Raad van State
Voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer in verband met de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het overtollig grondwater en het afvloeiend hemelwater, alsmede verduidelijking van de zorgplicht voor het afvalwater, en aanpassing van het bijbehorende bekostigingsinstrument (verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken), met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer in verband met de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het overtollig grondwater en het afvloeiend hemelwater, alsmede verduidelijking van de zorgplicht voor het afvalwater, en aanpassing van het bijbehorende bekostigingsinstrument (verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 23 mei 2005, no.05.001894, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer in verband met de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het overtollig grondwater en het afvloeiend hemelwater, alsmede verduidelijking van de zorgplicht voor het afvalwater, en aanpassing van het bijbehorende bekostigingsinstrument (verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken), met memorie van toelichting. Het wetsvoorstel legt het gemeentebestuur een zorgplicht op voor de doelmatige verwerking van overtollig grondwater en het doelmatig beheer van het afvloeiend hemelwater in stedelijk gebied, voorzover dit niet van de particulier gevergd kan worden. De bestaande zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gesplitst in een zorgplicht op het punt van hemelwater (nieuw in de Wet op de waterhuishouding) en een zorgplicht voor afvalwater (aanpassing in de Wet milieubeheer). Bovendien wordt het gemeentebestuur in staat gesteld een heffing op te leggen ter bestrijding van de hiermee gepaard gaande kosten. Deze heffing komt in de plaats van het thans bestaande rioolrecht. De Raad van State maakt opmerkingen over de zorgplichten voor gemeentebesturen, de verhouding tot het Europees recht, het perspectief voor de particulier, de brede rioolheffing en de advisering door de Raad voor de financiële verhoudingen. Hij is van oordeel dat het wetsvoorstel in verband daarmee nader dient te worden overwogen. I. ZORGPLICHTEN VOOR GEMEENTEBESTUREN 1. Zorgplichten in de Wet op de waterhuishouding Het wetsvoorstel legt de gemeentebesturen twee nieuwe zorgplichten in het stedelijk gebied op (voor afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater). De memorie van toelichting noemt de zorgplichten van artikel 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding een inspanningsverplichting.(zie noot 1) Naar het oordeel van de Raad gaat het feitelijk om toedeling van taken aan gemeentebesturen. Volgens de memorie van toelichting wordt met de voorgenomen verankering van een gemeentelijke zorgplicht voor overtollig grondwater een bestaande wettelijke leemte opgevuld.(zie noot 2) De memorie van toelichting stipt in dezelfde alinea aan dat tot op heden op grond van de wet geen enkele overheidsinstantie kan worden aangesproken op een meer actieve opstelling ten aanzien van grondwaterproblemen. De toelichting gaat echter niet in op de gevolgen van de voorgestelde zorgplichten voor de aansprakelijkheid van gemeenten in relatie tot de aansprakelijkheid van waterschappen en provincies voor tekorten in de nakoming van die plichten. De Raad hecht er groot belang aan dat bij de toedeling van deze nieuwe taken duidelijk wordt afgebakend wat precies tot de desbetreffende taak wordt gerekend, zodat overheden, particulier en rechter kunnen bepalen of er sprake is van een tekortschieten door het gemeentebestuur. De voorgestelde artikelen 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding bieden op vele punten niet de vereiste duidelijkheid. - Het "verwerken" van overtollig grondwater wordt door de toelichting zeer ruim omschreven (ruimer dan "beheer" van afvloeiend hemelwater).