Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet met memorie van toelichting tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek.Bij Kabinetsmissive van 27 juli 2001, no.01.003658, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Aan het wetsvoorstel ging vooraf een uit 1972 daterend voorontwerp van de hand van prof. mr. W.C.L van der Grinten voor een wettelijke regeling ter vervanging van de uit 1838 stammende regeling van de maatschap en de vennootschap in het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Wetboek van Koophandel (WvK). De meest opvallende vernieuwing die het wetsvoorstel biedt ten opzichte van zowel het geldend recht als het voorontwerp is de mogelijkheid dat, indien de vennoten daarvoor kiezen, een openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid verwerft. Deze rechtspersoonlijkheid naar keuze heeft slechts effect voor het vermogen; de verbintenisrechtelijke betrekkingen tussen de vennoten worden door de overeenkomst van vennootschap beheerst en de vennoten blijven hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. Andere vernieuwingen betreffen de ontbinding en voortzetting van de vennootschap. Tussentijds uittreden is mogelijk, zonder dat dit het bestaan van de vennootschap bedreigt. Ook wordt voorzien in de mogelijkheid van opvolging van een vennoot door zijn erfgenamen of door een derde. Verder is een bijzondere regeling opgenomen voor de vereffening en verdeling, in afwijking van de uit 1992 stammende regeling van titel 3.7. Nieuw is voorts de mogelijkheid van omzetting voor de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid en de besloten vennootschap. De Raad van State maakt opmerkingen over de wijze waarop de beslissing om aan de openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid naar keuze toe te kennen is gemotiveerd en over de systematische inpassing van deze rechtsfiguur in het BW. Bijzondere aandacht vraagt de Raad voor de fiscale motieven die in de praktijk een belangrijke rol kunnen spelen bij de rechtsvormkeuze. Voorts maakt het college over een aantal onderwerpen artikelsgewijs opmerkingen. De Raad is van oordeel dat aanpassing van het voorstel wenselijk is. 1.De openbare vennootschap en rechtspersoonlijkheid In het voorgestelde artikel 7:802 van het wetsvoorstel wordt, kort samengevat, bepaald dat een openbare vennootschap rechtspersoon is indien dit in de overeenkomst van vennootschap is bepaald en de overeenkomst in een notariële akte is opgenomen. Artikel 2:5 BW, waarin is bepaald dat een rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft gelijkstaat met een natuurlijk persoon, is van toepassing verklaard. Voor de overige (algemene) bepalingen van titel 1 van Boek 2 geldt dat niet. De vennootschap/rechtspersoon heeft een ander karakter dan de rechtspersonen geregeld in Boek 2. De rechtspersoonlijkheid heeft alleen gevolgen voor het vermogen; de vennoten blijven hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. Volgens de toelichting op artikel 802 is er een levendige discussie gevoerd over de vraag of de openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid zou moeten bezitten. Ter illustratie daarvan wordt enige recente literatuur vermeld en wordt in een voetnoot verwezen naar enige andere rechtsstelsels. Daarnaast worden op verschillende plaatsen in de artikelsgewijze toelichting opmerkingen gemaakt over deze vraag. a. De Raad is van mening dat over de noodzaak van een ingrijpende systeemwijziging als deze, waarover in feite al sinds de vraagpuntenprocedure in 1952 de gedachtevorming gaande is en waarbij veelvuldig wisselende standpunten zijn ingenomen, een analytische beschouwing in het algemeen deel van de memorie van toelichting, ter verklaring van de gemaakte keuzen, van meer dan rechtshistorisch belang is en niet kan worden gemist. In dat kader verdient het aanbeveling dat wordt ingegaan op de vraag in welk opzicht het geldende recht tekortschiet met betrekking tot de (rechts)positie van het vennootschappelijk vermogen en in hoeverre deze leemten of gebreken binnen een vennootschappelijk kader kunnen worden opgeheven - en ten dele in het voorstel