Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet justitiële gegevens in verband met het verwerken van strafvorderlijke gegevens en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet tarieven in strafzaken in verband met het verstrekken van een afschrift van een vonnis of een arrest aan de verdachte en zijn raadsman of een derde.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet justitiële gegevens in verband met het verwerken van strafvorderlijke gegevens en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet tarieven in strafzaken in verband met het verstrekken van een afschrift van een vonnis of een arrest aan de verdachte en zijn raadsman of een derde.Bij Kabinetsmissive van 30 oktober 2002, no.02.004874, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet justitiële gegevens in verband met het verwerken van strafvorderlijke gegevens en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet tarieven in strafzaken in verband met het verstrekken van een afschrift van een vonnis of een arrest aan de verdachte en zijn raadsman of een derde. Met dit wetsvoorstel worden wijzigingen voorgesteld in de Wet justitiële gegevens(zie noot 1) die ertoe strekken waarborgen tot stand te brengen voor een zorgvuldige omgang met strafvorderlijke gegevens. Die waarborgen dienen gerealiseerd te zijn voor het einde van de in de artikel 79, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) gestelde overgangstermijn die loopt tot 1 september 2004. Daarnaast heeft dit wetsvoorstel nog tot doel twee onderwerpen van meer technische aard te regelen. Het betreft de overbrenging van de mogelijkheid om op verzoek een afschrift van een vonnis of een arrest aan de verdachte, en zijn raadsman of aan een derde te verstrekken, van artikel 838, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (WBrv) naar het Wetboek van Stafvordering (WvSv). De Raad van State maakt naar aanleiding van dit wetsvoorstel een aantal opmerkingen en is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. Criterium voor verstrekking van informatie Volgens de inleiding van de memorie van toelichting is het wetsvoorstel het resultaat van overleg met en tussen de Registratiekamer (thans het College bescherming persoonsgegevens), het College van procureurs-generaal en de Nederlandse Orde van Advocaten. Richtinggevend is de uitleg die wordt gegeven aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in relatie tot justitiële gegevens. In een eerder conceptwetsvoorstel uit 2000, dat ook is besproken met genoemde instanties, was informatieverstrekking aan een derde mogelijk in verband met "een gerechtvaardigd belang van de derde". Tegen dat criterium bestond in het bijzonder bij de Registratiekamer bezwaar, reden waarom in het voorliggende wetsvoorstel uitvoering is gegeven aan de opvatting van de Registratiekamer dat voor informatieverstrekking aan een derde “een zwaarwegend algemeen belang” vereist is. De Registratiekamer baseert zich daarbij op artikel 8 EVRM. Het College van procureurs-generaal vindt weliswaar het aanvankelijk voorgestelde criterium “gerechtvaardigd belang van de derde” te licht, maar maakt de uiterst strenge opvatting van de Registratiekamer niet tot de zijne. De Raad kan aan artikel 8 EVRM geen overtuigende argumenten ontlenen voor de opvatting dat zwaarwegende belangen van derden geen grond voor verstrekking kunnen vormen; in de toelichting wordt overigens - ondanks de voorgestelde wettekst - wèl het standpunt ingenomen dat zulke belangen van derden als algemene belangen zouden kunnen worden beschouwd. Het tweede lid van artikel 8 EVRM noemt uitdrukkelijk “de bescherming van rechten en vrijheden van anderen” als één van de mogelijke beperkingsgronden van het recht op respect voor ieders privéleven. De Raad acht het in het wetsvoorstel neergelegde criterium onvoldoende gemotiveerd en in het licht van de belangen van slachtoffers en belanghebbende organisaties niet overtuigend. Hij adviseert daarom niet alleen zwaarwegende algemene belangen als grond voor de verstrekking te aanvaarden, maar ook uitdrukkelijk rekening te houden met zwaarwegende belangen van derden als reden voor verstrekking van gegevens als hier bedoeld. 2. Verhouding tot de Wet bescherming persoonsgegevens De Wbp strekt blijkens de considerans ter uitvoering van Richtlijn nr.95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281). Deze richtlijn is niet van toepassing op de activiteiten van het openbaar ministerie, maar wel op die van degene die van het openbaar ministerie gegevens ontvangt. De Nederlandse wetgever is echter - zoals de Registratiekamer in zijn advies van 12 december 2000, bladzijde 5, opmerkt - verder gegaan dan de richtlijn voorschrijft door het openbaar ministerie niet uit te zonderen van de normering door de Wbp.