Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet houdende regels omtrent de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Invoeringswet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), met memorie van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet houdende regels omtrent de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Invoeringswet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 17 maart 2005, no.05.000994, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels omtrent de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Invoeringswet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), met memorie van toelichting. In het wetsvoorstel wordt een aantal zaken geregeld die verband houden met de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Ten eerste betreft dit het overgangsrecht met betrekking tot de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarnaast wordt in deze wet de financiering van de WIA en de WAO vanaf het moment van inwerkingtreding van de WIA geregeld, alsmede de mogelijkheid voor de werkgever om in het kader van die beide wetten zelf het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering te dragen (eigenrisicodragen). Verder wordt de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) ingetrokken, waarbij een aantal instrumenten uit die wet wordt opgenomen in andere wetten. Ten slotte worden de inhoudelijke wijzigingen in andere wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en in de wetgeving van andere departementen die de WIA met zich brengt, geregeld. De Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat het voorstel in verband daarmee deels nader dient te worden overwogen. 1. Overgangsrecht WAO De regering kiest met betrekking tot het overgangsrecht ten aanzien van de WAO voor onverkorte eerbiedigende werking. Op bestaande gevallen - personen die voor 1 januari 2004 ziek zijn geworden en vervolgens recht op een WAO-uitkering hebben gekregen of krijgen - blijft de WAO van toepassing. In paragraaf 2.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting worden, aan de hand van het Toetsingkader Overgangsrecht(zie noot 1), argumenten voor eerbiedigende respectievelijk onmiddellijke werking gegeven. De Raad vat deze argumenten als volgt samen. Voor eerbiedigende werking pleit in de eerste plaats dat de WIA beoogt de instroom van arbeidsongeschikten te beperken door de nadruk veel meer dan thans het geval is te leggen op preventie van ziekteverzuim en een vroegtijdige terugkeer in het arbeidsproces. Een dergelijk stelsel ziet op personen bij wie de arbeidsongeschiktheid nog niet is ingetreden en is daarom naar zijn aard niet toegesneden op degenen die thans al recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ten tweede biedt de WIA ten opzichte van de WAO een nieuw geheel van rechten en plichten. Voor de bestaande gevallen geldt dat zij hun leef- en verwachtingspatroon op de WAO hebben afgestemd (rechtszekerheid) en is het de vraag in hoeverre zij in staat zijn hun eigen situatie te wijzigen. In de derde plaats geldt voor een deel van de bestaande WAO-gerechtigden dat zij al met eerdere wijzigingen van de regeling zijn geconfronteerd. Een aantal van hen valt in verband daarmee nu reeds onder overgangsrecht met een eerbiedigende werking. Voor onmiddellijke werking pleit in de eerste plaats dat dit rechtsongelijkheid voorkomt, die naarmate de tijd verstrijkt, minder aanvaardbaar wordt: naarmate meer tijd verstrijkt, dringt zich steeds meer de vraag op in hoeverre op het moment van inwerkingtreding van de WIA bestaande verschillen die tot een verschil in behandeling leiden, nog langer gerechtvaardigd kunnen worden. In de tweede plaats behoeven, na intrekking van de WAO, eventuele toekomstige beleidsmatig wenselijke aanpassingen niet langer in twee stelsels te worden doorgevoerd. Ten