Raad van State
Voorstel van wet houdende wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2004, no.04.002830, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen), met memorie van toelichting.Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe de Meststoffenwet in overeenstemming te brengen met de Europese regelgeving en de verontreiniging van de bodem en het water door meststoffen, in het bijzonder stikstof en fosfaat, verder te beperken. Ter voldoening aan de zogenoemde Nitraatrichtlijn(zie noot 1) wordt het in hoofdstuk IV van de Meststoffenwet geregelde stelsel van regulerende mineralenheffingen vervangen door een stelsel van gebruiksnormen. Dit geschiedt naar aanleiding van het op 2 oktober 2003 door het Europese Hof van Justitie gewezen arrest in de inbreukprocedure van de Commissie tegen Nederland betreffende de uitvoering van de Nitraatrichtlijn (zaak C-322/00). Door middel van de systematiek van gebruiksnormen zal ook invulling worden gegeven aan de eveneens uit Europese regelgeving voortvloeiende verplichting tot normering van het gebruik van fosfaathoudende meststoffen. Daarbij gaat het vooral om de zogenoemde Kaderrichtlijn Water(zie noot 2). Mede met het oog op het Kaderbesluit nr. 2003/80/JBZ van de Raad van 27 januari 2003 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PbEG L 29), voorziet het wetsvoorstel in de sanctionering van overtreding van de gebruiksnormen door punitieve sancties. Daarbij is gekozen voor strafbaarstelling via de Wet op de economische delicten. Het accent ligt evenwel op het instrument van de bestuurlijke boetes, waarvoor een regeling in het wetsvoorstel is opgenomen.De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, het stelsel van bestuurlijke boetes en de handhavinginzet en voorts enkele opmerkingen van wetstechnische aard. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.1. Kaderrichtlijn waterUiterlijk 23 oktober 2009 moeten de lidstaten ingevolge de Kaderrichtlijn Water maatregelenprogramma’s voor elk stroomgebieddistrict vaststellen (artikel 11, zevende lid). In geen geval mag de toepassing van de maatregelen tot meer verontreiniging van oppervlaktewateren leiden (artikel 11, zesde lid).Verder moet ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a (ii) en (iii) uiterlijk vóór 23 oktober 2015 naast een goed ecologisch potentieel een goede toestand van het oppervlaktewater overeenkomstig bijlage V zijn bereikt. Verlenging (vierde lid) of een minder strenge milieudoelstelling (vijfde lid) is mogelijk mits de toestand van het aangetaste waterlichaam niet verder verslechtert (respectievelijk vierde lid, aanhef en vijfde lid, onder c). Daarnaast staat artikel 4, zesde lid, een tijdelijke achteruitgang toe in – kort gezegd – niet te voorziene overmachtsituaties. Volgens bijlage V kan van een “goede toestand” van de onderscheiden categorieën oppervlaktewater worden gesproken indien de concentraties van de verontreinigende stoffen niet hoger zijn dan de normen die de lidstaten volgens de procedure van punt 1.2.6 van die bijlage hebben vastgesteld.Over de gebruiksnormen voor fosfaat (artikel 5e van het wetsvoorstel) wordt in paragraaf 3.4, onderdeel b, van de memorie van toelichting uiteengezet dat het traject van de aanscherping van de fosfaatgebruiksnormen is gericht op een verdere daling van de fosfaatbemesting en het bereiken van evenwichtsbemesting in 2015. Dan vindt geen verdere ophoping van fosfaat in de bodem meer plaats. Dat is van belang voor het bereiken van een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water, aldus de memorie van toelichting. De toelichting geeft niet aan of met de gestelde gebruiksnormen uiterlijk in 2015 ook een goede toestand van het oppervlaktewater kan worden bereikt. Verder zal gelet op de Kaderrichtlijn het in de normen vastgelegde beleid er mede op moeten zijn gericht dat in ieder geval vanaf 2009, maar in wezen vanaf heden, een