(zie noot 2) Deze situatie wordt nu bestendigd. Weliswaar is de Wbp als zodanig volgens artikel 2, tweede lid, onder e, zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet justitiële (en strafvorderlijke) gegevens zal komen te luiden, niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van de Wet justitiële (en strafvorderlijke) gegevens, maar verscheidene essentiële bepalingen van de Wbp zijn wel van overeenkomstige toepassing verklaard. In het bijzonder verdient de vraag bespreking in hoeverre er reden is om verder te gaan dan de EG-richtlijn voorschrijft en de daaraan ontleende methodiek ook toe te passen op justitiële en strafvorderlijke gegevens. De Raad adviseert in de toelichting te preciseren in hoeverre de voorgestelde waarborgen voor de geregistreerde voorgeschreven zijn door de richtlijn, dan wel berusten op een eigen afweging van belangen binnen de door artikel 8 EVRM bepaalde kaders. Hierbij geeft de Raad in overweging tevens inzicht te bieden in de wijze waarop dit in andere EU-landen wordt geregeld. 3. Omvang informatieverstrekking Sinds 1 september 2001 geschiedt de informatieverstrekking aan derden op basis van de Wbp en de door het College van procureurs-generaal opgestelde Aanwijzing Wbp.(zie noot 3) Omtrent de vraag welke informatie wordt verstrekt wordt in deze aanwijzing gesteld dat de toepassing ervan beperkt is tot via Compas en de hoger-beroepsystemen toegankelijke strafdossiers. De Aanwijzing Wbp ziet dus niet op verstrekking van informatie uit andere gegevensverwerkingen door het openbaar ministerie. Ook paragraaf 1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel verwijst naar die gegevens. In het wetsvoorstel wordt met de term "strafvorderlijke gegevens" (artikel 1, onder b) op die informatie gedoeld. Daarmee is echter nog geen concreet antwoord gegeven op de vraag om welke gegevens het precies gaat. In de toekomst kan die onduidelijkheid nog toenemen wanneer het door de toepassing van digitale dossiers ook mogelijk wordt geluidsfragmenten en videobeelden te verwerken. Gelet op het voorgaande adviseert de Raad voor de afbakening van de omvang van de te verstrekken gegevens de regeling van "justitiële gegevens" als voorbeeld te nemen. Dat begrip is in de Wet justitiële gegevens (artikel 1, onder a) gedefinieerd als bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven gegevens omtrent natuurlijke personen en rechtspersonen inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering. In aansluiting daarop is in de artikelen 10 tot en met 12 van die wet vastgelegd welke gegevens aan de in artikel 9 bedoelde personen en instanties kunnen worden verstrekt. Het voorgaande wijst er naar de mening van de Raad op dat onzekerheid kan ontstaan, tot welke strafvorderlijke gegevens de mogelijke informatieverstrekking aan derden zich uitstrekt. Het college adviseert onduidelijkheid hieromtrent in de in te voegen titel weg te nemen, zo nodig door ook hier in een nadere omschrijving bij algemene maatregel van bestuur te voorzien. 4. Begrenzing in de tijd In het wetsvoorstel ontbreekt de mogelijkheid om derden te verplichten de door het openbaar ministerie verstrekte strafvorderlijke gegevens op een bepaald moment te verwijderen of niet langer te gebruiken. Deze omissie heeft mogelijk tot gevolg dat de gegevens uit de administratie van het openbaar ministerie zijn verwijderd(zie noot 4) (en eventueel gearchiveerd(zie noot 5)) op grond van het voorgestelde artikel 39d van de Wet justitiële gegevens, terwijl die gegevens elders nog voor onbepaalde tijd aanwezig blijven en gedurende die tijd kennelijk gebruikt kunnen worden overeenkomstig de doeleinden en voorschriften die ten tijde van de verstrekking zijn vastgesteld. De Raad adviseert op dit punt een voorziening in het wetsvoorstel op te nemen. 5. Nieuwe Europese ontwikkelingen De Raad adviseert in de memorie van toelichting te verduidelijken of het voorgestelde artikel 39e, eerste lid, onder j, en het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 8, vijfde lid, van de Wet justitiële gegevens gelet op nieuwe ontwikkelingen in EU-verband(zie noot 6) toereikend zijn om te voldoen aan de toekomstige Europese uitwisseling van strafvorderlijke gegevens. 6. Overheveling bevoegdheid naar strafrechter Volgens artikel III van het wetsvoorstel vervalt de beoordeling, die nu op grond van artikel 838, eerste lid, tweede volzin, WBrv door de burgerlijke rechter wordt gemaakt. Die bevoegdheid wordt in artikel II overgeheveld naar de strafrechter. Het gaat hier echter niet meer om de berechting van de verdachte, maar om tegengestelde, vaak naar hun aard civielrechtelijke belangen van betrokkene of derden. Het college acht deze overheveling daarom niet evident gerechtvaardigd en adviseert de wenselijkheid ervan of althans de argumentatie ervoor nader te bezien. 7. Bewijs van belang Op grond van artikel 838, eerste lid, tweede volzin, WBrv zal het verzoek van de derde alleen worden toegewezen indien hij heeft bewezen daarbij belang te hebben. Het vereiste dat de derde een belang moet bewijzen, is in het voorgestelde artikel 365, vierde lid, WvSv niet (expliciet) opgenomen, terwijl het volgens de memorie van toelichting onverkort blijft gelden. Indien de in onderdeel 6 van dit advies besproken overheveling naar de strafrechter wordt gehandhaafd, adviseert de Raad artikel 365, vierde lid, WvSv aan te passen. 8. Citeertitel De Raad wijst erop dat wegens de aanpassing in artikel I, onder J, van de citeertitel ook in alle andere regelingen waarin thans een verwijzing naar de Wet justitiële gegevens is opgenomen(zie noot 7) die verwijzing dient te worden geactualiseerd. 9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)