Raad van State
Voorstel van wet tot aanpassing van wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (Aanpassingswet Algemene verordening gegevensbescherming), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet tot aanpassing van wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (Aanpassingswet Algemene verordening gegevensbescherming), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 4 januari 2018, no.201800007, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot aanpassing van wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (Aanpassingswet Algemene verordening gegevensbescherming), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel strekt tot technische aanpassingen van sectorale wetten. Dit is een gevolg van het van toepassing worden van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) (zie noot 1) en het in voorbereiding zijnde voorstel voor de Uitvoeringswet AVG, dat voorziet in intrekking van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). (zie noot 2) Naast de technische aanpassingen beoogt het wetsvoorstel tevens zelfstandig uitvoering te geven aan de AVG in een drietal wetten, namelijk de Kieswet, Wet basisregistratie personen en de Wet raadgevend referendum.De Afdeling adviseert het voorstel aan de Tweede Kamer te zenden, maar acht op enkele onderdelen een dragende motivering of aanpassing van het voorstel aangewezen. De Afdeling adviseert een materiële wijziging in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg uit het wetsvoorstel te schrappen. Daarnaast adviseert de Afdeling daar waar de rechten van betrokkenen met toepassing van artikel 23 van de AVG worden beperkt, dit steeds in de toelichting te motiveren en waar nodig de op grond van dat artikel vereiste specifieke bepalingen in de wet vast te leggen. Tot slot adviseert de Afdeling nader toe te lichten waarom de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden onder de AVG wordt gebracht en niet onder de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging van strafbare feiten.1.Doorbreking medisch beroepsgeheim: materiële wijziging ten opzichte van huidig rechtIn artikel 25 van de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) wordt een grondslag gecreëerd voor de verstrekking van gegevens over gezondheid en andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens door de zorgaanbieder en de zorgverlener aan de toezichthoudende ambtenaar ten behoeve van onderzoek van andere meldingen. (zie noot 3) Het gaat hier om andere meldingen dan die genoemd in artikel 11, eerste lid, Wkkgz. (zie noot 4) Met deze verplichting tot verstrekking wordt tevens het medisch beroepsgeheim (zie noot 5) doorbroken.De Afdeling merkt allereerst op dat deze wijziging geen verband houdt met aanpassing van de Wkkgz aan de AVG. Het gaat hier om een materiële wijziging ten opzichte van het huidige recht. Het uitgangspunt van beleidsneutraliteit wordt derhalve op dit punt losgelaten. Ook gaat dit voorbij aan het uitgangspunt dat - gelet op de noodzaak van tijdige implementatie - in de implementatieregeling geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn. (zie noot 6)Daarnaast gaat het hier om een ingrijpende wijziging, omdat het medisch beroepsgeheim wordt doorbroken. Zoals de Afdeling ook eerder heeft geadviseerd, dient bij wettelijke doorbreking van het medisch beroepsgeheim grote terughoudendheid te worden betracht. Alleen gewichtige maatschappelijke belangen kunnen het beroepsgeheim doen wijken. (zie noot 7) Deze wijziging past derhalve ook vanwege zijn principiële aard niet in het onderhavige wetsvoorstel. Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling deze wijziging uit het wetsvoorstel te schrappen2.Beperkingen rechten betrokkeneIn de AVG worden tal van rechten aan de betrokkene toegekend. Het gaat onder meer om het recht op informatie over de verwerking van persoonsgegevens, (zie noot 8) het recht op inzage, (zie noot 9) recht op rectificatie, (zie noot 10) recht op gegevenswissing, (zie noot 11) en recht om bezwaar te maken tegen de verwerking van gegevens. (zie noot 12) De AVG regelt tevens de termijnen waarbinnen (1) de verantwoordelijke aan een verzoek van betrokkene moet voldoen (bijvoorbeeld onverwijld rectificeren of zonder onredelijke vertraging de gegevens te wissen) en (2) de termijn waarbinnen betrokkene geïnformeerd moet worden over het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven (onverwijld en in ieder geval binnen één maand) (zie noot 13).De AVG biedt ruimte om in lidstatelijk recht de reikwijdte van deze rechten (waaronder termijnen) te beperken. (zie noot 14) Een dergelijke beperking moet aan een aantal voorwaarden van de AVG voldoen. Zo kan de beperking alleen ter waarborging van een aantal in de AVG opgesomde doelstellingen (zoals openbare veiligheid, nationale veiligheid, of andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de lidstaat). Daarnaast moeten in het belang van de rechten van betrokkene specifieke bepalingen worden opgenomen. (zie noot 15)In diverse sectorale wetten