Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels betreffende de kwaliteit en werkwijze van advies- en meldpunten kindermishandeling, de samenwerking met de raad voor de kinderbescherming en de gevallen waarin bekendmaking van de identiteit van de melder van kindermishandeling of van een vermoeden daarvan achterwege blijft (Besluit advies- en meldpunten kindermishandeling Wet op de jeughulpverlening).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels betreffende de kwaliteit en werkwijze van advies- en meldpunten kindermishandeling, de samenwerking met de raad voor de kinderbescherming en de gevallen waarin bekendmaking van de identiteit van de melder van kindermishandeling of van een vermoeden daarvan achterwege blijft (Besluit advies- en meldpunten kindermishandeling Wet op de jeughulpverlening).Bij Kabinetsmissive van 18 november 2002, no.02.005280, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels betreffende de kwaliteit en werkwijze van advies- en meldpunten kindermishandeling, de samenwerking met de raad voor de kinderbescherming en de gevallen waarin bekendmaking van de identiteit van de melder van kindermishandeling of van een vermoeden daarvan achterwege blijft (Besluit advies- en meldpunten kindermishandeling Wet op de jeughulpverlening). Dit ontwerpbesluit geeft regels voor de werkwijze en kwaliteit van een advies- en meldpunt kindermishandeling (hierna: AMK), zoals geregeld in de artikelen 34a tot en met 34e van de Wet op de jeugdhulpverlening (WJHV). Artikel 34b WJHV schrijft voor dat de werkwijze van het AMK, de samenwerking van het AMK met de raad voor de kinderbescherming (hierna: RVK) en de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die de kindermishandeling of een vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Het ontwerpbesluit strekt hiertoe. De Raad van State maakt een aantal opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert in verband daarmee het ontwerpbesluit en de nota van toelichting aan te passen. 1. Samenhang met en wijziging van het Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening a. Volgens de toelichting op het voorgestelde artikel 7 worden in verband met de toegankelijkheid en inzichtelijkheid van de regelgeving, de specifieke bepalingen voor de voormalige Bureaus Vertrouwensartsen in het Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening (hierna: Bkj) integraal in het ontwerpbesluit opgenomen. De Raad merkt op dat naast de specifieke bepalingen in het voorgestelde artikel 7, de algemene bepalingen van het Bkj op het AMK van toepassing blijven. Bovendien dient voor de definitie van bereikbaarheid en beschikbaarheid in het voorgestelde artikel 7, eerste lid, alsook voor een goed begrip van het voorgestelde artikel 7, tweede lid, het Bkj te worden geraadpleegd. Op deze manier worden de specifieke bepalingen voor de in te stellen AMK's als het ware uit het Bkj gelicht, maar blijft het raadplegen van het Bkj voor het begrip van de specifieke bepalingen noodzakelijk. De Raad ziet daarom niet dat het ontwerpbesluit op dit punt de toegankelijkheid en inzichtelijkheid van de regelgeving bevordert. De Raad wijst op twee alternatieven, waarmee voorkomen wordt dat twee regelingen geraadpleegd moeten worden. Het eerste is om de specifieke bepalingen uit het Bkj niet in het ontwerpbesluit over te nemen, maar om het Bkj zodanig te wijzigen dat de specifieke bepalingen voor de voormalige Bureaus Vertrouwensartsen van toepassing zijn op de AMK's.(zie noot 1) Het tweede is om de toepasselijke algemene bepalingen uit het Bkj in het onderhavige ontwerpbesluit op te nemen. De Raad adviseert om de voorgestelde wijze waarop de specifieke bepalingen over kwaliteit en werkwijze van de AMK's worden vastgelegd, te heroverwegen. In dit verband merkt de Raad ook op dat de noodzaak van de bepaling in het voorgestelde artikel 2, eerste lid, niet duidelijk is.