zijn opgeheven - zonder gebruik te maken van het middel van de rechtspersoonlijkheid. Aandacht dient ook te worden besteed aan de argumentatie waarom naast de vele bestaande rechtsfiguren met rechtspersoonlijkheid behoefte is aan een overeenkomst die in het rechtsverkeer als rechtspersoon geldt en aldus externe werking heeft. Het college acht het voorts van belang dat uit de toelichting blijkt dat het voorstel niet slechts rekening houdt met relatief kleinschalige, traditionele belangen bij samenwerking tussen hoofdzakelijk natuurlijke personen, maar ook tegemoetkomt aan de grootschalige belangen en samenwerkingsvormen waarbij ook het internationale rechtsverkeer een rol speelt. Mede in dat kader ligt het voor de hand dat aan de toelichting een passage wordt toegevoegd waarbij het voorstel in rechtsvergelijkend perspectief wordt geplaatst, waarbij in het bijzonder de regeling van de onderhavige materie in de naburige jurisdicties wordt belicht. Tevens zou in een dergelijk algemeen deel inzicht behoren te worden gegeven in de redenen waarom, in afwijking van het uit 1972 daterende voorontwerp, niet aan elke openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid wordt toegekend. Ook adviseert de Raad de paragrafen met algemene beschouwingen in de toelichting meer inhoud te geven, waardoor de artikelsgewijze toelichting kan worden bekort en deze beperkt kan blijven tot datgene wat voor een goed begrip van het desbetreffende artikel nodig is. b. In aansluiting op het voorgaande merkt de Raad op dat aan de wijze waarop de vennootschap met rechtspersoonlijkheid in het wetsvoorstel is geregeld een aantal bezwaren is verbonden. De vennootschap/rechtspersoon blijft, gezien de definitie in artikel 800, een in beginsel sterk aan bepaalde personen gebonden organisatievorm, die primair wordt beheerst door het overeenkomstenrecht waarop niet de regels van Boek 2 van toepassing zijn verklaard maar waarvoor in titel 7.13 eigen regels zijn opgenomen die op alle vennootschappen onder firma van toepassing zijn. Deze regels zijn kennelijk in essentie ontleend aan Boek 2. Dit heeft tot gevolg dat het wetsvoorstel voor de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid meer dwingend recht bevat dan bij een "bijzondere overeenkomst" van Boek 7 past en dan strikt nodig is, terwijl anderzijds voor de vennootschap/rechtspersoon een lichter regime geldt, althans in vergelijking met de regeling van de besloten vennootschap in Boek 2. De nu voorgestelde opzet wijkt opvallend af van het voorontwerp waarin de algemene bepalingen van Boek 2 onverkort van toepassing waren op de vennootschap/rechtspersoon. De keuze die in het wetsvoorstel wordt gemaakt geeft aan de vennootschap/rechtspersoon als rechtsfiguur een enigszins hybride karakter. Zij staat als het ware met het ene been in en het andere been buiten het rechtspersonenrecht. Nu het accent in het wetsvoorstel in belangrijke mate op de vennootschap met rechtspersoonlijkheid valt is vanuit een oogpunt van systematiek en eenvoud van regelgeving de keuze van Boek 7 als locatie voor de titel "vennootschap" niet zonder meer evident. Gelet op het voorgaande meent de Raad dat de hiervoor gesignaleerde keuzes in elk geval van een draagkrachtiger motivering dienen te worden voorzien. 2. Anders dan volgens het voorontwerp is de openbare vennootschap niet van rechtswege rechtspersoon, maar dient daartoe aan een aantal formele vereisten te zijn voldaan. In de toelichting op artikel 802 wordt onder meer opgemerkt dat een formeel kenmerk of oprichtingsvereiste ten minste moet worden vereist omdat anders de vraag zou rijzen of er wel sprake is van een openbare vennootschap. Een tweede bezwaar is volgens de toelichting het rigide karakter: denkbaar is dat de vennoten wel een openbare vennootschap wensen, maar bepaalde consequenties van de rechtspersoonlijkheid afwijzen. De Raad wijst er in de eerste plaats op dat ook de openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid een afgescheiden vermogen heeft en ten gevolge van haar organisatie en van de regeling van het lidmaatschap een zodanig van de vennoten geabstraheerd belang