(zie noot 3) - Wat onder "overtollig" grondwater wordt verstaan is niet duidelijk. In de toelichting wordt gesteld dat "het ook de gemeenten zijn die in hun grondwaterbeleid invulling geven aan het begrip "overtolligheid"". Het is niet duidelijk hoe dit zich verhoudt tot de Grondwaterwet, waarin gedeputeerde staten worden aangewezen als bevoegd gezag met betrekking tot onttrekking van grondwater en infiltreren in grondwater, in verband met het grondwaterpeil, en de op grond van artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding vast te stellen peilbesluiten. - In de toelichting wordt vermeld dat uit het gemeentelijk rioleringsplan moet blijken wanneer kan worden gesproken van structureel overtollig grondwater, "zodat particulieren kunnen weten in welke omstandigheden zij maatregelen van de gemeente mogen verwachten".(zie noot 4) Onderscheid tussen incidenteel en structureel overtollig grondwater maakt artikel 9a niet. - De definitie van stedelijk gebied (tot welk gebied de nieuwe zorgplichten zich beperken), en daarmee de precieze begrenzing van dit gebied, is onduidelijk, nu in artikel II, onderdeel A, wordt verwezen naar artikel 1, eerste lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing dat zelf evenmin een definitie bevat en bovendien de memorie van toelichting bij de Wet stedelijke vernieuwing duidelijk maakt dat "stedelijk gebied" niet steeds dezelfde betekenis heeft.(zie noot 5) - De term "redelijkerwijs" zal in de jurisprudentie nader invulling moeten krijgen. De memorie van toelichting gaat niet in op de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de aansprakelijkheid van waterschappen bij het beweerdelijk tekortschieten in hun taak. - Soortgelijke vragen zijn te stellen bij artikel 9b. De Raad wijst in dit verband ook op hetgeen hierna, onder 6, wordt opgemerkt over de gemeenten in de lager gelegen gebieden in West-Nederland. Al deze opmerkingen leiden de Raad tot het oordeel dat de voorgestelde artikelen 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding ingrijpend moeten worden aangepast, evenals de definitie van stedelijk gebied. In de toelichting dient te worden ingegaan op de (reikwijdte van de) aansprakelijkheid van gemeenten ten gevolge van de nieuwe taken. Ook dient te worden ingegaan op de wijze van beslechting van eventuele conflicten over de vraag welke overheid (gemeente, waterschap of provincie) aansprakelijk moet worden gesteld of geacht. Voorkomen moet worden dat de belanghebbende particulier de dupe wordt van onhelderheid van de taaktoedeling. 2. De gemeente als rechtspersoon Voorgesteld wordt in de artikelen 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding de zorg op te dragen aan de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. De Raad merkt hierover op dat het gaat om taken, geformuleerd, als zorgplicht, welke op de rechtspersoon gemeente rusten. De Raad verwijst in dit verband naar artikel 9 van dezelfde wet, waarin het Rijk als zodanig wordt genoemd. De Raad adviseert in de artikelen 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding de woorden "de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders" te vervangen door: De gemeente. 3. Verdeling van verantwoordelijkheden in verschillende wetten In de memorie van toelichting wordt beschreven hoe in bestaande wetgeving de verantwoordelijkheden terzake van grondwater verdeeld zijn over provincies, waterschappen, gemeenten en particulieren (burgers en bedrijven). Voorts wijst de toelichting op het voorgestelde artikel 10.33 Wm, waarin een gemeentelijke zorgplicht voor inzameling en transport van afvalwater is opgenomen. Hemelwater wordt in de praktijk vaak in het vuilwaterriool afgevoerd. De toelichting geeft geen afdoend antwoord op de vraag waarom alle nieuwe zorgplichten juist aan gemeentebesturen en niet aan de besturen van waterschappen of provincies worden opgedragen. In paragraaf 5, onder a, van de memorie van toelichting wordt er slechts op gewezen dat de afvoer van afvloeiend hemelwater in stedelijk gebied ook nu al door gemeenten plaatsvindt, mede als gevolg van het feit dat de aanpak daarvan nauw is verweven met andere ingrepen in de stedelijke leefomgeving. Over de verhouding