Raad van State
Technische herstelwet 2003 met memorie van toelichting.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Technische herstelwet 2003 met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2003, no.03.002939, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de Technische herstelwet 2003 met memorie van toelichting. Het voorstel heeft betrekking op enkele technische herzieningen. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een aantal opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1. In punt 3 van onderdeel Algemeen van de toelichting wordt gesteld dat het geheel van bepalingen met betrekking tot de werkruimte grondig is bezien, hetgeen heeft geleid tot aanpassing van veel regelingen teneinde een zoveel mogelijk gelijke behandeling van werkruimtes te bereiken voor ondernemers, resultaatgenieters, directeuren-grootaandeelhouders en werknemers in loondienst. De Raad adviseert in een schematisch overzicht het voorgestelde regime weer te geven, zowel voor zelfstandige als voor onzelfstandige werkruimten, in geval de eigen woning al dan niet tot het ondernemersvermogen behoort, de eigen woning tot het vermogen van een naamloze of besloten vennootschap behoort en al dan niet tegen vergoeding ter beschikking wordt gesteld aan een werknemer die al dan niet directeur-grootaandeelhouder is, en de eigen woning eigendom is van een werknemer die al dan niet directeur-grootaandeelhouder is en die een vergoeding van de vennootschap voor de werkruimte ontvangt dan wel de vennootschap bepaalde kosten en lasten voor de werkruimte voor haar rekening neemt. 2. Voorgesteld wordt voor de toepassing van een aantal bepalingen in de inkomsten- en vennootschapsbelastingheffing onder woning mede te verstaan een woonboot en een woonwagen, alsmede de aanhorigheden van een woning, woonboot en woonwagen (artikelen 3.16, twaalfde lid, 3.19, vijfde lid, en 3.93, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en artikel 10, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb 1969). Deze omschrijving is ruimer - of wellicht minder nauwkeurig - dan de in artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 opgenomen omschrijving van eigen woning, omdat ten aanzien van de met de eigen woning gelijkgestelde schepen en woonwagens onder meer de voorwaarde van duurzaam aan een plaats gebonden zijn ontbreekt. De Raad adviseert de verschillen in de omschrijving te motiveren. Tevens adviseert de Raad te bezien of voor de loonbelastingheffing de gelijkstelling van woonboot en woonwagen met woning bij de daarvoor in aanmerking komende regelingen niet uitdrukkelijk bepaald dient te worden. 3. Voorgesteld wordt een onderdeel i aan artikel 10, eerste lid, Wet Vpb 1969 toe te voegen teneinde te bereiken dat de fiscale behandeling van de werkruimte in de vennootschapsbelasting gelijk is aan die van de inkomstenbelasting. Naar het oordeel van de Raad is dit voorstel op zich niet toereikend. Het regime in de Wet IB 2001 heeft tot resultaat dat de kosten en lasten van een onzelfstandige werkruimte noch in het geval zij door de belastingplichtige in zijn kwaliteit van ondernemer worden gedragen, noch in het geval zij door de belastingplichtige in zijn kwaliteit van eigenaar worden gedragen, ten laste van zijn belastbare inkomen worden gebracht. Materieel worden deze kosten en lasten uit het netto-besteedbaar inkomen opgebracht. Dit effect wordt niet bereikt indien de kosten en lasten voor een onzelfstandige werkruimte in een eigen woning van een aanmerkelijk belanghouder ten laste van de winst van zijn vennootschap worden gebracht en van die winst fiscaal niet aftrekbaar zijn, tenzij tevens wordt bepaald dat een bedrag gelijk aan die kosten en lasten als dividend bij die aanmerkelijk belanghouder wordt belast. In dat geval wegen de vennootschapsbelasting over de niet aftrekbare kosten en de aanmerkelijk belangheffing over het overeenkomstige bedrag min of meer op tegen de progressieve inkomstenbelasting over de niet aftrekbare kosten in het geval van de in de inkomstenbelastingheffing betrokken ondernemer. In de thans voorgestelde “vertaalslag” is het beoogde regime niet volledig gerealiseerd. De Raad adviseert het voorstel opnieuw te bezien. 