Naar inhoud
Raad van State

Voorstel van wet van het lid Giskes tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (bestuursstructuur pensioenfondsen), met memorie van toelichting.

Jaar: 2019 Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Giskes tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (bestuursstructuur pensioenfondsen), met memorie van toelichting.Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 14 mei 2002, heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Giskes tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (bestuursstructuur pensioenfondsen), met memorie van toelichting. Het initiatiefvoorstel strekt ertoe de medezeggenschap van gepensioneerden en slapers in pensioenfondsen te vergroten. Hiertoe worden onder meer voorstellen gedaan tot invoering van een wettelijk recht voor gepensioneerden op vertegenwoordiging in de fondsbesturen, een instemmingsrecht voor deelnemersraden en een beroepsrecht voor minderheden in de deelnemersraden. Het voorstel geeft de Raad van State aanleiding tot een aantal opmerkingen. Inleiding Sinds 1990 bevat de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) bepalingen inzake de medezeggenschap van gepensioneerden. De wet laat toe dat gepensioneerden in het bestuur van een pensioenfonds worden benoemd. Voorts is het bestuur in bepaalde gevallen verplicht een deelnemersraad in te stellen. In de deelnemersraad zijn de in het fonds deelnemende werknemers en gepensioneerden evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen vertegenwoordigd. Een deelnemersraad heeft tot taak het bestuur te adviseren over een aantal belangrijke aangelegenheden. Voorts heeft de deelnemersraad een klachtrecht bij de Pensioen- en Verzekeringskamer. De medezeggenschapsregeling is in 1996 geëvalueerd. Daarbij constateerden het kabinet en de sociale partners dat in de praktijk nog slechts op bescheiden schaal gebruik was gemaakt van voornoemde wettelijke mogelijkheden tot medezeggenschap en dat daarin verbetering zou kunnen worden gebracht. De Stichting van de Arbeid (STAR) en het Coördinatieorgaan Samenwerkende ouderenorganisaties zagen hierin aanleiding een convenant te sluiten, waarin deze partijen de primaire verantwoordelijkheid van de sociale partners voor de inhoud van pensioenregelingen tot uitgangspunt nemen. Op grond van dit medezeggenschapsconvenant heeft de STAR de aanbeveling gedaan de medezeggenschapspositie van gepensioneerden te verbeteren via het instellen van een deelnemersraad of via participatie van één of meer gepensioneerden in het bestuur van het pensioenfonds. Ter ondersteuning van het convenant is in de PSW een aantal bepalingen opgenomen. Zo is het mogelijk gemaakt om op initiatief van fondsbesturen deelnemersraden tot stand te brengen en is onder andere het beroepsrecht voor deelnemersraden bij de Ondernemingskamer geïntroduceerd. Het convenant, dat een looptijd had tot 1 juli 2001, is geëvalueerd. Uit de resultaten van het op 18 juli 2001 gepubliceerde evaluatieonderzoek blijkt dat het aantal pensioenfondsen dat een deelnemersraad heeft, sinds het convenant in werking trad fors is toegenomen. De convenantspartijen hebben nog geen gemeenschappelijke conclusies getrokken naar aanleiding van de evaluatie van het convenant. 1. Maatschappelijke en politieke context In hoofdstuk 1 van de memorie van toelichting wordt de voorgeschiedenis van de medezeggenschap van gepensioneerden geschetst. De schets eindigt met de resultaten van de evaluatie uit 2001 betreffende de medezeggenschap van gepensioneerden. Uit de evaluatie blijkt - aldus de toelichting - dat er aan de medezeggenschap van gepensioneerden nog veel valt te verbeteren. In hoofdstuk 2, laatste alinea, van de toelichting wordt opgemerkt dat de zeggenschap voor alle pensioenverzekerden alleen binnen een beperkte periode is te realiseren via wetgeving. Bij brief van 27 maart 2002 heeft het kabinet de notitie "Hoofdlijnen voor een nieuwe Pensioenwet"(zie noot 1), waarin op hoofdlijnen de beleidsrichting ten aanzien van de belangrijkste onderwerpen van de Pensioenwet beschreven