Naar inhoud
Raad van State

Voorlichting overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State inzake competentie beroep verstrekking donorgegevens.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorlichting overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State inzake competentie beroep verstrekking donorgegevens.Bij brief van 21 februari 2003, kenmerk 5209420/03/6, heeft u afdeling I van de Raad van State om voorlichting verzocht over de vraag of er aanleiding kan zijn, beroep tegen besluiten van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting ingevolge de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting op de familierechter open te stellen in plaats van op de administratieve rechter. De afdeling komt tot de conclusie dat de achtergrond van de vraag - een prominenter plaats verzekeren voor het belang van het kind - geen verband houdt met de bij motie gesuggereerde competentiewijziging, en dus geen reden kan zijn om tot een dergelijke wijziging over te gaan; ook overigens ziet de afdeling geen aanleiding om af te wijken van het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1. Aanleiding Tijdens de behandeling van de ontwerp-Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (hierna: de Wet) in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is een motie-Timmerman-Buck ingediend, waarin de regering werd verzocht met een wetsvoorstel te komen waarin wordt bepaald dat besluiten van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (hierna: de Stichting) over verstrekking van gegevens van de donor aan de in artikel 3 van de Wet genoemde personen niet beroepbaar zullen zijn bij de bestuursrechter maar bij de familierechter. Daarmee werd beoogd te bereiken, zo blijkt uit de tweede overweging van de motie, dat de Wet zo moet worden begrepen dat bij beslissingen over het al of niet verschaffen van persoonsidentificerende gegevens in beginsel aan het belang van het kind doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Tevens gaat de motie er blijkens de derde overweging van uit dat de beoordeling van rechten en belangen van kinderen alsmede van mogelijk gerechtvaardigde inbreuken daarop bij uitstek het terrein van de familierechter vormt; de rechtseenheid zou daarom gediend zijn met het openstellen van beroep bij de familierechter.(zie noot 1) U heeft de afdeling verzocht in deze kwestie van voorlichting te dienen. Dat verzoek ging vergezeld van een aantal argumenten contra de mogelijke overdracht van competentie van de administratieve rechter naar de familierechter. 2. Beroepbare besluiten De afdeling wijst er om te beginnen op dat de Wet - inmiddels geplaatst in Staatsblad 2002, 240 - voorziet in de volgende categorieën beslissingen van de Stichting die moeten worden aangemerkt als besluiten, vatbaar voor bezwaar en beroep ingevolge de Awb; daarbij gaat het steeds om beslissingen ingevolge artikel 3 van de Wet. Beslissingen inzake het verstrekken van donorgegevens: a. aan de huisarts van het verwekte kind (alleen medische gegevens; artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a); b. aan een (vermoedelijk) verwekt kind of zijn ouders (niet-persoonsidentificerende gegevens; artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b en c); c. aan een (vermoedelijk) verwekt kind van minstens 16 jaar oud (persoonsidentificerende gegevens; artikel 2, tweede en derde lid). De beslissingen van het type a en b zijn geheel gebonden. Weliswaar wordt de donor in de gelegenheid gesteld bezwaar te maken tegen een voorgenomen gegevensverstrekking, maar het valt niet te verwachten dat deze beslissingen tot veel problemen en dus tot veel beroepszaken aanleiding zullen geven. Te bedenken valt dat het hier alleen om niet-persoonsidentificerende gegevens gaat. In elk geval zullen het geen "lastige" beroepszaken zijn. Bij de beslissingen van het type c kunnen zich verschillende casusposities voordoen. Verstrekking van de gevraagde - persoonsidentificerende - gegevens zal probleemloos plaatsvinden indien daarvoor de instemming is verkregen van de donor zelf (artikel 3, tweede lid) of van zijn nagelaten partner of in het derde lid bedoelde bloedverwant in de eerste of tweede graad (derde lid). Wordt de