derde wordt in dat geval voorkomen dat er twee uitkeringsregimes naast elkaar bestaan. In het thans voorliggende wetsvoorstel betekent het eerbiedigen van de bestaande rechten dat gedurende een periode van maximaal 47 jaar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) twee afzonderlijke en van elkaar verschillende stelsels moet uitvoeren, en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) toezicht moet houden op de uitvoering van deze twee stelsels. Dit brengt extra uitvoeringskosten met zich. Mede onder verwijzing naar de adviezen van de Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid (Commissie Donner) en de Sociaal-Economische Raad, heeft de regering gekozen voor onverkorte eerbiedigende werking voor bestaande WAO-rechten. Naar het oordeel van de Raad is het argument dat met de WIA de nadruk wordt gelegd op preventie van ziekteverzuim en een vroegtijdige terugkeer in het arbeidsproces echter geen overtuigende reden om voor onverkorte eerbiedigende werking te kiezen. Evenzeer kan worden geredeneerd dat ook WAO-gerechtigden gebaat zijn bij de activeringsimpulsen zoals de WIA die, meer dan de WAO, biedt. Bovendien neemt, zoals ook in voornoemd toetsingkader wordt gesteld, naarmate de periode van voorrang voor het rechtszekerheidsbeginsel langer duurt, de spanning toe met het gelijkheidsbeginsel. Dat geldt zeker voor het onderhavige wetsvoorstel, waarbij deze periode zelfs maximaal 47 jaar kan duren. Bij wijze van voorbeeld: de rechtszekerheid van een achttienjarige met een WAO-uitkering komt al snel op gespannen voet te staan met de rechtsgelijkheid ten opzichte van een WIA-gerechtigde van 50 jaar. Verder is het de Raad opgevallen dat, zonder dat dit wordt gemotiveerd, ook wordt gekozen voor eerbiedigende werking ten aanzien van de bepalingen inzake de heropening of hernieuwde toekenning van een uitkering (artikelen 43a, 47, 47a en 47b van de WAO) en het alsnog toekennen van een uitkering indien de betrokkene aan het einde van de wachttijd gedetineerd was of in het buitenland woonde (artikelen 19a en 20 van de WAO). De Raad memoreert in dit verband dat de regering eerder voor een tussenvorm tussen onverkorte eerbiedigende werking en onmiddellijke werking heeft gekozen, zoals bij het overgangsrecht van het aangescherpte Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarbij zij heeft besloten alleen de rechten van WAO-gerechtigden van 50 jaar of ouder te eerbiedigen. Daarmee wordt ook voorkomen dat decennialang twee stelsels naast elkaar blijven bestaan, met alle gevolgen van dien voor de uitvoering en de kosten daarvan. De Raad adviseert het overgangsrecht ten aanzien van de WAO te nuanceren, bijvoorbeeld door een tussenvorm tussen onverkorte eerbiedigende en onmiddellijke werking. 2. Overgangssituatie financieringmethodiek Ten aanzien van de financiering van de WIA is, blijkens paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de toelichting, om drie redenen een overgangsregime nodig. De eerste hangt samen met het Najaarsoverleg 2004. In de verklaring van het kabinet in reactie op het akkoord van de in de Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en werknemers, beide van 5 november 2004, is opgenomen dat onder voorwaarden met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2006 de Wet Pemba (premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) zal komen te vervallen en de uitkering op grond van de IVA (inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten) met 5%-punt zal worden verhoogd. Of aan de voorwaarden is voldaan, wordt medio 2007 beoordeeld. In het licht van de voorwaardelijke afschaffing van de Wet Pemba, wordt er in het voorstel - uitsluitend om uitvoeringstechnische redenen, aldus de toelichting - voor gekozen de Wet Pemba in 2006 en 2007 niet toe te passen op IVA-uitkeringen. De tweede reden betreft