is van deze beperkingsmogelijkheid gebruik gemaakt.De Afdeling merkt het volgende op over de beperking van de rechten van betrokken.a.TermijnenIn artikel 8.10, onderdeel D, van het wetsvoorstel wordt de gehanteerde termijn in huidig artikel 33a Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) gehandhaafd: het UWV beslist binnen zes weken op een verzoek van de werknemer tot opname, rectificatie of vervollediging van zijn gegevens. Door het handhaven van deze termijn wordt afgeweken van de AVG en is sprake van een beperking in de zin van artikel 23 AVG. In artikel 12, derde lid, AVG is immers bepaald dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen één maand na ontvangst van het verzoek informatie verstrekt over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Een verlenging van twee maanden is mogelijk, afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken, mits de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene binnen één maand in kennis stelt van een dergelijke verlenging. In artikel 34 Uitvoeringswet AVG is bepaald dat een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG wordt genomen binnen de in artikel 12, derde lid, van de AVG genoemde termijn.Een dergelijke afwijking van de termijn is slechts toegestaan onder de voorwaarden van artikel 23 AVG. De toelichting gaat op deze beperking niet in. (zie noot 16) In het wetsvoorstel worden evenmin specifieke bepalingen opgenomen als bedoeld in artikel 23, tweede lid, AVG.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en voor zover nodig het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.b.Wet basisregistratie personenIn de Wet basisregistratie personen wordt met een beroep op artikel 23, eerste lid, onderdeel e, van de AVG op een aantal punten een beperking aangebracht op de rechten van betrokkene. (zie noot 17) De toelichting vermeldt dat ter waarborging van de rechten van burgers een maatregel in de zin van artikel 23, tweede lid, AVG wordt opgenomen in de wet waarin is vastgesteld dat de burgers bij de inschrijving in de basisregistratie personen op de hoogte worden gesteld op welke wijze hun rechten op grond van de AVG worden beperkt. (zie noot 18) Dit is echter niet in het wetsvoorstel zelf geregeld. (zie noot 19) De Afdeling acht het van belang dat daar waar rechten van betrokkenen worden beperkt, de in artikel 23, tweede lid, AVG vereiste specifieke bepalingen worden opgenomen, zoals het recht van betrokkene om van de beperking op de hoogte te worden gesteld.De Afdeling adviseert het wetsvoorstel in het licht van het bovenstaande aan te passen.c.Beperkingen rechten niet (toegelicht) in wetsvoorstelDe Afdeling constateert voorts dat handhaving van huidige bepalingen in verschillende sectorale wetten in bepaalde gevallen tot gevolg heeft dat er beperkingen ontstaan op de in de AVG geregelde rechten van betrokkene. Deze beperkingen zijn niet toegelicht. Als voorbeeld kunnen worden genoemd: artikelen 7:455 Burgerlijk Wetboek en 7.3.9, eerste lid, Jeugdwet, (zie noot 20) en artikel 11.7 Telecommunicatiewet. (zie noot 21) Door het ontbreken van een toelichting is onduidelijk of aanleiding bestaat om te voorzien in specifieke bepalingen als bedoeld in artikel 23, tweede lid, AVG.De Afdeling adviseert om daar waar in sectorale wetten dergelijke beperkingen van rechten van betrokkene voorkomen, in de toelichting aandacht te besteden aan artikel 23, tweede lid, AVG, en indien nodig te voorzien in specifieke bepalingen als bedoeld in artikel 23, tweede lid AVG.3.Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenHet voorstel voorziet in een aanpassing aan de AVG van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. (zie noot 22) De toelichting vermeldt dat nu deze wet eerder onder het bereik van de Wbp viel, er voor is gekozen dit onder de reikwijdte van de AVG te houden en dat de richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging van strafbare feiten daarvoor geen beletsel biedt. (zie noot 23)De Afdeling merkt op dat bij de keuze voor bestendiging in de toelichting geen inhoudelijke motivering wordt gegeven waarom de eerder gemaakte keuze onder het herziene gegevensbeschermingsrecht kan worden gehandhaafd. (zie noot 24) Daarbij constateert de Afdeling dat er andere onderwerpen zijn waar het nieuwe Europeesrechtelijke regime wel geleid heeft tot een andere keuze dan de bestaande. (zie noot 25) In haar consultatiereactie heeft de Autoriteit Persoonsgegevens gewezen op artikel 2, zesde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, waarin is bepaald dat de DNA-profielen "slechts worden verwerkt voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten en de vaststelling van de identiteit van een lijk." (zie noot 26)De Afdeling adviseert nader toe te lichten dat de eerder gemaakte keuze ook gelet op de formulering van de reikwijdte van de richtlijn (zie noot 27) kan worden gehandhaafd.4. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De vice-president van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl11 pagina's, pdf Tekst