verdere verslechtering van de verontreiniging van het oppervlaktewater met fosfaat kan worden voorkomen. In dit verband geeft de Raad aanleiding tot zorg de mededeling in de memorie van toelichting, in paragraaf 9. Milieueffecten, dat uit berekeningen van de Werkgroep Onderbouwing Gebruiksnormen blijkt dat bij een norm van 105 kilogram fosfaat voor grasland en 85 kilogram fosfaat voor bouwland de fosfaatophoping in de bodem blijft toenemen. Daarbij is door genoemde werkgroep de verwachting uitgesproken dat door toename van de fosfaatverzadiging van de bodem de fosfaatbelasting van het oppervlaktewater in de komende decennia weer zal toenemen. In artikel 5e gelden voor grasland voor de jaren 2006 tot en met 2008 achtereenvolgens de normen 110, 105 en 100 kilogram fosfaat en in diezelfde jaren voor bouwland achtereenvolgens 95, 90 en 85 kilogram fosfaat. Voor de daaropvolgende jaren zullen de normen bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld, waarbij de normen per jaar met het oog op evenwichtsbemesting ten hoogste met 5 kilogram kunnen worden verlaagd. De Raad adviseert in het licht van het vorenstaande in de toelichting nader in te gaan op de vraag of het wetsvoorstel met de daarin opgenomen fosfaatnormen een toereikende eerste stap is om in 2015 de kwaliteitsdoelstelling voor oppervlaktewater te halen en ertoe kan bijdragen dat er in ieder geval vanaf 2009 met de dan te treffen maatregelen geen verdere verontreiniging van het oppervlaktewater meer op zal treden.2. Bestuurlijke boeteVolgens paragraaf 5 van de memorie van toelichting is voor de regeling van de bestuurlijke boetes zoveel mogelijk aangesloten bij het – inmiddels bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediende - wetsvoorstel vierde tranche Awb(zie noot 3), waarvan wordt verwacht dat dit door het onderhavige wetsvoorstel zal worden ingehaald. Daarom heeft de Raad de nu voorgestelde regeling ook getoetst aan de regeling van de bestuurlijke boete in de voorgestelde vierde tranche Awb.a. Verhouding tot strafrechtelijke handhavingVoor de naleving van de gebruiksnormen voorziet het wetsvoorstel in sanctionering door middel van het opleggen van bestuurlijke boetes en de toepassing van het strafrecht. In paragraaf 5 van de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat de nadruk zal komen te liggen op bestuurlijke boetes en dat het strafrecht als vangnet zal dienen. In diezelfde paragraaf wordt aangekondigd dat met het openbaar ministerie een richtlijn zal worden opgesteld waarin wordt aangegeven welke feiten dermate ernstig zijn dat deze met het oog op een eventuele strafrechtelijke vervolging ter beoordeling aan het openbaar ministerie worden voorgelegd. Voorshands wordt daarbij in ieder geval gedacht aan herhaalde overtredingen, aanmerkelijke overtredingen, overtredingen in georganiseerd verband en complexe en frauduleuze constructies voor de ontwarring waarvan ingrijpende dwangbevoegdheden, zoals vrijheidsbeneming, noodzakelijk zijn. In de toelichting worden deze categorieën al enigszins uitgewerkt.Ingevolge het voorgestelde artikel 77, eerste lid, Meststoffenwet dienen overtredingen indien de ernst daarvan of de omstandigheden waaronder zij zijn begaan daartoe aanleiding geven, aan het openbaar ministerie te worden voorgelegd. In het licht van het in paragraaf 5 van de memorie van toelichting aangekondigde beleid is niet duidelijk of dit de mogelijkheid van het instellen van een strafvervolging, dus ook onafhankelijk van het aangeven door het bestuur, onverlet laat. Het gebruik van de woorden “Voor een overtreding die aan het openbaar ministerie moet (cursivering RvS) worden voorgelegd” in het tweede lid van artikel 77 wekt in dit verband ook verwarring(zie noot 4). De toelichting is hierover niet geheel duidelijk. De Raad gaat er vanuit dat niet wordt beoogd om in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving een voorselectie