van de voorgestelde nieuwe zorgplichten tot toekomstige regelingen inzake water wordt slechts vermeld dat deze op termijn zullen worden geïntegreerd in de aangekondigde integrale Waterwet. Hoe deze taaktoedeling past in het algemene waterbeleid behoeft nadere toelichting. Ook is het de Raad opgevallen dat de verhouding tot de Grondwaterwet niet wordt toegelicht. Het is wenselijk dat hierop wordt ingegaan, omdat de verplichting het overtollig grondwater te verwerken, gemeentebesturen kan nopen tot activiteiten waarvoor een vergunning van gedeputeerde staten op grond van de Grondwaterwet is vereist. Niet uitgesloten is dat deze vergunning wordt geweigerd. De Raad adviseert nader toe te lichten waarom de nieuwe zorgplichten aan gemeentebesturen worden opgedragen en hoe deze toedeling past in het toekomstige geheel van verantwoordelijkheden terzake van water. 4. Zorgplicht in de Wet milieubeheer Artikel 10.33, eerste lid, draagt de zorg voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater op aan de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. De Raad is zich ervan bewust dat hiermee wordt aangesloten op andere bepalingen in de Wm. Evenals in de artikelen 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding rust de zorgplicht op de gemeente. De Raad adviseert ook in deze bepaling "De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders" te vervangen door: De gemeente. Het voorgestelde artikel 10.33, derde lid, Wm vervangt het huidige tweede lid. Daarmee is de zinsnede "voor een in die ontheffing genoemde periode," weggevallen. Een motivering daarvoor ontbreekt. De Raad adviseert de zinsnede alsnog toe te voegen. In hetzelfde artikellid wordt de ontheffingsmogelijkheid "in het belang van een doelmatig beheer van stedelijk afvalwater" geboden. Niet duidelijk is waarom hier niet, evenals in artikel 10.32 Wm, is gekozen voor het belang van de bescherming van het milieu. Ten slotte wordt de term "bebouwde kom" gebruikt. Deze term staat ook in het bestaande artikel 10.33; juist door mogelijke verwarring met "het stedelijk gebied" in de Wet op de waterhuishouding verdient het aanbeveling de term "bebouwde kom" in de Wm te definiëren. 5. Samenwerking overheden Duidelijk is dat verschillende overheden taken hebben met betrekking tot water. De tekst van het wetsvoorstel verplicht tot samenwerking, maar maakt niet duidelijk wat de verschillende rollen binnen die samenwerking precies zijn. Een van de uitgangspunten van de Code interbestuurlijke verhoudingen is juist een betere afbakening van verantwoordelijkheden en taken tussen de verschillende overheden.(zie noot 6) De Raad wijst op het voorgestelde artikel 10.33, tweede lid, Wm van een "plan voor de aanpak van lozingen van stedelijk afvalwater, dat de goedkeuring heeft van de besturen van de betrokken gemeente, waterschap en provincie". Beter zou zijn te specificeren dat het plan wordt vastgesteld door de gemeenteraad, na overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap, en dat het plan is onderworpen aan de goedkeuring door gedeputeerde staten. De Raad adviseert de wettekst aan te scherpen. 6. Gemeentelijke beleidsinstrumenten De instrumenten die het gemeentebestuur ten dienste staan voor de realisering van hun nieuwe taken, worden in de toelichting niet overzichtelijk gepresenteerd. Het wetsvoorstel regelt de bekostiging van de taken door de voorgestelde heffing, het bevat de verplichting in het gemeentelijk rioleringsplan een onderdeel op te nemen terzake van het transport van stedelijk afvalwater, het beheer van afvloeiend hemelwater en de verwerking van overtollig grondwater (het voorgestelde artikel 4.22 Wm). Daarmee is onvoldoende duidelijk of gemeentebesturen de opgelegde plichten kunnen uitvoeren. Daar komt de vraag bij of gemeentebesturen in West Nederland, los van een nauwe afstemming op het beleid van waterschappen, hun verantwoordelijkheid ten gevolge van deze nieuwe zorgplicht waar kunnen maken. In de lagere gedeelten van West Nederland staat het peil van het grondwater in vrij direct verband met dat van het oppervlaktewater. Voor dit laatste peil zijn de waterschappen verantwoordelijk in het buitengebied en soms ook weer in stedelijke gebieden voorzover die "herpolderd" zijn of weer teruggebracht zijn in waterschapsverband. De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op de instrumenten die voor de gemeenten beschikbaar zijn om inhoud te geven aan de nieuwe zorgplichten. 