wordt, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gestuurd. Het kabinet gaat er, gezien de positieve uitkomsten van het eerdere convenant, van uit dat convenantspartijen erin slagen een verbeterslag te maken ten aanzien van medezeggenschap van gepensioneerden. Mocht dit onverhoopt niet de uitkomst worden van de beraadslagingen, dan zal worden overwogen wettelijk vast te leggen dat elk pensioenfonds van enige omvang een deelnemersraad moet hebben of dat moet zijn voorzien in participatie van gepensioneerden in het bestuur van het fonds. De Raad constateert dat het kabinet vooralsnog het initiatief bij sociale partners wil laten om een vergroting van de medezeggenschap van gepensioneerden te regelen. Gezien het belang van een toereikend draagvlak voor wijzigingen in de uitvoering van de pensioenen bij de sociale partners meent de Raad dat de memorie van toelichting onvoldoende ingaat op de afweging tussen enerzijds het belang dat de sociale partners vooralsnog het initiatief houden en anderzijds het door de initiatiefneemster voorgestane belang van een spoedige wettelijke regeling van een verdergaande medezeggenschap van gepensioneerden. In verband met wettelijke regeling van de bestuursstructuur van de pensioenfondsen wijst de Raad ook op de enorme verscheidenheid in het pensioenveld. Pensioenen kunnen zijn ondergebracht in een bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of rechtstreeks bij een verzekeraar, samenstelling en omvang van de groepen belanghebbenden zijn zeer uiteenlopend en er bestaan grote verschillen in pensioencontracten. Het college acht het van belang dat bij de totstandbrenging van nieuwe wetgeving inzake de bestuursstructuur van de pensioenfondsen verzekerd is dat deze wetgeving voldoende is afgestemd op de bedoelde verscheidenheid. De Raad adviseert om in de toelichting aandacht te besteden aan de overwegingen in de notitie "Hoofdlijnen voor een nieuwe Pensioenwet" terzake van het eventueel wettelijk nader regelen van medezeggenschap van gepensioneerden, alsmede aan de hiervoor bedoelde belangenafweging en afstemming. 2. Verplichte deelname gepensioneerden in het bestuur Het initiatiefvoorstel bevat in het voorgestelde nieuwe eerste lid van artikel 6 PSW het recht voor gepensioneerden op een vertegenwoordiging in het bestuur. Daarbij geldt als hoofdregel dat de in het fonds deelnemende werknemers en de gepensioneerden evenredig naar hun aantallen in het bestuur zitting hebben. Tevens is geregeld dat de vertegenwoordigers van de werknemers ten minste evenveel zetels bezetten als die van de werkgever(s). Het wetsvoorstel gaat uit van de wenselijkheid om aan gepensioneerden (evenals in beginsel aan slapers) dezelfde medezeggenschapsrechten toe te kennen met betrekking tot deelname in het pensioenfondsbestuur (evenals in de deelnemersraad) als aan actieve deelnemers (de werknemers). Door de wettelijke verplichting tot het opnemen van gepensioneerden als een derde categorie in het bestuur, wordt de pariteit in het bestuur tussen werkgever(s) en werknemers doorbroken, hetgeen een minderheidspositie impliceert voor de werkgever(s). De pariteitgedachte is tot nu toe een belangrijk uitgangspunt in de PSW. Dit is gebaseerd op de gedachte dat de functie van het besturen van een pensioenfonds, evenals de totstandbrenging van een pensioenregeling, hun grond vinden in het arbeidsvoorwaardenoverleg, waarbij de sociale partners een gelijkwaardige positie toekomt. De belangen van een gepensioneerde als een crediteur die voor wat betreft zijn financiële positie, niet uit eigen keuze, vaak in hoge mate afhankelijk is van één debiteur, het pensioenfonds, zijn zeer groot. In zoverre acht de Raad betrokkenheid als zodanig van gepensioneerden bij hun pensioenfonds en het bestuur ervan in onze tijd vanzelfsprekend. Voor de beoordeling van het wetsvoorstel is het echter van belang dat een goed zicht bestaat op de belangen van elk van de drie categorieën betrokkenen: werknemers, gepensioneerden en werkgevers, en op hun onderlinge verhouding. In dat opzicht past naar de mening van de Raad enige nuancering bij de in hoofdstuk 2, onder punt 4, van de