het creëren van een gelijk speelveld voor private verzekeraars en het UWV; zie hierna punt 3. Ten derde is er de uitvoerbaarheid. In hun uitvoeringstoetsen hebben het UWV en de Belastingdienst laten weten dat integrale invoering op 1 januari 2006 van de WIA, de Invoeringswet WIA en de Wet financiering sociale verzekeringen (WFSV) dermate riskant is, dat om uitvoeringstechnische redenen niet tot invoering op genoemde datum besloten zou moeten worden. De risico’s betreffen vooral de invoering van de voorgestelde financieringswijze voor de WIA. Meer specifiek betreft de kritiek de uitvoeringstechnische onmogelijkheid van premiedifferentiatie ten aanzien van de WIA in 2006. Staande voor de keuze om de invoering van de gehele stelselwijziging uit te stellen of alleen de beoogde methode van financiering, heeft de regering gekozen voor het laatste. De beoogde financieringsmethodiek wordt geleidelijk geïntroduceerd. Ten aanzien van de WGA (werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten) is meteen vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel eigenrisicodragen mogelijk; vanaf 2007 wordt premiedifferentiatie in de WGA ingevoerd. Op grond van het overgangsregime wat betreft de financiering is er in de jaren 2006 tot en met 2008 een groot aantal combinaties van mogelijkheden denkbaar, met als variabelen: 1. eigenrisicodragen; 2. premiedifferentiatie; 3. de WGA, de IVA en de WAO; 4. de jaren 2006, 2007 en 2008; 4. kleine, middelgrote en grote werkgevers; 5. de afschaffing van de Wet Pemba en de verhoging van de IVA-uitkering naar 75%. De Raad vat deze mogelijkheden, op basis van de paragrafen 3.2, 3.3 en 3.4 van de toelichting, in zijn eigen woorden als volgt samen. Alle werkgevers kunnen vanaf 2006 (voor vier jaar) eigenrisicodrager voor de WGA worden. Voor de IVA is dat vanaf 2008 (voor tien jaar) mogelijk voor kleine werkgevers die al eigenrisicodrager voor de WAO zijn en voor middelgrote en grote werkgevers. Vanaf 2008 is eigenrisicodragen voor de WAO alleen nog mogelijk in combinatie met de IVA en vice versa. Middelgrote en grote werkgevers kunnen in 2005 en 2006 nog wel eigenrisicodrager worden voor alleen de WAO. Als de Wet Pemba wordt afgeschaft is eigenrisicodragen voor de IVA helemaal niet mogelijk. Verder kunnen werkgevers kiezen om alleen voor de WGA, alleen voor de IVA/WAO, voor beide of voor geen van beide eigenrisicodrager te worden.(zie noot 2) In 2006 is er geen premiedifferentiatie ten aanzien van de WGA. In 2007 vindt voor alle werkgevers premiedifferentiatie plaats op basis van de WAO-lasten in 2005. Voor kleine werkgevers geldt daarbij een maximumpremie van tweemaal de gemiddelde premie; voor middelgrote en grote werkgevers is deze viermaal die premie. Vanaf 2008 wordt de premiedifferentiatie gebaseerd op de WGA-lasten van twee jaar daarvoor. Voor kleine, middelgrote en grote werkgevers is daarbij een maximumpremie van toepassing van onderscheidenlijk twee, drie en vier keer de gemiddelde premie. Ook geldt vanaf dat jaar een minimumpremie, die voor kleine en middelgrote werkgevers wordt vastgesteld en voor grote werkgevers het verschil tussen het reken- en het gemiddelde percentage bedraagt. In de IVA vindt in 2006 en 2007 geen premiedifferentiatie plaats. Indien in 2007 niet wordt besloten tot afschaffing van de Wet Pemba, krijgen kleine werkgevers vanaf 2008 een branchegewijze premiedifferentiatie met een maximumpremie van viermaal de gemiddelde premie. Voor middelgrote en grote werkgevers geldt vanaf dat jaar een individuele premiedifferentiatie met een maximumpremie van onderscheidenlijk drie en vier keer de gemiddelde premie. Op grond van de Wet Pemba is op kleine werkgevers een maximumpremie van driemaal de gemiddelde premie van toepassing; voor middelgrote en grote werkgevers is deze viermaal die premie. De Wet Pemba kent ook een minimumpremie, die voor middelgrote en grote werkgevers het verschil tussen het reken- en het gemiddelde percentage bedraagt.