belichaamt, dat het vanuit een systematisch oogpunt verdedigbaar is niet de vennoten maar de vennootschap als eigenaar van het vermogen te beschouwen. In zoverre bestaat geen verschil tussen de openbare vennootschap met en zonder rechtspersoonlijkheid. Ten aanzien van het eerstgenoemde bezwaar kan worden opgemerkt dat dit bezwaar van rechtsonzekerheid ook geldt voor de openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid. Dit bezwaar zou kunnen worden ondervangen door voor alle openbare vennootschappen bijvoorbeeld de aanvullende eis te stellen dat het naar buiten optreden van de vennoten onder een gemeenschappelijke naam blijkt uit de inschrijving van de vennootschap in het handelsregister. Met betrekking tot het tweede genoemde bezwaar wijst de toelichting in het bijzonder op de mogelijke fiscale consequenties van de keuze voor rechtspersoonlijkheid. Naar verwachting zullen de fiscale consequenties inderdaad een belangrijke factor kunnen vormen voor de te maken keuze. Daarom is van groot belang dat reeds thans zoveel mogelijk duidelijkheid bestaat over de fiscale gevolgen van het al dan niet toekennen van rechtspersoonlijkheid aan de openbare vennootschap en de discussie daarover niet uit te stellen tot de invoeringswet. De Raad adviseert de memorie van toelichting op deze punten aan te vullen. 3. Omzetting van vennootschap/rechtspersoon in een BV en omgekeerd De artikelen 7:834 en 7:835 geven een regeling van de omzetting van een openbare vennootschap/rechtspersoon in een BV en omgekeerd. De Raad adviseert deze materie te regelen in Boek 2, omdat het hier de omzetting van een rechtspersoon in een andere rechtspersoon betreft en Boek 2 daarvoor in artikel 18 al een grotendeels toepasselijke regeling geeft. 4. Vereffening en verdeling In het voorstel wordt afgeweken van titel 3.7, die te ingewikkeld zou zijn en slecht zou passen bij de vereffening van een personenvennootschap. Daarbij wordt onder meer verwezen naar een preadvies uit 1974. Het wetsvoorstel behelst een op zichzelf staande verdelingstechniek, die het midden houdt tussen die van titel 3.7 en die van artikel 2:23b BW. De bijzondere aard van de vereffening en verdeling van een ontbonden vennootschap zou in het bijzonder hierin tot uiting komen dat steeds vereffening dient plaats te vinden en dat deze, naast voldoening van de zaakscrediteuren, ook gericht is op toedeling of uitkering aan de gewezen vennoten van hetgeen overblijft. Aan het van (overeenkomstige) toepassing verklaren van titel 3.7 bestaat volgens de toelichting geen behoefte, omdat de - eventueel door de rechter te vervangen - vereffenaar steeds bij de bepaling van de economische deelgerechtigheden en verdeling is betrokken en de rechter hierbij kan interveniëren. De Raad acht een bredere toelichting van de wenselijkheid van een op de vennootschap toegesneden regeling op haar plaats. In de eerste plaats wordt in de toelichting onvoldoende duidelijk gemaakt in welk opzicht en welke mate de algemene regeling tot problemen heeft geleid of zal leiden, en dan in het bijzonder in vennootschappelijke verhoudingen. Voorts kan uit het voorontwerp worden afgeleid dat er maar enkele aanvullende bepalingen nodig zijn om de algemene regeling geschikt te maken voor de personenvennootschap. Ten slotte blijkt uit het wetsvoorstel dat het overgrote deel van de voorgestelde artikelen naar hun strekking is ontleend aan titel 3.7. De Raad adviseert daarom de keuze voor een afzonderlijke regeling nader te rechtvaardigen. 5. Artikelsgewijs Artikel 800 a. Volgens de in artikel 800 gegeven omschrijving van de overeenkomst van vennootschap is de samenwerking gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten. Dit element wordt van belang geacht, in het bijzonder om de vennootschap te onderscheiden van de vereniging, die wel mag beogen winst te maken, maar die winst niet onder de leden mag verdelen. De Raad merkt op dat deze omschrijving als nadeel heeft dat een samenwerkingsverband dat zich laat leiden door altruïstische motieven, niet als een personenvennootschap kan worden aangemerkt. Gelet hierop lijkt het niet doelmatig om te verlangen dat de