Naar inhoud
Raad van State

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende intrekking van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet en vervanging door het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 (Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000).

Jaar: 2019 Documenten: 1
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende intrekking van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet en vervanging door het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 (Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000).Bij Kabinetsmissive van 10 april 2000, no.00.002173, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting, houdende intrekking van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet en vervanging door het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 (Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000).Het ontwerp-Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 (ULCW 2000) vervangt het geldende Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet (ULCW). De wijzigingen betreffen vooral de verruiming van de mogelijkheden tot vrijstelling, vermindering en teruggave van de les- en cursusgelden in het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs. Verder wordt de hoogte van de retributies voortaan jaarlijks geïndexeerd, analoog aan de systematiek van het collegegeld. Tenslotte is de tekst van het geldende ULCW volledig herzien in een streven naar deregulering, flexibilisering van regelgeving en leesbaarheid.De Raad van State heeft opmerkingen over de (inhoud van) subdelegatie en de betalingsverplichting.1. Krachtens artikel 2, vierde lid, worden de gegevens die bij de inschrijving aan een dagschool met de onderwijskaart moeten worden verstrekt bij ministeriële regeling vastgesteld. Daarnaast noemt deze bepaling vier gegevens die de lagere regeling in ieder geval moet bevatten (naam van de leerling etc.). Artikel 3, vierde lid, geeft eenzelfde bepaling voor uitschrijving. In de artikelen 9 en 10 wordt dezelfde materie geregeld voor cursussen. Het valt de Raad op dat de inhoud van de gegevensverstrekking in deze laatstgenoemde artikelen volledig aan de ministeriële regeling wordt overgelaten. De reden voor dit onderscheid tussen de bepalingen over les- en cursusgeld wordt niet gegeven in de toelichting. In de geldende regeling wordt dit onderscheid ook niet gemaakt.De Raad beveelt aan de regeling, althans de toelichting op dit punt aan te vullen.2. Artikel 6, tweede lid, onderdeel c, biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling bijzondere vormen van dagonderwijs aan te wijzen waarvoor geen lesgeld is verschuldigd. Deze nieuwe vrijstellingsmogelijkheid wordt als volgt gemotiveerd. Het is denkbaar dat ten aanzien van bepaalde categorieën van jongeren het volgen van onderwijs om maatschappelijke redenen van zodanig belang wordt geacht, dat bij het ontbreken van een onderwijskaart het heenzenden van de leerling geen optie is. Voor onderwijsinstellingen is een correcte inschrijving van belang in het kadervan de bekostiging. Om de voornaamste belemmering voor ondertekening van de onderwijskaart weg te nemen, biedt deze bepaling de mogelijkheid van een generieke vrijstelling.(zie noot 1)Het college kan zich niet direct voorstellen welke specifieke situaties de minister hier op het oog heeft. In beginsel geldt namelijk voor alle leerlingen dat het volgen van onderwijs van groot maatschappelijk belang wordt geacht, zeker als ze nog geen startkwalificatie hebben behaald.(zie noot 2) Dat zou aanleiding geven alle leerlingen vrijstellingen te verlenen. Aan de andere kant is het een bevoegdheid waarvan slechts beperkt gebruik gemaakt zou moeten worden. Bij veelvuldig gebruik valt immers de basis voor de lesgeldheffing weg.De Raad betwijfelt dan ook, mede gelet op aanwijzing 26 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, of deze bevoegdheid tot beperking van de reikwijdte van de lesgeldverplichting - ook al is deze begrensd - moet worden overgelaten aan een ministeriële regeling. In ieder geval dient volgens het college in de toelichting nader aangegeven te worden aan welke bijzondere vormen van onderwijs wordt gedacht.3. Terugbetaling van les- of cursusgeld kan voortaan ook plaatsvinden vanwege bijzondere familieomstandigheden, die bij ministeriële regeling worden bepaald (artikelen 7, tweede lid, onderdeel d en 14, tweede lid, onderdeel d). In de beleidsnota die ten grondslag ligt aan het ontwerpbesluit is uiteengezet welke de relevante bijzondere familieomstandigheden zijn:- het overlijden van of ernstige ziekte bij de partner van de studerende- het overlijden van of ernstige ziekte bij een familielid in de eerste graad van de studerende- echtscheiding van de ouders van de studerende.(zie noot 3)De Raad begrijpt uit de toelichting dat deze onderdelen in de ministeriële regeling zullen worden opgenomen. In de toelichting wordt apart aandacht gegeven aan de situatie waarin de partner waarmee niet wordt samengewoond ernstig ziek is of komt te overlijden.(zie noot 4) Het ligt volgens de regering niet in de rede deze situaties onder de bijzondere omstandigheden te brengen. Eventueel zou kunnen worden teruggevallen op ziekte van de leerling zelf, aldus de toelichting. De Raad verzoekt deze afwijking van de beleidsnota nader en beter te motiveren.4. De lesgeldverplichting gaat, indien de leerling in de loop van het schooljaar wordt ingeschreven, in op de datum van inschrijving (artikel 2, tweede lid). Krachtens artikel 4, vierde lid, wordt het verschuldigde bedrag in dit geval afgeschreven op bij ministeriële regeling te bepalen tijdstippen. In de toelichting op artikel 2, tweede lid, wordt op deze beperkte betalingsverplichting ingegaan met behulp van verwijzingen naar artikel 4.Deze toelichting is echter niet helder geformuleerd. De betalingsverplichting van 7/12 deel van het lesgeld indien wordt ingeschreven na 31 december van het desbetreffende schooljaar geldt immers niet ingevolge artikel 4, maar ingevolge artikel 5. De momenten waarop aan deze verplichting moet worden voldaan gelden ook niet ingevolge artikel 4, maar ingevolge de ministeriële regeling die krachtens artikel 4, vierde lid, zal worden vastgesteld.De Raad adviseert de toelichting op artikel 2 in vorenstaande zin te verduidelijken.De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.De Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)