(zie noot 3) De Raad begrijpt dat uitvoeringstoetsen van het UWV en de Belastingdienst in de weg staan aan integrale invoering van de WIA per 1 januari 2006. Hij acht het overgangsregime dat, om de WIA toch al met ingang van 1 januari 2006 te kunnen invoeren, nu wordt voorgesteld voor de jaren 2006 tot en met 2008 evenwel uitzonderlijk complex en daardoor vol risico's voor de uitvoeringsinstanties en werkgevers. De Raad heeft in dit verband in de toelichting een argumentatie gemist voor de keuze voor het voorgestelde overgangsregime, afgezet tegen de keuze om de invoering van de WIA uit te stellen en deze wet in haar uiteindelijk beoogde vorm later in te voeren, zodat er geen noodzaak is voor een zo complex overgangsregime. Bij de desbetreffende afweging moet eveneens worden betrokken dat in 2006 ook al de nodige andere nieuwe wetgeving door het UWV en de Belastingdienst moet worden uitgevoerd. De Raad verwijst in dit verband ook naar punt 7.c van zijn advies over de WIA, waarin hij aangaf dat uit budgettair oogpunt een latere invoering niet bezwaarlijk hoeft te zijn.(zie noot 4) Tevens wijst hij op soortgelijke schattingen van het Centraal Planbureau in zijn memorandum 'Structurele effecten van de WIA', opgenomen in het Centraal Economisch Plan 2005.(zie noot 5) De Raad adviseert het voorstel op dit punt te heroverwegen. 3. Uitvoering: publiek en privaat Het is de Raad opgevallen dat de discussie over private of publieke uitvoering van de WGA in hoofdzaak betrekking heeft op financiële afwegingen. In paragraaf 3.6 van de toelichting komt in dit verband alleen de mitigering van de zogenoemde rentehobbel aan de orde. De Raad maakt hierna over deze beide punten een opmerking. a. Principiële keuze De financiële aspecten van de keuze voor een publieke of private uitvoering zijn stellig van belang. De Raad mist in de toelichting echter een meer principiële uiteenzetting over de uitvoeringsmodaliteit waar de voorkeur van de regering naar uitgaat, hoe de nu gekozen variant zich hiertoe verhoudt en welke consequenties dit heeft voor de toekomstbestendigheid van de gekozen variant. De Raad verwijst terzake naar punt 4.b van zijn advies over de WIA, waarin hij aandacht vroeg voor het belang dat werkgevers en werknemers hebben om op het niveau van de onderneming samenhangende voorzieningen te kunnen treffen, van preventie van arbeidsongeschiktheid tot en met uitkeringsregelingen voor die gevallen waar preventiebeleid uitval toch niet kan voorkomen.(zie noot 6) In het licht van deze zogenoemde ketenbenadering is de keuze van een uitvoeringsregime van de WGA niet zonder betekenis. Een keuze voor een uitvoering ten principale dient uiteraard vervolgens op zijn financiële gevolgen te worden bezien. De Raad adviseert in de toelichting alsnog op het voorgaande in te gaan. b. Mitigering rentehobbel en lastenverzwaring Paragraaf 3.6 van de toelichting begint met de stelling dat de regering streeft naar een zo gelijk mogelijk speelveld voor private verzekeraars en UWV. Verzekeraars zijn verplicht om uitkeringen op basis van rentedekking te financieren. De premies plus het rendement daarop dienen voldoende te zijn om de uitkeringen ook op termijn te kunnen financieren. Het UWV hanteert een systeem van omslagfinanciering. De omslagpremie dient voldoende te zijn om de voor het lopende jaar te verstrekken uitkeringen te kunnen financieren. Tussen de rentedekkingspremie en de omslagpremie zal in de aanloopfase van de WIA gedurende een aantal jaren een verschil bestaan. Dit verschil wordt de rentehobbel genoemd.(zie noot 7) De regering meent dat de enige oplossing voor het mitigeren van de rentehobbel een premieopslag op de publieke, gedifferentieerde WGA-premie is.