samenwerking van de vennoten is gericht op het behalen van voordeel, terwijl de noodzaak van die beperkende eis niet evident is. b. Volgens de toelichting komt de regel in artikel 800 lid 2 overeen met hetgeen voor overeenkomsten in het algemeen is bepaald in artikel 6:248 lid 1 BW. Dat artikel is door de gelaagde structuur van het BW ook van toepassing op Boek 7. In zoverre is het artikel overbodig. In de toelichting wordt tevens verwezen naar artikel 2:8 BW. Het college adviseert de toelichting in elk geval te verduidelijken dat wordt aangegeven of er in strekking verschil is tussen het voorgestelde lid 2 en artikel 2:8, mede in aanmerking genomen dat een met artikel 2:8 lid 2 vergelijkbare bepaling omtrent de beperkende werking van de goede trouw in de voorgestelde bepaling ontbreekt. Artikel 801 c. De passage in de toelichting met betrekking tot de vraag of de exploitatie van een schip in de vorm van een openbare vennootschap kan geschieden is in zoverre onduidelijk dat daaruit onvoldoende blijkt dat het bestaan van een rederij (artikelen 8:160 en 8:770 BW) het zijn van een vennootschap uitsluit. Ook al waren er historische redenen voor een elkaar uitsluitend onderscheid van de rechtsfiguren rederij en vennootschap onder firma en voor de regel van dwingend recht dat een rederij geen rechtspersoon is, zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat dit onderscheid bij invoering van de nieuwe titel over de vennootschap ongewijzigd gehandhaafd dient te blijven. In het bijzonder behoeft continuering van het wettelijk verbod van rechtspersoonlijkheid van de rederij rechtvaardiging indien de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid naar keuze mogelijk wordt gemaakt. Artikel 803 d. In dit artikel worden de gevolgen geregeld indien ten behoeve van een niet bestaande rechtspersoon een vermogen is gevormd. In dat geval moet vereffening en verdeling plaatsvinden, "zoveel mogelijk overeenkomstig artikel 830". Naar de mening van de Raad valt niet zonder meer in te zien waarom niet volledig aansluiting is gezocht bij het bepaalde in de artikelen 2:4 leden 3 en 4 BW; dat na de vereffening en verdeling de vennoten alsnog een geldige overeenkomst van vennootschap kunnen aangaan met de daarbijbehorende inbreng, is geen klemmend argument voor aansluiting bij het voorgestelde artikel 830 en evenmin om niet aan te sluiten bij het bepaalde in artikel 2:4 lid 5; In het bijzonder wanneer het gaat over een vennootschap die als rechtspersoon in oprichting een bedrijf of beroep heeft uitgeoefend dat heeft geleid tot een veelheid aan rechten of verplichtingen ten opzichte van derden dan wel een situatie waarin grote financiële belangen waren of zouden worden ondergebracht, ligt het naar het de Raad voorkomt meer voor de hand te kiezen voor aansluiting bij de afwikkeling van een ontbonden rechtspersoon, met de mogelijkheid alsnog desverzocht aan de rechter toestemming te vragen tot inbreng in een nieuw op te richten openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Artikel 805 e. In artikel 805 lid 1 wordt bepaald dat iedere vennoot gehouden is tot het leveren van een positieve prestatie, in het bijzonder bestaande uit het ter beschikking stellen van geld, goederen, genot van goederen of arbeid. De Raad vraagt zich af wat de meerwaarde is van het introduceren van het op zichzelf niet duidelijk omlijnde wettelijke begrip "positieve prestatie" boven de in artikel 3 lid 1 van het voorontwerp gebezigde formulering, temeer nu dit begrip is gekoppeld aan een niet-limitatieve opsomming van wettelijke prestaties. In elk geval verdient het gebruik van het begrip "positieve prestatie" nadere uitleg, aangezien ook de "loutere verplichting om niet te doen" voor de andere vennoten en voor derden van waarde kan zijn, zoals de verplichting om een bepaald beroep of bedrijf niet (meer) uit te oefenen al dan niet binnen een bepaald territoir. De Raad beveelt aan de beperkende kwalificatie "positieve" te laten vallen. f. Volgens lid 2 kan een vennoot niet al zijn goederen of een evenredig deel daarvan inbrengen. Uit de toelichting blijkt dat hiermee allereerst wordt beoogd de