Raad van State
Voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels (Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels (Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 9 mei 2005, no. 05.001537, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de veiligheid van voor het wegverkeer toegankelijke tunnels (Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels), met memorie van toelichting. Het voorstel van wet dient ter implementatie van richtlijn 2004/54/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PbEU L 167). Het bevat onder meer voorschriften betreffende de procedure die moet worden gevolgd als bouw of wijziging van een tunnel voor het wegverkeer wordt overwogen en voorziet erin dat voor het in gebruik nemen van een tunnel instemming vereist is van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeentes waarin de tunnel is gelegen. De voorschriften in dit wetsvoorstel zijn aanvullend ten opzichte van de (bouwkundige) eisen die gelden bij of krachtens de Woningwet en de gemeentelijke bouwverordening. De Raad van State onderschrijft de strekking van het voorstel van wet, maar maakt daarover de volgende opmerkingen. 1. Veiligheidsbeambte In artikel 1.5 van het wetsvoorstel wordt de functie van veiligheidsbeambte geïntroduceerd. Volgens de tekst van artikel 1.5, derde lid, coördineert de veiligheidsbeambte alle maatregelen ten behoeve van de veiligheid van de tunnel. Bij de uitoefening van zijn taken is hij onafhankelijk. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken die hij heeft. Artikel 1.5 dient ter implementatie van artikel 6 van richtlijn 2004/54/EG, dat een overzicht geeft van de taken en functies van de veiligheidsbeambte. De algemene taakomschrijving van de veiligheidsbeambte, opgenomen in het eerste lid van artikel 6 van de richtlijn, is overgenomen in het zojuist aangehaalde derde lid van artikel 1.5. Behalve deze algemene omschrijving geeft de richtlijn in het tweede lid van artikel 6 ook een meer specifieke opsomming van de taken die de veiligheidsbeambte heeft. Hij zorgt voor coördinatie met hulpdiensten, werkt mee aan de planning, uitvoering en evaluatie van acties in noodsituaties, aan het opstellen van veiligheidsplannen, aan het specificeren van constructie en exploitatie van en voorzieningen in tunnels, en aan de evaluatie van incidenten en ongelukken. Verder brengt hij advies uit bij de ingebruikstelling van de constructie, voorzieningen en exploitatie van tunnels. Ten slotte gaat hij na of het tunnelpersoneel en de hulpdiensten getraind zijn en of de tunnelconstructie en -voorzieningen worden onderhouden en gerepareerd. In het wetsvoorstel zijn de specifieke taken en functies opgesomd in het tweede lid van artikel 6 van de richtlijn niet opgenomen. In de derde volzin van het derde lid van het voorgestelde artikel 1.5 is slechts vermeld dat bij ministeriële regeling nadere regels "kunnen" worden gesteld met betrekking tot de taken van de veiligheidsbeambte. Gelet op de verplichting tot implementatie van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn heeft het naar het oordeel van de Raad de voorkeur indien de wet zelf deze materie regelt. In elk geval dient er een wettelijke verplichting te worden geschapen welke erin voorziet dat de noodzakelijke nadere regels ter implementatie van de richtlijn tijdig bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling tot stand zullen worden gebracht. De Raad is opgevallen dat de memorie van toelichting vrijwel geen aandacht besteedt aan de taken van de veiligheidsbeambte, en de manier waarop ze zullen worden uitgeoefend. Daardoor blijft een aantal aspecten rond zijn positie onduidelijk. Het gaat in de eerste plaats om de vraag hoe de verschillende meer specifieke deeltaken die de veiligheidsbeambte zal uitoefenen, zich tot elkaar verhouden en in hoeverre ze passen in de algemene taakomschrijving waarin de veiligheidsbeambte wordt aangemerkt als coördinator voor alle maatregelen die de tunnelveiligheid betreffen. In de tweede plaats wordt niet duidelijk hoe de rol van de veiligheidsbeambte zich verhoudt tot personen die onder de bestaande wetgeving een (coördinerende) rol hebben op het gebied van veiligheid in en rond tunnels, hetzij in de sfeer van preventie hetzij wanneer zich daadwerkelijk ongevallen voordoen. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan personen of colleges die bevoegdheden hebben op grond van de Gemeentewet, de Wet rampen en zware ongevallen, de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen en de Brandweerwet 1985, zoals de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders, de Commissaris van de Koningin, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de regionaal geneeskundig functionaris en de regionale brandweer. Om in veiligheidsaangelegenheden doelmatig te kunnen optreden is duidelijkheid vereist over de vraag hoe de taken van de betrokken instanties zich tot elkaar verhouden en moet het stelsel van bevoegdheidsverdeling ook overzichtelijk zijn. De Raad adviseert de tekst van het voorgestelde artikel 1.5, derde lid, aan te passen en in de memorie van toelichting nader in te gaan op de positie van de veiligheidsbeambte en daarbij aandacht te besteden aan de genoemde punten. 2. Spoortunnels In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat een concept van het wetsvoorstel, dat ook betrekking had op veiligheid in spoortunnels, is aangepast naar aanleiding van het rapport van de Commissie-Sorgdrager.(zie noot 1) Er is voor gekozen om alleen de advisering door de Commissie voor de tunnelveiligheid ook van toepassing te laten zijn op spoortunnels (artikel 1.6, derde en vierde lid); de overige bepalingen hebben geen betrekking op tunnels voor spoorverkeer. Als in de toekomst regels met betrekking tot veiligheid in spoortunnels nodig blijken, bijvoorbeeld als gevolg van Europese richtlijnen die nu worden voorbereid, zullen die in een afzonderlijk "traject" vorm krijgen, aldus de memorie van toelichting.(zie noot 2) De Raad merkt op dat de Commissie-Sorgdrager in haar rapport geen specifieke conclusies trekt ten aanzien van het onder het wetsvoorstel brengen van spoortunnels; zij geeft juist aan begrip te hebben voor de overweging om nationaal geen onderscheid te maken tussen wegtunnels en spoortunnels. Wanneer evenwel ervoor wordt gekozen de reikwijdte van dit wetsvoorstel tot wegtunnels te beperken, ligt het in de rede om ook bepalingen over de advisering door de Commissie voor de tunnelveiligheid met betrekking tot spoortunnels te zijner tijd een plaats te geven in de wetgeving betreffende de veiligheid van spoortunnels. Op die manier wordt versnippering van de regeling van de veiligheid van spoortunnels over verschillende wettelijke regelingen zo veel mogelijk voorkomen, hetgeen de overzichtelijkheid ten goede komt. De Raad adviseert in de memorie van toelichting te verduidelijken waarom er niet voor is gekozen ook de spoortunnels onder het wetsvoorstel te brengen en tevens aan te geven waarom, nu daarvoor niet is gekozen, het niettemin nodig dan wel wenselijk wordt geacht om de advisering door de Commissie voor de tunnelveiligheid over spoortunnels in dit wetsvoorstel te regelen, en zonodig het wetsvoorstel aan te passen. 3. Indieningsvereisten verzoek tot instemming openstelling Artikel 1.8, aanhef en onder a, verbiedt de openstelling van een tunnel zonder de instemming van het college van burgemeester en wethouders. Het artikel regelt niet welke gegevens bij het verzoek om instemming (lees: vergunning) moeten worden overgelegd. Naar het oordeel van de Raad dient er geen onnodige onzekerheid te bestaan of bij de aanvraag ook het tunnelveiligheidsplan en de daartoe behorende risicoanalyses (artikel 1.6, eerste en tweede lid) en het veiligheidsbeheersplan (artikel 1.7) moeten worden overgelegd. Daarbij wijst de Raad erop dat artikel 13, eerste lid, van de richtlijn verlangt dat de risicoanalyses worden overgelegd aan het bevoegd gezag. De Raad adviseert te voorzien in indieningsvereisten ter verkrijging van een vergunning voor openstelling van een tunnel voor het verkeer. 4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl6 pagina's, pdf Tekst