voor eventueel strafrechtelijk af te handelen overtredingen te maken. In het wetsvoorstel zal dan ook een bepaling moeten worden opgenomen ingevolge welke het recht tot strafvervolging vervalt indien het bestuursorgaan wegens dezelfde gedraging reeds een bestuurlijke boete heeft opgelegd of aan de overtreder na een eerdere bekendmaking van het voornemen daartoe, meedeelt dat geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd (vergelijk artikel II – aanvulling artikel 243 Sv – in het wetsvoorstel vierde tranche Awb).Het wetsvoorstel zal op dit punt nader moeten worden bezien.b. Eenvoudig vast te stellen overtredingen?Volgens paragraaf 5. Sanctionering, van de memorie van toelichting is de voorgestelde regeling van bestuurlijke boetes getoetst aan de in die paragraaf vermelde rapporten en kabinetsstandpunten betreffende bestuurlijke boetes. Uiteengezet wordt dat de betrokken normen zodanig duidelijk zijn omschreven, dat het mogelijk is om in de praktijk een vaste gedragslijn te ontwikkelen die een eenvoudige en efficiënte uitvoering waarborgt. Noch bij het voorgestelde artikel 5a, in samenhang met artikel 5b, noch bij het voorgestelde artikel 5h, noch bij de aanverwante bepalingen van de Meststoffenwet kan er discussie zijn over de vraag of een gedraging wel of niet onder de norm valt. Waar het gaat om de gebruiksnormen en de verplichting tot een verantwoorde afzet van het mestoverschot kan door meting van hoeveelheden zelfs zeer concreet de omvang van de overtreding worden vastgesteld, aldus de toelichting. Elders in de memorie van toelichting wordt erop gewezen dat door organisatorische voorzieningen bij de Dienst Regelingen en de Algemene Inspectiedienst ook bij met hogere boetes te bestraffen overtredingen een lik-op-stuk-benadering is verzekerd (paragraaf 10.2, onder b).De Raad betwijfelt of dit effect voldoende kan worden bereikt met de voorgestelde opzet van de regeling van de gebruiksnormen in de artikelen 5a en 5b en die van de verplichting van de mestproducent met betrekking tot de afvoer van dierlijke meststoffen in artikel 5h. De toepassing van het algemene gebruiksverbod in artikel 5a wordt in artikel 5b afhankelijk gesteld van de vraag of de betrokken gebruiker van meststoffen kan aantonen dat hij de gebruiksnormen van artikel 5c en volgende niet overschrijdt. Weliswaar zullen met het oog op die uitsluitingsgrond krachtens het nieuwe hoofdstuk VA voorschriften met betrekking tot de gegevensadministratie worden gesteld, maar die laten onverlet dat de gebruiker van meststoffen de ruimte heeft om ook met alternatieve bewijzen te komen (paragraaf 7, onder a. Bewijslastverdeling, van de memorie van toelichting). In dat verband wordt verder in de toelichting opgemerkt dat in de gevallen waarin de agrariër gegevens heeft aangedragen om aannemelijk te maken dat hij de gebruiksnormen heeft nageleefd, de minister onderscheidenlijk het openbaar ministerie (bij strafrechtelijke handhaving – aanvulling RvS) deze gegevens niet zonder meer naast zich neer kunnen leggen. De toelichting gaat ervan uit dat 4300 bedrijven in het kader van de procedure van de bestuurlijke boete met aanvullende bewijsstukken zullen komen (paragraaf 8.3 Administratieve lasten). Verder zal op de minister de bewijslast rusten bij de vaststelling van de omvang van de overschrijding van de gebruiksnorm welke bepalend is voor de hoogte van de bestuurlijke boete (paragraaf 7). Gelet op de zorgvuldigheid waarmee de minister met de uitsluitingsgrond van artikel 5b moet omgaan en de prognose van het aantal gevallen waarin bedrijven met aanvullende bewijsstukken zullen komen, kan naar de mening van de Raad bij de handhaving van het verbod in artikel 5a niet zonder meer worden gesproken van eenvoudig vast te stellen feiten. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de verantwoordingsplicht met betrekking tot de afvoer van dierlijke meststoffen in artikel 5h. Op grond van het vorenstaande is de Raad er niet van overtuigd dat het bij de handhaving van de Meststoffenwet door middel van bestuurlijke boetes zal gaan om eenvoudig vast te stellen overtredingen. Een lik-op-stuk-beleid is hiermee niet gegarandeerd. De Raad adviseert in de memorie van toelichting nader op deze problematiek in te gaan.c. Forfaitair en niet-forfaitair stelselIn het wetsvoorstel zijn twee stelsels van bestuurlijke boeten opgenomen. In de artikelen 79 tot en met 82 en in artikel 84, eerste lid, is een stelsel met forfaitaire boetes neergelegd voor de handhaving van de gebruiksnormen (artikel 5a in samenhang met artikel 5b) en van de verplichting de afzet van het dierlijk mestoverschot te verantwoorden (artikel 5h). Per overtreding geldt een boetemaximum van 45.000 euro voor natuurlijke personen en van 450.000 euro voor rechtspersonen, vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid en maatschappen. In de artikelen 83 en 84, tweede lid, is een stelsel van flexibele boeten opgenomen, waarbij voor de zojuist genoemde categorieën overtreders per overtreding een maximum geldt van respectievelijk 11.250 euro en 45.000 euro. In die gevallen gaat het om de overtreding van overige voorschriften en van voorschriften met administratieve verplichtingen, die bij of krachtens de artikelen 5c, tweede lid, 5e, vijfde lid, 5g, derde lid, 6, 59, 59a, 59b, 59c en 59d, derde lid, of 61 zijn gesteld. Uit paragraaf 5 van de memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat deze boetemaxima zijn afgestemd op die welke voor vergelijkbare overtredingen zijn vastgelegd in de Wet op de economische delicten (WED). Over de regeling van de forfaitaire boeten heeft de Raad de volgende opmerkingen.(i) Het forfaitaire karakter van deze boetes komt tot uiting in de tarifering per kilogram stikstof respectievelijk fosfaat waarmee een of meer van de gebruiksnormen is overschreden (artikelen 79 en 80). Ingevolge artikel 81 legt de minister een lagere boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de overeenkomstig de artikel 79 of 80 vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De Raad wijst er, gelet op artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, op dat het bedrag van de op te leggen boetes in een concreet geval proportioneel dient te zijn. Nu het wetsvoorstel voor deze boetes per overtreding een maximum mogelijk maakt van 45.000 euro voor natuurlijke personen en van 450.000 euro voor rechtspersonen, vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid en maatschappen, brengt dit mee dat de minister in de gevallen waarin volgens het wetsvoorstel een hoog bedrag aan boetes kan worden opgelegd, zal moeten nagaan of de op te leggen boete proportioneel is, dus ook los van de vraag of de overtreder zich beroept op een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 81. De toelichting op het overigens gelijkluidende 5.4.1.7, derde lid, van het wetsvoorstel vierde tranche Awb vermeldt dat het bestuursorgaan ook een lagere boete oplegt indien het sterke aanwijzingen heeft dat de hoogte in een bepaalde casus onevenredig uitpakt (blz. 142/143). De Raad adviseert de toelichting bij het voorgestelde artikel 81 in overeenstemming te brengen met die bij artikel 5.4.1.7, derde lid van het wetsvoorstel vierde tranche Awb. In samenhang hiermee ware de laatste zin in de toelichting op artikel 81 te schrappen.