(zie noot 8) De opzet hierbij is, zo vermeldt de toelichting, dat deze opslag lastenneutraal plaatsvindt. Hiertoe ontvangen werkgevers een evenredige korting op de basispremie WAO/IVA. In het overgangsjaar 2006 wordt de opslag op het niveau van de individuele werkgevers volledig gecompenseerd, maar vanaf 2007 is dat, naarmate meer werkgevers zich privaat verzekeren, voor bij het UWV aangesloten werkgevers steeds minder het geval, omdat de korting op de WAO/IVA-basispremie ook voor eigenrisicodragers geldt.(zie noot 9) Tevens zal naarmate meer werkgevers kiezen voor private verzekeraars, het belangrijkste bezwaar van het kabinet tegen volledig private uitvoering(zie noot 10), namelijk lastenverzwaring, zich ook voordoen in dit hybride stelsel.(zie noot 11) Voorts heeft de Raad er nota van genomen dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan mr. A.W. Kist advies heeft gevraagd over de hoogte van de opslag in het overgangsjaar 2006. De Raad heeft nog geen kennis kunnen nemen van dit advies dat, naar verluidt, eind april 2005 wordt uitgebracht. Hij neemt aan dat op grond van dit advies inderdaad slechts de hoogte van de opslag in 2006 wordt bepaald. Mocht het advies echter verderstrekkende gevolgen hebben, dan gaat de Raad er vanuit dat de wijzigingen die tengevolge daarvan in het voorstel worden aangebracht, aan hem ter advisering worden voorgelegd. De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de hiervoor aangegeven mogelijke gevolgen van de gekozen systematiek. 4. Intrekking Wet REA Thans zijn diverse instrumenten ter bevordering van de reïntegratie van mensen met beperkingen als gevolg van ziekte of handicap opgenomen in de Wet REA. De Wet REA is ingevoerd op 1 juli 1998. Sindsdien zijn er diverse veranderingen opgetreden waardoor een afzonderlijke wet voor de arbeidsgehandicapten naar het oordeel van de regering niet meer correspondeert met de gewijzigde situatie. In paragraaf 4.1.1 van de toelichting worden de volgende vier belangrijke veranderingen genoemd: a. de nieuwe rolverdeling tussen de sociale partners en de overheid; b. deregulering en vereenvoudiging van het instrumentarium; c. de toetreding van verzekeraars in het stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen; en d. gegevens over het gebruik en de effectiviteit van het REA-instrumentarium. In het licht van deze ontwikkelingen wordt de Wet REA ingetrokken. Met de WIA en de Invoeringswet WIA wordt voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers een samenhangend instrumentarium tot stand gebracht. Voor personen die niet tot deze doelgroep behoren, wordt in andere wetten ruimte geboden. De Raad kan zich in hoofdzaak vinden in de argumenten om de Wet REA in te trekken, maar wijst erop - mede gelet op de uitvoeringstoetsen van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), de Raad voor werk en inkomen (RWI) en het UWV - dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met de gevolgen van deze intrekking, zowel voor de doelgroep als voor de gemeenten. Niet steeds is duidelijk welke consequenties het afschaffen of beperken van bepaalde REA-instrumenten heeft. Voorbeelden hiervan zijn de volgende: - Het instrument loondispensatie blijft alleen beschikbaar voor personen met een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Dit wordt in paragraaf 4.1.3 van de toelichting onderbouwd met de stelling dat andere arbeidsgehandicapten er nauwelijks gebruik van maken. Uit IWI-cijfers blijkt echter dat de loondispensatie in 2003 1132 maal is ingezet, waarvan 591 keer voor andere arbeidsgehandicapten dan personen met een Wajong-uitkering. De verwachting van de CWI dat onder andere door deze gedeeltelijke afschaffing van de loondispensatie het beroep op de Wet sociale werkvoorziening zal toenemen, wordt in paragraaf 8.4 van de toelichting door de regering niet gedeeld, waarbij slechts