7. Verhouding tot Europees recht De memorie van toelichting besteedt nauwelijks aandacht aan de verhouding van dit wetsvoorstel tot het Europese waterbeleid en het Europese recht terzake. In paragraaf 11, onder b, van de memorie van toelichting wordt niet meer opgemerkt dan dat de gekozen verankering van de zorgplichten voor overtollig grondwater en afvloeiend hemelwater en het daaraan ten grondslag liggende grondwaterbeleid en de herijking van het hemelwaterbeleid in lijn zijn met de Kaderrichtlijn Water.(zie noot 7) In paragraaf 3, onder a, wordt toegelicht dat de wijziging van artikel 10.33 Wm weliswaar de wettelijke zorgplicht voor afvalwater beperkt, maar dat deze beperking past binnen de uitleg die in de praktijk aan de richtlijn stedelijk afvalwater wordt gegeven.(zie noot 8) De toelichting vermeldt niet of deze praktijk - en hetgeen nu wordt voorgesteld - ook past in de Europeesrechtelijke uitleg van de richtlijn stedelijk afvalwater. Een uitleg in strijd met de tekst van de richtlijn zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, is niet toegestaan. De wijziging van de definities van huishoudelijk afvalwater en stedelijk afvalwater in het wetsvoorstel zijn volgens de toelichting op artikel III, onderdeel A, in overeenstemming met de richtlijn stedelijk afvalwater.(zie noot 9) De Raad wijst erop dat de richtlijn niet "overtollig grondwater" bij de definitie van stedelijk afvalwater noemt. De toevoeging in de definitie van huishoudelijk afvalwater in het wetsvoorstel ("en ander afvalwater dat daarmede naar aard en samenstelling overeenkomt") komt niet voor in de richtlijndefinitie. Omdat deze definities van invloed zijn op de werkingssfeer van de wet, en dus op de vraag naar de correcte implementatie van de richtlijn, dient zeker te worden gesteld dat ook met de gewijzigde definities aan de eisen van de richtlijn wordt voldaan. In de toelichting dient in ieder geval de verenigbaarheid van de afwijkingen met de richtlijn te worden uitgelegd. Ten slotte wijst de Raad op het voorstel voor een richtlijn van Parlement en Raad inzake de bescherming van grondwater tegen verontreiniging.(zie noot 10) De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op de verhouding van dit wetsvoorstel tot de verschillende geldende en toekomstige Europese (kader)richtlijnen. 8. Perspectief voor de particulier De memorie van toelichting geeft geen overzicht van de - positieve en negatieve - gevolgen van het wetsvoorstel voor particulieren (burgers en bedrijven). Op de lastenverzwaring door de brede rioolheffing zal de Raad hierna ingaan. De gemeentelijke zorgplichten van de voorgestelde artikelen 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding zijn beperkt. Gekozen is voor het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor afvoer van afvloeiend hemelwater primair ligt bij degene bij wie dit hemelwater vrijkomt.(zie noot 11) Ook voor het omgaan met en verwerken van grondwater geldt het uitgangspunt dat de particulier verantwoordelijk is, voorzover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.(zie noot 12) Voorts moet de particulier zelf zorgen voor de zuivering van huishoudelijk afvalwater in die delen van het buitengebied of de bebouwde kom, waarvoor het gemeentebestuur geen zorgplicht heeft, omdat daarvoor een vrijstelling is aangevraagd en verleend (voorgesteld artikel 10.33, derde lid, Wm). Deze verplichtingen van de particulier staan niet uitdrukkelijk in de wet opgenomen. De regels waaraan particulieren zich moeten houden bij de lozing van afvalwater komen deels in het Besluit lozingen afvalwater huishoudens te staan.