(ii) In artikel 82 is bepaald dat de tarieven die in de artikelen 79, eerste lid, en 80, eerste lid, zijn vastgelegd voor de vaststelling van een forfaitaire boete kunnen worden aangepast bij algemene maatregel van bestuur. De Raad adviseert om in aansluiting op artikel 5.4.1.7, vierde lid, van het wetsvoorstel vierde tranche Awb te bepalen dat bij wijziging van de tarieven artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing is.d. Criterium voor opmaken rapportDe regeling van de bestuurlijke boete in het wetsvoorstel vierde tranche Awb stelt de verplichting een rapport op te maken en de verplichting de overtreder te horen (artikel 5.4.2.6) afhankelijk van de bevoegdheid een hogere boete dan 340 euro op te leggen. In de artikelen 85 en 87 wordt het opmaken van het rapport en het horen van de overtreder aan de toezichthoudende ambtenaren overgelaten. Indien zij geen rapport opmaken en de overtreder niet horen, kan geen boete hoger dan 340 euro worden opgelegd(zie noot 5). In de toelichting op artikel 85 wordt hierover opgemerkt dat het uit een oogpunt van lik-op-stuk beleid gewenst kan zijn dat de betrokken toezichthoudende ambtenaar de overtreder direct een boete kan opleggen. Naar de mening van de Raad zal de uitoefening van deze bevoegdheid niet in strijd mogen komen met de regels die in het wetsvoorstel voor de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete zijn gesteld en met de regeling van de verhouding tot de strafrechtelijke handhaving in artikel 77. Hij adviseert hieraan in de memorie van toelichting aandacht te besteden.e. Vierde tranche AwbNaast de afwijkingen ten opzichte van het wetsvoorstel vierde tranche Awb die hiervoor reeds aan de orde kwamen, wijst de Raad nog op de volgende verschillen tussen het onderhavige wetsvoorstel en dat wetsvoorstel.- Niet is bepaald dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd ingeval van overlijden van de overtreder. Artikel 5.4.1.3 van de voorgestelde vierde tranche Awb voorziet wel in een regeling.- In de toelichting op artikel 5.4.2.2, eerste lid, van het wetsvoorstel vierde tranche Awb wordt erop gewezen dat dit artikel ook inhoudt dat de overtreder inzage kan krijgen in stukken die ten voordele van hem strekken. Die mededeling ontbreekt in de memorie van toelichting van het onderhavige wetsvoorstel.- In artikel 4.4.1.5 wetsvoorstel vierde tranche Awb is de wijze geregeld waarop de bestuurlijke boete moet worden betaald. Het wetsvoorstel zal moeten bezien op de wenselijkheid van een bepaling van die strekking, voor zolang de vierde tranche Awb nog niet in werking is getreden.De Raad adviseert het wetsvoorstel en de memorie van toelichting op deze punten aan te vullen.3. Controle-inzetIn paragraaf 10.2 Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en handhavingsbeleid wordt onder b uiteengezet dat, zeker in de eerste jaren na invoering van het stelsel van gebruiksnormen, stevig zal moeten worden ingezet op repressieve handhaving. Daarbij moet ook voldoende nadruk worden gelegd op controles en zichtbaarheid van de overheid. De oplossing zoekt de regering niet zozeer in een vergroting van de capaciteit van de Algemene Inspectiedienst ten behoeve van de mestwetgeving maar in een meer gerichte inzet van die capaciteit op risicogroepen. Daarbij gaat het volgens de toelichting in het bijzonder om controles bij intermediairs en bij overschotbedrijven, ook gedurende het kalenderjaar. De controle-intensiteit bij de niet-overschotbedrijven kan lager zijn, maar zal voldoende zijn om het nalevingsniveau ook aldaar op peil te houden. De Raad leidt uit de tabel in paragraaf 8.1, onder a (Bedrijfseffecten, aantal bedrijven en omvang van de veestapel) van de memorie van toelichting af dat er in het jaar 2002 40.000 overschotbedrijven en 1.000 intermediaire ondernemingen waren. Verder kan in paragraaf 10.3, onder a, worden gelezen dat bij de begroting van de lasten van de uitvoering en handhaving wordt uitgegaan van 10.000 controles (deels administratief, deels fysiek en deels beide) door de Dienst Regelingen, die gelet op het in belangrijke mate selecte karakter een grote trefkans hebben en leiden tot 6.000 geconstateerde overtredingen. Gelet op het eerder aangeven aantal risicobedrijven komt dit dus per overschotbedrijf neer op gemiddeld minder dan één controle in de vier jaar. De Raad maakt hieruit op dat de controle op de naleving van de gebruiksnormen toch nog grotendeels