Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels omtrent de kwaliteit en werkwijze van het bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de samenwerking van het bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming (Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en samenwerking van bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels omtrent de kwaliteit en werkwijze van het bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de samenwerking van het bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming (Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en samenwerking van bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming).Bij Kabinetsmissive van 1 oktober 2003, no.03.003994, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels omtrent de kwaliteit en werkwijze van het bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de samenwerking van het bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming (Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg en rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en samenwerking van bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming). Het ontwerpbesluit strekt ertoe regels te verschaffen inzake de kwaliteit en werkwijze van het bureau jeugdzorg en van rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 254 en 302 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en stelt regels omtrent de samenwerking tussen het bureau jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de samenvoeging met andere algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de Wet op de jeugdzorg (WJZ), en voorts enige opmerkingen van meer technisch-juridische aard met betrekking tot een aantal artikelen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. Samenvoeging tot één algemene maatregel van bestuur Het ontwerpbesluit strekt ter uitvoering van een aantal bepalingen van de WJZ die alle betrekking hebben op de werkwijze en de kwaliteit van het bureau jeugdzorg. De inhoudelijke vereisten waaraan bij het nemen van een indicatiebesluit moet worden voldaan, worden opgenomen in het Besluit indicatie jeugdzorg.(zie noot 1) Daarin worden ook de vormen van AWBZ-zorg aangewezen waarvoor het bureau jeugdzorg op grond van artikel 5, tweede lid, onder b, WJZ de indicatietaak heeft en zijn tevens regels gegeven voor aanspraak op jeugdzorg in spoedeisende situaties. De aard en de omvang van de jeugdzorg waarop ingevolge de WJZ aanspraak bestaat, zullen worden geregeld in het Besluit jeugdzorgaanspraken.(zie noot 2) De regeling met betrekking tot de aanwijzing van de gevallen waarin geen indicatiebesluit nodig is, wordt opgenomen in het Besluit rechtstreekse verwijzing jeugd-ggz.(zie noot 3) Al deze ontwerpbesluiten hangen nauw met elkaar samen. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de WJZ(zie noot 4) is met recht opgemerkt dat het feit dat in een groot aantal bepalingen in regeling bij algemene maatregel van bestuur wordt voorzien niet betekent dat even zovele algemene maatregelen van bestuur opgesteld zullen worden. Aangezien de verschillende algemene maatregelen van bestuur inhoudelijk aan elkaar raken ligt het in de bedoeling samenhangende onderwerpen in één en dezelfde regeling onder te brengen, aldus de bewindslieden. Tegen deze achtergrond vraagt de Raad zich af of bundeling van de verschillende onderwerpen in één regeling niet de voorkeur verdient. Op die wijze wordt de onderlinge samenhang veel duidelijker, kan volstaan worden met het eenmalig vermelden van definities en behoeft niet steeds naar andere besluiten te worden verwezen. Ook voor de praktijk lijkt één enkele regeling veel handzamer. De Raad geeft in overweging de aan hem voorgelegde regelingen te integreren en samen te voegen tot één algemene maatregel van bestuur. Indien aan handhaving van de nu voorgestelde opzet de voorkeur wordt gegeven, dient deze van een overtuigende motivering te worden voorzien. 2. De positie van de voogd Artikel 21 bepaalt in het eerste lid dat de stichting binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder haar toezicht is geplaatst en zij hiervan in kennis is gesteld een gezinsvoogdijwerker aanwijst. Hiervan doet zij mededeling aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd. In het tweede en derde lid van ditzelfde artikel wordt naast de met het gezag belaste ouder ook de voogd genoemd. Het artikel komt overeen met artikel 18 van het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen. Het in dit kader vermelden van de voogd doet de vraag rijzen waarom in andere daarvoor in aanmerking komende bepalingen de voogd niet betrokken wordt in de procedure. Zo is in artikel 20, vijfde lid, wel sprake van overleg over het plan van aanpak met de met het gezag belaste ouder, maar niet met de voogd. Evenzo wordt in artikel 24, eerste lid, in het kader van de jeugdreclassering wel de voogd betrokken bij het verstrekken van mededelingen, maar wordt bij de totstandkoming van het plan (artikel 23, derde en vierde lid) de voogd niet genoemd. De Raad beveelt aan genoemde artikelen nader op hun consistentie te bezien en in de toelichting aandacht te besteden aan de rol van de voogd. 