toelichting geschetste belangentegenstelling tussen gepensioneerden (en slapers) enerzijds, en actieven/werknemers en werkgevers anderzijds. Ten aanzien van de betrokken belangen van deze drie categorieën wijst het college op het volgende. Er bestaat in hoge mate parallellie van belangen tussen gepensioneerden en actieven, waar het gaat om het waarborgen van de lopende en toekomstige pensioenuitkeringen. Beide categorieën, evenals overigens de werkgevers gelet op hun verplichtingen, hebben daarmee evenzeer belang bij een goed beleggingsbeleid, en een gedegen bestuur dat voor dat alles moet instaan. Voorzover er sprake is van een tegenstelling in belangen tussen gepensioneerden en actieven, betreft deze vooral de factor tijd. Voor gepensioneerden geldt een kortere tijdshorizon, en een onmiddellijk belang bij behoud van indexering, terwijl voor actieven de indexering een belang op termijn betreft, tegenover een direct belang bij mogelijkheden tot premieverlichting of zelfs een premieholiday. Werkgevers hebben in zoverre een eigensoortig belang, dat zij een doorgaans fors deel van de premielast dragen, terwijl daar voor hen, uit de aard der zaak, geen financiële aanspraken jegens het fonds tegenover staan. De premielast vormt een aanzienlijke component in hun financiële huishouding. Een specifiek belang van gepensioneerden is dat van de cliënt, die gebaat is bij de kwaliteit van de dienstverlening door het fonds. Het voorgaande overziende, is de Raad van oordeel dat, nadat in een eerder stadium in de PSW al de mogelijkheid is gecreëerd om gepensioneerden een vertegenwoordiging te geven in het bestuur van hun pensioenfonds, er voldoende reden bestaat om nu een volgende stap te zetten, in de vorm van een wettelijke verplichting tot die vertegenwoordiging. Medezeggenschap van gepensioneerden in het bestuur kan er aan bijdragen dat recht wordt gedaan aan de belangen van gepensioneerden, zeker ook daar waar zij niet parallel lopen met die van de beide andere categorieën betrokkenen, en bevordert het draagvlak van het fonds en zijn bestuur bij zijn cliënten. De Raad wijst er overigens op dat deze medezeggenschap niet de enige weg is om belangen van gepensioneerden te waarborgen: ook toezichthoudende instanties, zoals de Pensioen- en Verzekeringskamer, hebben in deze een belangrijke taak. Geeft het wetsvoorstel wat betreft de invoering van de genoemde wettelijke verplichting de Raad geen reden tot opmerkingen, het college zet vraagtekens bij het wetsvoorstel waar het nog een stap verder wil zetten, door het doorbreken van de pariteit, ten nadele van de positie van de werkgever(s). Gelet op de bijzondere eigen belangen van de werkgevers, als degenen op wie een aanzienlijk deel van de premielast rust en die aldus, bezien vanuit hun financiële huishouding, een eigen, zwaarwegend belang hebben bij de kwaliteit van het bestuur en in het bijzonder het financieel beheer door de pensioenfondsen, en gelet op de hiervoor aangebrachte nuancering in de door de toelichting gestelde verschillen in belangen tussen gepensioneerden en actieven, meent de Raad dat niet ook de stap moet worden gezet naar het doorbreken van de pariteit. Hij wijst in dit verband mede naar hetgeen hij hiervoor, in punt 1, heeft opgemerkt over het belang van een toereikend draagvlak bij de sociale partners voor veranderingen op dit terrein. De Raad adviseert daarom het wetsvoorstel op het punt van de verhouding tussen de drie categorieën vertegenwoordigers in het bestuur van het pensioenfonds te heroverwegen. Daarbij ware te betrekken de onder punt 1 aangeduide verscheidenheid in het pensioenveld, in het bijzonder die tussen ondernemingspensioenfondsen en bedrijfstakpensioenfondsen. 