Raad van State
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten, met nota van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten, met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 12 mei 2004, no. 04.001805, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten, met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit wijzigt het besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten (hierna: besluit zoönosen), zodat de uitvoering van communautaire regelgeving op het gebied van monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en zoönozenverwekkers op ministerieel niveau kan plaatsvinden. Hiertoe behoren verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU L 325) (hierna: verordening nr. 2160/2003) en richtlijn nr. 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PbEU L 325) (hierna: richtlijn nr. 2003/99/EG). De delegatiebepaling wordt noodzakelijk geacht in verband met een adequate en tijdige uitvoering van deze communautaire regelingen.De Raad van State adviseert het ontwerpbesluit niet aldus vast te stellen, omdat hij de delegatiebevoegdheid in het ontwerpbesluit onvoldoende nauwkeurig omschreven acht.1. Implementatie door gedelegeerde regelgevingHet ontwerpbesluit bevat een ruime delegatie bepaling voor het stellen van ministeriële regelingen omtrent de uitvoering van communautaire regelgeving op het gebied van monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers als bedoeld in bijlage I bij verordening nr. 2160/2003 en bijlage I bij richtlijn nr. 2003/99/EG. Volgens de nota van toelichting is deze delegatiebepaling ingegeven doordat Europese regelgeving op dit gebied vaak aan wijziging onderhevig is, technisch, specifiek en gedetailleerd van aard is en weinig ruimte voor keuzen laat. Daarnaast wordt gesteld dat op aangrenzende terreinen, bijvoorbeeld in hoofdstuk II, afdeling 3 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd), eveneens delegatie naar ministeriële regeling mogelijk is.De Raad merkt op dat bij de implementatie van Europese richtlijnen in beginsel moet worden vastgehouden aan de normale regels die gelden voor het antwoord op de vraag of regeling bij wet, bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling dient te geschieden. De controle op de regelgeving door de volksvertegenwoordiging is immers in het geding.(zie noot 1) In de aanwijzingen 20 tot en met 26 van de Aanwijzingen voor de regelgeving zijn de regels kort samengevat.In de eerste plaats dient het primaat van de wetgever te worden gerespecteerd ook daar waar de Grondwet niet uitdrukkelijk dwingt tot vaststelling van bepalingen bij wet, bijvoorbeeld in verband met het beperken van grondrechten, het vaststellen van punitieve sancties of het scheppen van medebewindsverhoudingen.In de tweede plaats is het voor de eenheid en consistentie van de Nederlandse wetgeving van groot belang dat de implementatieregeling een samenhangend geheel vormt met de overige Nederlandse wetgeving op hetzelfde terrein. Dit maakt het onwenselijk om voor de implementatie van Europese regelingen op een ander niveau regels vast te stellen dan het wettelijke stelsel waarvan die regels deel gaan uitmaken.In de derde plaats dient te worden bedacht dat de beperking van het middel van de ministeriële regeling tot het vaststellen van voorschriften van technische en administratieve aard (afgezien van zeer spoedeisende regelingen, die dan echter van tijdelijke aard plegen te zijn) niet alleen is ingegeven door de status van de ministeriële regeling maar ook door het ervaringsgegeven dat er een significant verschil in kwaliteit pleegt te zijn tussen wetten en algemene maatregelen van bestuur enerzijds en ministeriële regelingen anderzijds.(zie noot 2)Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het thans voorgestelde nieuwe artikel 2 niet aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, omdat deze delegatiebepaling dusdanig ruim is geformuleerd dat (vrijwel) alle communautaire regelingen betreffende zoönosen op ministerieel niveau geregeld kunnen worden. Gelet op het primaat van de wetgever is dit bezwaarlijk. Bovendien is niet uitgesloten dat bij implementatie van toekomstige regelgeving betreffende de zoönosen bepalingen niet louter technisch en specifiek zijn en dat ze wel ruimte laten voor keuzen. De Raad merkt tevens op dat hoofdstuk II, afdeling 3, Gwwd, waarnaar de toelichting verwijst, de delegatie wel nauwkeurig omschrijft.Een ander bezwaar dat de Raad heeft bij het voorgestelde artikel 2 besluit zoönosen is dat deze ruime delegatiebevoegdheid een lege bepaling is. Het artikel geeft geen nadere uitwerking van de bepalingen uit de Gwwd, maar delegeert de onderwerpen slechts door naar ministeriële regeling.Tot slot komt het de Raad voor dat het niet wenselijk is dat de bepalingen die thans in het besluit zijn opgenomen over de bewaarplicht voor onderzoeksgegevens voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven, de mogelijkheid tot het erkennen van laboratoria en het vorderen van medewerking van het Productschap Diervoerder zich zouden lenen voor delegatie naar een ministeriële regeling.Naar het oordeel van de Raad dient in het ontwerpbesluit de delegatie nauwkeuriger te worden omschreven.2. Vervallen van definities van richtlijnena. Artikel I, onder A, van het ontwerpbesluit strekt ertoe de definities van verschillende richtlijnen te laten vervallen en twee nieuwe definities op te nemen. Aangezien artikel 6, aanhef, besluit zoönosen verwijst naar richtlijn nr. 91/67/EEG(zie noot 3) dient de definitie van deze richtlijn in artikel 1 van het besluit zoönosen te blijven bestaan.De Raad adviseert artikel I, onder A, te wijzigen.b. Volgens de toelichting zijn de richtlijnen waarvan de definities in artikel 1 van het besluit komen te vervallen, nog wel van kracht. De Raad merkt op dat richtlijn nr. 92/117(zie noot 4) met ingang van 12 juni 2004 wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 15 van richtlijn nr. 2003/99/EG.De Raad adviseert de toelichting dienovereenkomstig aan te vullen.3. Vervallen bepalingenDe bepalingen in de artikelen 2, 3 en 4 van het besluit komen op grond van artikel I, onder B, C en D, te vervallen. Deze artikelen regelen de bewaarplicht voor onderzoeksgegevens voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven, de mogelijkheid tot het erkennen van laboratoria en het vorderen van medewerking van het Productschap Diervoerder.Volgens de toelichting worden deze onderwerpen bij ministeriële regeling geregeld, voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van de verordening nr. 2160/2003 en de richtlijn nr. 2003/99/EG. Zoals reeds in punt 1 is gesteld, merkt de Raad allereerst op dat deze onderwerpen zich niet lenen voor ministeriële regeling. Het college merkt voorts op dat op grond van artikel 7, eerste lid, richtlijn nr. 77/99/EG(zie noot 5) exploitanten of beheerders ook verplicht zijn gegevens van controles te bewaren. Daarnaast is het, gezien de inwerkingtredingsbepaling van het ontwerpbesluit, de vraag of geen gefaseerde inwerkingtreding van het ontwerpbesluit dan wel overgangsrecht nodig is. Voorkomen dient te worden dat er (tijdelijk) geen geldige regels bestaan inzake de onderwerpen in de periode dat de noodzakelijke ministeriële regelingen (nog) niet zijn vastgesteld.De Raad adviseert hierop in de toelichting in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen de inhoud van het ontwerpbesluit en geeft U in overweging niet aldus te besluiten.De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl6 pagina's, pdf Tekst