wordt verwezen naar de hiervoor bedoelde stelling. - Personen die niet van rechtswege de status bezitten van arbeidsgehandicapte (bijvoorbeeld omdat ze een arbeidsongeschiktheisuitkering hebben) maar daarvoor een indicatiestelling hebben van het gemeentebestuur (zoals bijstandsgerechtigden), komen alleen nog maar in aanmerking voor de instrumenten no risk polis en premiekorting als ze een arbeidsongeschiktheidspercentage van ten minste 35% hebben. Momenteel geldt hiervoor een percentage van 15%. In paragraaf 4.1.4 van de toelichting wordt niet duidelijk gemaakt waar deze personen nog wel voor in aanmerking komen. - Mede in verband met de voorgaande twee voorbeelden is de vraag gerechtvaardigd of voldoende rekening is gehouden met de financiële consequenties die de intrekking van de Wet REA meebrengt voor de gemeenten, alsook voor het UWV. In paragraaf 8.5 van de toelichting wordt, in reactie op een vergelijkbare vraag van de RWI, gesteld dat de gemeenten een gemeentelijk reïntegratiebudget (het werkdeel van de Wet werk en bijstand) hebben en dat voor de besteding van het beschikbare budget beleidsmatige keuzes moeten worden gemaakt ten behoeve van een doelmatige besteding van het beschikbare budget aan de gehele doelgroep dan wel een gedeelte daarvan. Hierbij wordt in het midden gelaten of deze budgetten zo nodig worden verhoogd in verband met de intrekking van de Wet REA. De Raad wijst erop dat artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet ook hier geldt. De Raad adviseert in de toelichting duidelijk uiteen te zetten welke (financiële) consequenties het intrekken van de Wet REA heeft voor de doelgroep of delen daarvan, de gemeenten en het UWV, en in hoeverre deze worden gecompenseerd. 5. Gegevensuitwisseling In zijn advies wijst het College bescherming persoonsgegevens (CBP) erop dat in artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) de grondslagen voor de verwerking van persoonsgegevens limitatief worden opgesomd. Op grond van onderdeel b van dat artikel kan dit ter uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene (degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft) partij is. Volgens het CBP biedt deze bepaling geen basis voor gegevensverstrekking van een werkgever aan een verzekeraar, ook al gebeurt dit op grond van een verzekeringsovereenkomst, daar de betrokkene (de werknemer) geen partij is bij die overeenkomst. Het CBP wijst er vervolgens op dat artikel 8, aanhef en onderdeel f, van de WBP de enig mogelijke grondslag is voor deze gegevensverstrekking. Op grond daarvan kunnen gegevens worden verwerkt indien dit noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke (de werkgever) of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt (de verzekeraar), tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene (de werknemer), in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert. Het CBP is echter van mening dat artikel 8, onderdeel f, van de WBP geen goede basis biedt voor werkgevers om structureel gegevens te verstrekken aan verzekeraars, vooral omdat de werkgever steeds een belangenafweging zal moeten maken. Tevens kan de werknemer op grond van artikel 40, eerste lid, van de WBP, verzet aantekenen tegen deze gegevensverstrekking. Het CBP beveelt dan ook aan om voor deze gegevensverstrekking in de WIA of de Invoeringswet WIA een duidelijke wettelijke basis te creëren. In paragraaf 8.6 van de toelichting wordt in reactie hierop eerst opgemerkt dat er naar het oordeel van de regering grote maatschappelijke en individuele belangen mee zijn gediend dat de werkgever zijn risico van loondoorbetaling en - als hij eigenrisicodrager is - zijn risico voor de WGA onderbrengt bij een private verzekeraar. Vervolgens wordt gesteld dat zowel onderdeel b als onderdeel f van artikel 8 van de WBP een voldoende grondslag biedt voor gegevensverstrekking van werkgevers aan verzekeraars, zodat het opnemen van een specifieke wettelijke basis hiervoor niet noodzakelijk is. De Raad is niet overtuigd door deze reactie. Het belang dat de regering hecht aan deze gegevensverstrekking vormt een reden temeer om daarvoor een duidelijke wettelijke basis te creëren. De Raad adviseert in de WIA alsnog een uitdrukkelijke wettelijke basis op te nemen voor de gegevensverstrekking door werkgevers aan private verzekeraars. 