3. Instemmingsrecht voor deelnemersraden Het wetsvoorstel voorziet in artikel 6b in een instemmingsrecht voor de deelnemersraden. Instemming wordt verplicht voor ongeveer alle gevallen waarin nu advies moet worden gevraagd. Het instemmingsrecht komt in de voorgestelde vorm neer op een vetorecht. In zijn advies van 27 april 1999 terzake van het voorstel van wet tot wijziging van de PSW met betrekking tot de medezeggenschap van gepensioneerden(zie noot 2) merkte de Raad het volgende op: "Anders dan het geval is bij ondernemingen wordt bij een pensioenfonds de helft van de zetels in het bestuur van het fonds bezet door of namens de werknemers, al dan niet aangevuld met gepensioneerden. De deelnemersraad gaat dus in beroep tegen besluiten waaraan de "deelnemers" zelf hebben meegewerkt. Het risico bestaat dat het overleg in het paritair samengestelde bestuur gefrustreerd wordt, doordat een deel van de bestuursleden door middel van de deelnemersraad tegen het bestuursbesluit in beroep kan gaan." In het nader rapport werd aangeven dat het niet waarschijnlijk was dat gewezen deelnemers zowel in het bestuur als in de deelnemersraad zitting zouden hebben omdat het convenant de aanbeveling bevatte om ofwel een bestuurszetel voor gewezen deelnemers te creëren, ofwel een deelnemersraad op te richten. Verder werd er in het nader rapport op gewezen dat het creëren van de mogelijkheid voor het oprichten van een wettelijke deelnemersraad nadrukkelijk tot stand was gekomen om de medezeggenschap van gewezen deelnemers, in het bijzonder gepensioneerden te vergroten. Omdat de deelnemersraad breder is samengesteld dan de vertegenwoordiging in het pensioenfondsbestuur, kan dus niet gezegd worden dat door de deelnemersraad beroep wordt aangetekend tegen een besluit waaraan "de deelnemers" zelf meegewerkt hebben, aldus het nader rapport. Zoals aangegeven in de inleiding van dit advies, heeft de STAR de aanbeveling gedaan de medezeggenschapspositie van gepensioneerden te verbeteren via het instellen van een deelnemersraad of via participatie van één of meer gepensioneerden in het bestuur van het pensioenfonds. De vraag rijst allereerst wat het wettelijk verplicht stellen van die participatie moet betekenen voor de medezeggenschap via een deelnemersraad. Het wetsvoorstel beantwoordt die vraag door niet (langer) te spreken in termen van een alternatief, maar naast de verplichte participatie van gepensioneerden in het bestuur ook te voorzien in een deelnemersraad. Ingevolge artikel 6a, eerste lid, is het bestuur van een pensioenfonds verplicht een deelnemersraad in te stellen indien dit wordt verzocht door ten minste 1% of, indien dat minder is, 250 van de belanghebbenden bij het fonds. De Raad kan zich voorstellen dat, naast de vertegenwoordiging van gepensioneerden en actieven in het bestuur van het pensioenfonds, en mede bezien vanuit overwegingen van draagvlak, ook een deelnemersraad een nuttige functie kan vervullen. Hij kan zich dan ook vinden in een situatie waarin beide vormen van medezeggenschap als aangeduid door de STAR naast elkaar voorkomen. De Raad meent echter dat het wetsvoorstel de destijds door hem aangevoerde bezwaren tegen de toerusting van de deelnemersraad in versterkte mate doet voelen, terwijl de destijds door de regering aangevoerde tegenargumenten met het wetsvoorstel nu grotendeels wegvallen. Naar het oordeel van de Raad moeten namelijk de positie en de toerusting van de deelnemersraad worden bezien in directe samenhang met de vertegenwoordiging van de categorieën actieven en gepensioneerden in het bestuur van het fonds, en met de invloed die zij aldus hebben op de gang van zaken in het fonds. Het college meent dat het wetsvoorstel aan deze samenhang ten onrechte voorbijgaat, en heeft daarbij in het bijzonder het oog op het instemmingsrecht, zoals geregeld in artikel 6b. Zeker wanneer door het wetsvoorstel zowel gepensioneerden als actieven vertegenwoordigd zijn in het bestuur van het fonds, meent de Raad dat dit instemmingsrecht, dat een vetorecht impliceert, te ver gaat, omdat het ertoe kan leiden dat de deelnemersraad op de stoel van het bestuur gaat zitten. De Raad adviseert het wetsvoorstel op dit punt te heroverwegen. 