 2:13, 2:15, 6:4, derde lid, en 6:21, eerste lid, Awb abrupt een eind zou maken aan de thans wijd verbreide praktijk dat allerlei geschriften bij bestuursorganen en bij administratieve rechters per fax worden ingeleverd. Dan wordt een aanvraag, een bezwaarschrift of een (intrekking van een) beroepschrift zo nodig doorgaans aangemerkt als binnengekomen op het moment waarop de fax werd ontvangen; soms worden de stukken of een deel daarvan vervolgens in "nette" vorm per post nagezonden. Tegen de achtergrond van de bestaande praktijk verdient het naar het oordeel van de Raad aanbeveling om - in elk geval ten aanzien van het faxverkeer - uit te gaan van een "ja, tenzij"-stelsel: geschriften mogen in elektronische vorm, in elk geval per fax, worden ingediend voorzover de betrokken instantie niet te kennen heeft gegeven berichten niet in die vorm te kunnen aanvaarden. De bestaande faxpraktijk verdient eerder een wettelijke grondslag en regeling dan dat ze als het ware wordt uitgebannen. Wel zijn, zoals het wetsvoorstel trouwens ook voorziet, beperkingen en voorwaarden mogelijk. De Raad adviseert het wetsvoorstel in die zin aan te passen. b. De voorgestelde toevoegingen aan artikel 6:4, derde lid, en artikel 6:21, eerste lid, Awb(zie noot 7) zouden het einde betekenen van de intussen al tamelijk ruim gebruikte mogelijkheid dat beroep per fax kan worden ingesteld respectievelijk ingetrokken ook bij administratieve gerechten. De Raad acht het niet wenselijk dat deze zinvol gebleken praktijk wordt geblokkeerd. Naar zijn oordeel verdient het overweging in beginsel de verschillende vormen van berichtenverkeer die het wetsvoorstel tussen burgers en bestuursorganen mogelijk maakt, ook open te stellen voor het berichtenverkeer met de administratieve rechter. Dit geldt niet alleen het instellen van beroep, maar tevens de wisseling van andere stukken. Het college wijst er in dit verband op dat met de beperkingen en voorwaarden die het wetsvoorstel mogelijk maakt, de bestuursrechter de regie in handen kan houden. Een uitbreiding als voorgesteld biedt onder meer het voordeel dat een in een bezwaarschriftprocedure opgebouwd digitaal dossier niet hoeft te worden omgezet in een papieren versie voor de procedure bij de bestuursrechter. Verder kunnen de ervaringen van het elektronisch berichtenverkeer met de bestuursrechter naderhand van nut blijken bij een regeling van het berichtenverkeer met andere rechters. Daarom adviseert de Raad af te zien van de voorgaande toevoegingen aan de artikelen 6:4, derde lid, en 6:21, eerste lid, en ook de administratieve rechters in het wetsvoorstel "mee te nemen" en ze te brengen onder het "ja, tenzij"-regime, althans ten aanzien van het faxverkeer; de - aan te passen - afdeling 2.3 Awb zou van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard. 3. Vraagpunten inzake een wettelijke regeling van elektronisch bestuurlijk verkeer Volgens paragraaf 1.1 van de toelichting is "de noodzaak van het wetsvoorstel gelegen in het wegnemen van de onzekerheden die thans in de praktijk bestaan over de vraag wanneer verkeer langs elektronische weg met bestuursorganen mogelijk is en in het eisen van waarborgen voor een goed verloop van dit verkeer". Ook stelt de toelichting dat elektronisch verkeer tussen bestuursorganen en burgers een belangrijke bijdrage kan leveren aan het streven naar een toegankelijke en beter presterende overheid. Anders dan tot nog toe met het gebruik van de fax is gebeurd, is er niet voor gekozen de ontwikkelingen over te laten aan de wisselwerking van praktijk en jurisprudentie, omdat daarmee een te lange periode van onzekerheid zou bestaan, en omdat daarvan een belemmerende werking op verdere ontwikkeling zou kunnen uitgaan. Ook is ervan afgezien voorlopig te volstaan met een experimenteerbepaling, overeenkomstig het standpunt dat de Minister van Justitie heeft ingenomen bij de behandeling van de nota "Wetgeving voor de elektronische snelweg". Met het toenemend gebruik van websites en het bekend zijn van e-mailadressen van bestuursorganen bestaat er wel behoefte aan duidelijkheid wanneer een bestuursorgaan elektronische berichten moet ontvangen of kan weigeren, en in welke gevallen en onder welke voorwaarden het berichten elektronisch kan verzenden. Op dit gebied zal de nodige duidelijkheid moeten worden geschapen, aldus de memorie van toelichting. Het onderhavige wetsvoorstel wil die duidelijkheid bieden door in de Awb een algemene basisregeling op te nemen. Met betrekking tot de vraag of de tijd daarvoor thans al rijp is zal de Raad, tegen de achtergrond van hetgeen hij onder punt 1 heeft opgemerkt over de begripsmatige benadering van deze materie, de balans opmaken na hierna eerst ook nog een aantal meer praktische aspecten van de voorgestelde regeling te hebben bezien. a. Openstaande vragen Hoofdlijn van de voorgestelde regeling is dat bestuursorganen en burgers