(zie noot 2) De hoofdstukken 2 tot en met 4 Bkj zijn in het voorgestelde artikel 2, tweede lid, niet van toepassing verklaard, en het zijn van een voorziening van ambulante hulpverlening is juist van belang voor de toepassing van hoofdstuk 2 Bkj. Bovendien vloeit uit artikel 1, tweede lid, onder d, van de wet reeds voort dat een AMK binnen de jeugdzorg valt onder het type van ambulante hulpverlening(zie noot 3), zodat de voorgestelde bepaling overbodig lijkt te zijn. De Raad adviseert het voorgestelde artikel 2, eerste lid, te laten vervallen. b. Afgezien van de vraag of de specifieke bepalingen uit het Bkj in het ontwerpbesluit worden opgenomen, merkt de Raad ten aanzien van de bereikbaarheid en beschikbaarheid van het AMK, als geregeld in het voorgestelde artikel, het volgende op: Het AMK dient alle dagen van de week 24 uur bereikbaar (onmiddellijk bereikbaar voor mondeling contact) te zijn. Deze bereikbaarheid kan ook georganiseerd worden met andere AMK's, voorzieningen van ambulante hulpverlening of plaatsende instanties in de regio. De beschikbaarheid (onmiddellijk beschikbaar voor hulpverlening) kan alleen worden waargenomen door een ander AMK. In de toelichting wordt niet uitgelegd waarom de beschikbaarheid niet, maar de bereikbaarheid wel door een andere instantie dan een AMK kan worden uitgevoerd. Beide activiteiten behoren op grond van artikel 34a, WJHV tot de taken van een AMK. Gezien de nadruk die wordt gelegd op de neutraliteit, specificiteit, herkenbaarheid en toegankelijkheid van een AMK(zie noot 4), ligt het meer in de rede ook de bereikbaarheid zo nodig door uitsluitend een ander AMK te laten waarnemen. De Raad adviseert de gemaakte keuze nader toe te lichten. 2. Artikelsgewijs a. In het voorgestelde artikel 3, tweede lid, wordt "een landelijk telefoonnummer" geïntroduceerd. Hiermee wordt, volgens de toelichting, een landelijk AMK-nummer bedoeld. Het zou de duidelijkheid ten goede komen als in de tekst van het ontwerpbesluit wordt gesproken over "het landelijke telefoonnummer van het advies- en meldpunt kindermishandeling". Uit de tekst van deze bepaling en uit de toelichting daarop, wordt niet duidelijk wat met de aansluiting op dit landelijk telefoonnummer beoogd wordt, noch waar en waartoe dit landelijk telefoonnummer geregeld is. De Raad adviseert op dit punt in het ontwerpbesluit en in de toelichting duidelijkheid te verschaffen. b. Het voorgestelde artikel 4 bepaalt dat bij een AMK in ieder geval een arts aanwezig is die deskundig is op het gebied van kindermishandeling. De toelichting op dit artikel stelt dat de arts hiertoe moet voldoen aan de door de sector ontwikkelde eisen voor het specialisme "vertrouwensarts". De Raad leidt hier uit af dat het zijn van vertrouwensarts deskundigheid op het gebied van kindermishandeling impliceert. Het zou de duidelijkheid ten goede komen als de eisen die aan de op een AMK werkzame arts worden gesteld, duidelijk in het ontwerpbesluit en de toelichting daarop worden verwoord. De Raad adviseert het ontwerpbesluit en de toelichting op dit punt aan te passen. c. In het voorgestelde artikel 9 wordt de samenwerking met de RVK geregeld. Adviesvragers en melders van een (vermoeden van) kindermishandeling zullen zich primair tot het AMK moeten wenden. De RVK is in principe alleen toegankelijk via het AMK. Complementaire bepalingen over de werkwijze van het AMK en de RVK zijn opgenomen in het ontwerpbesluit tot wijziging van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming (hierna: Organisatiebesluit).(zie noot 5) In het voorgestelde artikel 9, eerste en tweede lid, wordt bepaald dat het AMK in de omschreven gevallen "een melding doet" aan de RVK. In de toelichting op dit artikel staat dat in de genoemde gevallen de desbetreffende zaak door het AMK in zijn geheel wordt overgedragen aan de RVK en het AMK niet langer de verantwoordelijkheid voor de zaak draagt. De Raad wijst erop dat in artikel 34a, eerste lid, onder d, WJHV gesproken wordt van "overdragen" aan de RVK, zij het eerst na overleg. De Raad meent dat het de duidelijkheid ten goede zou komen als in de voorgestelde bepalingen zelf duidelijk wordt dat de zaak moet worden overgedragen. In het eerste lid sluit de term "overdragen", in het tweede lid de term "doorgeleiden" wellicht beter aan bij de situatie.