3. Artikelen a. Artikelen 9 en 10 In de artikelen 9 en 10 wordt verwezen naar artikel 10, eerste lid, WJZ. Deze bepaling heeft betrekking op het uitoefenen van de taken van voogdij, ondertoezichtstelling en jeugdreclassering door de stichting. Deze taakuitoefening is onderscheiden van die welke het vaststellen van de voor de cliënt nodige zorg betreft (artikel 5 van de wet). In hoofdstuk 3 van het ontwerpbesluit, dat uitsluitend betrekking heeft op de werkwijze van de stichting in het kader van laatstgenoemde taakuitoefening kunnen dan ook geen bepalingen worden opgenomen die betrekking hebben op de taken op grond van artikel 10 van de wet. Deze behoren in hoofdstuk 4 geplaatst te worden. De Raad adviseert de artikelen 9 en 10 aan te passen in zoverre zij verwijzen naar artikel 10, eerste lid, van de wet. b. Artikel 11 Het eerste lid van artikel 11 schrijft voor dat een indicatiebesluit niet totstandkomt dan nadat over een ontwerp in ieder geval overleg is gepleegd met onder meer de aanvrager. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de toezegging in de nota naar aanleiding van het verslag dat het bureau jeugdzorg zijn voorgenomen besluit aan de cliënt moet voorleggen dan wel met hem bespreken.(zie noot 5) In dit verband is daar eveneens gesteld dat de uitkomsten van dit overleg in het besluit moeten worden opgenomen. Een voorschrift van die strekking wordt in het ontwerpbesluit echter gemist. In ieder geval behoeft de toelichting op dit punt verduidelijking. c. Artikel 25 De verslaglegging van de jeugdreclassering kan zich ingevolge het tweede lid van artikel 25 beperken tot de werkzaamheden voortvloeiend uit de taak bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van de wet. Dit betekent dat, in afwijking van hetgeen de toelichting op dit punt opmerkt, begeleiding in het kader van onder meer tenuitvoerlegging van scholings- en trainingsprogramma’s onder verantwoordelijkheid van de directeur van een justitiële jeugdinrichting niet begrepen kan worden onder deze plicht, omdat deze taak valt onder onderdeel d van genoemd wetsartikel.(zie noot 6) De Raad adviseert de tekst van het artikel en van de toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen. d. Artikel 35 Artikel 35 schrijft voor dat de raad voor de kinderbescherming van het in onderzoek nemen van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen wordt, onverwijld mededeling doet aan de stichting. Deze verplichting is alleen zinvol indien de raad zonder tussenkomst van de stichting een hier bedoeld geval in onderzoek neemt, zoals ook uit de toelichting blijkt. Het betreft de situaties waarvan artikel 34, tweede lid, onderdelen a en b, melding maakt. Nu artikel 35 een beperking als aangegeven niet bevat, maar algemeen geformuleerd is, behoeft dit artikel, naar het oordeel van de Raad, aanpassing. e. Artikel 37 In artikel 37 is bepaald dat de stichting en de raad voor de kinderbescherming de wijze van samenwerking vastleggen in een protocol. Ingevolge het tweede lid, onderdeel e, behoort hiertoe onder meer de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming de stichting informeert over de resultaten van zijn onderzoek. In de artikelen 33 tot en met 36, waaraan het tweede lid van artikel 37 blijkens de aanhef van dit artikel uitwerking geeft, is een verplichting van de raad voor de kinderbescherming van die aard niet opgenomen. Gelet op het vorenstaande behoeft het ontwerpbesluit op dit punt aanvulling. f. Artikel 38 De voogdij en gezinsvoogdij voor minderjarigen door of ten behoeve van wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is ingediend kan worden opgedragen aan daartoe door de Minister van Justitie aanvaarde rechtspersonen. Voor deze rechtspersonen geldt dat een aantal bepalingen van de wet van overeenkomstige toepassing zijn (artikel 38, vijfde lid, WJZ). Het valt op dat bij de uitwerking hiervan in artikel 38 van het ontwerpbesluit geen melding wordt gemaakt van artikel 9, dat een multidisciplinaire beoordeling van de problemen voorschrijft. De Raad beveelt aan in ieder geval in de toelichting hierop in te gaan en zo nodig artikel 38 aan te vullen. 4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)