4. Overige opmerkingen met betrekking tot artikel 6 a. Met de toevoeging "met inachtneming van artikel 6b" in artikel 6, eerste lid, wordt volgens de toelichting bedoeld dat ook het wijzigen van de samenstelling van het bestuur de instemming behoeft van de deelnemersraad. De Raad merkt hierbij in de eerste plaats op dat, mede gelet op de derde volzin van artikel 6, eerste lid, de toelichting een ruimere toepassing suggereert dan op grond van de voorgestelde wettekst mogelijk is. De voorgestelde wettekst heeft alleen betrekking op wijziging in de samenstelling van het bestuur als gevolg van het opnemen van de zogenaamde slapers. In de tweede plaats merkt de Raad op dat voorgenomen besluiten van het bestuur waarvoor de instemming van de deelnemersraad nodig is, limitatief zijn opgesomd in artikel 6b, eerste lid. In verband hiermee acht de Raad de voorgestelde toevoeging in artikel 6 niet overeenkomstig de opzet van de PSW. Hij adviseert een voorgenomen besluit tot wijziging van de samenstelling van het bestuur toe te voegen aan artikel 6b, eerste lid. De zinsnede "met inachtneming van artikel 6b" kan alsdan in artikel 6 vervallen. De Raad adviseert de tekst en toelichting van de artikelen 6 en 6b aan het voorgaande aan te passen. b. In de nieuwe opzet van artikel 6 - met uitzondering van het bestaande vierde lid - is alleen sprake van pensioenfondsen (bedrijfstak- of ondernemingspensioenfondsen) en niet meer, zoals in de huidige regeling, ook van spaarfondsen. De Raad adviseert deze omissie te herstellen. 5. Artikel 6a a. In het voorgestelde eerste lid van artikel 6a wordt de verplichting tot het instellen van een deelnemersraad afhankelijk gesteld van een verzoek hiertoe van een kleiner gekwalificeerd deel van belanghebbenden (namelijk 1%, of - als dat minder is - 250 belanghebbenden) dan voorheen. Het huidige 5%-vereiste vormt, aldus de toelichting, een te grote barrière bij grotere pensioenfondsen. In de huidige wet is het echter bij een bedrijfstakpensioenfonds voldoende als een verzoek wordt gedaan door één of meer verenigingen die samen binnen het fonds tenminste een ledental hebben van 5% van het totale aantal van de in het fonds deelnemende werknemers en de gewezen werknemers en hun pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen. De Raad adviseert aan te geven hoe in de nieuwe redactie met een verzoek van dergelijke verenigingen moet worden omgegaan. b. Met de toevoeging "met inachtneming van artikel 6b" in het eerste lid van artikel 6a wordt volgens de toelichting bedoeld dat ook het wijzigen van de samenstelling van de deelnemersraad de instemming behoeft van de deelnemersraad. Aangezien voorgenomen besluiten van het bestuur waarvoor de instemming van de deelnemersraad nodig is, limitatief zijn opgesomd in artikel 6b, eerste lid, acht de Raad de voorgestelde toevoeging niet overeenkomstig de opzet van de PSW. De Raad adviseert een voorgenomen besluit tot wijziging van de samenstelling van de deelnemersraad toe te voegen aan artikel 6b, eerste lid. De zinsnede "met inachtneming van artikel 6b" kan alsdan in artikel 6a vervallen. c. Het voorgestelde tweede lid van artikel 6a voorziet in het instellen van een deelnemersraad bij pensioenregelingen die bij een verzekeraar zijn ondergebracht. Naar de mening van de Raad wordt niet duidelijk, ook niet in combinatie met het voorgestelde derde lid van artikel 6b en het voorgestelde zesde lid van het nieuwe artikel 6c, wat in dat geval de juridische vormgeving is en hoe een deelnemersraad in die situatie zou moeten functioneren. De Raad beveelt aan een duidelijke visie te ontwikkelen over de mogelijkheden van medezeggenschap bij rechtstreeks bij verzekeraars ondergebrachte pensioenvoorzieningen en het wetsvoorstel daarop af te stemmen. d. Het vierde lid van artikel 6a, verklaart het vierde lid van artikel 6 van overeenkomstige toepassing. Naar de mening van de Raad is het vierde lid van artikel 6, betreffende bijstand door deskundigen, ten aanzien van deelnemersraden onduidelijk nu de faciliteiten voor de deelnemersraden apart zijn geregeld in artikel 6c. De Raad beveelt aan dit onderdeel, alsmede de toelichting aan te passen. e. Het bestaande vierde lid van artikel 6a wordt niet gehandhaafd. Naar de mening van de Raad staat niet vast en wordt ook niet toegelicht, dat dit onderdeel overbodig is geworden. De Raad adviseert deze omissie te herstellen. 