instemming echter geweigerd, dan kan de Stichting niettemin tot verstrekking overgaan; volgens het slot van het tweede lid laat de Stichting verstrekking van de gevraagde gegevens dan alleen achterwege "indien, in aanmerking genomen de gevolgen die niet-verstrekking voor de verzoeker zou kunnen hebben, zwaarwegende belangen van de donor meebrengen dat verstrekking niet behoort plaats te hebben". Over de verstrekking of niet-verstrekking van persoonsidentificerende gegevens na weigering van instemming zullen licht geschillen kunnen ontstaan. Bij wel-verstrekking zullen de donor of zijn in artikel 3 bedoelde "nabestaanden" aanlegger van het bezwaar of beroep zijn, bij niet-verstrekking zal dat het kind (de verzoeker) zijn. 3. Het gewicht van de verschillende belangen Uit de motie-Timmerman-Buck spreekt allereerst de wens, te verzekeren dat bij het beslissen over de al of niet verschaffing van persoonsidentificerende gegevens in beginsel aan het belang van het kind doorslaggevend gewicht zal worden toegekend. De afdeling wijst erop dat de vraag hoe de verschillende belangen moeten worden gewogen niet kan afhangen van de aanwijzing van de ene of de andere rechter, maar wordt bepaald door de regels die de wet geeft voor de belangenafweging. De Stichting zal verzoeken moeten beoordelen aan de hand van het criterium dat artikel 3, tweede lid, van de Wet geeft, en de rechter - om het even welke, de familierechter of de administratieve rechter - zal de beslissing van de Stichting dááraan moeten toetsen. Aan de wens tot aanscherping van het beoordelingskader zou derhalve alleen kunnen worden tegemoetgekomen door aanpassing van de afwegingsnorm van artikel 3, tweede lid, van de Wet; een dergelijke wens kan niet leiden tot de aanwijzing van een andere rechter dan de administratieve rechter. Dit zo zijnde, is de grondslag aan de gestelde vraag eigenlijk komen te ontvallen. Volledigheidshalve zal de afdeling echter hierna nagaan of er wellicht andere redenen zijn om de voorkeur te kunnen geven aan het bevoegd verklaren van de familierechter in plaats van de administratieve rechter. 4. Familierechter of administratieve rechter? Wel zou een denkbare grond voor de aanwijzing van de familierechter in plaats van de administratieve rechter kunnen zijn gelegen in de eventuele omstandigheid dat de belangenafweging die aan de rechter ter toetsing wordt voorgelegd, beter past bij de gewone werkzaamheden van de familierechter dan die van de bestuursrechter. In dit verband is het van belang, eraan te herinneren dat de achtergrond van de introductie van de Wet werd gevormd door het verlangen, een evenwicht te bereiken tussen verschillende belangen: a. het belang van het "kid-kind" om te weten wie de biologische vader is; b. het belang van de donor bij het bewaren van zijn anonimiteit; c. het algemene belang dat er voldoende (in beginsel anonieme) zaaddonors beschikbaar blijven; d. dat het ontstaan van "kid-toerisme" en van een "zwart-zaadcircuit" wordt voorkomen.(zie noot 2) Zou het bij geschillen over het al of niet verstrekken van persoonsidentificerende gegevens alleen gaan om de onder a en b genoemde belangen, dan zou het op zichzelf begrijpelijk zijn dat de gedachte opkomt, de familierechter bevoegd te verklaren: die is bij uitstek gewoon belangen van kinderen en van ouders tegen elkaar af te wegen. In casu zijn er echter meer belangen in het geding, waaronder het algemeen belang. De afweging daarvan is toevertrouwd aan een zelfstandig bestuursorgaan, de Stichting. Er valt niet in te zien waarom de vraag of de Stichting, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot haar besluit tot al of niet verstrekking heeft kunnen komen, niet door de administratieve rechter zou kunnen worden getoetst. Overigens is de familierechter gewoon om zélf beslissingen te nemen in de relatie ouders/kinderen, niet om besluiten van andere instanties te toetsen. De afdeling concludeert dat er geen reden is om in dit geval af te wijken van het gewone stelsel van de Awb, waarin tegen besluiten van bestuursorganen - na een bezwaarschriftprocedure - beroep bij de administratieve rechter openstaat. Tegen openbaarmaking van dit advies bestaat bij de Raad van State geen bezwaar.
Documenten (1)