(zie noot 13) Op grond van het voorgestelde artikel 10.32a Wm kunnen aan particulieren regels inzake de lozing van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater worden opgelegd. Het is niet duidelijk welke regels de verordening kan bevatten en in hoeverre deze regels belastend kunnen zijn. De memorie van toelichting gaat evenmin in op de verplichting van de eigenaar (overheid en particulier) van een lager erf tot het ontvangen van het water dat van hoger gelegen erven van nature afloopt (artikel 5:38 van het Burgerlijk Wetboek); hierbij wordt de openbare weg ook gerekend tot genoemde erven. Zoals de Raad onder 1 erop wijst dat het wetsvoorstel meer handvatten moet bieden om uit te maken of er sprake is van een tekortschietend bestuur, dient ook duidelijk te zijn of er sprake is van een tekortschieten door de particulier. Ook is niet duidelijk in hoeverre de verplichtingen voor particulieren naleefbaar zijn. Zo zullen activiteiten ter verwerking van overtollig grondwater veelal niet in redelijkheid van de particulier gevergd kunnen worden. Als het grondwaterpeil structureel wordt verhoogd en het gemeentebestuur meent dat er geen sprake is van overtollig grondwater, is de vraag wat de particulier kan doen. Als het al mogelijk is grondwater te onttrekken of te infiltreren, dient hij daartoe ook juridisch in staat gesteld te worden. Bij de bouw wordt in de regel rekening gehouden met een bepaald peil van het grondwater; aanvullende bouwkundige voorzieningen zijn dikwijls niet mogelijk of slechts tegen hoge extra kosten. Toegelicht zou moeten worden wat wel en wat niet redelijkerwijs van particulieren gevergd kan worden. De Raad adviseert in de toelichting op beide punten in te gaan. 9. Conclusie inzake de zorgplichten Gelet op voorgaande opmerkingen adviseert de Raad in de Wet op de waterhuishouding de voorgestelde artikelen 9a en 9b ingrijpend aan te passen evenals de definitie van stedelijk gebied, de taken in de Wet op de waterhuishouding en de Wm toe te delen aan de rechtspersoon gemeente, de toedeling van verantwoordelijkheden aan gemeenten nader toe te lichten, de samenwerking van verschillende overheden in de wettekst scherper te formuleren en de voor de gemeenten beschikbare instrumenten ter verwezenlijking van de zorgplichten te bespreken, en op de verhouding van het wetsvoorstel tot Europese richtlijnen en op het perspectief van de burger dieper in te gaan. II BREDE RIOOLHEFFING 10. Gemeentelijke belastingen De Gemeentewet geeft in hoofdstuk XV regels inzake de gemeentelijke belastingen. Als gemeentelijke belastingen worden ook aangemerkt rechten die worden geheven voor het gebruik van openbare werken, het gebruik maken van publieke diensten en dergelijke (artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet). Voor de gemeentelijke belastingen zijn in de Gemeentewet de essentialia neergelegd, dit in het verlengde van artikel 104 van de Grondwet. Zo worden voor de onroerende zaakbelasting een heffingsmaatstaf en een tarief in de wet gegeven (artikel 220c van de Gemeentewet). Voor de rechten geldt een andere begrenzing. Artikel 229b van de Gemeentewet bepaalt namelijk dat de tarieven zodanig dienen te worden vastgesteld, dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten terzake van de verleende diensten. Onder deze rechten valt thans ook het rioolrecht. Het voorstel strekt er in wezen toe een verruiming voor de rioolrechten toe te staan om aldus ook de kosten die niet aan de individuele tegenprestaties zijn te koppelen, om te kunnen slaan. Volgens de toelichting (paragraaf 4) mag de voorgestelde heffing maximaal kostendekkend zijn. De toelichting karakteriseert de heffing als een bestemmingsheffing ("brede rioolheffing"), dat wil zeggen een heffing waarvan de opbrengst bestemd is voor een bepaald doel. De Gemeentewet kent belastingen en rechten. De opbrengsten daarvan vloeien toe aan de algemene middelen van de gemeente. De Gemeentewet kent thans geen juridische mechanismen voor de oormerking van bepaalde belastingopbrengsten voor bepaalde doelen. Dat de grondslag