4. De Raad merkt op dat de aanpassing van de omschrijving van de werkruimte in de eigen woning ertoe kan leiden dat een ruimte in de eigen woning tot 1 januari 2005 wel en daarna niet meer als (afzonderlijke) werkruimte wordt aangemerkt, omdat een objectief criterium (vloeroppervlakte groter dan een derde deel van de vloeroppervlakte van de woning) wordt vervangen door een materieel criterium (intensiteit van gebruik voor inkomensverwerving). De gevolgen van de hierdoor opgeroepen sfeerovergang zijn niet uitdrukkelijk geregeld, noch is daaraan in de toelichting aandacht besteed. In ieder geval dient te worden aangegeven of deze sfeerovergang aanleiding geeft tot afrekening over de waardemutatie met betrekking tot de werkruimte. De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen. 5. In de toelichting op de opnieuw geformuleerde regeling ten aanzien van de onzelfstandige werkruimten is geen aandacht gegeven aan de wijze waarop in het algemeen de inrichting van die ruimten voor de inkomsten- en vennootschapsbelastingheffing behandeld dient te worden. De Raad adviseert alsnog - buiten het geval van telewerken - in te gaan op het regime dat geldt voor de inrichting van de onzelfstandige werkruimte. 6. Voorgesteld wordt door de wijziging van artikel 3.127 Wet IB 2001 de berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek wegens een pensioentekort te relateren aan de omstandigheden in het voorafgaande kalenderjaar. Deze wijziging van berekening gaat in met ingang van 1 januari 2004. Voor 2003 is nog sprake van niet-gesynchroniseerde gegevens omdat voor de berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek in dat jaar de pensioenaangroei van 2002 van betekenis is. Voor 2004 is de ruimteberekening gesynchroniseerd, hetgeen de onevenwichtigheid die door het amendement Van Vroonhoven-Kok(zie noot 1) is ontstaan, wegneemt, maar worden opnieuw de elementen uit het kalenderjaar 2003 in aanmerking genomen. Dit houdt een mogelijkheid van in de tijd bezien dubbele ruimte voor aftrek van lijfrentepremies in. Hetzelfde geldt bij toepassing van het toegezegde goedkeuringsbesluit. Aan de gevolgen van de effecten van de opeenvolgende regimes is in de toelichting geen aandacht besteed. De Raad adviseert de toelichting op deze punten aan te vullen en in ieder geval cijfervoorbeelden op te nemen met betrekking tot de berekening van ruimte voor de lijfrentepremieaftrek en de reserveringsruimte voor de kalenderjaren 2003 en 2004. 7. Voorgesteld wordt artikel I, onderdeel Ua, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 aan te vullen met de nagekomen subsidies voor andere dan de zogenoemde monumentenpanden en voor niet-monumentenpanden, indien de kosten voor onderhoud onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ten laste van het belastbare inkomen zijn gebracht. Zij zullen als negatieve persoonsgebonden aftrek worden aangemerkt. Aangezien de nagekomen subsidies niet met terugwerkende kracht als negatieve persoonsgebonden aftrek kunnen worden aangemerkt, ontstaat een ongelijkheid met de eigenaren van andere dan monumentenpanden en van niet-monumentenpanden die de nagekomen subsidies al hebben ontvangen. Indien nog slechts een beperkt bedrag ten opzichte van de reeds uitgekeerde bedragen aan nagekomen subsidies is te verwachten, is de door het voorstel opgeroepen ongelijkheid minder aanvaardbaar. De Raad adviseert aan te geven welke materiële betekenis het voorstel nog heeft, mede gelet op de gesloten vaststellingsovereenkomsten op grond van de resoluties van 22 juni 1994, en te motiveren op welke grond de opgeroepen ongelijkheid is te rechtvaardigen. 8. Indien een vernummering als gevolg van een (andere) wetswijziging ten onrechte achterwege is gebleven, dient de vernummering uiteraard alsnog te worden aangebracht. De Raad heeft geconstateerd dat niet steeds hetzelfde beleid ten aanzien van het tijdstip van inwerkingtreding van die vernummering wordt gevolgd: soms vindt de vernummering plaats bij de inwerkingtreding van de herstelwet, soms vindt de vernummering plaats met terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de wetswijziging waarbij de vernummering ten onrechte achterwege is gelaten. Ten aanzien van de vernummeringen die zijn opgenomen in artikel I, onderdelen M en O, artikel IV, onderdelen G en H, artikel VI, onderdeel B en artikel VII, onderdeel A, wordt de eerstgenoemde lijn gevolgd, ten aanzien van de vernummeringen die zijn opgenomen in artikel IV, onderdelen B, E en J, wordt de laatstgenoemde lijn gevolgd. De Raad adviseert uiteen te zetten welk beleid met betrekking tot de inwerkingtreding van de vernummeringen wordt gevolgd. 