algehele maatschap uit te sluiten. Anders gezegd: steeds is een specifieke inbreng nodig. Deze verplichting volgt al uit artikel 6:227 BW: de verbintenissen die partijen op zich nemen, moeten voldoende bepaalbaar zijn. Met "evenredig" wordt volgens de toelichting bedoeld dat een vennoot evenmin een bepaald gedeelte van zijn vermogen, zoals de helft of een kwart kan inbrengen. Deze bedoeling strookt niet met de gangbare betekenis van "evenredig". Indien is bedoeld dat een vennoot niet al zijn goederen of al zijn goederen van een bepaalde aard kan inbrengen dan dient dit in de wettekst duidelijk tot uitdrukking te worden gebracht. Uit de toelichting blijkt voorts dat deze bepaling is ontleend aan de in artikel 7A:1658 in verbinding met artikel 1657 neergelegde regel dat een algehele maatschap verboden is. Naar de mening van de Raad is die verwijzing op zichzelf onvoldoende rechtvaardiging voor een wetsbepaling die er, blijkens de toelichting, toe leidt dat er dan "geen overeenkomst van vennootschap is" omdat er "geen sprake is van inbreng zoals bedoeld in artikel 800 lid 1". Niet zonder meer valt in te zien waarom inbreng bij wege van rechtsopvolging onder algemene titel niet rechtsgeldig zou (kunnen) zijn. Niet per definitie leidt, zo komt het de Raad voor, een dergelijke inbreng tot het (rechts)gevolg van een onvoldoende bepaalde of bepaalbare vorm van prestatie. Rechtsopvolging onder algemene titel brengt wel het probleem met zich dat nadat de inbreng heeft plaatsgevonden, de inbrengende vennoot in beginsel niet meer als zelfstandig rechtssubject, en derhalve niet meer als vennoot kan fungeren. Dat argument lijkt echter niet afdoende in geval van inbreng van "een evenredig deel" van de goederen welke een vennoot toebehoren. Indien de grondslag van lid 2 is gelegen in bezwaren tegen rechtsopvolging onder algemene titel door de vennootschap bij gelegenheid van haar oprichting, dan verdient het de voorkeur dat in lid 2 tot uitdrukking te brengen. De Raad acht precisering van artikel 805 lid 2 gewenst. Artikel 809 g. In het voorstel wordt de term "besturend vennoot" in plaats van de thans nog geldende term "beherend vennoot" gehanteerd, omdat de laatste term ten onrechte zou suggereren dat onder beheer geen daden van beschikking kunnen vallen. Dit is volgens de toelichting verwarrend, omdat voor de beantwoording van de vraag of een bepaalde handeling al dan niet onder het bestuur (beheer) valt, beslissend is of de handeling, gelet op het doel van de vennootschap, tot haar normale werkzaamheden behoort. Deze benadering wijkt af van de in het nieuwe vermogensrecht gehanteerde terminologie. Beheer kan de bevoegdheid tot bepaalde beschikkingshandelingen inhouden (zie de artikelen 345 lid 1, onder a, en 441 lid 1, onder a), terwijl in artikel 3:170 lid 2 beheer wordt omschreven als "alle handelingen die voor de normale exploitatie van een goed dienstig kunnen zijn". Hieronder kunnen ook beschikkingshandelingen vallen.(zie noot 1) De Raad adviseert vast te houden aan de wettelijke terminologie. Artikel 814 h. Artikel 814 lid 2 houdt in dat iedere vennoot een inzagerecht heeft. Daarvan kan bij overeenkomst worden afgeweken, mits verzekerd is dat een door een vennoot aangewezen accountant als bedoeld in artikel 2:393 BW in zijn plaats inzage kan krijgen. Uitgaand van de in artikel 809 lid 3 neergelegde plicht van de besturende vennoot tot rekening en verantwoording aan zijn medevennoten moet iedere vennoot de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de vennootschap daartoe kunnen verifiëren. De wijze waarop de verificatie plaatsvindt moet voldoen aan de gedragsnorm van artikel 800 lid 2 welke zodanig flexibel is dat daarmee kan worden voorkomen dat op een voor de besturende vennoot of de vennootschap bezwaarlijke wijze van het inzagerecht gebruik wordt gemaakt. De in de toelichting genoemde jurisprudentie overtuigt de Raad niet van de noodzaak van de voorgestelde beperking van het inzagerecht. i. Volgens lid 3 moeten de jaarstukken binnen zes maanden na afloop van het boekjaar worden opgemaakt, behoudens een in de overeenkomst voorziene verlenging van deze