elektronisch verzonden berichten slechts (als gelijkwaardig met conventioneel-schriftelijk verzonden) hoeven te aanvaarden voorzover ze "kenbaar hebben gemaakt" voor elektronisch verkeer open te staan. Dat lijkt - afgezien van de vraag of een "ja tenzij"-stelsel niet de voorkeur verdient - in beginsel een aanvaardbare aanpak, zeker nu het "voorzover" impliceert dat het vrijstaat sommige vormen van elektronisch verkeer wel en andere niet te aanvaarden. Daarnaast gelden enkele algemene regels ter waarborging van de betrouwbaarheid en de vertrouwelijkheid van berichten. Niettemin roept de voorgestelde methode verschillende vragen op. Om de gedachten te bepalen noemt de Raad de volgende: - Op wat voor wijze kunnen bestuursorganen kenbaar maken waarvoor zij openstaan: in een algemene regeling (een met een algemeen voorschrift gelijk te stellen regeling, in elk geval wat bekendmaking en de niet-beroepbaarheid betreft), of ook ad hoc dan wel ten opzichte van bepaalde "burgers"? - Kan worden bepaald dat een geschrift elektronisch kan worden ingediend met het oog op tijdige ontvangst, maar dat het binnen een bepaalde termijn tevens in conventionele vorm moet worden ingezonden? Kan zo’n aanvullende eis ook nog worden gesteld nadat het geschrift in elektronische vorm is ontvangen, anders dan in de gevallen waarop het voorgestelde artikel 2:15, tweede en derde lid, Awb ziet? - Kunnen, in geval van verkeer via e-mail of door het inzenden van diskettes, eisen worden gesteld aan het "format" van de documenten? - Hoe te handelen indien de ontvanger door een ongelukkige handeling of door problemen met het format een bericht wist of onherstelbaar beschadigt? Dit risico is bij elektronisch verkeer vele malen groter dan bij conventioneel-schriftelijk verkeer, en vergt daarom bijzondere aandacht. Is niet een uitdrukkelijke regeling nodig van de vraag bij wie het risico ligt bij ongelukken als hier bedoeld, of wellicht een regeling die herstel mogelijk maakt met behoud van termijnen? - Kan een burger een elektronisch adres dat niet het zijne is - bijvoorbeeld dat van zijn werkgever - als zijn adres opgeven? - Hoe te handelen indien elektronisch verkeer in beginsel is aanvaard, maar er vlak voor het einde van een fatale termijn verzend- of ontvangstperikelen optreden, al dan niet bij de "provider"? - Hoe te handelen indien een bestuursorgaan een elektronisch bericht ontvangt ten aanzien waarvan het niet bevoegd is en waarvoor een doorzendplicht geldt, maar het wel bevoegde orgaan niet openstaat voor elektronisch verkeer? - Kan, als een burger te kennen heeft gegeven open te staan voor elektronische berichten, ook bij ingrijpende besluiten als bestuursdwang- en dwangsombesluiten worden volstaan met elektronische verzending?(zie noot 8) - Kan worden aanvaard dat een burger - of ook een bestuursorgaan - te kennen geeft slechts tijdelijk, of tijdelijk niet, elektronisch bereikbaar te zijn? - Aan welke voorwaarden van (bijvoorbeeld) termijn en wijze van bekendmaking moet worden voldaan, wil een bestuursorgaan - of ook een burger - op aanvaardbare wijze zijn elektronische bereikbaarheid beëindigen? - Kan een bestuursorgaan bepaalde burgers uitsluiten van het aanvaarden van elektronische berichten? Kan tegen zo'n weigering beroep worden ingesteld? En tegen weigeringen op grond van het voorgestelde artikel 2:15 Awb? - Betekent het enkele feit dat een burger in een bepaalde zaak een bericht elektronisch heeft ingestuurd vanaf een adres dat kennelijk "het zijne" is, dat hij - althans in de betrokken zaak - daar verdere berichten elektronisch wil ontvangen, of is daarvoor nodig dat hij dit uitdrukkelijk te kennen geeft? Op al deze en dergelijke vragen kan ongetwijfeld een antwoord worden gegeven. Voor sommige onderwerpen zal een beschouwing in de memorie van toelichting wellicht voldoende zijn, andere zullen beter - hetzij op het niveau van de wet, hetzij in een nadere regeling van het betrokken (bestuurs)orgaan - kunnen worden geregeld, voor nog weer andere zal een definitief antwoord pas aan de hand van voldoende praktijkervaring kunnen worden gegeven. b. Voldoende betrouwbaar en vertrouwelijk Het voorgestelde artikel 2:14, derde lid, Awb bepaalt dat een bestuursorgaan een bericht slechts mag verzenden op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. Een bestuursorgaan kan op grond van artikel 2:15, derde lid, een bericht weigeren voorzover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van dit bericht onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. Volgens de toelichting wordt met de open normen van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid in enkele algemene bewoordingen uitdrukking gegeven aan een gedifferentieerd stelsel van nadere beginselen die elk op een eigen facet van de beveiliging zien. Bij de concretisering van deze open normen wordt rekening gehouden met de beginselen van behoorlijk IT-gebruik. De toelichting noemt hierbij de noties authenticiteit, integriteit, onweerlegbaarheid, transparantie, beschikbaarheid, flexibiliteit en vertrouwelijkheid.