9. Indien in het geval van een zogenoemd massaal bezwaar geen bezwaar is aangetekend, wordt voorgesteld alsnog op kennisgeving bij voor bezwaar vatbare beschikking binnen vijf jaar na de collectieve uitspraak aan de belastingplichtige tegemoet te komen. Bij dit voorstel plaatst de Raad de volgende kanttekeningen: a. De herziening vindt alleen plaats indien de rechtshandeling (aanslag of inhouding) niet onherroepelijk was ten tijde van de aanwijzing als massaal bezwaar. Artikel 25a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat bezwaren worden aangewezen als massaal bezwaar voorzover op die bezwaren ten tijde van de aanwijzing nog geen uitspraak is gedaan en deze zijn ingediend tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de collectieve uitspraak terzake is gedaan. Tussen het tijdstip van aanwijzing als massaal bezwaar en de dagtekening van de collectieve uitspraak kan een aanmerkelijke tijd gelegen zijn. De rechtshandelingen waarop de herziening ziet, betreffen volgens het voorstel alleen de gevallen die ten tijde van de aanwijzing als massaal bezwaar nog niet onherroepelijk zijn. De rechtshandelingen die na dat tijdstip maar voor de dagtekening van de collectieve uitspraak plaatsvinden, worden aldus van de herziening uitgesloten. De Raad adviseert dit regime in het licht van de uitvoering van de motie-Hofstra in de toelichting te motiveren. b. De herziening vindt plaats indien de onjuiste beantwoording van de rechtsvraag bij het verrichten van de rechtshandeling de inspecteur ter kennis is gekomen binnen vijf jaar na de collectieve uitspraak. Het voorstel brengt op deze wijze ambtshalve herziening die vatbaar is voor bezwaar en beroep binnen de horizon. Naar het oordeel van de Raad gaat dit verder dan uit de uitvoering van de motie-Hofstra voortvloeit. De Raad adviseert de voor bezwaar en beroep vatbare herziening te beperken tot de gevallen waarin de belastingplichtige een schriftelijk verzoek doet. De vraag of en in hoeverre tegen ambtshalve beslissingen van de belastingdienst rechtsmiddelen dienen open te staan, dient in een ruimer kader te worden beantwoord. In dit kader dient naar het oordeel van de Raad ook de overeenkomstige toepassing van artikel 25b AWR niet ten aanzien van de naar het oordeel van de inspecteur meest gerede partij plaats te vinden, maar ten aanzien van de degene die het schriftelijk verzoek om herziening heeft gedaan. Zoals uit de parlementaire behandeling van artikel 25b AWR is af te leiden, is er uitdrukkelijk voor gekozen in dit soort gevallen in de wet vast te leggen aan wie de teruggaaf toekomt en te vermijden dat in een procedure de vraag aan de orde kan komen wie de gerechtigde is.(zie noot 2) c. Bezwaar en beroep tegen de (herzienings)beschikking kan slechts de rechtsvraag betreffen. Deze beperking sluit niet aan bij de toelichting op het voorstel, waarin is gesteld dat ook tegen het niet of te laat geven van die beschikking de normale rechtsmiddelen ter beschikking staan. De Raad adviseert deze mogelijkheden uitdrukkelijk in de bepaling op te nemen. 10. Het opnemen in artikel 68, eerste lid, onderdeel c, AWR van het niet voldoen aan de verplichting een loonadministratie te voeren als een strafbaar feit waarop een geldboete van de derde categorie staat, betreft naar het oordeel van de Raad niet het herstel van een misverstand maar een nieuwe lijn, gelet op de parlementaire behandeling, waarbij het niet voldoen aan deze verplichting is aangemerkt als een strafbaar feit, waarop hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie staat. Het niet voeren van een loonadministratie is uitdrukkelijk beoogd te zijn begrepen in de omschrijving van (thans) artikel 68, tweede lid, onderdeel d, AWR.(zie noot 3) In de toelichting is onvoldoende gemotiveerd om welke reden deze categoriewijziging doorgevoerd dient te worden. De Raad ziet ook geen reden om enkel ten aanzien van het voeren van de loonadministratie af te wijken van de algemene strafbaarstelling inzake het niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen. De Raad adviseert het voorstel op dit punt opnieuw te bezien. De Raad wijst erop dat, indien het niet voeren van een loonadministratie als strafbaar feit opgenomen blijft in artikel 68, tweede lid, AWR, dit overeenkomstig dient te gelden voor de inhoudingsplichtige van artiesten en sportbeoefenaren alsmede de inhoudingsplichtige van buitenlandse gezelschappen. 11. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl10 pagina's, pdf Tekst