termijn met ten hoogste vijf maanden. In de toelichting wordt opgemerkt dat in de overeenkomst van vennootschap kan worden voorzien in verlenging van de termijn, bijvoorbeeld door de besturende vennoten zelf, door alle vennoten tezamen of bij meerderheidsbesluit van de vennoten. Dit is - uitgaande van de terminologie van het voorstel - in zoverre onjuist dat deze uitleg alleen is toegelaten indien zou zijn bepaald dat bij of krachtens overeenkomst de termijn kan worden verlengd. Verder wordt in de toelichting, met verwijzing naar artikel 2:10 lid 2 BW, aangegeven dat de jaarstukken op papier moeten worden gesteld. Uit het voorstel zelf blijkt dit niet. De Raad adviseert tekst en toelichting nader te bezien. j. In lid 4 wordt geregeld dat de balans en de staat van baten en lasten binnen een redelijke termijn moeten worden vastgesteld, door alle vennoten tezamen, of krachtens de overeenkomst van vennootschap, bij een besluit van enkele vennoten, dan wel door een accountant als bedoeld in artikel 2:393 BW. In het voorontwerp werd ervan uitgegaan dat elk van de vennoten belang heeft bij de vaststelling. De Raad acht het, met het oog op evenwichtige vennootschappelijke verhoudingen, mede gegeven de verantwoordingsplicht neergelegd in artikel 809 lid 3, met het oog op de aan elke vennoot toekomende financiële aanspraken en rustende financiële verplichtingen, niet juist noch ter voorkoming van meningsverschillen doeltreffend om, zoals het voorstel wil, deze bevoegdheid over te laten aan slechts enkele vennoten zoals bijvoorbeeld aan de in de toelichting zogenoemde seniorpartners. De in het ontwerp omtrent de jaarstukken voorgestelde regel, dat in alle gevallen iedere vennoot aan de beraadslaging over de besluitvorming omtrent de jaarstukken dient te kunnen deelnemen, heft dit bezwaar niet op. Bovendien is het, gegeven de positie van accountants als externe deskundigen aan wie beroepshalve onder meer de externe controle van de jaarrekening is toevertrouwd, naar het oordeel van de Raad logisch noch wenselijk dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de jaarstukken structureel aan een accountant kan worden toegekend. Veeleer ligt het in de rede juist deze categorie van een dergelijke machtiging wettelijk uit te sluiten bij wijze van de status van deze beroepsgroep beschermende maatregel. Artikel 816 k. Volgens artikel 7.13.1.11 van het voorontwerp moet een verlies worden aangezuiverd, tenzij anders is overeengekomen. Artikel 816 lid 2 van het wetsvoorstel gaat uit van de omgekeerde situatie: aanzuiveren hoeft niet, maar het kan worden overeengekomen. Volgens de toelichting valt niet in te zien waarom iemand die aan zijn inbrengplicht heeft voldaan, zonder meer zijn deel in het verlies zou moeten aanzuiveren. Daartegenover kan worden gesteld dat het kapitaal van de vennootschap vermindert en daarmee ook de waarde van datgene wat is ingebracht. De Raad acht de gegeven motivering onvoldoende draagkrachtig en meent dat meer rekening moet worden gehouden met zowel de financiële belangen van derden als van de andere vennoten ter voorkoming van verhaalsrisico's en daarmee samenhangende problemen. Hij adviseert het voorontwerp op dit punt te volgen. Artikel 817 l. Volgens de toelichting kan, ook al is dat niet in de vennootschapsovereenkomst bepaald, de vennootschap worden ontbonden door een latere overeenkomst tussen alle vennoten. Dit blijkt niet uit de tekst, anders dan het geval is in artikel 818, lid 1, onder a. De Raad adviseert deze mogelijkheid aan de ontbindingsgronden toe te voegen. Artikel 818 m. In artikel 818 lid 1 wordt geregeld in welke gevallen het uittreden van een vennoot slechts leidt tot gedeeltelijke ontbinding van een vennootschap, zodat de vennootschap door de andere vennoten kan worden voortgezet. Aan de gekozen opzet kleeft het bezwaar dat de begrippen rechtsfeit, rechtshandeling en rechtsgevolg onvoldoende worden onderscheiden, waardoor de mogelijkheden voor gedeeltelijke ontbinding steeds vanuit een ander gezichtspunt worden benaderd. De Raad adviseert aan te knopen bij de bevoegdheid tot uittreding, zodat het volgende patroon ontstaat. De