6. Overige opmerkingen met betrekking tot artikel 6b a. Wordt ondanks hetgeen hiervoor, in punt 3, door de Raad is geadviseerd, vastgehouden aan het instemmingsrecht voor deelnemersraden, dan merkt de Raad nog het volgende op. Het instemmingsrecht komt neer op een absoluut vetorecht. Het voorstel voorziet er niet in, zoals in Wet op de ondernemingsraden (WOR), wat er gebeurt als instemming onthouden wordt. Geadviseerd wordt het instemmingsrecht verder gestalte te geven conform artikel 27 WOR. b. Het derde lid van artikel 6b heeft betrekking op pensioenvoorzieningen die rechtstreeks bij een verzekeraar zijn ondergebracht. Hiervoor geldt hetgeen hiervoor, in punt 5, onder c, is opgemerkt met betrekking tot artikel 6a, tweede lid. 7. Artikel 6c a. Het nieuwe artikel 6c voorziet in faciliteiten als secretariële ondersteuning, scholing en bijstand van deskundigen voor de deelnemersraad als geheel, dan wel voor tenminste 10% van de leden. Uitgangspunt voor dit artikel zijn de artikelen 17 en 18 van de WOR. In het artikel wordt, anders dan in de WOR, niet expliciet aangegeven dat (actieve) werknemers met behoud van loon hun werkzaamheden voor de deelnemersraad verrichten. Voorts ontstaat in combinatie met het vierde lid van het artikel onduidelijkheid over wie die loonkosten draagt. De Raad adviseert een en ander alsnog te regelen en toe te lichten. b. Het zesde lid van artikel 6c verklaart de eerste vijf leden van het artikel ten aanzien van een deelnemersraad van overeenkomstige toepassing op de werkgever in het geval de pensioenvoorziening rechtstreeks bij een verzekeraar is ondergebracht. Hiervoor geldt de hiervoor, in punt 5, onder b, gemaakte opmerking dat het voorstel met betrekking tot rechtstreeks bij een verzekeraar ondergebrachte pensioenvoorzieningen juridisch noch praktisch is in te passen. Dit blijkt ook uit bijvoorbeeld het vierde lid van het onderhavige artikel, dat als volgt is toegelicht: "De deelnemersraad is een orgaan van het pensioenfonds en werkt ten behoeve van het fonds. Het spreekt dan ook vanzelf dat de kosten die het werk van de raad met zich meebrengt ten laste van dat fonds komen." Deze toelichting is niet te rijmen met de in het zesde lid bedoelde situatie van een rechtstreeks verzekerde pensioenvoorziening. De Raad adviseert het zesde lid te schrappen. 8. Artikel 6d Het nieuwe artikel 6d regelt het recht van de deelnemersraad om tegen een besluit van het bestuur in beroep te gaan bij de ondernemingskamer (huidige artikel 6c). De bepaling is aangepast als gevolg van het invoeren van het instemmingsrecht voor de deelnemersraad en van het beroepsrecht voor minderheden uit de deelnemersraad. Voorzover ondanks hetgeen hiervoor, in punt 3 respectievelijk punt 2 is opgemerkt, wordt vastgehouden aan het instemmingsrecht voor deelnemersraden en het doorbreken van de pariteit in het bestuur, merkt de Raad het volgende op. a. Gelet op de in artikel 6 voorgestelde samenstelling van het bestuur van het pensioenfonds maken werknemers en gepensioneerden reeds de meerderheid in het bestuur uit, waarmee zij een beslissende stem hebben in de besluiten van het fonds. Daarmee is het nut van een beroepsrecht onduidelijk. Eerder bestaat het risico dat het overleg in het bestuur gefrustreerd wordt doordat een deel van de bestuursleden via de deelnemersraad tegen een bestuursbesluit in beroep kan gaan. In de tweede plaats leidt het beroepsrecht tot fricties met het instemmingsrecht dat voor dezelfde besluiten geldt. Indien een besluit niet in overeenstemming met het instemmingsrecht is genomen, passen daar maatregelen bij als de mogelijkheid van nietigverklaring, zoals ook voorzien in artikel 27 WOR, en niet een marginale toetsing zoals voorzien in het vierde lid van artikel 6d. Het voorgestelde beroepsrecht voor een minderheid uit de deelnemersraad tegen een besluit op grond van het feit dat dit niet in overeenstemming is met het standpunt van deze minderheid, leidt zelfs tot strijdigheid met het instemmingsrecht. De Raad adviseert het beroepsrecht in samenhang met de voorgestelde bepalingen ten aanzien van de samenstelling van het bestuur en ten aanzien van het instemmingsrecht