6. Overige opmerkingen a. Opschrift, considerans en citeertitel Het voorstel bevat niet alleen bepalingen over de invoering van de WIA, zoals het overgangsrecht ten aanzien van de WAO en de financiering van de WIA, maar bijvoorbeeld ook de financiering van de WIA als zodanig en de intrekking van de Wet REA. Naar het oordeel van de Raad komt deze bredere strekking van het voorstel onvoldoende tot uitdrukking in het opschrift, de considerans en de citeertitel, waarin alleen de invoering van de WIA wordt vermeld. De Raad adviseert in het opschrift, de considerans en de citeertitel meer recht te doen aan de onderdelen van het voorstel die breder zijn dan louter de invoering van de WIA. b. Overgangsrecht WIA In aansluiting op hetgeen de Raad hiervoor, onder 1, over het overgangsrecht heeft opgemerkt, vraagt hij aandacht voor het volgende. In het voorgestelde artikel 1.2 worden in de WIA enkele technische verbeteringen aangebracht en een hoofdstuk met overgangsrecht ingevoegd. Dit roept allereerst de vraag op waarom de WIA hiervoor niet rechtstreeks wordt gewijzigd. Voorts is het voor de Raad onduidelijk in hoeverre een aantal van de voorgestelde overgangsbepalingen nodig is. In de voorgestelde artikelen 13.2, 13.3 en 13.5 van de WIA wordt voor verschillende situaties bepaald dat onder een verzekering mede een verzekering op grond van de WAO wordt verstaan. In de toelichting wordt echter slechts met betrekking tot artikel 13.2 gesteld dat er gevallen denkbaar zijn waarin een persoon eerst verzekerd was op grond van de WAO en aansluitend verzekerd was op grond van de WIA. Verder wordt in het voorgestelde artikel 13.1 onder andere bepaald dat de persoon die verzekerd is op grond van artikel 16 (de verplichte verzekering) van de WAO, geen recht op uitkering op grond van de WIA heeft. Daarnaast wordt in het voorgestelde artikel 13.4, vierde lid, van de WIA bepaald dat iemand die op grond van artikel 81 van de WAO moet worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering van de WAO, niet wordt toegelaten tot die van de WIA. In de toelichting op artikel 13.4 wordt aangegeven dat het niet wenselijk is dat personen die een WAO-uitkering hebben, zich daarnaast vrijwillig kunnen verzekeren op grond van de WIA, aangezien er zich dan situaties kunnen voordoen dat er uit twee wetten een uitkering volgt. Het is de Raad in dit verband niet duidelijk in welke gevallen samenloop van uitkeringen op grond van (beide verzekeringen van) beide wetten mogelijk is, waarom er voor de verplichte en de vrijwillige verzekering verschillende bepalingen nodig zijn om samenloop te voorkomen en of met deze bepalingen alle samenloopmogelijkheden worden voorkomen. Ten slotte worden de voorgestelde overgangsbepalingen van artikel 13.4, vijfde en zesde lid, helemaal niet toegelicht. De Raad adviseert de artikelen 13.1 tot en met 13.5 overeenkomstig het voorgaande nader toe te lichten en zo nodig aan te passen. c. Ziektewet: bekendmaking status arbeidsgehandicapte Sinds 1998 behoeven aspirant-werknemers met een arbeidshandicap op grond van de Wet op de medische keuringen en de Wet REA hun status bij een sollicitatie niet bekend te maken. Tot dusver is er echter in de wetgeving niet expliciet aangegeven of en wanneer er een einde komt aan de desbetreffende bescherming van de belangen van de werknemer. De regering acht, blijkens paragraaf 