(zie noot 6) De Raad adviseert het voorgestelde artikel 9 en de toelichting hierop aan te passen. Indien de voorgestelde bepalingen in artikel 9 gewijzigd worden, dient ook de complementariteit van het Organisatiebesluit opnieuw te worden bezien. d. De voorgestelde bepaling in artikel 9, tweede lid, bepaalt dat het AMK onverwijld een melding aan de RVK doet, als naar zijn oordeel sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige. Onduidelijk is of hierbij de aanvullende eis uit het voorgestelde artikel 9, eerste lid, geldt dat het gaat om een situatie waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. De Raad wijst in dit verband op de bepaling in het voorgestelde artikel 2a, tweede lid, van het Organisatiebesluit, waarin wordt gesteld dat de RVK een melding zonder tussenkomst van een AMK in onderzoek neemt, indien er sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor een minderjarige waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. Hieruit vloeit voort dat als een acute en ernstig bedreigende situatie zich voordoet, waarbij geen maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden, de RVK deze, conform het voorgestelde artikel 2b, eerste lid, van het Organisatiebesluit, doorzendt naar het AMK. De voorgestelde bepaling in artikel 9, tweede lid, van het ontwerpbesluit komt daarmee in tegenspraak, indien hierbij niet expliciet is bedoeld dat het gaat om situaties waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. De Raad adviseert duidelijkheid te verschaffen over de bedoelde situatie van het voorgestelde artikel en de bepaling aan te passen, zodanig dat de bepalingen uit het ontwerpbesluit en het Organisatiebesluit nauwkeurig op elkaar aansluiten. e. Het voorgestelde artikel 10, tweede lid, bepaalt dat een AMK geen inlichtingen verstrekt "over de herkomst van persoonsgegeven die het naar aanleiding van een melding verkrijgt van een persoon, die bij zijn werkzaamheden op het terrein van de jeugdhulpverlening of bij een instelling in een directe hulpverleningsrelatie, gericht op de opvoedingssituatie staat tot het gezin waartoe de minderjarige behoort, voor zover het verstrekken van die persoonsgegevens een bedreiging vormt of kan vormen voor de minderjarige of die persoon". Ten eerste spreekt dit artikel over een directe hulpverleningsrelatie met "het gezin", terwijl de toelichting spreekt over "het kind". Hierdoor is niet duidelijk welke situatie bedoeld wordt. De Raad wijst erop dat in beide gevallen het anoniem blijven van deze melder/hulpverlener aangewezen kan zijn. Ten tweede is de betekenis van de zinsnede "gericht op de opvoedingssituatie" niet duidelijk en past deze tekstueel niet op deze plaats. Ten derde is de zinsnede "of bij een instelling" zo ruim dat onduidelijk is welke instellingen hier beoogd zijn, en wat concreet het verschil is met de personen, bedoeld in artikel 10, derde lid, "die uit hoofde van zijn beroep anderszins in een directe relatie staat tot het gezin waartoe de minderjarige behoort". Daarnaast wordt niet toegelicht waarom alleen bij laatstgenoemde groep hulpverleners een (mogelijke) verstoring van de vertrouwensrelatie met het gezin grond is om geen inlichtingen te verstrekken, en dit bij de groep hulpverleners bedoeld in artikel 10, tweede lid, niet het geval is. De Raad adviseert de onduidelijkheden bedoeld in de genoemde punten toe te lichten en de bepalingen in het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen. 3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden. De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)