Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet van de leden Kruijsen en Snijder-Hazelhoff tot wijziging van de Flora- en faunawet in verband met het verbod op de handel in producten van zadelrobben en klapmutsen, met memorie van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Kruijsen en Snijder-Hazelhoff tot wijziging van de Flora- en faunawet in verband met het verbod op de handel in producten van zadelrobben en klapmutsen, met memorie van toelichting.Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 19 december 2005 heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Kruijsen en Snijder-Hazelhoff tot wijziging van de Flora- en faunawet in verband met het verbod op de handel in producten van zadelrobben en klapmutsen, met memorie van toelichting.Het voorstel beoogt invoering van een absoluut verbod op de invoer en de handel van alle producten die zijn vervaardigd op basis van zadelrobben (white coats) en klapmutsen (blue backs) van alle leeftijdscategorieën. Reden hiervoor is de inhumane jacht op deze zeehondensoorten.Het voorstel geeft de Raad van State aanleiding tot de volgende opmerkingen.1. Nationale maatregelen in EU- en WTO-perspectiefa. Noodzaak en proportionaliteitHet voorgestelde verbod is naar de mening van de voorstellers verenigbaar met het relevante EG- en WTO-recht, in het bijzonder de bepalingen inzake het vrij verkeer. De Raad merkt in dit verband het volgende op.De handel in en de bescherming van in het wild levende diersoorten is in EU-verband gereguleerd via gemeenschappelijke normen. Gewezen wordt met name op richtlijn 83/129/EEG betreffende de invoer van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde producten, zoals gewijzigd (Pb 1983, L 91) en de zogeheten CITES Verordening 338/97 (Pb 1997, L 61).Uit het voorgestelde verbod leidt de Raad af dat de voorstellers van oordeel zijn dat het noodzakelijk en effectief is terzake een aanvullende nationale aanpak te hanteren. De Raad acht het een noch het ander voldoende toegelicht en heeft zich afgevraagd of het niet veeleer in de rede ligt om er naar te streven de gesignaleerde problematiek, in aansluiting op de reeds bestaande EG-regels, op Europees dan wel mondiaal niveau aan te pakken en zonodig nader te regelen. Daarbij wijst de Raad er op dat, omdat de onderhavige materie in beginsel in EG-verband geregeld is en er bovendien handelspolitieke aspecten aan verbonden zijn, voor de voorgestelde Nederlandse maatregel te gelegener tijd machtiging aan de Gemeenschap moet worden gevraagd.(zie noot 1)De Raad merkt voorts het volgende op. Het gaat in casu om minimumharmonisatie, waardoor voor de lidstaten de mogelijkheid bestaat om verdergaande nationale maatregelen te treffen mits deze in overeenstemming zijn met de Verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van goederen. Het voorstel stelt echter verregaande beperkingen aan de invoer en handel, zowel intracommunautair als in het verkeer met derde landen. Dergelijke maatregelen zijn niet toegestaan ingevolge de artikelen 28 EG en 133 EG respectievelijk artikel XI GATT/WTO.Met een beroep op bepaalde beschermenswaardige belangen kunnen handelsbelemmerende maatregelen in het intracommunautaire verkeer onder omstandigheden gerechtvaardigd worden. De toelichting noemt in dit verband de belangen natuur- en milieubescherming, bescherming van het leven en de gezondheid van dieren en biodiversiteit, welke deels in het EG-verdrag (artikel 30) en deels in de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EG (Rule of Reason) verankerde rechtvaardigingsgronden zijn die - onder omstandigheden zelfs discriminatoire - handelsbelemmeringen kunnen rechtvaardigen.In WTO-verband gelden soortgelijke uitzonderingsmogelijkheden.Een dergelijke rechtvaardiging vereist echter dat aangetoond wordt dat de maatregel noodzakelijk en niet disproportioneel is. De bewijslast terzake rust op de lidstaat die een dergelijke handelsbelemmering in het leven wil roepen.In dit verband is de Raad, mede gezien de summiere toelichting terzake, van mening dat verduidelijkt dient te worden waarom het onderhavige nationale verbod noodzakelijk is en waarom het beoogde doel niet bereikt kan worden met een minder vergaande maatregel. De Raad beveelt aan de motivering van het voorstel in het licht van het voorgaande aan te vullen.b. Extraterritoriale toepassing van rechtvaardigingsgrondenDe Raad constateert dat over de vraag of de genoemde rechtvaardigingsgronden ook extraterritoriaal kunnen worden toegepast - het betreft immers de bescherming van enkele soorten zeehonden buiten de eigen landsgrenzen - geen volledige duidelijkheid bestaat. Hoewel in de literatuur aanknopingspunten worden genoemd voor de stelling dat extraterritorialiteit om redenen van natuur- en milieubescherming - bij uitstek grensoverschrijdend van aard - mogelijk moet worden geacht,(zie noot 2) heeft het Hof van Justitie EG zich hierover tot op heden niet expliciet (voor of tegen) uitgelaten. Niettemin wordt er in de toelichting bij dit wetsvoorstel voetstoots van uit gegaan dat een lidstaat "het recht heeft om buiten zijn eigen grondgebied maatregelen ter bescherming van de natuur en het milieu te nemen".De Raad beveelt aan het voorgaande in de toelichting dragend te motiveren.2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)