5.3 van de toelichting, de tijd rijp om op dit punt met een duidelijke regeling te komen. Zij wil daarbij vasthouden aan het uitgangspunt dat aspirant-werknemers met een handicap of WAO-verleden niet verplicht zijn de werkgever hierover bij een sollicitatie te informeren, tenzij bijzondere functie-eisen daartoe nopen. In deze fase staat het belang van de werknemer (arbeidsdeelname en privacy) voorop. Na twee maanden moet volgens de regering echter het belang van de werkgever bij bekendmaking tot gelding komen. Deze periode correspondeert met de reguliere proeftijd. Na deze periode kan de werkgever gebruik maken van voordelen die verbonden zijn aan het in dienst hebben of houden van een werknemer met een arbeidshandicap: de no risk polis bij ziekte of de premiekortingsregeling. Naar het oordeel van de Raad is deze bescherming van de arbeidsgehandicapte gedurende de eerste twee maanden van een nieuw dienstverband niet sluitend, zoals ook het UWV opmerkt in zijn uitvoeringstoets. In die toets worden twee voorbeelden gegeven van gevallen waarin het UWV binnen die twee maanden aan de werkgever moet laten weten dat een werknemer arbeidsgehandicapt is. Indien de werknemer binnen twee maanden arbeidsongeschikt wordt en deze ongeschiktheid leidt tot een snelle beslissing inzake herleving/verhoging van de uitkering, móet deze beslissing aan de werkgever worden uitgereikt. Tevens kan de werkgever vanuit het belang van een eventueel recht op premiereductie direct bij indienstneming van een arbeidsgehandicapte het UWV verzoeken om informatie over de status van de werknemer. In haar reactie hierop geeft de regering te kennen dat het onwaarschijnlijk isdat de eerste situatie, waarin verschillende mutaties elkaar snel opvolgen, zich vaak zal voordoen, en dat het UWV zich in het tweede geval kan beroepen op het systeem van de wet waarin de werknemer op het punt van zijn arbeidsgehandicaptestatus de eerste twee maanden tegenover zijn werkgever wordt beschermd. De Raad adviseert de bescherming van de werknemer gedurende de eerste twee maanden van een nieuwe dienstbetrekking sluitend te maken door te bepalen dat ook anderen in die periode geen informatie over diens status als arbeidsgehandicapte aan zijn werkgever mogen verschaffen. d. Invoeringsregeling In het voorgestelde artikel 2.13 wordt bepaald dat, met het oog op de goede invoering en werking van de WIA, bij ministeriële regeling regels kunnen wordt gesteld, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van de WIA, de Invoeringswet WIA en de WFSV. In de toelichting op dit artikel wordt gesteld dat, gelet op de mogelijk complexe overgangsproblemen, de behoefte bestaat aan ruime mogelijkheden voor het treffen van bijzondere overgangsrechtelijke regels, alsmede voor het treffen van regels om eventueel later opgekomen knelpunten op te lossen. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen regels van overgangsrechtelijke en regels van structurele aard. In het laatste geval is de ministeriële regeling tijdelijk, totdat de wet is gewijzigd. Onverminderd hetgeen hij hiervoor, onder punt 2, heeft opgemerkt, kan de Raad zich voorstellen dat de bevoegdheid om bij ministeriële regeling (overgangsrechtelijke) regels te stellen over de invoering van de WIA wenselijk is. Waar het echter gaat om regels met betrekking tot de werking van de wet als zodanig, regels van structurele aard of regels waarmee - ongeclausuleerd - wordt afgeweken van de wet, acht de Raad een dergelijke bevoegdheid echter niet aanvaardbaar, daar deze zaken bij wet moeten worden geregeld. In deze gevallen kan hooguit tijdelijke delegatie overeenkomstig de aanwijzingen 38 en 39 van de Aanwijzingen voor de regelgeving worden overwogen. De Raad adviseert artikel 2.13 overeenkomstig het voorgaande aan te passen. 7. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)