Raad van State
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen met betrekking tot plantenresten en tarragrond alsmede tot intrekking van het Besluit beheer land- en tuinbouwfolie.
Jaar: 2019
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen met betrekking tot plantenresten en tarragrond alsmede tot intrekking van het Besluit beheer land- en tuinbouwfolie.Bij Kabinetsmissive van 4 april 2005, no.05.001201, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen met betrekking tot plantenresten en tarragrond alsmede tot intrekking van het Besluit beheer land- en tuinbouwfolie. De voorgestelde wijziging van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen is, blijkens de nota van toelichting in paragraaf I.2, ingegeven door jurisprudentie. Met name is het gewenst dat preirestanten, bietenloof en een aantal andere oogstrestanten op het land kunnen worden teruggebracht en dat maaisel, afkomstig van sloot-, berm- of natuurbeheer kan worden toegepast in de directe nabijheid van de plaats waar het vrijkomt. Het doel van het Besluit beheer land- en tuinbouwfolie, het opzetten van een lekvrij inname- en verwerkingssysteem, is niet gerealiseerd. De verwachting is dat de initiatieven die wel zijn ontstaan, op basis van marktwerking, doorgang zullen vinden. De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit enkele opmerkingen. 1. Communautaire aspecten De nota van toelichting bespreekt in paragraaf I.6 de bij het ontwerpbesluit betrokken internationale aspecten. Dit betreft enkel de Notificatierichtlijn.(zie noot 1) De Raad acht het noodzakelijk ook aandacht te schenken aan het Europese afvalstoffenregime. De basis van het Europese afvalstoffenregime is vervat in de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen(zie noot 2), de Europese richtlijn inzake gevaarlijke afvalstoffen(zie noot 3) en de op deze twee richtlijnen gebaseerde beschikking van de Europese Commissie houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen(zie noot 4). Artikel 1 van de Kaderrichtlijn definieert afval als elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Zowel tarragrond als plantenresten vallen onder hoofdstuk 2 van de Europese afvalstoffenlijst: Afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht en visserij en de voedingsbereiding en -verwerking. Verwijderen omvat de in bijlage IIA genoemde handelingen. Nuttige toepassing omvat de in bijlage IIB genoemde handelingen. Voor handelingen met afvalstoffen die aangemerkt kunnen worden als een vorm van verwijderen of nuttig toepassen als bedoeld in de kaderrichtlijn geldt in beginsel de vergunningplicht op grond van artikel 9 (verwijderen) respectievelijk 10 (nuttig toepassen). Artikel 8 van de Kaderrichtlijn stelt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat iedere houder van afvalstoffen deze afgeeft aan een particuliere of openbare ophaler of een onderneming die afvalstoffen verwijdert of nuttig toepast of dat de houder zelf zorg draagt voor de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn. Van deze vergunningplicht kan vrijstelling worden verleend in de in artikel 11 genoemde gevallen, maar niet voor het verwijderen van toxische of gevaarlijke afvalstoffen, als bedoeld in richtlijn 78/319/EEG, zoals agrochemisch afval dat gevaarlijke stoffen bevat. Voorzover de voorgestelde ontheffing van het stortverbod betrekking heeft op stoffen die aan te merken zijn als agrochemisch afval, is het niet toegestaan om vrijstelling van de vergunningplicht met betrekking tot de verwijdering daarvan toe te staan. Volgens artikel 11 is vrijstelling voorts alleen toegestaan indien het gaat om het in eigen beheer verwijderen van de (niet-gevaarlijke) afvalstof op de plaats van productie of voor het zelf nuttig toepassen van de afvalstof. Ten behoeve van deze vrijstellingen dienen de bevoegde instanties algemene regels op te stellen die per type activiteit de soort en de hoeveelheid afvalstoffen aangeven, alsook de voorwaarden onder welke de activiteit kan worden vrijgesteld van de vergunningplicht. Deze algemene regels moeten van dien aard zijn dat aan de voorwaarden van artikel 4 wordt voldaan.(zie noot 5) Voorzover tarragrond en plantenresten aangemerkt kunnen worden als afvalstoffen en voorzover een ontheffing van het stortverbod voor deze stoffen aangemerkt moet worden als een vorm van verwijderen of nuttig toepassen, is het mogelijk een algemene vrijstelling voor deze categorieën te regelen, als bedoeld in artikel 11 van de Kaderrichtlijn. Daarbij moet worden nagegaan of er wellicht sprake is van een agrochemische afvalstof, in welk geval immers enkel vrijstelling van de vergunningplicht ten behoeve van de nuttige toepassing van die stof onder voorwaarden is toegestaan. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder b(iii) van de Kaderrichtlijn afvalstoffen is het mogelijk dat landbouwafvalstoffen - natuurlijke en niet gevaarlijke stoffen die in de landbouw worden gebruikt - wanneer zij reeds onder andere voorschriften vallen, buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen. Als mogelijke andere voorschriften zouden kunnen worden aangewezen: de Richtlijn inzake het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw(zie noot 6) en de Nitraatrichtlijn.(zie noot 7) Uit het vorenstaande blijkt dat generieke ontheffingen (vrijstellingen) als bedoeld met het ontwerpbesluit slechts in bepaalde gevallen mogelijk zijn. Indien dit voor één of meer van die afvalstoffen niet generiek mogelijk is, kan daarvoor eventueel worden teruggevallen op de individuele ontheffingsmogelijkheid van artikel 10.63 Wet milieubeheer, die in 2003 van kracht is geworden. De Raad adviseert de Europeesrechtelijke vereisten nauwkeurig na te lopen om te bezien in hoeverre de verschillende in het ontwerpbesluit genoemde stoffen in de vrijstellingsregeling kunnen worden ondergebracht en daarvan verslag te doen in de nota van toelichting. 2. Schrappen producentenverantwoordelijkheid verwijdering land- tuinbouwfolie Het doel van het regelen van de producentenverantwoordelijkheid was het zorgdragen dat de markt de terugname en het hergebruik van land- en tuinbouwfolie op zich zou nemen. Kennelijk is dit niet of onvoldoende geslaagd. Verwacht wordt dat de markt het wel op zich zal nemen. De Raad beveelt aan toe te lichten waarop deze verwachting is gebaseerd. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken. De Vice-President van de Raad van State
Bron:
raadvanstate.nl
Documenten (1)
-
raadvanstate.nl4 pagina's, pdf Tekst