door de Algemene Inspectiedienst zal moeten geschieden. In verband daarmee adviseert hij om in aansluiting op de gegevens over de controle-inzet van de Dienst Regelingen in paragraaf 10.3, onder b, een kwantitatief inzicht te geven van de door de Algemene Inspectiedienst te verrichten controles.4. Overige opmerkingena. Gevolgen uitbreiding definitie dierlijke meststoffenDe definitie van dierlijke meststoffen (artikel 1, aanhef en onder i) wordt in navolging van de Nitraatrichtlijn uitgebreid. Als gevolg daarvan vallen onder dit begrip ook uitwerpselen van andere categorieën dieren dan die in Bijlage A van de geldende Meststoffenwet zijn vermeld en waarvoor nog geen excretiewaarden zijn vastgesteld, zoals van paarden. In de toelichting zal moeten worden ingegaan op de lasten die deze wijziging voor de overheid en het bedrijfsleven meebrengt.b. NatuurterreinenNatuurterreinen worden in het wetsvoorstel niet meer gerekend tot bij het bedrijf behorende grond. In paragraaf 6, onder a, wordt uiteengezet dat hiertoe is overgegaan om de voorschriften van de mestwetgeving ten aanzien van natuurterrein met beheersregimes gelijk te trekken, ongeacht of de natuurterreinen in gebruik zijn bij landbouwbedrijven, bij natuurbeschermingsorganisaties, landgoederen of anderszins. Gevolg hiervan is dat deze gronden niet meetellen voor de gebruiksruimte voor meststoffen binnen de in artikel 5b voorgestelde gebruiksnormen. Uit de reactie in de memorie van toelichting op vragen van de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland over deze wijziging kan worden opgemaakt dat is gekozen voor gescheiden mestregimes: voor landbouwgrond, waar de gebruiksnormen van het wetsvoorstel op van toepassing zijn, en voor natuurterrein, waar afzonderlijke beheersregelingen en het Besluit gebruik meststoffen gelden. Naar het oordeel van de Raad komt dit niet tot uitdrukking in het wetsvoorstel. Ten aanzien van de daarin voorgestelde gebruiksnormen dient te worden bepaald dat deze van toepassing zijn voorzover geen meststoffen worden gebruikt of afgezet overeenkomstig de regels die gelden voor natuurterreinen. Deze zullen op zich natuurlijk moeten voldoen aan de eisen die de toepasselijke Europese richtlijnen inhouden. De Raad adviseert het wetsvoorstel in die zin aan te vullen.c. GrondgebruiksverklaringOnder de huidige mestwetgeving is het fenomeen van de grondgebruiksverklaring ontstaan. Als gevolg van de voorgestelde definitie van tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is die regeling niet meer noodzakelijk: de veehouder zal zelf de gebruikstitel moeten aangeven op basis waarvan hij beschikt over grond waarop hij de mest kan gebruiken. De vraag rijst of deze wijziging in het wetsvoorstel niet het onbedoelde effect zal hebben dat de grondgebruiksverklaring als flexibele vorm van grondgebruik en mogelijkheid tot verantwoord gebruik van dierlijke meststoffen in onbruik geraakt(zie noot 6). Hiervan zal tenminste rekenschap moeten worden gegeven in de toelichting.d. Vaste mestIn paragraaf 8.1 algemeen, onder d. Intermediairs van de memorie van toelichting wordt ten aanzien van de lasten die aan mesttransporten zullen zijn verbonden meegedeeld dat geen automatische bemonstering van vaste mest plaatsvindt. Naar aanleiding van deze opmerking rijst bij de Raad de vraag op welke wijze de hoeveelheid getransporteerde mest van deze soort zal worden bepaald. Voor de lasten maakt het immers uit of die hoeveelheid forfaitair of door middel van monsters zal moeten worden berekend en welk regime voor de zogenoemde boer-boer transporten zal gelden. Zeker nu als gevolg van de uitbreiding van de definitie van dierlijke meststoffen ook (vaste) paardenmest verantwoord zal moeten worden afgevoerd(zie noot 7), adviseert de Raad hierover duidelijkheid te verschaffen in de memorie van toelichting.De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl15 pagina's, pdf Tekst