Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Waterleidingbesluit in verband met de richtlijn betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Waterleidingbesluit in verband met de richtlijn betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.Bij Kabinetsmissive van 26 september 2000, no.00.005324, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting, tot wijziging van het Waterleidingbesluit in verband met de richtlijn betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water. Het ontwerpbesluit bevat de uitwerking van de gewijzigde Waterleidingwet. Dit ter implementatie van richtlijn nr.98/83/EG van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330) (hierna: de richtlijn). In verband met de richtlijn wijzigt het ontwerpbesluit tevens het Besluit hygiëne, gezondheid en veiligheid kampeerterreinen. De belangrijkste wijzigingen van het Waterleidingbesluit betreffen de uitbreiding tot warm tapwater, huishoudwater, collectieve watervoorzieningen, collectieve leidingnetten en kwaliteitseisen. De Raad van State kan zich vinden in de strekking van het ontwerpbesluit, maar acht de navolgende punten van betekenis. 1. Ingevolge een aantal artikelen - bijvoorbeeld de artikelen 2, eerste lid, 4c, eerste lid, 4d, eerste lid en 6, tweede lid en zevende lid - wordt aan de minister dan wel de toezichthouder de bevoegdheid toegekend om ontheffing te verlenen en te bepalen dat nader genoemde eisen niet van toepassing zijn. Per saldo komen deze bevoegdheden erop neer dat wordt toegestaan af te wijken van de Waterleidingwet en/of het Waterleidingbesluit. Voorts heeft de minister op grond van artikel 24, derde lid, de bevoegdheid om nadere regels te stellen voor het informeren van consumenten over de kwaliteit van het leidingwater. De formeelwettelijke grondslag van deze bevoegdheden is niet evident. De in de aanhef genoemde artikelen (1, tweede lid, 4, tweede en derde lid, 15a, tweede en derde lid, 15c, 15d en 15e) van de Waterleidingwet lijken die grondslag niet op overtuigende wijze te bieden. De Raad adviseert in de nota van toelichting aan dit punt nader aandacht te besteden en zo nodig de betrokken bepalingen te heroverwegen. 2. Artikel 4, waarin eisen worden gesteld aan het te leveren leidingwater, geldt ook voor de eigenaar van de collectieve watervoorziening. Artikel 4 is gebaseerd op artikel 4, tweede lid, van de Waterleidingwet. Dat laatste artikel is - langs de weg van artikel 15a, derde lid, juncto artikel 15a, tweede lid, van deze wet - in artikel 2a van het ontwerpbesluit nu juist niet van toepassing verklaard voor bepaalde collectieve watervoorzieningen. Het gaat daarbij om collectieve watervoorzieningen die, gemeten over een jaar, gemiddeld minder dan 10 m3 leidingwater per dag leveren of waarvan minder dan 50 personen gebruik maken. Gelet op deze uitzondering ligt het in de rede voor deze categorie collectieve watervoorzieningen ook in artikel 4 van het ontwerpbesluit een uitzondering te maken. De Raad adviseert de bedoelde uitzondering in artikel 4 op te nemen. 3. Volgens de nota van toelichting, (bladzijde 6, eind van paragraaf 1.9) is het ontwerp niet genotificeerd omdat er sprake zou zijn van strikte implementatie. Op bladzijde 8 van de toelichting (paragraaf 2.3.) wordt evenwel meegedeeld dat voor een aantal parameters de eisen strenger zijn dan in de richtlijn. In de artikelsgewijze toelichting van onderdeel N, (bladzijde 20) wordt meegedeeld dat geanticipeerd wordt op Europese ontwikkelingen die zeker nog vier jaar op zich zullen laten wachten. Dat er slechts van strikte implementatie sprake is acht de Raad, gezien deze citaten, niet goed vol te houden. De Raad adviseert de noodzaak van notificatie in dat licht nog eens te bezien. 4. In de nota van toelichting ontbreekt een toelichting op het niet onbelangrijke artikel 6a. De Raad adviseert alsnog in dit hiaat te voorzien. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)