Raad van State
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Verplaatsingskostenbesluit militairen in het kader van de nadere vaststelling van aanspraken in verband met tijdelijke onderbrenging van gezinsleden van militairen en van enige besluiten in verband met technische wijzigingen.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Verplaatsingskostenbesluit militairen in het kader van de nadere vaststelling van aanspraken in verband met tijdelijke onderbrenging van gezinsleden van militairen en van enige besluiten in verband met technische wijzigingen.Bij Kabinetsmissive van 8 november 2002, no.02.005073, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Verplaatsingskostenbesluit militairen in het kader van de nadere vaststelling van aanspraken in verband met tijdelijke onderbrenging van gezinsleden van militairen en van enige besluiten in verband met technische wijzigingen. Het ontwerpbesluit betreft een aantal wijzigingen van verschillende, merendeels rechtspositionele, besluiten die van toepassing zijn op defensiepersoneel. Die wijzigingen zijn niet alleen van rechtspositionele aard, doch betreffen ook de doorwerking van eerdere in wetten en andere besluiten in werking getreden wijzigingen. Over het ontwerpbesluit is overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie Defensie. De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is. 1. In artikel XVI wordt voor een groot aantal bepalingen bepaald dat die met terugwerkende kracht in werking treden. De Raad is van mening dat voor de terugwerkende kracht een bijzondere reden dient te bestaan.(zie noot 1) Deze dienen in de toelichting te worden aangegeven. In verband hiermee beveelt het college aan als bijzondere reden alsnog in de toelichting te vermelden dat de noodzaak voor de terugwerkende kracht is gelegen in de doorvoering achteraf van in andere wetten en besluiten reeds in werking getreden wijzigingen die nu in de in geding zijnde besluiten worden verwerkt. 2a. Niet duidelijk is waarom in het geval van verhuizing van de militair en in voorkomend geval ook zijn gezinsleden in het eerste lid van artikel 9 wel nadere voorwaarden aan de aanspraak op onderbrenging zijn gesteld en waarom dergelijke voorwaarden niet zijn gesteld in het tweede lid met betrekking tot de verhuizing van gezinsleden van de militair naar Nederland, indien deze zelf nog niet kan terugkeren. In verband met het vorenstaande adviseert de Raad artikel 9, tweede lid, aan te vullen met soortgelijke voorwaarden als die welke zijn opgenomen in de onderdelen a en b van het eerste lid van artikel 9. Hierbij merkt hij op dat dergelijke voorwaarden, gelet op aanwijzing 26 Ar, niet bij ministeriële regeling kunnen worden gesteld. b. In het voorgestelde artikel 9, vijfde lid, van het Verplaatsingskostenbesluit militairen wordt bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de aanspraak op tijdelijke onderbrenging. Noch uit de regeling, noch uit de toelichting blijkt aan wat voor soort nadere regels naast de in het eerste lid, onder a en b, genoemde voorwaarden moet worden gedacht. In dit verband wijst het college op de beperkingen die in aanwijzing 26 van de Aanwijzingen voor de regelgeving zijn opgenomen ter voorkoming van vergaande subdelegatie aan de minister. De Raad adviseert in de toelichting uiteen te zetten aan wat voor nadere regels bij de toepassing van artikel 9, vijfde lid, moet worden gedacht. 3. In artikel II, onder D, wordt het tweede lid van artikel 51 van het Algemeen militair ambtenarenreglement gewijzigd. Die wijziging betreft een aanvulling van de onderwerpen die in het na het ontslag te verstrekken getuigschrift dienen te worden opgenomen. Volgens de toelichting op die bepaling wordt hiermee beter aangesloten bij hetgeen op de arbeidsmarkt gebruikelijk is. Bovendien wordt opgemerkt dat de aanpassing analoog is aan het bepaalde in artikel 7:656 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het college merkt op dat artikel 7:656 uitgebreider is dan de voorgestelde bepaling. In het tweede lid, onder a, van artikel 7:656 wordt immers ook voorgeschreven dat de arbeidsduur per dag of per week moet worden vermeld. Bovendien wordt in onderdeel e van die bepaling voorgeschreven dat in het getuigschrift bij opzegging door de werknemer de reden van opzegging wordt vermeld. In verband met het vorenstaande adviseert de Raad artikel 51, tweede lid, aan te vullen met de hiervoor genoemde niet uit artikel 7:656, tweede lid, BW overgenomen vereisten, dan wel in de toelichting te vermelden waarom dat niet is gedaan. Bovendien dient in dat geval de in de toelichting opgenomen vermelding dat het om een analoge aanpassing aan artikel 7:656 BW gaat, achterwege te blijven. 4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl3 pagina's, pdf Tekst