(zie noot 9) Volgens de toelichting is de elektronische handtekening een bijzondere manier waarop de betrouwbaarheid kan worden gerealiseerd. Artikel 2:16 heeft betrekking op die handtekening en geeft een nadere uitwerking aan het beginsel van de authenticiteit. Het uitgangspunt dat "de mate van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid even groot dient te zijn als in het conventionele verkeer"(zie noot 10) is terecht. De uitwerking van het beginsel van voldoende betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid wordt echter overgelaten aan bijzondere regelingen, gedragscodes of protocollen. Daarbij is denkbaar dat bestuursorganen technische eisen kunnen stellen aan het elektronisch verkeer zoals het gebruik van bepaalde software. Dit betekent dat elk bestuursorgaan daaraan verschillende invulling kan geven. Ook overigens is thans nog onduidelijk of de vaststelling van de echtheid van de tekst en het tijdstip van verzending respectievelijk ontvangst voldoende gewaarborgd kunnen worden. Een belangrijk element voor de betrouwbaarheid is de elektronische handtekening. Voor de duidelijkheid wordt in artikel 2:16, eerste volzin, de norm van het voorgestelde nieuwe artikel 3:15a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)(zie noot 11) uitgeschreven en worden de overige desbetreffende bepalingen van het BW in artikel 2:16 Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. De mogelijkheid bij wettelijk voorschrift aanvullende eisen te stellen is op artikel 3, zevende lid, van een Europese richtlijn gebaseerd.(zie noot 12) Die richtlijn maakt onderscheid tussen een "gewone" en een geavanceerde elektronische handtekening. Het wetsvoorstel kent nog een derde handtekening, namelijk de handtekening die tevens voldoet aan de aanvullende eisen. Het is nog niet vast te stellen wanneer welke eisen aan de elektronische handtekening gesteld zullen worden. Zou met een experiment worden begonnen, dan heeft dit als bijkomend voordeel dat beter verzekerd kan worden dat de uitvoeringsorganisatie die is voorzien voor de bewaking van de betrouwbaarheid van elektronische handtekeningen (de PKI-infrastructuur), tijdig gereed en adequaat toegerust zal zijn voordat het stelsel over de hele linie wordt ingevoerd. c. Registratie en archivering Het is van belang dat ook de elektronische berichten van en naar de bestuursorganen op een controleerbare wijze worden vastgelegd. Berichten moeten ook achteraf terug te vinden en toegankelijk zijn. In de toelichting wordt terloops gesteld dat de Archiefwet van toepassing is. Wat de consequenties voor de bestuursorganen (en eventueel de gerechten) daarvan zijn, is thans nog onvoldoende duidelijk. 4. Conclusie: Regeling in de Awb prematuur Het voorgaande overziend meent de Raad dat de tijd nog niet rijp is voor een algemene regeling in de Awb. Hij adviseert daarom een regeling als beoogd - na aanpassing aan het onder 2 opgemerkte - op te nemen in een experimenteerwet, die zowel bestuursorganen en administratieve rechters als de burgers die het betreft de mogelijkheid biedt te handelen overeenkomstig de betrokken bepalingen. Op basis van de opgedane ervaringen zal dan kunnen worden bezien of de tijd rijp is voor codificatie; is dat het geval, dan zal met voldoende mate van zekerheid een algemene regeling in de Awb kunnen worden gegeven, waarbij ook voldoende inzicht bestaat in de vraag wat geregeld moet worden in de wet, wat aan de praktijk kan worden overgelaten, en wat in uitvoeringsregelingen kan of moet worden geregeld. Een experiment als hier voorgestaan zou vanzelfsprekend moeten voldoen aan de vereisten die moeten verzekeren dat voldoende lering kan worden getrokken. Zo moet worden verzekerd dat de instanties die "meedoen" voldoende representatief zijn voor de typen instanties (en de desbetreffende burgers) waarvoor de regeling is bedoeld: voldoende en voldoende diverse categorieën organen van de centrale overheid met inbegrip van zelfstandige bestuursorganen, voldoende provincies en soorten gemeenten, voldoende rechterlijke instanties. De te onderzoeken vragen moeten van meet af aan bekend zijn, en op hun validiteit zijn gecontroleerd door deskundigen; de kwaliteit van de evaluatie moet zijn verzekerd. Na een dergelijke voorbereiding kan de aanvulling van de Awb het karakter hebben dat bij de Awb past: codificering van algemene regels van bestuursrecht die zodanig beproefd zijn dat erop mag worden vertrouwd dat ze bestendig recht geven. De Raad van State geeft U derhalve in overweging het voorstel niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat rekening zal zijn gehouden met de gemaakte opmerkingen. De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)