voor deelnemersraden te heroverwegen. Wordt niettemin vastgehouden aan het beroepsrecht, dan merkt de Raad nog het volgende op. b. Het eerste lid van het huidige artikel 6c is ongewijzigd vernummerd tot eerste lid van artikel 6d. Dit lid behoeft echter aanpassing in verband met het invoeren van het instemmingsrecht voor de deelnemersraad en van het beroepsrecht voor minderheden uit de deelnemersraad. Hierbij dient aan de orde te komen in hoeverre in de nieuwe situatie nog behoefte bestaat aan de in het eerste lid opgenomen kennisgevingsverplichting met betrekking tot door de deelnemersraad uitgebrachte adviezen nu daar geen beroepsmogelijkheid meer voor bestaat. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of een dergelijke verplichting ook zou moeten gelden voor gevallen waarin besluiten ter instemming zijn voorgelegd. De Raad adviseert het voorstel in het licht van het voorgaande aan te passen. c. In de huidige regeling geldt het beroepsrecht voor alle besluiten aangaande aangelegenheden waarover een advies, al dan niet uit eigen beweging, wordt uitgebracht. In de nieuwe situatie geldt het beroepsrecht alleen voor de in artikel 6b, eerste lid, bedoelde besluiten waarvoor het pensioenfonds instemming behoeft van de deelnemersraad. Besluiten over aangelegenheden waarvoor geen instemmingseis geldt, maar waar wel advies over is uitgebracht, kunnen niet aan de beroepsrechter worden voorgelegd. Dit kan bijvoorbeeld een besluit betreffen tot het nemen van maatregelen van algemene strekking. Bij een vorige wijziging van de PSW(zie noot 3) is de reikwijdte van het beroepsrecht uitgebreid aan de orde geweest. De Raad adviseerde toen onder meer om het beroepsrecht in ieder geval niet toe te kennen met betrekking tot het nemen van maatregelen van algemene strekking, omdat dit tot verschillende interpretaties kan leiden. De regering meende de beroepsmogelijkheid met betrekking tot maatregelen van algemene strekking te moeten handhaven. Zij beargumenteerde dit in het nader rapport als volgt. "Het gaat hierbij om maatregelen die het fonds in zijn algemeenheid of groepen van deelnemers aangaan. Zo valt bijvoorbeeld het actuele en voor in het bijzonder gewezen deelnemers zo belangrijke onderwerp aanwending van overreserves onder deze aangelegenheid. Het kabinet ziet niet in waarom het begrip "maatregelen van algemene strekking", dat ook in andere regelgeving wordt gebruikt, tot onduidelijkheid met betrekking tot de interpretatie zou leiden."(zie noot 4) De Raad adviseert, gelet op het voorgaande, te beargumenteren waarom bij besluiten die niet vallen onder de instemmingseis, maar waarover wel advies is uitgebracht, geen behoefte bestaat aan het beroepsrecht. 9. Overige opmerkingen a. In het tot artikel 6e vernummerde artikel 6d is het klachtrecht voor de deelnemersraad vastgelegd. In dit artikel worden geen wijzigingen voorgesteld. Door de verwijzing in het eerste lid naar artikel 6b, eerste lid, wordt de toepassing van het klachtrecht echter beperkt tot aangelegenheden waarvoor het pensioenfonds instemming behoeft. Het klachtrecht geldt niet meer voor aangelegenheden waarvoor geen instemmingseis geldt, maar waarover wel een advies wordt uitgebracht. De vraag of de gesignaleerde beperking van het klachtrecht wenselijk is, behoeft beantwoording in de toelichting. Dat geldt evenzeer voor de vraag in hoeverre voor aangelegenheden waarvoor instemmingsrecht bestaat, nog behoefte is aan een klachtrecht. De Raad adviseert in de toelichting op een en ander in te gaan en zo nodig artikel 6d aan te passen. b. Artikel 20 PSW bevat bepalingen inzake het toezicht op de uitvoering van de wet en de artikelen 23a en 23b bevatten bepalingen met betrekking tot de bevoegdheid van de Pensioen- en Verzekeringskamer tot het opleggen van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete terzake van bepaalde overtredingen. Deze artikelen dienen in verband met de voorgestelde wijzigingen te worden aangepast. De Raad adviseert daartoe. 10. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage. De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Documenten (1)