voor de rechten en voor de voorgestelde heffing gerelateerd is aan bepaalde kosten die door de gemeente worden gemaakt, doet daar niet aan af. Nu wordt een derde categorie geïntroduceerd, namelijk een heffing voor een specifiek onderwerp van zorg, zonder dat daaraan een voorafgaande algemene beleidsafweging ten grondslag ligt. De nieuwe heffing is geen recht in de zin van artikel 229, want de heffing wordt niet geheven voor een individueel gebruik of genot van een gemeentelijke dienst; er staat geen rechtstreekse prestatie tegenover, althans geen prestatie die rechtstreeks tot individuele gevallen herleidbaar is. Anders dan de memorie van toelichting suggereert, kan de nieuwe heffing in het voorgestelde systeem geen bepaalde bestemming hebben. De Raad adviseert opnieuw de noodzaak te bezien van de introductie van een heffing naast de bestaande gemeentelijke belastingen en rechten. 11. Afbakening van de kosten Onverlet het onder 10 gestelde, merkt de Raad op dat de thans geldende begrenzing voor de hoogte van de tarieven voor de rechten in artikel 229b van de Gemeentewet niet geldt voor de voorgestelde bestemmingsheffing. Deze valt immers niet onder de rechten, bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet. De Raad adviseert te voorzien in een heldere afbakening van de kosten terzake waarvan deze heffing de financiering kan zijn. 12. Gemeentelijke lastenverzwaring Uit de memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de "brede rioolheffing" die particulieren moeten betalen, hoger zal zijn dan de huidige rioolrechten. De kosten in verband met de nieuwe en bestaande zorgplichten nemen toe, de verfijningsuitkering riolering uit het gemeentefonds loopt af, de gemeentelijke heffingscapaciteit wordt groter.(zie noot 14) In paragraaf 9 van de toelichting wordt vermeld dat de kosten per huishouden zullen toenemen met 5 tot 7% per jaar, van €167 in 2002 naar €210 in 2010. Daarbij zijn de kosten die gemoeid zijn met de gemeentelijke taken voor grondwater nog niet betrokken; de toelichting wijst op een schatting van €5 per huishouden.(zie noot 15) Dit kan leiden tot een verzwaring voor particulieren van gemeentelijke lasten. Dit gaat in tegen het streven van de regering de lokale lasten te beperken. De verzwaring van gemeentelijke lasten ontlokken ook jaarlijks scherpe kritiek aan organisaties als VNO/NCW en Consumentenbond. De Raad adviseert in de toelichting een overzicht op te nemen over de laatste 10 jaar, van de taken die het Rijk aan gemeenten heeft opgelegd, en de daarmee gepaard gaande verzwaringen van lokale lasten. Hij adviseert in de toelichting te vermelden hoe de lastenverzwaring door dit wetsvoorstel in dit geheel past. 13. Advies van de Raad voor de financiële verhoudingen Uit de memorie van toelichting blijkt niet dat de voorgestelde wijziging van hoofdstuk XV van de Gemeentewet ter advisering is voorgelegd aan de Raad voor de financiële verhoudingen. Ook wordt daarvoor geen motivering gegeven. Dit klemt temeer gelet op hetgeen de Raad opmerkt over de introductie van een nieuwe vorm van gemeentelijke belasting (onder 10). De Raad beveelt aan dit advies alsnog te vragen. Hij gaat ervan uit dat het voorstel nogmaals bij de Raad aanhangig gemaakt zal worden, indien dat advies strekt tot meer dan bijkomstige wijzigingen. III. OVERIGE OPMERKINGEN 14. Het voorgestelde artikel 10.30, tweede lid, Wm is niet aangepast aan de voorgestelde definitie van huishoudelijk afvalwater. De Raad adviseert hierin alsnog te voorzien. 15. In artikel IV, tweede lid, wordt bepaald dat de gemeenteraad uiterlijk binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet een (nieuw) gemeentelijk rioleringsplan vaststelt. Gezien de tekst van artikel V zullen naar verwachting de verschillende onderdelen van de wet op verschillende momenten in werking treden. De Raad adviseert daarom de termijn te stellen op uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van "dit artikel" (artikel IV). 16. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl18 pagina's, pdf Tekst