vennootschap wordt alleen ontbonden ten aanzien van de vennoot die uittreedt: a. indien het uittreden het gevolg is van een daartoe strekkende overeenkomst van de vennoten; b. indien het uittreden het gevolg is van zijn dood, zijn onbekwaam worden, zijn faillissement, of, indien hij een rechtspersoon is, door het ophouden te bestaan; c. indien het uittreden het gevolg is van het aanbreken van een in de overeenkomst van vennootschap voor uittreding aangeduid tijdstip; d. indien het uitreden het gevolg is van zijn opzegging aan de andere vennoten of door opzegging aan hem door één of meer andere vennoten, mits deze mogelijkheid in de overeenkomst van vennootschap is voorzien; e. door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt. Artikel 821 n. In artikel 821 wordt het begrip "economische deelgerechtigdheid" geïntroduceerd, ter onderscheiding van de begrippen "aandeel" in de vennootschappelijke gemeenschap en "aandeel" in de goederen van de vennootschap indien deze rechtspersoon is. Volgens de toelichting wordt de gerechtigdheid in de goederengemeenschap aangeduid met het begrip "aandeel", terwijl de "economische deelgerechtigdheid" de verbintenisrechtelijke aanspraak in geld weerspiegelt die de vennoot heeft op andere vennoten of de vennootschap. De waarde van de economische deelgerechtigdheid wordt bepaald door de inhoud van de overeenkomst, in het bijzonder de bepalingen die gelden bij uittreden, liquidatie, enz. De Raad acht het niet wenselijk in het BW de juridisch (te) weinig concrete term "economische deelgerechtigdheid" te bezigen. Het college meent dat de betekenis van de term "deel", zoals gebruikt in artikel 7.1.3.1.15 van het voorontwerp of "deelgerechtigdheid" voldoende duidelijk is en beveelt aan de in het voorontwerp gekozen terminologie te volgen. Artikel 822 o. Bij de overeenkomst van vennootschap kan volgens lid 1 worden bepaald dat na dood van een vennoot de vennootschap voortduurt met diens bij de overeenkomst aangewezen erfgenaam of erfgenamen, tenzij dezen het beding met bekwame spoed afwijzen. De Raad vraagt zich af hoe deze eis zich verhoudt tot de mogelijkheid om de nalatenschap te aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving en adviseert daaraan in de toelichting aandacht te schenken. p. Lid 2 maakt het mogelijk om bij de overeenkomst van vennootschap te regelen of en in hoeverre de aangewezen erfgenaam of de erfgenamen besturende dan wel, in het geval van een openbare vennootschap, commanditaire vennoten zijn. Volgens de toelichting heeft de rechtspraktijk aan deze modaliteiten behoefte. In artikel 7.13.1.16 juncto artikel 7.13.2.4 van het voorontwerp werd ervan uitgegaan dat de aangewezen erfgenaam de positie van de overleden erfgenaam verkrijgt en dat gezamenlijke erfgenamen geen beherend vennoot dan wel steeds commanditaire vennoten zijn, tenzij met hen anders wordt overeengekomen. Naar de mening van de Raad heeft een dergelijke regeling als voordeel dat de beslissing over de positie van althans de gezamenlijke erfgenamen niet buiten hen om wordt genomen, zodat het resultaat daarvan wellicht ook beter aansluit bij dat wat voor een goede samenwerking nodig is. De Raad adviseert hier in de toelichting nader op in te gaan. Artikel 837 q. Ingevolge lid 2 is een commanditaire vennoot die in naam van de vennootschap handelt of een beslissende invloed uitoefent op zijn bestuurders ten opzichte van derden hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap, ten tijde van zijn handelen of daarna ontstaan. Ten opzichte van het geldende recht, artikel 21 WVK, heeft deze redactie als voordeel dat de commanditair die handelt als ware hij besturend vennoot, niet langer aansprakelijk is voor vroege schulden, dat wil zeggen schulden die voor zijn handelen zijn ontstaan. Het volstaat daarom te bepalen dat de onbevoegd handelend vennoot ten opzichte van derden hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden, door zijn handelen ontstaan. Dat de vennoot een "beslissende invloed" moet hebben uitgeoefend, acht de Raad een rechtsonzekerheid scheppende verfijning. 5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)